Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2009:BK2323

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
23-10-2009
Datum publicatie
06-11-2009
Zaaknummer
AWB 08-3161
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Anders dan verweerder oordeelt de rechtbank dat in het geval van eiser wel sprake is van een noodzakelijke opleiding. Immers, verweerder heeft bij een besluit op het bezwaar gericht tegen de re-integratievisie in het kader van de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling aan eiser een vergoeding toegekend voor het volgen van een opfriscursus of een makelaarsopleiding. Gelet op de in dat kader door de bezwaararbeidsdeskundige gedane beoordeling werden een opfriscursus en een makelaarsopleiding even noodzakelijk geacht voor de re-integratie van eiser, die een forse achterstand op de arbeidsmarkt heeft. Nu in het kader van de re-integratie van eiser verweerder zich op het standpunt heeft gesteld dat de makelaarsopleiding noodzakelijk is, is niet te begrijpen dat verweerder zich in onderhavig kader op het standpunt stelt dat geen sprake is van een noodzakelijke opleiding. Gelet op de beoordeling van de bezwaararbeidsdeskundige in de rapportage van 14 februari 2008 is inhoudelijk aan de in artikel 1, tweede lid, aanhef en onder a en b, van de Scholingsregeling WW gestelde voorwaarden voldaan. Derhalve voldoet eiser aan artikel 76, eerste lid, van de WW omdat hij deelneemt aan een voor hem, naar het oordeel van het Uwv, noodzakelijke opleiding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ’s-HERTOGENBOSCH

Sector bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 08/3161

Uitspraak van de meervoudige kamer van 23 oktober 2009

inzake

[eiser],

te [plaats],

eiser,

gemachtigde mr. E. van der Heijden,

tegen

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv),

verweerder,

gemachtigde L. den Hartog, werkzaam bij het Uwv-kantoor te Eindhoven.

Procesverloop

Bij besluit van 6 februari 2008 heeft verweerder de uitkering van eiser op grond van de Werkloosheidswet (WW) met ingang van 5 november 2007 herzien, inhoudende dat de uitkering wordt verlaagd tot nihil. Het bedrag dat eiser over de periode van 5 november 2007 tot en met 25 november 2007 te veel heeft ontvangen, bruto € 698,00, heeft verweerder bij dit besluit van eiser teruggevorderd.

Bij brief van 5 februari 2008 heeft verweerder aangegeven dat hij in de brief van 6 februari 2008 heeft laten weten dat eiser in de periode van 5 november 2007 tot en met 25 november 2007 geen recht had op een WW-uitkering. Het gaat om een bruto bedrag van € 698,00. Dat eiser ten onrechte een uitkering ontving, is niet zijn fout. Voorts is medegedeeld dat eiser binnenkort zal worden bericht over het bedrag dat werkelijk moet worden terugbetaald, de wijze waarop en de termijn waarbinnen deze betaling moet plaatsvinden.

Zowel tegen het besluit van 6 februari 2008 als tegen de brief van 5 februari 2008 heeft eiser (afzonderlijk) bezwaar gemaakt. Beide bezwaren zijn door verweerder bij besluit van 30 juli 2008 ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.

De zaak is behandeld op de zitting van 20 mei 2009, waar eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Tevens is de gemachtigde van verweerder verschenen.

De rechtbank heeft met toepassing van artikel 8:64, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het onderzoek ter zitting geschorst om verweerder de gelegenheid te bieden nader onderzoek te verrichten.

Verweerder heeft de rechtbank hierover bericht en eiser heeft hierop gereageerd.

Partijen hebben toestemming verleend om uitspraak te doen zonder nadere zitting, als bedoeld in artikel 8:64, vijfde lid, van de Awb. De rechtbank heeft het onderzoek op 13 oktober 2009 gesloten.

Overwegingen

1. De rechtbank stelt voorop dat de in de brief van 5 februari 2008 gedane mededeling niet zelfstandig op rechtsgevolgen is gericht. Het betreft hier immers een herhaling van het rechtsgevolg dat in het besluit van 6 februari 2008 staat vermeld. De brief van 5 februari 2008 kan niet worden aangemerkt als een besluit als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb.

2. Nu er op grond van artikel 7:1 van de Awb enkel bezwaar openstaat tegen een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb, had verweerder het bezwaar voor zover dit is gericht tegen de mededeling in de brief van 5 februari 2008, niet-ontvankelijk moeten verklaren. Verweerder heeft dit in het thans in beroep voorliggende besluit op bezwaar miskend, zodat dit besluit op bezwaar in zoverre in aanmerking komt voor vernietiging. Het beroep zal op dit punt gegrond worden verklaard. Dat verweerder eiser wel in bezwaar heeft ontvangen, maakt het vorenstaande niet anders. Immers, de artikelen 1:3 en 7:1 van de Awb zijn van openbare orde en dienen door de rechtbank ambtshalve te worden getoetst.

3. Omdat verweerder met inachtneming van deze uitspraak geen ander besluit kan nemen dan het gemaakte bezwaar tegen de brief van 5 februari 2008 niet-ontvankelijk te verklaren, ziet de rechtbank aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf in de zaak te voorzien.

4. Nu geen sprake is van het herroepen van een besluit, als bedoeld in artikel 7:15, tweede lid, van de Awb, ziet de rechtbank geen aanleiding verweerder te veroordelen tot vergoeding van de door eiser verzochte proceskosten in bezwaar.

5. Inhoudelijk is in dit geding de vraag aan de orde of verweerder terecht en op goede gronden de WW-uitkering van eiser met ingang van 5 november 2007 heeft herzien en een bedrag van € 698,00 bruto heeft teruggevorderd over de periode van 5 november 2007 tot en met 25 november 2007.

6. De rechtbank gaat bij de beantwoording van deze vraag uit van de volgende feiten en omstandigheden.

7. Eiser is in het verleden werkzaam geweest als assurantiemedewerker gedurende 40 uur per week. Wegens nierklachten (later gevolgd door ernstige rugklachten als gevolg van een motorongeval) is hij op 17 februari 1999 voor zijn werk uitgevallen. Vanaf 23 maart 2000 heeft eiser een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) ontvangen naar een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80 tot 100%.

In het kader van een herbeoordeling heeft medisch en arbeidskundig onderzoek plaatsgevonden. De arbeidsdeskundige heeft op 5 juli 2007 een re-integratievisie opgesteld. Hierin staat onder meer vermeld dat de arbeidsdeskundige een opleiding niet noodzakelijk acht omdat eiser geschikt is voor zijn eigen werk. Eiser heeft tegen deze re-integratievisie bezwaar gemaakt.

De WAO-uitkering van eiser is met ingang van 6 september 2007 ingetrokken.

Vervolgens heeft eiser een WW-uitkering aangevraagd en deze uitkering is hem met ingang van 6 september 2007 toegekend.

Vanaf 17 september 2007 is eiser een voltijds makelaarsopleiding gaan volgen. Hiervan heeft hij op 18 oktober 2007 mededeling gedaan aan de afdeling WW van het Uwv.

Het bezwaar dat is gericht tegen de re-integratievisie, is bij besluit van 4 maart 2008 gegrond verklaard. Volgens de bezwaararbeidsdeskundige, die in dit kader onderzoek heeft verricht en op 14 februari 2008 heeft gerapporteerd, heeft eiser een forse achterstand op de vrije arbeidsmarkt vanwege zijn langdurige arbeidsongeschiktheid. De vakkennis waarover eiser beschikt is verouderd na 8 ½ jaar volledige arbeidsongeschiktheid. Op basis daarvan is de bezwaararbeidsdeskundige van mening dat eiser op zijn minst in aanmerking dient te komen voor een opfriscursus, om zodoende de mogelijkheid te krijgen om te re-integreren in zijn eigen oorspronkelijke beroep. Indien blijkt dat de kosten voor een opfriscursus en de duur van de opfriscursus vergelijkbaar zijn met die van de makelaarsopleiding, wordt de keuze van de opleiding aan eiser gelaten. Eiser heeft gekozen voor het volgen van een voltijds makelaarsopleiding. De kosten van deze makelaarsopleiding zijn door verweerder aan eiser vergoed.

8. Verweerder stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat de WW-uitkering van eiser is herzien omdat eiser zich niet meer beschikbaar heeft gesteld voor de arbeidsmarkt. Volgens verweerder gaat het hier niet om een situatie als bedoeld in artikel 76 van de WW omdat dit artikel ziet op een situatie waarin een WW-gerechtigde werknemer een noodzakelijke opleiding volgt. In het geval van eiser is geen sprake van een noodzakelijke opleiding omdat eiser zonder extra opleiding geschikt is voor de functies die in het kader van de WAO-beoordeling zijn geduid. Daarnaast stelt verweerder dat eiser zelf de keuze heeft gemaakt om niet beschikbaar te zijn voor de arbeidsmarkt omdat er naast een fulltime makelaarsopleiding ook een deeltijdopleiding bestaat. Verweerder heeft geen dringende reden gezien om van herziening of terugvordering af te zien.

9. Eiser voert hiertegen aan dat verweerder ten onrechte zijn WW-uitkering heeft herzien en teruggevorderd. Eiser heeft als gevolg van zijn langdurige arbeidsongeschiktheid een forse achterstand opgelopen op de arbeidsmarkt. Om deze achterstand in te halen dient hij in aanmerking te komen voor een opfriscursus of een makelaarsopleiding. De kosten van de makelaarsopleiding zijn inmiddels door verweerder vergoed. Dit leidt ertoe dat verweerder in het kader van de re-integratie wel aanneemt dat er sprake is van een forse achterstand tot de arbeidsmarkt en dat daarom de opleiding volledig wordt vergoed. Eiser ziet niet hoe dit zich verhoudt met verweerders standpunt dat de opleiding in het kader van de WW niet noodzakelijk is en acht dit in strijd met het rechtzekerheidsbeginsel.

10. De rechtbank overweegt als volgt.

11. Ingevolge artikel 16, eerste lid, van de WW is werkloos de werknemer die:

a. ten minste vijf of ten minste de helft van zijn arbeidsuren per kalenderweek heeft verloren, alsmede het recht op onverminderde doorbetaling van zijn loon over die uren; en

b. beschikbaar is om arbeid te aanvaarden.

Ingevolge het achtste lid van dit artikel is in afwijking van het eerste lid tevens werkloos de werknemer die voldoet aan het eerste lid, onderdeel a, doch niet voldoet aan het eerste lid, onderdeel b, wegens het enkele feit dat hij voorafgaand aan of aansluitend op het arbeidsurenverlies deelneemt of gaat deelnemen aan een naar het oordeel van het Uwv noodzakelijke opleiding of scholing, als bedoeld in artikel 76.

12. Ingevolge artikel 76, eerste lid, van de WW blijft, indien de werknemer die recht heeft op een uitkering op grond van hoofdstuk II, deelneemt of gaat deelnemen aan een voor hem, naar het oordeel van het Uwv, noodzakelijke opleiding of scholing, volgens door Onze Minister te stellen regels het recht op uitkering op grond van dit hoofdstuk bestaan.

13. In de Scholingsregeling WW (een regeling van 25 augustus 2004, Stcrt. 163) zijn regels vastgesteld over de noodzakelijke opleiding of scholing bedoeld in artikel 76 van de WW.

Ingevolge artikel 1, eerste lid, van de Scholingsregeling WW blijft het recht op uitkering tijdens noodzakelijke opleiding of scholing als bedoeld in artikel 76 van de WW bestaan indien de opleiding of scholing bestaat uit het systematisch verwerven van kennis dan wel vaardigheden volgens een vooraf vastgesteld programma, waarbij de verworven kennis en vaardigheden worden getoetst.

Ingevolge het tweede lid van dit artikel is de opleiding of scholing noodzakelijk indien aannemelijk is:

a. dat de werknemer niet zonder opleiding of scholing een voor hem passend beroep of functie kan uitoefenen op de arbeidsmarkt en dat de voorgestelde opleiding of scholing daartoe een adequaat middel is;

en

b. dat de opleiding of scholing relevant is voor de arbeidsmarkt.

14. Anders dan verweerder is de rechtbank van oordeel dat in het geval van eiser wel sprake is van een noodzakelijke opleiding. Verweerder heeft bij het besluit van 4 maart 2008 aan eiser een vergoeding toegekend voor het volgen van een opfriscursus of een makelaarsopleiding. Gelet op de in dat kader door de bezwaararbeidsdeskundige gedane beoordeling werden een opfriscursus en een makelaarsopleiding even noodzakelijk geacht voor de re-integratie van eiser, die een forse achterstand op de arbeidsmarkt heeft. Nu in het kader van de re-integratie van eiser verweerder zich op het standpunt heeft gesteld dat de makelaarsopleiding noodzakelijk is, is niet te begrijpen dat verweerder zich in onderhavig kader op het standpunt stelt dat geen sprake is van een noodzakelijke opleiding. Gelet op de beoordeling van de bezwaararbeidsdeskundige in de rapportage van 14 februari 2008 is inhoudelijk aan de in artikel 1, tweede lid, aanhef en onder a en b, van de Scholingsregeling WW gestelde voorwaarden voldaan. Derhalve voldoet eiser aan artikel 76, eerste lid, van de WW omdat hij deelneemt aan een voor hem, naar het oordeel van het Uwv, noodzakelijke opleiding.

Dat eiser in het kader van de WAO-beoordeling geschikt is bevonden voor een aantal theoretische functies, doet naar het oordeel van de rechtbank niet af aan het feit dat hij vanwege een forse achterstand op de arbeidsmarkt niet zonder een aanvullende opleiding in de praktijk in passende arbeid kan re-integreren.

Dat er naast een fulltime opleiding ook een deeltijdopleiding bestaat, doet er niet aan af dat de kosten van een fulltime opleiding aan eiser zijn vergoed. Daarmee staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat deze fulltime makelaarsopleiding door het Uwv noodzakelijk is geacht.

15. Gelet op het vorenstaande is de WW-uitkering van eiser ten onrechte door verweerder herzien en is ten onrechte een bedrag van € 698,00 bruto teruggevorderd.

16. Gelet op bovenstaande overwegingen zal de rechtbank het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met de wet. De rechtbank ziet tevens aanleiding om op grond van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf in de zaak te voorzien, aangezien een nieuw besluit op bezwaar er slechts toe kan leiden dat het primaire besluit van 6 februari 2008 wordt herroepen.

17. De rechtbank acht termen aanwezig verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten in bezwaar en beroep. Deze kosten zijn met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage begroot op in totaal

€ 966,00 voor kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand:

• 1 punt voor het indienen van een (aanvullend) bezwaarschrift tegen het besluit van 6 februari 2008;

• 1 punt voor het indienen van een (aanvullend) beroepschrift;

• 1 punt voor het verschijnen ter zitting;

• waarde per punt € 322,00;

• wegingsfactor 1.

18. Tevens zal de rechtbank bepalen dat door verweerder aan eiser het door hem gestorte griffierecht ten bedrage van € 39,00 dient te worden vergoed.

19. De rechtbank acht termen aanwezig het verzoek van eiser om vergoeding van wettelijke rente over achterstallige uitkeringstermijnen toe te wijzen. Die rente moet worden berekend over het bruto bedrag van de uitkering waarop eiser alsnog vanaf 5 november 2007 recht heeft gekregen, nadat daarop in mindering is gebracht het bruto bedrag van de (eventuele) uitkering die eiser over dezelfde periode is verstrekt uit hoofde van enige sociale zekerheidswet. Dit betekent dat de eerste dag waarop wettelijke rente is verschuldigd dient te worden vastgesteld op 1 december 2007, zijnde de eerste dag van de maand na die waarin de datum valt met ingang waarvan de uitkering ten onrechte is ingetrokken of op een te laag bedrag is vastgesteld en wel tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij het voorgaande geldt dat telkens na afloop van een jaar het bedrag waarover de rente wordt berekend, dient te worden vermeerderd met de over dat jaar verschuldigde rente.

20. Beslist wordt als volgt.

Beslissing

De rechtbank,

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- verklaart het bezwaar voor zover het is gericht tegen de brief van 5 februari 2008 niet-ontvankelijk;

- herroept het besluit van 6 februari 2008;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

- gelast verweerder aan eiser te vergoeden het door hem gestorte griffierecht ten bedrage van € 39,00;

- veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten vastgesteld op € 966,00;

- wijst het verzoek om vergoeding van de wettelijke rente toe, zoals hiervoor is aangegeven.

Aldus gedaan door mr. G.H. de Heer-Schotman als voorzitter en mr. Y.S. Klerk en mr. J.H.L.M. Snijders als leden in tegenwoordigheid van mr. B. van den Akker als griffier en in het openbaar uitgesproken op 23 oktober 2009.