Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2009:BK0558

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
20-10-2009
Datum publicatie
20-10-2009
Zaaknummer
01/839446-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak van twee ten laste gelegde bedreigingen. Niet is komen vast te staan dat verdachte de dader is geweest. De indentiteit van de dader blijkt enkel uit verklaringen van anonieme getuigen. Zonder confrontatie van aangevers en getuigen met de verdachte is er teveel twijfel dat verdachte als dader kan worden aangemerkt.

Vrijspraak opzetheling/schuldheling. Het door de verbalisant opgegeven signalement van de vluchtende persoon is te weinig specifiek om met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid te kunnen vaststellen dat de verdachte een van de vluchtende personen is geweest.

Bewezenverklaring van poging tot zware mishandeling. Opgelegd een gevangenisstraf van 5 maanden met aftrek voorarrest.

(Promis vonnis)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

Sector Strafrecht

Parketnummer: 01/839446-08

Datum uitspraak: 20 oktober 2009

Vonnis van de rechtbank ’s-Hertogenbosch, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1985,

wonende te [woonplaats], [adres].

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 20 mei 2009, 5 augustus 2009 en 6 oktober 2009.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 27 april 2008 te Heeze, gemeente Heeze-Leende, [slachtoffer1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met

zware mishandeling, immers is verdachte opzettelijk dreigend met zijn fiets

tegen [slachtoffer1] aan gereden (tengevolge waarvan zij is gestruikeld) en/of

heeft (daarbij) deze dreigend de woorden toegevoegd : "ik zal jou dadelijk

eens op je gezicht stompen vuile hoer, slet" en/of (terwijl hij een fles wijn

in zijn hand(en) hield) "zal ik je eens met deze fles op je gezicht slaan?",

althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

SR 285

2.

hij op of omstreeks 27 april 2008 te Heeze, gemeente Heeze-Leende, [slachtoffer2] en/of [slachtoffer3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven

gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte toen daar

(staande tegenover die [slachtoffer2] en/of die [slachtoffer3]) opzettelijk dreigend een

mes uit zijn jas getrokken, althans tevoorschijn gehaald en/of is verdachte

(vervolgens), met dit mes in zijn hand(en), achter die [slachtoffer2] en/of die

[slachtoffer3] aan gelopen/gerend;

SR 285

3.

hij op of omstreeks 17 juni 2008 te Heeze, gemeente Heeze-Leende, in elk geval

in Nederland,tezamen en in vereniging met (een) ander(en), 36, althans een of

meer (aluminium) platen/deksels heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of

heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden

krijgen van die (aluminium) platen/deksels wist, althans redelijkerwijs had

moeten vermoeden, dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

SR 416/417bis

4.

hij op of omstreeks 06 september 2008 te Helmond ter uitvoering van het door

verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer4] van het leven te

beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet een

(kapotte) fles (met kracht) tegen het hoofd van die (slachtoffer 4) heeft gegooid,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

SR 45/287/302

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

De vrijspraken.

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan verdachte onder 1, onder 2 en onder 3 is tenlastegelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Met betrekking tot het onder 1 en onder 2 ten laste gelegde is de rechtbank om navolgende redenen van oordeel dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is om tot een bewezen verklaring te komen.

Op grond van de tegenover de politie afgelegde verklaringen van [slachtoffer1], [slachtoffer3], (betrokkene) en [slachtoffer2] is naar het oordeel van de rechtbank komen vast te staan dat

[slachtoffer1], [slachtoffer3] en [slachtoffer2] voornoemd op 27 april 2008 in de ochtend in Heeze door een persoon op een fiets zijn bedreigd zoals aan verdachte onder 1 en 2 is ten laste gelegd.

Niet is komen vast te staan dat verdachte de persoon is geweest die dat heeft gedaan. De verdachte heeft dat ter terechtzitting ontkend en geen van voornoemde personen heeft de verdachte als dader aangewezen.

In het dossier bevindt zich een proces-verbaal van bevindingen, inhoudende een telefonisch verhoor van [vader persoon1], die heeft verklaard dat zijn dochter, van wie verder geen personalia bekend zijn, de man kende als [verdachte] van het woonwagenkamp in (gemeente). Voorts heeft een andere anonieme getuige tegenover [verbalisant 1] verklaard dat zij de persoon met het grote mes had herkend als [verdachte]. De dag erop heeft deze getuige haar verklaring evenwel herroepen. Andere dan deze twee de auditu- verklaringen of bevindingen dat verdachte de dader is zijn er niet.

Ingevolge het bepaalde in artikel 344a van het Wetboek van Strafvordering kan het bewijs dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan niet uitsluitend of in beslissende mate worden gegrond op schriftelijke bescheiden houdende verklaringen van personen wier identiteit niet blijkt. Dat is in deze zaak echter wel het geval. De identiteit van de dader blijkt enkel uit verklaringen van anonieme getuigen.

Maar ook zonder de beperking van artikel 344a van het Wetboek van Strafvordering is de rechtbank van oordeel dat er twijfel is over de identiteit van de dader. Uit het dossier in de onderhavige zaak blijkt immers dat verbalisanten in een andere zaak (feit 4 van de tenlastelegging) de persoon op een foto (te weten verdachte [verdachte]) ten onrechte hebben geïdentificeerd als zijn [broer verdachte]. Beide broers lijken kennelijk op elkaar. Voorts blijkt uit een sfeerrapportage in het dossier dat op het woonwagencentrum aan [straatnaam verdachte] meerdere leden [familie verdachte] wonen of hebben gewoond en dat tenminste één ander familielid ook [zelfde naam verdachte] heet. Naar de namen van andere bewoners is geen onderzoek gedaan. Met de raadsvrouwe is de rechtbank van oordeel dat in dat licht de aanduiding [verdachte] van het kamp onvoldoende concreet is. Zonder confrontatie van aangevers en getuigen met de verdachte is er derhalve teveel twijfel blijven bestaan dat verdachte als dader kan worden aangemerkt en dient hij van deze feiten te worden vrijgesproken.

Met betrekking tot het onder 3 ten laste gelegde is de rechtbank om navolgende redenen van oordeel dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is om tot een bewezen verklaring te komen.

Uit het proces-verbaal van bevindingen blijkt dat [verbalisanten 2 en 3] op 17 juni 2008 te 00.20 uur de inzittenden van een personenauto merk Nissan met aanhanger hebben gecontroleerd nadat die auto het woonwagencentrum was opgereden. In die auto zaten toen [vriend verdachte] als bestuurder en de verdachte [verdachte] en [familielid verdachte] als passagiers. [vriend verdachte] droeg een militaire buitenjas met camouflagepatroon en [verdachte] en [familielid verdachte] waren geheel in het zwart gekleed. De verbalisanten zijn blijkens het proces-verbaal vervolgens bij het woonwagencentrum gaan posten en om 00.40 uur hebben de verbalisanten de personenauto met aanhanger zien wegrijden van het woonwagencentrum. Om 01.26 uur is bij [bedrijf1], gevestigd te Eindhoven, het inbraakalarm afgegaan. Om 03.00 uur heeft [verbalisant2] aan de bestuurder van een personenauto met aanhanger, die later de eerder gecontroleerde personenauto met aanhanger bleek te zijn, een stopteken gegeven. Op 200 meter afstand is de bestuurder echter met de personenauto gekeerd en gevlucht. [verbalisant] heeft de achtervolging ingesteld. Even verderop is de personenauto met aanhanger gestopt. Drie personen stapten uit en vluchtten een bosperceel in. [verbalisant] zag dat de bestuurder gekleed was in een militaire buitenjas met camouflagepatroon. De bestuurder had volgens [verbalisant] een normaal postuur en kort haar. De bijrijder en de passagier op de achterbank waren beiden in het zwart gekleed. Zij hadden volgens de verbalisant een normaal postuur en zwart haar. De gezichten had [verbalisant] niet kunnen zien maar hij stelt dat de signalementen van de drie personen geheel overeenkwamen met de signalementen van de eerder door hem en zijn collega gecontroleerde personen.

De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij weliswaar met [vriend verdachte] en [familielid verdachte] in de personenauto met aanhanger op het woonwagencentrum is aangekomen, maar dat hij daarna is thuis gebleven en niet die nacht om 00.40 uur met anderen met die personenauto is weggereden.

De rechtbank is met de raadsvrouwe van oordeel dat het door de [verbalisant2] opgegeven signalement te weinig specifiek is om met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid te kunnen vast stellen dat de verdachte een van de personen was die om 03.00 uur uit de personenauto is gevlucht. De rechtbank herhaalt daarbij dat verbalisanten bij het bekijken van een foto de verdachte met zijn broer hebben verwisseld. In het onderhavige geval heeft de verbalisant de gezichten van de wegvluchtende personen niet gezien. De rechtbank spreekt verdachte mitsdien vrij van het hem onder 3 tenlastegelegde.

De bewijsmiddelen en de beoordeling daarvan.

Met betrekking tot het onder 4 tenlastegelegde komt de rechtbank tot een bewezenverklaring.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie is van oordeel dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling. De verdachte heeft volgens haar immers een kapotte wijnfles van korte afstand gegooid naar het hoofd van aangever [slachtoffer4] die gelet op zijn verwondingen aan het achterhoofd door de wijnfles is geraakt. De aangifte wordt gesteund door de verklaring van de vriendin van aangever [getuige1] en door de sporen op de plaats delict.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft gevraagd verdachte vrij te spreken van het onder 4 tenlastegelegde. De verdachte heeft weliswaar erkend met aangever [slachtoffer4] te hebben geworsteld, maar heeft ontkend met een fles te hebben gegooid. De fles is volledig kapot geslagen door [slachtoffer4] terwijl verdachte de fles vasthield. [getuige1] heeft blijkens haar verklaring niet gezien dat de verdachte met een kapotte wijnfles heeft gegooid. Met betrekking tot het ontstaan van het letsel aan het achterhoofd van aangever heeft de raadsvrouwe aangevoerd dat dit mogelijk is ontstaan toen aangever [slachtoffer4] met verdachte tegen de grond was gevallen. Daarbij kan hij zijn achterhoofd hebben verwond.

De raadsvrouwe heeft voorts weersproken dat er sprake is geweest van voorwaardelijk opzet. De fles is volgens haar in ieder geval niet gericht gegooid en het was voor verdachte niet voorzienbaar dat hij aan aangever [slachtoffer4] door het gooien van de fles zwaar lichamelijk letsel zou toebrengen.

Het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte met een kapotte wijnfles tegen het hoofd van [slachtoffer4] heeft gegooid en hem daarbij heeft verwond.

Aangever [slachtoffer4] heeft voor zover thans van belang verklaard dat hij op 6 september 2008 te Helmond omstreeks 03.00 uur glasgerinkel hoorde en toen naar buiten is gegaan. Daar kwam een agressieve man, de verdachte, op hem aflopen met een fles bier en een fles wijn in zijn handen. Op vier meter afstand gooide verdachte eerst de bierfles in de richting van het gezicht van [slachtoffer4]. Deze bierfles kon [slachtoffer4] ontwijken. [slachtoffer4] hield toen de door hem meegenomen knuppel voor zich en sloeg verdachte op zijn arm om hem op afstand te houden. Omdat verdachte desondanks op hem af bleef komen, sloeg [slachtoffer4] de wijnfles die verdachte nog vast had stuk. [slachtoffer4] zag daarna dat de verdachte het restant van de kapotte wijnfles krachtig naar hem gooide. Hij kon de fles niet ontwijken en werd geraakt op zijn achterhoofd. Hij voelde direct pijn. Vervolgens zijn aangever en verdachte in gevecht geraakt en op de grond terecht gekomen. Aangever bloedde aan zijn hoofd en bleek later een vleeswond te hebben die in het ziekenhuis is gehecht. Ook heeft hij aan elleboog en knie schaafwonden die hij naar eigen zeggen waarschijnlijk heeft opgelopen bij de worsteling op de grond1.

Blijkens de medische informatie is in het Elkerliek ziekenhuis te Helmond vastgesteld dat aangever [slachtoffer4] een wond aan de achterzijde van zijn hoofd had en deze wond is gehecht2.

De vrouw van aangever, [getuige1], heeft verklaard dat zij die nacht omstreeks 03.00 uur ook glasgerinkel heeft gehoord. Zij zag dat een man tegen de voordeur van de woning van [overbuurvrouw] stampte. Zij zag dat de man een wijnfles vasthield. Haar man ging naar beneden om te kijken wat er aan de hand was. Zij zag vervolgens de haar onbekende man in de richting van de woning van haar en aangever [slachtoffer4] lopen. [slachtoffer4] bleef voor hun woning staan. De man, verdachte, schreeuwde en schold en gooide iets naar haar man. Zij heeft ook gezien dat haar man de wijnfles in de hand van verdachte kapot sloeg toen deze de fles ophief. Zij heeft vervolgens haar dochter naar haar slaapkamer gestuurd en is zelf de trap af en naar buiten gelopen. Buitengekomen zag ze dat haar man met verdachte op de parkeerplaats op de grond aan het vechten was3.

Ook een andere overbuurvrouw, [getuige2], heeft op 6 september 2008 in de nacht een harde knal gehoord en glas op de grond van haar gang zien liggen4.

De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij de onbekende man is die te Helmond op 6 september 2008 omstreeks 03.00 uur heeft gevochten met een man die hem met een houten knuppel heeft geslagen en die de wijnfles, die verdachte vasthield, heeft kapot geslagen5.

De rechtbank hecht geloof aan de verklaring van aangever [slachtoffer4]. Hij heeft tegenover de politie een uitgebreide en gedetailleerde verklaring afgelegd, die op essentiële onderdelen wordt gesteund door de verklaring van de [getuige1] en het bij hem waargenomen letsel. Dat hij dit letsel zou hebben opgelopen bij de worsteling op de grond is in strijd met de door hem afgelegde verklaring. [slachtoffer4] voelde immers pijn aan zijn achterhoofd toen hij door de fles werd geraakt. Hij had een vleeswond die moest worden gehecht. Voorts heeft aangever ook zichzelf belast door te erkennen dat hij verdachte met de houten knuppel en met de vuist heeft geslagen en zijn keel heeft dichtgeknepen.

De verklaring van de verdachte, voor zover inhoudend dat hij geen harde knal of brekend glas heeft gehoord, niet heeft geschreeuwd, niets heeft gegooid en door aangever met een houten knuppel is aangevallen, acht de rechtbank niet geloofwaardig. De verdachte erkent in tegenstelling tot aangever zijn eigen aandeel in het geheel niet en zijn verklaring is in strijd met de verklaringen van aangever [getuige 1 en 2]

Naar zijn uiterlijke verschijningsvorm levert het handelen van verdachte een poging tot zware mishandeling op. Uit de handeling, te weten het gericht en met kracht gooien van een kapotte fles in de richting van het gezicht van een man die op korte afstand tegenover verdachte staat, volgt zijn op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel gerichte opzet.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

4.

op 06 september 2008 te Helmond ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer4] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet een kapotte fles met kracht tegen het hoofd van die [slachtoffer4] heeft gegooid, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De kwalificatie.

Het bewezenverklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit.

De strafbaarheid.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van het feit of van de verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen te zijnen laste bewezen is verklaard.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

10, 27, 45, 302 Wetboek van Strafrecht.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank de verdachte voor de drie ernstige geweldsmisdrijven en de opzetheling zal veroordelen tot een gevangenisstraf van twaalf maanden met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht. De twee inbeslaggenomen messen dienen onttrokken verklaard te worden aan het verkeer en de aluminium platen dienen teruggegeven te worden aan [bedrijf1].

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

De verdachte heeft geen bezwaar tegen teruggave van de aluminium platen aan [bedrijf1]. De raadsvrouwe heeft verzocht de voorlopige hechtenis van verdachte op te heffen en het onder hem inbeslaggenomen mes aan hem terug te geven.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Voorts heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals tot uitdrukking komt in het wettelijke strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

De verdachte heeft zich in de nacht in een woonwijk in Helmond ernstig misdragen. Een wijkbewoner die op de overlast en vernielingen waarbij verdachte betrokken lijkt reageerde, is door verdachte aangevallen en met een kapotte wijnfles verwond. De verdachte was op dat moment kennelijk dronken en had zichzelf niet onder controle. Een bijzonder naar gevolg is bovendien dat aangever kort na de vechtpartij door de ook ter plaatse aanwezige vader van verdachte uit wraak met een mes in zijn buik is gestoken. Dit laatste wordt niet strafrechtelijk aan verdachte toegerekend, maar wel kan worden gezegd dat als verdachte aangever niet had aangevallen, aan aangever hoogstwaarschijnlijk dit letsel bespaard was gebleven.

Bij de straftoemeting houdt de rechtbank voorts rekening met de omstandigheid dat verdachte ter zake van ernstige geweldsmisdrijven voorafgaande aan het door hem gepleegde feit blijkens een hem betreffend uittreksel uit het algemeen documentatieregister reeds eerder is veroordeeld. Zo is hij in 2006 veroordeeld ter zake van een poging tot doodslag tot tien maanden gevangenisstraf, in 2005 ter zake van het voorbereiden van het teweegbrengen van een ontploffing tot twaalf maanden gevangenisstraf waarvan zes maanden voorwaardelijk en in 2004 ter zake van twee pogingen tot zware mishandeling eveneens tot twaalf maanden gevangenisstraf waarvan zes maanden voorwaardelijk.

In verband met die veroordelingen en de nieuwe verdenkingen tegen verdachte is hij onderzocht in het Pieter Baan Centrum te Utrecht. De verdachte en zijn familie hebben geweigerd mee te werken aan de totstandkoming van dat rapport en de onderzoekers konden om die reden geen advies uitbrengen.

De rechtbank zal een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, nu de rechtbank minder feiten bewezen acht dan de officier van justitie.

Wel is de rechtbank gelet op de recidive en de ernst van het feit van oordeel, dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf welke vrijheidsbeneming meebrengt voor de duur als hierna te melden.

De voorlopige hechtenis van verdachte is inmiddels bij een afzonderlijke beslissing opgeheven.

Beslag.

De rechtbank zal de teruggave gelasten van de in het dictum nader te noemen inbeslaggenomen voorwerpen aan verdachte, respectievelijk aan [bedrijf1] nu naar het oordeel van de rechtbank het belang van strafvordering zich niet meer verzet tegen de teruggave van de inbeslaggenomen goederen.

Van het mes dat in de slaapkamer van verdachte is aangetroffen is niet gebleken dat het bezit van dat mes in strijd is met de wet.

Van het andere inbeslaggenomen mes zal de rechtbank gelasten dat dit moet worden bewaard ten behoeve van de rechthebbende, nu dit niet aan verdachte toebehoort en onduidelijk is van wie het is. Ook van dit mes heeft de rechtbank niet kunnen vaststellen dat het bezit in strijd is met de wet.

DE UITSPRAAK

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte onder 1, onder 2 en onder 3 is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart het onder 4 tenlastegelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op het misdrijf:

T.a.v. feit 4:

poging tot zware mishandeling

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straf.

T.a.v. feit 4:

Gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht.

Teruggave van de inbeslaggenomen 36 traanplaten (putdeksels) aan de rechtmatige eigenaar, te weten [bedrijf1], station Eindhoven Zuid.

Teruggave van het inbeslaggenomen mes, gekromd, in foudraal en met verroest lemmet, aan de veroordeelde [verdachte].

Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van het inbeslaggenomen mes met foudraal.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. S.J.W. Hermans, voorzitter,

mr. J.G. Vos en mr. R.J. Bokhorst, leden,

in tegenwoordigheid van L.M.E. de Roo, griffier,

en is uitgesproken op 20 oktober 2009.

Mr. R.J. Bokhorst is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 aangifte [slachtoffer4], doorgenummerde pagina’s 42 tot en met 46 van eindproces-verbaal PL2233/08-008145

2 aanvraagformulier medische informatie, doorgenummerde pagina’s 52 en 53 van voornoemd eindproces-verbaal

3 proces-verbaal van verhoor van [getuige1], doorgenummerde pagina’s 66 tot en met 70 van voornoemd eindproces-verbaal

4 proces-verbaal van verhoor van [getuige2], doorgenummerde pagina 76 van voornoemd eindproces-verbaal

5 proces-verbaal terechtzitting van 6 oktober 2009