Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2009:BJ9780

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
12-10-2009
Datum publicatie
12-10-2009
Zaaknummer
01/825257-07 Beschikking ISD
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 5 EVRM-overweging inzake een tussentijdse beoordeling ISD-maatregel

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

Sector Strafrecht

Parketnummer: 01/825257-07

Beslissing tussentijdse beoordeling plaatsing inrichting stelselmatige daders.

Beschikking van de rechtbank ’s-Hertogenbosch, openbare raadkamer belast met de behandeling van strafzaken, naar aanleiding van een tussentijdse beoordeling van de maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (38s Sr.) inzake:

[veroordeelde],

geboren te [geboorteplaats] ([geboorteland]) op [geboortedatum] 1979,

wonende te [woonplaats], [adres],

thans verblijvende in FPK De Ponder van de Woenselse Poort in Eindhoven.

Het onderzoek van de zaak.

Bij vonnis van bovengenoemde rechtbank van 19 december 2007 is veroordeelde de maatregel opgelegd van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (hierna: ISD-maatregel) voor de duur van twee jaar, met de bepaling dat de officier van justitie binnen 9 maanden na het onherroepelijk worden van genoemd vonnis de rechtbank zal berichten over de wenselijkheid of noodzakelijkheid van de voortzetting van de tenuitvoerlegging van de maatregel. Bij beslissing van 22 september 2008 heeft de rechtbank bepaald dat de ISD-maatregel dient te worden voortgezet, met de bepaling dat de zaak voor de achttiende maand van het traject wederom aan de rechtbank wordt voorgelegd teneinde de voortgang van de ISD-maatregel te toetsen.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken in de zaak met bovenvermeld parketnummer, waaronder:

* het vonnis van de rechtbank ’s-Hertogenbosch d.d. 19 december 2007;

* de beslissing van de rechtbank ’s-Hertogenbosch d.d. 22 september 2008, inhoudende de voortzetting van de ISD-maatregel;

* een evaluatierapportage ISD van de J.I. Vught d.d. 28 september 2009;

* een adviesrapport en reïntegratieplan van Novadic Kentron d.d. 23 februari 2009.

De rechtbank heeft op 28 september 2009 de officier van justitie, de raadsman van veroordeelde, mr. R.P. Duijn, alsmede de getuige-deskundige in openbare raadkamer gehoord. De veroordeelde heeft blijkens een afstandsverklaring d.d. 24 september 2009 te kennen gegeven niet aanwezig te willen zijn bij de behandeling van zijn zaak op 28 september 2009.

De beoordeling.

Uit voornoemde evaluatierapportage ISD-maatregel blijkt onder meer het volgende:

Gezien de ernst van de psychiatrische - en verslavingsproblemen, de somberheid, de eenzaamheid, de achterdochtige ideeën, de alcohol- en qatafhankelijkheid, de agressieproblematiek, de vermoedelijk (net) gemiddelde intelligentie, het benodigde beveiligingsniveau en de motivatie van betrokkene om aan zijn problemen te werken, lijkt een opname in een forensisch psychiatrische kliniek of afdeling aanbevolen. Betrokkene is op 23 juli 2009 vanuit de IBA in Vught geplaatst in de FPK De Ponder van de Woenselse Poort in Eindhoven. Geadviseerd wordt om de maatregel voort te zetten.

Uit voornoemd adviesrapport en reïntegratieplan van Novadic Kentron d.d. 23 februari 2009 blijkt onder meer het volgende:

Hoewel betrokkene het delict bekent, bagatelliseert hij de ernst van het delict. Uit de RISc komt naar voren dat er een hoge kans is op recidive. Omdat betrokkene een geweldsdelict heeft gepleegd, is er een verhoogd gevaarsrisico voor betrokkene en zijn directe omgeving. Bovendien heeft betrokkene het afgelopen jaar afwisselend in de isoleercel en op de afdeling landelijke afzondering verbleven in verband met agressief gedrag. Er is een relatie tussen delictgedrag en de leefgebieden huisvesting, opleiding, werk, relaties met vrienden en kennissen, middelengebruik, emotioneel welzijn, denkpatronen, gedrag, vaardigheden en houding. Tevens dient er aandacht te zijn voor de volgende leefgebieden die niet direct een relatie hebben met het delict te weten: financiën en relaties met partner en gezins- en familieleden. Betrokkene dient te gaan werken aan de leefgebieden die worden aangemerkt als criminogene faktoren teneinde de kans op recidive zoveel mogelijk te beperken. Om een adequaat hulpverleningstraject op te kunnen zetten, dient er echter wel eerst uitvoerig onderzoek te worden gedaan naar de psychische toestand van betrokkene. Hierbij dient rekening te worden gehouden met de ernstige gedragsproblematiek (agressie) die betrokkene tot nu toe heeft laten zien.

De getuige-deskundige heeft gepersisteerd bij voornoemd advies van de J.I. Vught en heeft voorts het navolgende verklaard, verkort en zakelijk weergegeven:

Ik heb onlangs contact gehad met de reclassering aangaande betrokkene. Mij is gebleken dat betrokkene gedurende de laatste twee maanden moeilijk is te stabiliseren en dat hij zijn behandeling binnen een groepsverband niet aan kan. Betrokkene zit vanaf juli 2009 in De Ponder in Eindhoven. Betrokkene praat wisselend over de ISD-maatregel. De ene keer wil hij van de maatregel af en de andere keer wil hij voortzetting daarvan. De situatie is thans dat hij overgeplaatst gaat worden naar unit 4 van De Ponder. Dat betreft een afdeling waar mensen individueel worden begeleid. Ik weet niet wanneer deze overplaatsing feitelijk zal worden geëffectueerd. De maatregel loopt op 2 januari 2010 af. We moeten tot onze spijt constateren dat betrokkene gedurende de ISD-maatregel feitelijk nog niet is behandeld. Bij gelegenheid van de overplaatsing van onze inrichting naar De Ponder hebben wij de behandelaars aldaar aangegeven dat een behandeling van betrokkene moeilijk zou worden. We hopen dat de individuele begeleiding in unit 4 wel gaat aanslaan. Ik voel me persoonlijk verantwoordelijk voor het traject na de ISD-maatregel. Wellicht kan betrokkene na afloop van de maatregel in De Ponder blijven in het kader van een rechterlijke machtiging. De reclassering zal het voortouw nemen aangaande de laatste drie maanden van de uitvoering van de maatregel en het traject dat daarop volgt. Ook de officier van justitie zal daarbij worden betrokken. Ik merk tot slot op dat de psychiaters en psychologen van De Ponder hun eigen behandelingsbeleid voeren.

De officier van justitie heeft het navolgende aangevoerd, verkort en zakelijk weergegeven:

Het is duidelijk dat het niet goed gaat met de uitvoering van de ISD-maatregel van betrokkene. Het is inderdaad de bedoeling dat hij binnenkort individuele begeleiding krijgt in unit 4 van De Ponder. Betrokkene is feitelijk in het geheel nog niet behandeld. Mijn standpunt is dat de maatregel tot het einde moet worden voortgezet. Ik zal deze casus bespreken in het zogenaamde reso-overleg. Daarin zal worden bezien hoe het verder moet met de behandeling van betrokkene. Het is duidelijk dat er een hulpverleningstraject voor betrokkene moet worden vastgesteld. Wellicht kan hij gedwongen worden opgenomen in het kader van de BOPZ. Betrokkene heeft problemen met zijn qatgebruik. Na een dergelijk gebruik gaat hij drinken en wordt hij weer agressief. Er is dus nog steeds verslavingsproblematiek en dientengevolge recidivegevaar. Wellicht kan de rechtbank in dit specifieke geval over een paar maanden nog een keer overgaan tot toetsing van de voortgang van de maatregel. Ik merk nog op dat de zaak aanvankelijk stond gepland op de meervoudigekamerzitting van 30 juni 2009. Toen is de zaak ingetrokken omdat de rechtbank ervan uitging dat bij het opleggen van de maatregel aftrek van voorarrest was bevolen. Zulks was echter niet het geval.

De raadsman heeft het woord gevoerd naar aanleiding van pleitnotities die deel uitmaken van het proces-verbaal. Hij voegt daaraan nog het volgende toe:

Er is geen sprake meer van qatgebruik en dus is er geen verslavingsproblematiek meer.

De raadsman is van mening dat gelet op artikel 5, lid 4, EVRM de behandeling van de tussentijdse toetsing van de ISD-maatregel te lang heeft geduurd. Daartoe heeft de raadsman aangevoerd dat er drie maanden zijn verstreken tussen de maand juni 2009, waarin volgens de bepaling van de rechtbank de tussentijdse toets zou hebben moeten plaatsvinden en de behandeling van de zaak in raadkamer op 28 september 2009. Volgens de raadsman dient deze schending van artikel 5, lid 4, EVRM gecompenseerd te worden en dient dit te leiden tot opheffing van de maatregel.

De rechtbank kan de raadsman hierin niet volgen. De rechtbank heeft in haar beschikking van 22 september 2008 naar aanleiding van een tussentijdse toets van de ISD-maatregel bepaald dat de tenuitvoerlegging van de ISD-maatregel moet worden voortgezet en dat de zaak wederom in de maand juni 2009 aan haar wordt voorgelegd teneinde voortgang van de maatregel te toetsen. Aangezien deze toets ambtshalve door de rechtbank is bepaald en omdat artikel 38s, lid 2, van het Wetboek van Strafrecht de betrokkene en de raadsman de mogelijkheid biedt om zes maanden na het onherroepelijk worden van de beslissing van 22 september 2008 een tussentijdse beoordeling te verzoeken, waarvan geen gebruik is gemaakt, kan naar het oordeel van de rechtbank niet gezegd worden dat betrokkenes recht om voorziening te vragen bij een gerecht dat dan spoedig beslist, in de zin van artikel 5, lid 4, EVRM, is geschonden.

Anders dan de raadsman heeft betoogd heeft de rechtbank op grond van de hiervoor aangehaalde passages uit het evaluatierapport ISD-maatregel en de daarop door de deskundige gegeven toelichting, alsmede op grond van de hiervoor aangehaalde passages uit het adviesrapport en reïntegratieplan van Novadic Kentron d.d. 23 februari 2009, van oordeel dat er nog steeds sprake is van een groot recidiverisico. Voorts is de rechtbank van oordeel dat de resterende looptijd van de maatregel met name nodig zal zijn om de opvang en de nazorg van betrokkene bij beëindiging van de maatregel te regelen. Gelet op de door de deskundige en de door de officier van justitie ter terechtzitting gegeven toelichting gaat de rechtbank ervan uit dat daartoe mogelijkheden aanwezig zijn en dat daar ook aandacht aan wordt gegeven. De rechtbank acht daarom mede gelet op de nog korte resterende duur van de maatregel een nadere tussentijdse toets over enkele maanden niet gewenst of noodzakelijk.

De rechtbank heeft in haar beschikking van 22 september 2008 overwogen dat bij een volgende tussentijdse toets aandacht zal worden gegeven aan de wijze van communicatie tussen de bij de ISD-maatregel betrokken instanties en de voortgang van de behandeling van de betrokkene. De rechtbank stelt vast dat betrokkene weliswaar inmiddels, zij het in een laat stadium van de maatregel, in een forensisch psychiatrische kliniek is opgenomen, maar dat de communicatie tussen de betrokken instanties omtrent de wijze van behandeling en over de voortgang daarvan niet naar wens verloopt. De rechtbank betreurt dit. Het feit dat het evaluatierapport ISD pas heel kort voor de behandeling op 28 september 2009 beschikbaar is gesteld wijst er niet op dat de J.I. Vught haar toezicht op de tenuitvoerlegging van de ISD stringent uitvoert. Tot slot betreurt de rechtbank het dat door een misverstand de zaak pas laat in de raadkamer is behandeld. Het een en ander neemt evenwel niet weg dat er nog steeds een noodzaak bestaat om de maatregel te continueren ter beveiliging van de maatschappij en beëindiging van de recidive.

Op grond van het voorgaande en gezien artikel 38, lid 1, van het Wetboek van Strafrecht is de rechtbank van oordeel dat de voortzetting van de tenuitvoerlegging van de ISD-maatregel langer is vereist.

De beslissing:

De rechtbank bepaalt dat de tenuitvoerlegging van de ISD-maatregel wordt voortgezet.

Deze beslissing is gegeven door:

mr. I. Rijnbout, voorzitter,

mr. F. van Laanen en mr. P.J. Appelhof, leden,

in tegenwoordigheid van G.A.M. de Laat, griffier,

en is uitgesproken ter openbare raadkamer van 12 oktober 2009.