Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2009:BJ9281

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
06-10-2009
Datum publicatie
06-10-2009
Zaaknummer
01/849918-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bewezenverklaring overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994.

Gelet op de conclusie van het pathologisch onderzoek door het NFI en het schadebeeld aan de door verdachte bestuurde auto is wettig en overtuigend komen vast te staan dat het door de aanrijding veroorzaakte letsel de dood van het slachtoffer tot gevolg heeft gehad. Verdachte had haar rijgedrag aan moeten passen aan de omstandigheden ter plaatse. Door te rijden met de snelheid waarmee verdachte heeft gereden onder de in het vonnis genoemde omstandigheden, heeft verdachte onvoldoende zorgvuldigheid betracht.

Opgelegd is een werkstraf van 60 uur subsidiair 30 dagen hechtenis voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 1 jaar voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.

Wetsverwijzingen
Wegenverkeerswet 1994
Wegenverkeerswet 1994 6
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWR 2009/107

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

Sector Strafrecht

Parketnummer: 01/849918-08

Datum uitspraak: 06 oktober 2009

Vonnis van de rechtbank ’s-Hertogenbosch, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte]

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1988,

wonende te [woonplaats] [adres]

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 22 september 2009.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 8 juni 2009.

Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting van 22 september 2009 is gewijzigd is aan verdachte tenlastegelegd dat (een kopie van de vordering tot wijziging is aangehecht):

zij op of omstreeks 21 december 2008 te Hedikhuizen, gemeente Heusden als

verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurster van een motorrijtuig

(personenauto), daarmede rijdende over de weg, Buitenwaardenweg (komende uit

de richting Kerkstraat en gaande in de richting Vergereindseweg), zich zodanig

heeft gedragen dat een aan haar schuld te wijten verkeersongeval heeft

plaatsgevonden door - bij duisternis - zeer, althans aanmerkelijk,

onvoorzichtig en/of onoplettend dit voertuig te besturen, immers verdachte

heeft aldaar met een snelheid van ongeveer 70 kilometer per uur gereden, in

elk geval met een gezien de maximumsnelheid van 60 km/h en/of de wegsituatie en/of de

lichtgesteldheid en/of de door haar, verdachte, gevoerde verlichting te hoge

snelheid ter plaatse,

waardoor zij niet, in elk geval te laat een zich op of aan de Buitenwaardenweg

bevindende persoon ([slachtoffer 1]) heeft opgemerkt en zij, verdachte, hierdoor de

snelheid van het door haar, verdachte, bestuurde voertuig niet tijdig en/of

niet voldoende heeft (kunnen) verminderd/verminderen, zodat een overrijding

en/of aanrijding is ontstaan tussen het door haar, verdachte, bestuurde

voertuig en die persoon, door welk verkeersongeval het slachtoffer (zijnde [slachtoffer 1]) werd zwaar lichamelijk letsel toegebracht dan wel gedood;

(Artikel 6 Wegenverkeerswet)

Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden:

zij op of omstreeks 21 december 2008 te Hedikhuizen, gemeente Heusden als

verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurster van een motorrijtuig

(personenauto), daarmede rijdende over de weg, Buitenwaardenweg (komende uit

de richting Kerkstraat en gaande in de richting Vergereindseweg), met een

snelheid van ongeveer 70 kilometer per uur heeft gereden, in elk geval met een

gezien de maximumsnelheid van 60 km/h en/of de wegsituatie en/of de lichtgesteldheid en/of

de door haar, verdachte, gevoerde verlichting, te hoge snelheid ter plaatse, door welke

gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon

worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon

worden gehinderd;

(Artikel 5 Wegenverkeerswet).

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding voor wat betreft het primair tenlastegelegde geldig is. Gelet op de bewijsbeslissing komt de rechtbank niet toe aan een beoordeling van de geldigheid van de dagvaarding voor wat betreft het subsidiair tenlastegelegde.

De rechtbank is bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

De bewijsmiddelen en de beoordeling daarvan.

Vaststaande feiten.

Op grond van de inhoud van het wettig opgemaakte eindproces-verbaal van de regiopolitie Brabant-Noord, dossiernummer 2008028896, afgesloten op 31 maart 2009 en de verklaring van verdachte, zoals afgelegd ter terechtzitting, stelt de rechtbank de volgende feiten vast.

Op 21 december 2008 vond omstreeks 01.00 uur ’s nachts een verkeersongeval plaats op de Buitenwaardenweg te Hedikhuizen, in de gemeente Heusden [1].

De Buitenwaardenweg heeft een rijbaan van 2.90 meter breed en is niet door straatverlichting verlicht. Aan beide zijden van de rijbaan staan bomen [2].

Bij dit ongeval is een aanrijding ontstaan tussen de door verdachte bestuurde personenauto (Peugeot) en het slachtoffer [slachtoffer 1] [slachtoffer 1] bevond zich (met zijn fiets) op het wegdek van de Buitenwaardenweg [3]. Door de aanrijding heeft [slachtoffer 1] ernstig letsel opgelopen [4]. [slachtoffer 1] is die nacht overleden [5].

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie concludeert dat verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig heeft gereden en dientengevolge schuldig is aan het ongeval, hetgeen dient te leiden tot bewezenverklaring van het primair tenlastegelegde.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman van verdachte concludeert ten aanzien van het primair tenlastegelegde dat van schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 geen sprake is en dat evenmin bewezen kan worden dat de dood van het slachtoffer een gevolg is van het verkeersongeval, zodat vrijspraak van het primair tenlastegelegde dient te volgen.

Voor wat betreft het subsidiair tenlastegelegde komt de raadsman tot de conclusie dat de dagvaarding nietig is omdat uit het tenlastegelegde niet blijkt op welke wijze verdachte gevaar of hinder in de zin van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 heeft veroorzaakt. Indien de dagvaarding voor wat betreft het subsidiair tenlastegelegde wel geldig wordt geacht, is de raadsman van mening dat de gedragingen zoals tenlastegelegd niet bewezen kunnen worden verklaard en derhalve vrijspraak moet volgen. Voor het geval de rechtbank ook deze conclusie niet deelt, bepleit de raadsman ontslag van rechtsvervolging omdat het tenlastegelegde geen strafbaar feit oplevert.

Het oordeel van de rechtbank.

Op grond van de hiervoor genoemde en de navolgende bewijsmiddelen is de rechtbank tot de overtuiging gekomen dat verdachte heeft gehandeld als hierna bewezen zal worden verklaard.

De rechtbank ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of [slachtoffer 1] is overleden als gevolg van een over-/aanrijding door de auto van verdachte. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

Verdachte is in de avond van 20 december 2008 samen met onder andere haar broer [persoon 1] in diens auto naar haar ouderlijk huis in (gemeente) gereden, waar haar jongere broer een feestje gaf. Verdachte bestuurde de auto. Zij is daar via de polder naartoe gereden en heeft toen met groot licht op gereden. Het licht van de auto werkte goed [6].

Kort voor 01.00 uur rijden verdachte, haar broer [persoon 1] en nog twee passagiers samen weg van het feest. Verdachte bestuurt dan weer de auto en rijdt vanaf de woning aan de (straat) te (gemeente) via de weg in de polder, de Buitenwaardenweg, richting

’s-Hertogenbosch [7]. Het is een onverlichte weg en ter plaatse aardedonker. Nadat ze een brug is gepasseerd is de weg recht en smal, met aan weerszijden veel bomen. Verdachte rijdt daar dan met een snelheid van ongeveer 70 km/u [8]. Verdachte is ter plaatse goed bekend en heeft vele malen eerder over de Buitenwaardenweg gereden. Zij weet dat de Buitenwaardenweg zo smal is dat er geen twee auto’s naast elkaar kunnen rijden zonder naar de berm uit te wijken, ze weet waar de kuilen in de weg zitten, waar de bomen staan, waar het asfalt begint en dat het er ’s avonds heel donker is omdat er geen verlichting is [9].

Verdachte ziet, niet ver na het passeren van de brug, iets op de Buitenwaardenweg liggen, rechts op de weg. Ze denkt in eerste instantie aan een bos takken. Verdachte remt eerst zachtjes, daarna harder en uiteindelijk remt zij vol. Op een gegeven moment ziet verdachte schoenen op de weg, ter hoogte van een bos takken, wat volgens verdachte later een fiets bleek te zijn. Verdachte schrikt dan erg. Op het moment dat ze de schoenen ziet is ze heel dichtbij, op een geschatte afstand van vijf of tien meter. Op het moment dat ze fors remde, hoort verdachte een klap en voelt ze dat ze ergens overheen is gereden en iets meesleept. De auto stond niet direct stil [10].

Het slachtoffer [slachtoffer 1], eveneens bezoeker van hetzelfde feest, is omstreeks 23.15 uur per fiets vertrokken vanaf de woning aan de (straat) te (gemeente) [11]. Buurtbewoners zien omstreeks dat tijdstip een persoon met krullend haar over de dijk fietsen [12].

Uit forensisch onderzoek door de politie blijkt het volgende.

Het slachtoffer lag op zijn buik op enkele meters afstand van de voorzijde van de Peugeot, gezien in de rijrichting van de Peugeot aan de linkerzijde op het wegdek en ten opzichte van de rijbaan onder een hoek van 45º met het hoofd in richting van de Peugeot en met de benen in de rijrichting van de Peugeot. Nabij diens rechterschouder lag een deel van het luchtfilter van de auto op hem. Kledingstukken waren in de richting van zijn hoofd omhoog gestroopt. Rechts van hoofd was schedelletsel aanwezig. Op de rugzijde en rechterhals waren sporen van mechanisch geweld zichtbaar. De tijdens het onderzoek ter plaatse gemeten lichaamstemperatuur van het slachtoffer was op 21 december 2008 te 04.02 uur 32,7º C, bij een omgevingstemperatuur van 7,6º C. Deze temperatuur van het lichaam past bij het scenario dat het slachtoffer is overleden ten gevolge van de aanrijding.

Gelet op het schadebeeld aan de auto wordt aangenomen dat het slachtoffer zich liggend op de weg, althans dicht bij het wegdek bevond op het moment van de aanrijding.

Gelet op de sporen op het wegdek, de schade aan kleding, de verwondingen, delen van de jas aan het voertuig, passen de bevindingen bij het beeld dat het slachtoffer tenminste tien meter op de buikzijde werd meegesleept door het voertuig, met onderlichaam en benen in rijrichting voertuig [13].

Deskundigen van het Nederlands Forensisch Instituut hebben een pathologisch onderzoek (sectie) ingesteld naar aanleiding van het overlijden van het slachtoffer [sl[slachtoffer 1]]

Samenvattend kan het volgende gezegd worden over de letsels, hun ontstaan en hun ontstaansmoment:

- Er waren beperkte letsels aan ondermeer rechterknie en rechts in de hals, bij leven en waarschijnlijk circa 1 uur voor het overlijden opgelopen ten gevolge van bijvoorbeeld vallen, zich stoten, slaan, etc. Deze letsels hebben op zich geen bijdrage geleverd aan het overlijden.

- Verder waren er uitgesproken letsels aan ondermeer het hoofd, de schedel en de hersenen, waarschijnlijk bij leven en op het moment van overlijden opgelopen ten gevolge van bijvoorbeeld een aanrijding of overrijding. Deze letsels aan het hoofd en de hersenen, het letsel aan de ruggengraat en het bloedverlies kunnen alle drie, zowel apart als in combinatie, het overlijden zondermeer verklaren.

- Als laatste waren er talrijke letsels aan ondermeer de borst, de rechterheup en het rechter bovenarm bot, welke waarschijnlijk na het intreden van de dood zijn opgetreden ten gevolge van bijvoorbeeld overrijding met voortslepen. Derhalve hebben deze letsels geen rol gespeeld ten aanzien van het overlijden. Er werden geen ziekelijke orgaanafwijkingen aangetroffen welke het overlijden of het op de weg komen (te liggen) zouden kunnen verklaren; ook toxicologisch onderzoek kan geen uitspraak doen over een eventuele rol hiervan met betrekking tot het op de weg komen (te liggen).

De conclusie van het onderzoek is dat het intreden van de dood zonder meer werd verklaard aan de hand van de letsels aan het hoofd, hersenen en ruggengraat met uitgesproken bloedverlies ten gevolge van vermoedelijk een aan-/overrijding [14].

De raadsman heeft aangevoerd dat de mogelijkheid bestaat dat het slachtoffer al was overleden op het moment van de aanrijding.

In weerwil van hetgeen de raadsman van verdachte heeft aangevoerd, is naar het oordeel van de rechtbank, gelet op de conclusies van het pathologisch onderzoek door het NFI en het schadebeeld aan de door verdachte bestuurde de auto, wettig en overtuigend komen vast te staan dat het door de aanrijding veroorzaakte letsel de dood van het slachtoffer tot gevolg heeft gehad.

Het dossier bevat naar het oordeel van de rechtbank geen aanwijzingen voor een andere oorzaak voor de dood van het slachtoffer. Bovendien zijn, zoals blijkt uit het proces-verbaal betreffende de analyse van het verkeersongeval, geen sporen gevonden van andere aanrijdingen en zijn alle ter plaatse aangetroffen brokstukken inpasbaar in de ontbrekende onderdelen van de Peugeot en de fiets van het slachtoffer.

De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman.

Gelet op de voorgaande bewijsmiddelen is voor de rechtbank komen vast te staan dat [slachtoffer 1] is overleden als gevolg van de aanrijding tussen hem en de door verdachte bestuurde auto.

Vervolgens dient de vraag te worden beantwoord of de dood is ingetreden als gevolg van het tenlastegelegde rijgedrag van verdachte.

Uit de verkeersongeval analyse blijkt het volgende.

In de rijrichting van de Peugeot was op het wegdek een recent krasspoor van 0.60 meter lengte, op een afstand van 0.90 meter van de rechter wegrand. Op het wegdek was links van het midden een schuifspoor. Het schuifspoor aan de voorzijde van de Peugeot tekende zich af in de richting van de fiets en het slachtoffer, die op het wegdek lagen. De fiets lag op een afstand van 22.60 meter en het slachtoffer op een afstand van 23.60 meter gemeten vanaf het begin van genoemd krasspoor.

Voorts is onderzoek gedaan naar de remweg en de zichtafstand vanuit de Peugeot met ingeschakeld licht bij duisternis.

Bij bepaling van de zichtafstand (de afstand waarop vanuit de Peugeot met ingeschakeld licht de fiets en het slachtoffer duidelijk waarneembaar zijn in het lichtschijnsel) bleek het volgende:

- bij ingeschakeld dimlicht bedroeg de afstand van de voorzijde van de Peugeot tot de fiets 28.60 meter. Indien er met ingeschakeld groot licht werd gereden bedroeg de afstand 80,50 meter;

- bij een gereden snelheid van 60 km/h is de remweg, inclusief een seconde reactietijd, 34,95 meter.

De conclusie die hieruit volgt is dat rijdend met 60 km/h en ingeschakeld dimlicht de gereden snelheid te hoog is om tijdig tot stilstand te kunnen komen.

Uit het aanvullend proces-verbaal blijkt dat de remafstand bij 70 km/h inclusief een reactietijd van een seconde 44,31 meter bedraagt [15].

Hieruit volgt dat als verdachte met groot licht had gereden zij ruim voor het slachtoffer tot stilstand had kunnen komen, maar bij het voeren van dimlicht niet tijdig had kunnen remmen. Essentieel is derhalve de vraag of verdachte met groot licht of met dimlicht heeft gereden.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat ze niet meer weet of zij het groot licht had ingeschakeld ten tijde van het ongeval. Bij de politie heeft verdachte verklaard dat ze denkt dat ze groot licht voerde want dat doet ze daar meestal als het donker is. Later verklaart ze dat ze bij het vertrek uit Hedikhuizen dimlicht aan had en niet meer weet welk licht ze voerde toen ze over de dijk reed [16].

[persoon 1], die naast verdachte in de auto zat, verklaart dat hij niet meer weet welke verlichting werd gevoerd en hij het zicht schatte op 20 tot 25 meter [17]. Getuige [getuige 1], die kort na het ongeval ter plaatse kwam, verklaart dat van de Peugeot de verlichting nog aan was, dat het normaal licht was en geen groot licht, dat hij wel het verschil tussen normaal en groot licht van een auto kent en dat hij opmaakte uit de afstand die vóór de Peugeot verlicht werd door de verlichting van die auto, dat het normaal licht en geen groot licht was.

[verbalisant 1], die naar de plaats van het ongeval op de Buitenwaardenweg reed, verklaart dat hem bekend is dat groot licht tegenliggers kan verblinden en dat hij niet werd verblind door de verlichting van de Peugeot [18].

Gelet op de hiervoor weergegeven bevindingen van de politie, de verklaringen die verdachte daarover bij de politie heeft afgelegd en de verklaring van de getuigen [persoon 1] en [getuige 1] komt de rechtbank tot de overtuiging dat verdachte ter plaatse heeft gereden met dimlicht.

Naar het oordeel van de rechtbank is de stelling van de raadsman, dat bij uitschakeling van de motor van de Peugeot het groot licht dooft, onvoldoende onderbouwd en is, gelet op de hiervoor genoemde bewijsmiddelen, een nader onderzoek dienaangaande niet nodig.

Tenslotte staat de rechtbank voor de vraag of er in dit geval sprake is van aanmerkelijke onoplettendheid of onvoorzichtigheid als bedoeld in artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994. Volgens vaste jurisprudentie dient ter beantwoording van die vraag te worden gelet op het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Van belang daarbij zijn de aard en de concrete ernst van de verkeersovertreding en de omstandigheden waaronder die is begaan (HR 1 juni 2004, LJN AO5822).

Verdachte kent de weg waarover ze reed goed, ze weet dat het een zodanig smalle weg is dat een auto er niet kan uitwijken, ze weet dat de weg gevaarlijk is en ze daar rijdend daarom altijd oplettend moet zijn voor tegenliggers en fietsers. Verdachte reed in de auto van haar broer, een auto waarin ze voor de eerste keer reed en die ze niet goed kende [19].

Naar het oordeel van de rechtbank had verdachte haar rijgedrag dienen aan te passen aan de omstandigheden ter plaatse, waar ze weet van had. Door te rijden met de snelheid waarmee verdachte heeft gereden, onder genoemde omstandigheden, heeft verdachte onvoldoende zorgvuldigheid betracht, hetgeen naar het oordeel van de rechtbank leidt tot het oordeel dat verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig heeft gereden, met als gevolg dat de aanrijding met het slachtoffer is ontstaan.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte:

op 21 december 2008 te Hedikhuizen, gemeente Heusden, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurster van een motorrijtuig (personenauto), daarmede rijdende over de weg, Buitenwaardenweg (komende uit de richting Kerkstraat en gaande in de richting Vergereindseweg), zich zodanig heeft gedragen dat een aan haar schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door - bij duisternis – aanmerkelijk onvoorzichtig dit voertuig te besturen, immers verdachte heeft aldaar met een gezien de wegsituatie en de

lichtgesteldheid en de door haar, verdachte, gevoerde verlichting te hoge snelheid ter plaatse gereden,

waardoor zij te laat een zich op of aan de Buitenwaardenweg bevindende persoon

([slachtoffer 1]) heeft opgemerkt en zij, verdachte, hierdoor de snelheid van het door haar, verdachte, bestuurde voertuig niet tijdig heeft kunnen verminderen, zodat een aanrijding is ontstaan tussen het door haar, verdachte, bestuurde voertuig en die persoon, door welk verkeersongeval het slachtoffer (zijnde [slachtoffer 1]) werd gedood.

Hetgeen primair meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De kwalificatie.

Het bewezenverklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit.

De strafbaarheid.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van het feit of van de verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen te hare laste bewezen is verklaard.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d

Wegenverkeerswet 1994 art. 6, 175, 179.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie vordert een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van een maand, met een proeftijd van twee jaar, en een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van een jaar.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman van verdachte heeft verzocht om in geval van oplegging van een straf de mogelijkheid van schuldigverklaring zonder oplegging van straf of maatregel, een geheel voorwaardelijke straf, een geldboete of een werkstraf te overwegen. Een ontzegging van de rijbevoegdheid is volgens de raadsman niet geboden.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

Bij de strafoplegging zal de rechtbank in het voordeel van verdachte rekening houden met het feit dat verdachte er ter terechtzitting blijk van heeft gegeven dat zij de ernst van het door haar aan de nabestaanden van het slachtoffer aangedane leed inziet en contact heeft gezocht met de nabestaanden om haar spijt te betuigen.

De rechtbank zal een lichtere straf en bijkomende straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, nu de rechtbank van oordeel is dat de op te leggen straffen de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengen.

De rechtbank acht het niet aangewezen om, gelet op de aard van de verkeersovertreding, de omstandigheden waaronder dit feit is begaan en de persoon van verdachte, een voorwaardelijke vrijheidsstraf op te leggen. In plaats daarvan zal de rechtbank een taakstraf in de vorm van een werkstraf opleggen, van een duur die past bij de duur van de door de officier van justitie gevorderde geheel voorwaardelijke gevangenisstraf.

Gelet op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zal de rechtbank in plaats van de gevorderde onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid bepalen dat die bijkomende straf niet zal worden tenuitvoergelegd mits verdachte zich tot het einde van de hierna vast te stellen proeftijd aan de voorwaarde houdt dat zij zich niet aan een strafbaar feit zal schuldig maken. De rechtbank wil met een en ander enerzijds de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit tot uitdrukking brengen en anderzijds door invloed uit te oefenen op het gedrag van de verdachte het door verdachte opnieuw plegen van een strafbaar feit tegengaan.

DE UITSPRAAK

Verklaart het primair tenlastegelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte primair meer of anders is tenlastegelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt haar daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op het misdrijf:

primair

Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval

betreft waardoor een ander wordt gedood.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar en legt haar de volgende straf en bijkomende straf op.

T.a.v. primair:

Werkstraf voor de duur van 60 uren subsidiair 30 dagen hechtenis voorwaardelijk

met een proeftijd van 2 jaren

T.a.v. primair:

Ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen (bromfietsen daaronder

begrepen) voor de duur van 1 jaar voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. E.C.M. de Klerk, voorzitter,

mr. P.J.H. Van Dellen en mr. F. Schneider, leden,

in tegenwoordigheid van J.F.A. Verhagen, griffier,

en is uitgesproken op 6 oktober 2009.

Mr. F. Schneider is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

[1] Proces-verbaal Verkeersongeval analyse, p. 85; ambtelijk verslag, p. 8; proces-verbaal van

bevindingen van [verbalisant 1], p. 32.

[2] Proces-verbaal Verkeersongeval analyse, p. 85, 87; proces-verbaal van verhoor van

verdachte, p. 185, 186.

[3] Verklaring verdachte ter terechtzitting; proces-verbaal van verhoor van verdachte, p. 187;

proces-verbaal forensisch onderzoek overledene, p. 52; proces-verbaal bevindingen van

[verbalisant 2], p. 30; proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant 3], p. 36, 37, 39;

proces-verbaal Verkeersongeval analyse, p. 93.

[4] Deskundigenrapport NFI d.d. 6 april 2009, p. 5.

[5] Proces-verbaal forensisch onderzoek overledene, p. 52, 60, proces-verbaal bevindingen, p. 51.

[6] Proces-verbaal van verhoor van verdachte, p. 182, 183; verklaring verdachte ter terechtzitting; proces-verbaal

van verhoor van [persoon 1], p. 151.

[7] Proces-verbaal van verhoor van verdachte, p. 184. 185; verklaring verdachte ter terechtzitting; proces-verbaal

van verhoor van [persoon 1], p. 143,144;

[8] Proces-verbaal van verhoor van verdachte, p. 186, verklaring verdachte ter terechtzitting; proces-verbaal

Verkeersongeval analyse, p. 87; proces-verbaal van verhoor van [persoon 1], p. 147; proces-verbaal van

verhoor van [persoon 2] p. 158, 164.

[9] proces-verbaal van verhoor van verdachte, 185, 186; Verkeersongeval analyse, p. 85, proces-verbaal van

verhoor van [persoon 3], p. 174; proces-verbaal van verhoor van [persoon 1], p. 153; proces-verbaal van

verhoor van [verdachte], p. 208.

[10] Verklaring verdachte ter terechtzitting; proces-verbaal van verhoor van verdachte, p. 186, 187; proces-verbaal

van verhoor van [persoon 1], p. 144, 147, 148; proces-verbaal van verhoor van [persoon 2] p. 158,

164.

[11] proces-verbaal van verhoor van [getuige 1], p. 212, 214; proces-verbaal van verhoor van [persoon 4]

p. 222; proces-verbaal van verhoor van [persoon 5] p. 231.

[12] Proces-verbaal van verhoor van [persoon 6], p. 302, 303; proces-verbaal van verhoor van [persoon 7] p. 306.

[13] Proces-verbaal forensisch onderzoek, p. 53, 54, 59; aanvullend proces-verbaal nummer 2008028896, d.d. 21

september 2009, p. 5, 6.

[14] Deskundigenrapport van het NFI d.d. 6 april 2009, p. 5, 6.

[15] Proces-verbaal Verkeersongeval analyse, p. 88, 91, 93, 97, 98, 99, 114, 115, 116; aanvullend proces-verbaal,

p. 120.

[16] Proces-verbaal van verhoor van verdachte, p. 186, 197.

[17] Proces-verbaal van verhoor van [persoon 1], p. 147.

[18] Proces-verbaal bevindingen, p. 35.

[19] Proces-verbaal van verhoor van verdachte, p. 191, 195.