Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2009:BJ7944

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
18-09-2009
Datum publicatie
18-09-2009
Zaaknummer
01/825334-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Promis-vonnis.

Culpoze brandstichting bewezen.

Verdachte heeft een in terpetine gedrenkte mondharmonica gedroogd met een brandende aansteker.

Verdachte is zich bewust geweest van de aanmerkelijke kans dat er door middel van zijn handelwijze brand zou kunnen ontstaan maar hij heeft deze kans niet op de koop toe genomen.

De rechtbank spreekt vrij van opzettelijke brandstichting.

Opgelegd wordt een gevangenisstraf voor de duur van 81 dagen met aftrek van voorarrest.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

Sector Strafrecht

Parketnummer: 01/825334-09

Datum uitspraak: 18 september 2009

Vonnis van de rechtbank ’s-Hertogenbosch, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats], op [geboortedatum] 1984,

wonende te [adres],

thans gedetineerd in penitentiaire inrichting “Nieuw Vosseveld II” te Vught.

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 4 september 2009.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 28 juli 2009.

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 08 juni 2009 te Eindhoven, grovelijk, althans

aanmerkelijk, onvoorzichtig en / of onoplettend en / of onachtzaam door middel

van open vuur in een kamer op een afdeling van de Kliniek [naam kliniek]

een (in terpentine gedrenkte)

mondharmonika en/of een dekbed en/of een plas, althans een hoeveelheid

terpentine, althans een licht ontvlambare/brandbare vloeistof in brand heeft

gestoken, ten gevolge waarvan het aan zijn schuld te wijten is geweest, dat er

in voormelde kamer brand is ontstaan, terwijl daardoor:

-gemeen gevaar voor de zich in die kamer bevindende goed(eren) en/of de zich

in de belendende kamer(s) bevindende goed(eren) te duchten was en/of

-levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de zich

in de kliniek bevindende patiënt(en) en/of medewerker(s), ontstond;

[artikel 158 van het Wetboek van Strafrecht].

De tenlastelegging is op vordering van de officier van justitie ter terechtzitting van 4 september 2009 gewijzigd in die zin dat als primair tenlastegelegd feit is toegevoegd opzettelijke brandstichting. Van deze vordering is een kopie aan dit vonnis gehecht.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

De bewijsmiddelen en de beoordeling daarvan.

Vaststaande feiten.

Op grond van de inhoud van het wettig opgemaakte eindproces-verbaal van de regiopolitie Brabant Zuid-Oost, registratienummer PL2233/2009096425, afgesloten op 23 juni 2009, en de verklaring van verdachte, zoals afgelegd ter terechtzitting, stelt de rechtbank de volgende feiten vast.

Op 8 juni 2009 heeft verdachte in zijn kamer op een afdeling van kliniek [naam kliniek] te Eindhoven met terpentine zijn mondharmonica gepoetst en daarna met een aansteker die mondharmonica in brand gestoken. Toen die mondharmonica brandde heeft verdachte deze laten vallen in een plas door hem gemorste terpentine, waardoor die plas terpentine ging branden 1. Vervolgens is brand ontstaan in die kamer 2, waardoor een bed, een matras en een raam brandschade hebben opgelopen 3.

Op de afdeling in de kliniek waar de kamer van verdachte zich bevond, waren patiënten en medewerkers aanwezig die (levens-)gevaar hebben gelopen. Als gevolg van door de brand ontstane hevige rookontwikkeling moesten deze personen de afdeling verlaten en is tenminste één persoon wegens ademhalingsmoeilijkheden naar het ziekenhuis gebracht 4.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot vrijspraak van het primair tenlastegelegde omdat zij niet bewezen acht dat verdachte de brand in zijn kamer opzettelijk heeft gesticht. Zij acht wel bewezen dat verdachte, zoals subsidiair tenlastegelegd, door zijn handelwijze schuld heeft aan het ontstaan van de brand en dat daardoor gevaar voor goederen en levensgevaar of gevaar voor lichamelijk letsel bij patiënten en medewerkers van de kliniek is ontstaan.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman van verdachte stelt zich op het standpunt dat geen bewijs aanwezig is voor opzettelijke brandstichting. Hij concludeert voorts dat ten aanzien van het subsidiaire tenlastegelegde geen bewijs aanwezig is voor grovelijk of aanmerkelijk onvoorzichtig en dus verwijtbaar handelen van verdachte waardoor verdachte ook van het subsidiair tenlastegelegde moet worden vrijgesproken.

Het oordeel van de rechtbank

Primair is aan verdachte, na wijziging van de tenlastelegging, opzettelijke brandstichting tenlastegelegd.

De rechtbank overweegt hieromtrent het volgende.

Op grond van zijn verklaring afgelegd bij de politie 5 acht de rechtbank bewezen dat verdachte op het moment dat hij zijn mondharmonica droogde met zijn brandende aansteker redelijkerwijze heeft voorzien dat door zijn handelwijze (levens)gevaar voor personen en gemeen gevaar voor goederen te duchten viel. Verdachte heeft immers aangegeven dat vuur in combinatie met terpentine gevaarlijk is voor hemzelf, voor de anderen in de groep en voor de rest van het huis.

De rechtbank acht echter niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte met opzet goederen in zijn kamer in brand heeft gestoken. Zowel de zwaarste variant van het opzet, het willens en wetens handelen, alsook voorwaardelijk opzet op de brandstichting acht de rechtbank niet bewezen.

De rechtbank baseert dit oordeel op de consistente verklaringen die verdachte hierover bij de politie, de rechter-commissaris en ter terechtzitting heeft afgelegd. Verdachte heeft immers verklaard dat hij zijn mondharmonica schoonmaakt met ‘inkt’ (de rechtbank begrijpt dat volgens de verhorende verbalisant hiermee de terpentine wordt bedoeld 6),

door terpentine te sprenkelen op een doekje dat hij vervolgens op zijn mondharmonica uitwrijft waarna hij deze droogt middels een vlam. Verdachte heeft verklaard dat hij op deze wijze zijn instrument blinkend schoon brandt en dat hij dit wel vaker heeft gedaan. Verdachte heeft bovendien meermalen aangegeven dat in onderhavige zaak sprake was van een ongeluk doordat brand is ontstaan wegens het morsen van de terpentine.

In het proces-verbaal van verhoor van verdachte van 8 juni 2009 7, opgemaakt door [verbalisant], wordt gerelateerd dat een medewerker van de Grote Beek, [medewerker], heeft bevestigd dat verdachte reeds eerder op dergelijke wijze zijn mondharmonica oppoetste en dat hij daarvan wist.

Bovendien grondt de rechtbank haar oordeel op het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt door [deskundige] 8 waarin hij relateert dat het in de periode dat hij werkzaam was bij de Koninklijke Landmacht gebruikelijk was om op soortgelijke wijze het baretembleem met koperpoets op te poetsen waarna het embleem er blinkend en schoon uitzag.

Ten aanzien van het voorwaardelijk opzet acht de rechtbank weliswaar bewezen dat verdachte zich bewust is geweest van de aanmerkelijke kans dat er door middel van zijn handelwijze brand zou kunnen ontstaan (met name omdat hij zelf verklaard dat hij wist dat de combinatie terpentine en vuur een gevaarlijke situatie vormt 9, maar zij acht niet bewezen dat verdachte deze aanmerkelijke kans tevens heeft aanvaard. Verdachte heeft immers getracht het vuur te doven met behulp van zijn dekbed en ook heeft hij het personeel

gewaarschuwd toen er brand in zijn kamer was ontstaan.

Gelet op het voorgaande zal de rechtbank verdachte vrijspreken van het primair tenlastegelegde.

Naar het oordeel van de rechtbank is verdachte door te handelen als hiervoor omschreven, wel aanmerkelijk onvoorzichtig en onachtzaam geweest. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat verdachte door terpentine te sprenkelen op een doek, daarbij terpentine te morsen, vervolgens open vuur te houden bij de met terpentine natgemaakte mondharmonica en deze al brandend te laten vallen op de vloer, in een door hem aldaar geknoeide plas terpentine, schuldig is aan het culpoos veroorzaken van brand.

Gelet op het voorgaande kan verdachte een zodanig strafrechtelijk verwijt worden gemaakt dat dit schuld in strafrechtelijke zin met betrekking tot de subsidiair tenlastegelegde gevolgen oplevert.

De rechtbank acht daarom wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte het subsidiair tenlastegelegde feit heeft begaan.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hiervoor uitgewerkte bewijsmiddelen, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

hij op 08 juni 2009 te Eindhoven, aanmerkelijk onvoorzichtig en onachtzaam door middel

van open vuur in een kamer op een afdeling van de Kliniek [naam kliniek]

een mondharmonica en een plas terpentine in brand heeft

gestoken, ten gevolge waarvan het aan zijn schuld te wijten is geweest, dat er

in voormelde kamer brand is ontstaan, terwijl daardoor:

-gemeen gevaar voor de zich in die kamer bevindende goederen en de zich

in de belendende kamers bevindende goederen te duchten was en

-levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de zich

in de kliniek bevindende patiënten en medewerkers, ontstond.

Hetgeen subsidiair meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De kwalificatie.

Het bewezenverklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit.

De strafbaarheid.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van het feit of van de verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen te zijnen laste bewezen is verklaard.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 10, 27, 158.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie vordert een gevangenisstraf voor de duur van 180 dagen met aftrek van voorarrest, waarvan 85 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, met de bijzondere voorwaarde dat verdachte zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de aanwijzingen van de reclassering.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman van verdachte heeft verzocht, indien een vrijheidsstraf wordt opgelegd, de duur daarvan te beperken tot een duur gelijk aan de duur van het voorarrest, te weten 81 dagen.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

Aan de schuld (aanmerkelijke onvoorzichtigheid en onachtzaamheid) van verdachte is te wijten dat brand is ontstaan in zijn kamer en is gevaar voor goederen in die kamer en belendende kamers te duchten geweest alsook levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor personen. Verdachte heeft, toen hij zag dat de brand zich in zijn kamer uitbreidde, hulp ingeroepen en aanvankelijk gepoogd deze zelf doven.

Omdat de brand adequaat en tijdig kon worden geblust is erger voorkomen.

De rechtbank heeft vastgesteld dat verdachte op 4 september 2009 reeds 81 dagen gedetineerd was voor dit feit. Gelet hierop en het ontbreken van ernstige bezwaren ten aanzien van het primair tenlastegelegde heeft de rechtbank ter terechtzitting van 4 september 2009 de voorlopige hechtenis van verdachte opgeheven.

De rechtbank is van oordeel, dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf welke vrijheidsbeneming meebrengt. Gelet op het bovenstaande zal de rechtbank een gevangenisstraf opleggen waarvan de duur gelijk is aan de duur van het voorarrest.

De rechtbank ziet geen aanleiding om aan verdachte een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen. Verdachte heeft weliswaar een strafblad maar is terzake soortgelijke feiten niet eerder veroordeeld.

Gelet op de recente veroordeling van verdachte door het gerechtshof te Arnhem (arrest d.d. 25 mei 2009), waarbij aan verdachte een deels voorwaardelijke gevangenisstraf is opgelegd met een proeftijd van twee jaar en de bijzondere voorwaarde dat verdachte zich zal gedragen naar de aanwijzingen van de reclassering, en voorts gelet op de inhoud van de rapporten van de reclassering d.d. 25 augustus 2009 en 4 mei 2009 betreffende verdachte, is naar het oordeel van de rechtbank nader toezicht van de reclassering niet aangewezen.

DE UITSPRAAK

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte primair is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart het subsidiair tenlastegelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte subsidiair meer of anders is tenlastegelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op het misdrijf:

aan zijn schuld te wijten zijn van brand, terwijl daardoor gemeen gevaar voor

goederen ontstaat en terwijl daardoor levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander ontstaat.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar en legt verdachte de volgende straf op.

T.a.v. subsidiair:

Gevangenisstraf voor de duur van 81 dagen met aftrek overeenkomstig artikel 27

Wetboek van Strafrecht.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. J.W.H. Renneberg, voorzitter,

mr. E.C.M. de Klerk en mr. I.M. Nusselder, leden,

in tegenwoordigheid van J.F.A. Verhagen, griffier,

en is uitgesproken op 18 september 2009.

1 Verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 4 september 2009, en proces-verbaal van verhoor van

getuige [getuige], p. 26

2 Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer], p. 19, 20 en ambtelijk verslag, p. 5

3 Proces-verbaal bevindingen, p. 34

4 Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer], p. 20 en proces-verbaal bevindingen, p. 32

5 Proces-verbaal van verhoor van verdachte, p. 47

6 Proces-verbaal van verhoor van verdachte, p. 41

7 Proces-verbaal van verhoor van verdachte, p. 39

8 Proces-verbaal van bevindingen, p. 37

9 Proces-verbaal van verhoor van verdachte, p. 47

??

??

6

Parketnummer: 01/825334-09

- [verdachte]