Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2009:BJ7885

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
14-04-2009
Datum publicatie
21-09-2009
Zaaknummer
AWB 08-1991
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2010:BL5362, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bezwaar tegen verlening bouwvergunning met vrijstelling na uitspraak in hoger beroep bij bestreden besluit opnieuw ongegrond verklaard.

Verlening van de vrijstelling verdraagt zich naar het oordeel van de rechtbank niet met de vastgestelde beleidsregels. Bouwvergunning kon niet in stand blijven. Bestreden besluit vernietigd. Toekenning schadevergoeding voor geleden immateriële schade wegens schending van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM. Pas ruim vier jaar na de uitspraak in hoger beroep heeft verweerder opnieuw op het bezwaar beslist. Voor de bepaling van de redelijke termijn heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 24 december 2008 (LJN: BG8294), voor de berekening van de schadevergoeding bij de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 26 januari 2009 (LJN: BH1009).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RVR 2009, 123
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-HERTOGENBOSCH

Sector bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 08/1991

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 april 2009

inzake

[eiser],

wonende te [plaats],

eiser,

gemachtigde mr. drs. D.A.C. Janssen,

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Schijndel,

verweerder,

gemachtigde mr. H.M. van Tilborg.

Aan het geding heeft als partij deelgenomen [vergunninghouder], wonende te [plaats], vergunninghouder, gemachtigde mr. J.F.C. Veelenturf.

Procesverloop

Bij besluit van 7 juli 2003 heeft verweerder vergunninghouder, met toepassing van artikel 19, derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO), vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het verbouwen van een woning op het perceel [adres] te [plaats], kadastraal bekend [kadastergegevens]. Tevens heeft verweerder daarbij vrijstelling verleend van de bouwverordening, voor zover het het uitvoeren van een bodemonderzoek betreft, en van het bepaalde in artikel 71a van het Bouwbesluit betreffende het overleggen van een energieprestatieberekening.

Bij besluit van 15 oktober 2003 heeft verweerder het door eiser tegen dit besluit gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen het besluit van 15 oktober 2003 beroep ingesteld.

Eiser heeft tegen de ongegrondverklaring van dit beroep door de voorzieningenrechter van deze rechtbank, bij uitspraak van 13 november 2003 (zaaknummer AWB 03/2953), hoger beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling).

Bij uitspraak van 28 juli 2004 (zaaknummer 200400036/1) heeft de Afdeling het hoger beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de voorzieningenrechter vernietigd, het beroep gegrond verklaard en het besluit van verweerder van 15 oktober 2003 vernietigd.

Op 6 juni 2008 heeft eiser beroep aangetekend wegens het uitblijven van een hernieuwde beslissing op zijn bezwaar.

Bij besluit van 30 juli 2008 heeft verweerder eisers bezwaar opnieuw ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft partijen bij brief van 19 november 2008 bericht dat het beroep van 6 juni 2008, gelet op artikel 6:20 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), wordt geacht mede te zijn gericht tegen het besluit van 30 juli 2008.

De rechtbank heeft de zaak, met toepassing van artikel 8:52 van de Awb, versneld behandeld ter zitting van 18 maart 2009. Eiser is verschenen in persoon, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is verschenen bij gemachtigde. Vergunninghouder is eveneens verschenen in persoon, bijgestaan door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 6:20, vierde lid, van de Awb wordt het beroep van eiser geacht mede te zijn gericht tegen verweerders besluit van 30 juli 2008 tot ongegrondverklaring van eisers bezwaar.

2. In aanmerking nemende dat verweerder inmiddels alsnog een beslissing heeft genomen op het bezwaar en eiser ter zitting niet aannemelijk heeft gemaakt welk concreet belang hij nog heeft bij een oordeel van de rechtbank omtrent de rechtmatigheid van het niet tijdig beslissen door verweerder, zal het beroep in zoverre niet-ontvankelijk worden verklaard. De rechtbank wijst eiser erop, dat dit oordeel niet in de weg staat aan het betrekken van het tijdsverloop bij de beoordeling van de door eiser aangevoerde beroepsgrond betreffende de overschrijding van de redelijke termijn.

3. Gelet op hetgeen eiser in beroep heeft aangevoerd, is vervolgens aan de orde of verweerder bij het bestreden besluit in redelijkheid vrijstelling als bedoeld in artikel 19, derde lid, van de WRO, respectievelijk terecht en op goede gronden een bouwvergunning heeft verleend en of het bestreden besluit, waarbij de besluiten tot vrijstelling en verlening van een bouwvergunning zijn gehandhaafd, thans in rechte stand kunnen houden.

Relevante feiten

4. Het bouwplan ziet op het veranderen en vergroten van de bestaande woning en het oprichten van een vrijstaande garage/berging op het perceel [adres] te [plaats].

5. Tussen partijen is niet in geschil dat het bouwplan niet in overeenstemming is met het ter plaatse geldende bestemmingsplan. Dit is ook waarom ten behoeve van het bouwplan een vrijstelling als bedoeld in artikel 19, derde lid, van de WRO is gevraagd en is verleend.

6. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 28 juli 2004 onder meer overwogen dat verweerder, ter uitoefening van zijn vrijstellingsbevoegdheid, beleidsregels heeft vastgesteld, die zijn vervat in Bijlage 2 van de Bebouwingsregeling wonen, maar dat het bouwplan

- naar niet in geschil is - niet in overeenstemming is met die beleidsregels, omdat de op grond daarvan maximaal te bebouwen oppervlakte ruimschoots wordt overschreden.

Verweerder had zich op het standpunt gesteld dat de planologische situatie ter plaatse aanzienlijk zou worden verbeterd, omdat de oppervlakte van de aanwezige, grotendeels illegale, erfbebouwing na realisering van het bouwplan zou worden teruggebracht van 410 vierkante meter tot ongeveer 150 vierkante meter. De Afdeling oordeelde, anders dan de voorzieningenrechter, dat deze omstandigheid niet kon worden aangemerkt als een bijzondere omstandigheid die tot gevolg zou hebben dat vergunninghouder onevenredig in zijn belangen zou worden geschaad indien verweerder zou vasthouden aan de beleidsregels.

Volgens de Afdeling was niet gebleken van een bijzondere noodzaak om meer te bouwen dan de op grond van de beleidsregels toegestane oppervlakte van 100 vierkante meter.

7. Inmiddels is een belangrijk deel van de op het achterste gedeelte van het perceel gelegen bebouwing (zwembad, badhuis en opslagruimten) gesloopt. Dit perceelsgedeelte is verkocht en maakt dus geen deel meer uit van het huisperceel.

Standpunten van partijen

8. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat de erfbebouwing buiten de bouwstrook, na de hiervoor genoemde sloop van bijgebouwen en de verkoop van een deel van het perceel, ongeveer 97 vierkante meter bedraagt en daarmee valt binnen de op grond van de beleidsregels toegestane oppervlakte van 100 vierkante meter, zodat de gevraagde vrijstelling kan worden verleend. Anders dan de Commissie Rechtsbescherming Burgers, is verweerder de mening toegedaan dat in het kader van de aanvraag om bouwvergunning geen aparte vrijstelling nodig is voor het van het bestemmingsplan afwijkende gebruik.

Verweerder heeft in de belangenafweging betrokken dat vergunninghouder de bij de aankoop aanwezige erfbebouwing sterk heeft teruggebracht, aanvankelijk van ongeveer 412 vierkante meter naar ongeveer 147 vierkante meter, maar uiteindelijk zelfs tot ongeveer 97 vierkante meter. De inmiddels gerealiseerde bebouwing strekt tot een groter woongenot. Ook de omgeving heeft volgens verweerder belang bij de gevonden oplossing en is verlost van een sterk dominerende en alom aanwezige erfbebouwing in de vorm van voornamelijk volières. Verweerder vindt, gelet hierop, dat de belangen van vergunninghouder zwaarder wegen dan de belangen van eiser.

9. Eiser heeft in beroep allereerst aangevoerd dat verweerder ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan artikel 7:9 van de Awb.

Eiser is verder van mening dat door het bouwplan sprake is van een wijziging van het gebruik van de op het perceel van vergunninghouder liggende bestemmingen, waarvoor wel degelijk een afzonderlijke gebruiksvrijstelling nodig is.

Volgens eiser wordt, anders dan verweerder in het bestreden besluit stelt, niet aan de Bebouwingsregeling wonen voldaan. Zo worden de maximale oppervlakte van 100 vierkante meter en de goothoogte aan de zijkant van de woning (3,30 meter in plaats van maximaal 3 meter) overschreden. Ook is bij de bepaling van de totale oppervlakte aan erfbebouwing de oppervlakte van de overkappingen niet meegenomen. Verder wordt niet voldaan aan de voorwaarden voor het uitbouwen aan de zijgevel van een woning, omdat de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens minimaal 3 meter moet bedragen, maar in dit geval de bebouwing gedeeltelijk over de perceelsgrens is gerealiseerd. Ook is volgens eiser niet voldaan aan het vereiste dat de diepte van een uitbouw maximaal 2 meter mag bedragen en de breedte niet meer dan 50% van de zijgevel en is het in strijd met de beleidsregels dat aan beide zijden van de woning aan- en bijgebouwen zijn gerealiseerd.

Bovendien zijn volgens eiser ten onrechte geen bodemonderzoeksgegevens bij de bouwvergunning gevoegd, zoals de bouwverordening voorschrijft.

Eiser is van mening dat verweerder de vrijstelling had moeten weigeren, omdat op zijn perceel is gebouwd en dit een inbreuk vormt op het eigendomsrecht.

Door de massieve bouw bij de buren is volgens eiser het vrijstaande karakter van zijn woning aangetast en is de eetkamer in het donker gehuld.

Verder heeft zijns inziens het afbreken van de volières niets te maken met de bouwplannen van vergunninghouder. Zij waren voordien al afgebroken.

Eiser heeft de rechtbank verzocht om, bij vernietiging van het bestreden besluit, verweerder een dwangsom op te leggen, om te bewerkstellingen dat verweerder niet weer meer dan vier jaar doet over het nemen van een beslissing op bezwaar en om het besluit tot verlening van de bouwvergunning en vrijstellingen van 7 juli 2003, met toepassing van artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb, te schorsen. Voorts verzoekt eiser om in de uitspraak te bepalen dat verweerder in dit geval de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden heeft geschonden.

10. Vergunninghouder heeft aangegeven verweerders visie te onderschrijven.

11. Verweerder heeft, naar aanleiding van het beroep, in het verweerschrift aangegeven dat het beroep gegrond dient te worden verklaard. Ten tijde van de verlening van de vrijstelling werd in bestemmingsplannen de bouwstrookmethode toegepast. In moderne plannen wordt veelal de bouwblokmethode toegepast, waarbij de erfbebouwing naast dit blok ook bij de erfbebouwing wordt gerekend. In de Bebouwingsregeling wonen wordt melding gemaakt van bouwstroken, maar volgens verweerder is, gelet op de bijlage bij de regeling, bedoeld om bij de vrijstelling uit te gaan van de bouwblokmethode. Dit betekent volgens verweerder dat hij bij het bestreden besluit ten onrechte de oppervlakte aan erfbebouwing naast de woning niet in de berekende oppervlakte heeft meegenomen en er meer dan 100 vierkante meter aan erfbebouwing is gerealiseerd.

Wettelijk kader, planologisch regime

12. De bouwaanvraag dateert van voor 1 januari 2003, zodat de zaak moet worden beoordeeld aan de hand van de voor die datum geldende regelgeving.

13. In artikel 44, van de op dat moment geldende Woningwet mocht, voor zover hier van belang, een bouwvergunning alleen en moest een bouwvergunning worden geweigerd - kort gezegd - indien het bouwplan niet voldeed aan de bij of krachtens het Bouwbesluit gegeven voorschriften of aan de voorschriften van de bouwverordening, of het bouwwerk in strijd was met een bestemmingsplan of de krachtens een dergelijk plan gestelde eisen.

Op grond van artikel 19, derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, in combinatie met artikel 20, eerste lid, aanhef en onder a, sub 1°, van het Besluit op de ruimtelijke ordening, konden burgemeester en wethouders vrijstelling van het bestemmingsplan verlenen voor een uitbreiding van of een bijgebouw bij een woongebouw in de bebouwde kom, mits het aantal woningen gelijk bleef.

14. Ingevolge het ter plaatse vigerende bestemmingsplan "Centrum & Parochie Boschweg" rustten op het betrokken perceel de bestemmingen "Vrijstaande woningen", "Tuin of erf" en "Tuinen of erven waarop kleine bedrijven en werkplaatsen zijn toegelaten".

Het oordeel van de rechtbank

15. Niet in geschil is dat het bouwplan in strijd is met het ter plaatse geldende bestemmingsplan. Om het bouwplan niettemin mogelijk te maken heeft verweerder vrijstelling als bedoeld in artikel 19, derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, gelezen in samenhang met artikel 20, eerste lid, aanhef en onder a, sub 1°, van het Besluit op de ruimtelijke ordening verleend.

16. Verweerder heeft ter uitoefening van zijn vrijstellingsbevoegdheid beleidsregels vastgesteld, die zijn vervat in Bijlage 2 van de Bebouwingsregeling wonen. Op grond van deze beleidsregels kan verweerder vrijstelling verlenen voor aan- en/of bijgebouwen op het zij- en/of achtererf van een woning, onder voorwaarde dat, voor zover hier van belang, het bebouwingspercentage van 40%, tot een maximale oppervlakte van 100 vierkante meter, niet wordt overschreden.

17. Naar aanleiding van de uitspraak van de Afdeling van 28 juli 2004, moest verweerder opnieuw op het door eiser gemaakte bezwaar beslissen. Ten tijde van het nemen van het bestreden besluit was verweerder de mening toegedaan dat, anders dan ten tijde van de uitspraak van de Afdeling, door de sloop van bijgebouwen en de verkoop van een gedeelte van het perceel, de totale oppervlakte aan aan- en bijgebouwen kleiner was dan de in de Bebouwingsregeling wonen opgenomen maximale oppervlakte. De rechtbank is van oordeel dat deze wijziging van feiten, gelet op de criteria van de Bebouwingsregeling wonen, van aanmerkelijk belang kon zijn voor de op het bezwaar te nemen beslissing. Verweerder had dan ook, overeenkomstig artikel 7:9 van de Awb, eiser in de gelegenheid moeten stellen om daarover te worden gehoord.

18. De rechtbank heeft geconstateerd dat de Bebouwingsregeling wonen niet dwingt tot het door verweerder in het verweerschrift ingenomen standpunt over de toepassing van de bouwblokmethode. De beleidsregels zijn zowel van toepassing in gevallen waarin in het bestemmingsplan is voorzien in een bouwstrook, als in gevallen waarin in het plan is voorzien in een bouwblok. Dit is van de zijde van verweerder ter zitting desgevraagd bevestigd. Niettemin houdt verweerder vast aan de in het verweerschrift gegeven uitleg, omdat hem is gebleken dat bij de toepassing van de beleidsregels in de praktijk, altijd van de bouwblokmethode is uitgegaan, zonder dat daarbij is gekeken naar de in het bestemmingsplan gehanteerde methodiek. Afwijking hiervan in dit geval zou volgens verweerder tot een ongelijke toepassing van de beleidsregels leiden. Zoals hierna zal blijken, is de vraag welke methode verweerder heeft gehanteerd of zou moeten hanteren niet van invloed op de in deze zaak door de rechtbank te nemen beslissing.

19. Van de zijde van verweerder zijn ter zitting tekeningen getoond en - met instemming van de andere partijen - overgelegd, waarop globaal is aangegeven welke oppervlakte de aan- en bijgebouwen hebben. De rechtbank leidt hieruit af dat de totale oppervlakte aan aan- en bijgebouwen de op grond van de Bebouwingsregeling wonen maximaal toegestane oppervlakte van 100 vierkante meter ruimschoots overschrijdt, ongeacht of van de bouwstrookmethode of de bouwblokmethode gebruik wordt gemaakt.

20. Op grond hiervan staat vast dat het bouwplan hoe dan ook niet voldoet aan de Bebouwingsregeling wonen en op grond van die regeling geen vrijstelling voor het bouwplan kon worden verleend. Verweerder had de gevraagde vrijstelling dan ook niet mogen verlenen. Dit betekent dat verlening van de bouwvergunning in strijd was met het bestemmingsplan en verweerder het besluit tot verlening van de bouwvergunning van 7 juli 2003 bij het bestreden besluit ten onrechte in stand heeft gelaten.

21. Aan de vraag in hoeverre het bouwplan overigens aan de Bebouwingsregeling wonen voldoet, komt de rechtbank, gelet op het vorenoverwogene, niet toe.

22. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 24 december 2008 (jurisprudentienummer LJN: BG8294) overwogen dat zij, voor zaken zoals in die procedure aan de orde (beroep betreffende de verlening van een bouwvergunning), in beginsel een totale lengte van de procedure van ten hoogste vijf jaar redelijk acht, waarbij de behandeling van het bezwaar ten hoogste één jaar mag duren, de behandeling van het beroep ten hoogste twee jaar mag duren en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar ag duren.

Omstandigheden, ontleend aan de jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM), kunnen in bepaalde gevallen aanleiding geven om overschrijding van deze termijnen gerechtvaardigd te achten. Dergelijke omstandigheden zijn: de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van appellant gedurende de hele procesgang en de aard van de maatregel en van het daardoor getroffen belang van eiser.

23. In dit geval heeft de procedure, na ontvangst van het bezwaarschrift door verweerder op 22 juli 2003, inmiddels meer dan vijf jaren en acht maanden geduurd. Daaruit volgt, in het licht van de hiervoor genoemde uitspraak van de Afdeling van 24 december 2008, dat de redelijke termijn moet worden geacht met ruim acht maanden te zijn overschreden.

Er is geen sprake van een zo ingewikkelde kwestie, of van een zodanig processueel gedrag van eiser gedurende de procesgang, dat overschrijding van de redelijke termijn daarmee verschoonbaar kan worden geacht. De rechtbank betrekt hierbij dat verweerder niet heeft weersproken dat eiser diverse malen bij de gemeente heeft geïnformeerd naar de stand van zaken in het besluitvormingsproces. Het belang van eiser om verschoond te blijven van bebouwing op het naastgelegen perceel die in strijd met het bestemmingsplan is opgericht, is bovendien dermate zwaarwegend, dat hierin evenzeer een reden is gelegen om de overschrijding van de redelijke termijn niet verschoonbaar te achten.

De rechtbank heeft reeds op 13 november 2003 uitspraak gedaan op het door eiser op 29 oktober 2003 ingestelde beroep tegen verweerders besluit van 15 oktober 2003. De Afdeling heeft vervolgens op 28 juli 2004 uitspraak gedaan op het op 5 januari 2004 door eiser tegen de uitspraak van de rechtbank ingestelde hoger beroep. In dit geval heeft de rechtbank heden uitspraak gedaan op het door eiser ingestelde beroep van 6 juni 2008, dat moet worden geacht te zijn gericht tegen verweerders besluit van 30 juli 2008. Al deze uitspraaktermijnen liggen ruimschoots binnen de in rechtsoverweging 23 genoemde termijnen van ten hoogste twee jaar. Anders is dit met de periode gelegen tussen de uitspraak van de Afdeling van 28 juli 2004 en de datum van de nieuwe beslissing op bezwaar van 30 juli 2008. De in rechtsoverweging 23 genoemde termijn van ten hoogste één jaar, is met meer dan drie jaren overschreden. Verweerder heeft ter zitting geen andere reden voor de vertraagde besluitvorming gegeven dan de omstandigheid dat hij, door gebrek aan personeel, dat - naar gesteld - een gevolg is van overmacht, niet eerder aan het nemen van een nieuw besluit is toegekomen. Deze omstandigheid kan evenwel niet als een verschoonbare reden voor termijnoverschrijding worden aangemerkt.

Vast staat hiermee dat de omstandigheid dat niet binnen een redelijke termijn een onherroepelijke uitspraak zal zijn gedaan volledig moet worden toegerekend aan verweerder.

24. De rechtbank overweegt, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 6 juni 2007, jurisprudentienummer LJN: BA6496, dat, bij overschrijding van de redelijke termijn voor het nemen van een besluit, spanning en frustratie als grond voor vergoeding van immateriële schade, behoudens bijzondere omstandigheden, worden verondersteld. Eiser heeft gesteld dat hij door de jaren heen gefrustreerd is geraakt. Verweerder heeft hier geen bijzondere omstandigheden tegenover gesteld, waaruit zou kunnen worden afgeleid dat geen sprake is van spanning en frustratie die als immateriële schade voor vergoeding in aanmerking komt.

25. De Afdeling heeft, in haar meergenoemde uitspraak van 24 december 2008, een schadevergoeding wegens immateriële schadevergoeding toegekend van € 500,-- per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven is afgerond. De Afdeling heeft die schadevergoeding niet onderbouwd. De Centrale Raad van Beroep (CRvB) heeft in zijn uitspraak van 26 januari 2009, jurisprudentienummer LJN: BH1009, daarvan wel een onderbouwing gegeven. De CRvB heeft in aanmerking genomen dat bij de (civiele) rechter in het algemeen sprake is van een grote mate van terughoudendheid bij het toekennen van schadevergoeding wegens immateriële schade, maar anderzijds acht moet worden geslagen op hetgeen, blijkens zijn rechtspraak, het EHRM in vergelijkbare gevallen toekent.

De rechtbank acht, de motivering van de CRvB volgend, ook in dit geval in het algemeen een vergoeding van € 500,-- per half jaar of gedeelte daarvan, gepast.

Een en ander betekent dat de rechtbank verweerders gemeente, met toepassing van artikel 8:73 van de Awb zal veroordelen tot betaling aan eiser van een bedrag van € 1.000,--, als vergoeding van door hem geleden immateriële schade.

26. Uit hetgeen de rechtbank hiervoor heeft overwogen volgt dat het beroep, voor zover ontvankelijk, gegrond is. Het bestreden besluit zal worden vernietigd. Tevens zal de rechtbank het verzoek om toekenning van schadevergoeding honoreren.

27. De rechtbank zal verweerder opdragen om, met inachtneming van hetgeen zij in deze uitspraak heeft overwogen, binnen een door haar te stellen termijn een nieuw besluit te nemen. De rechtbank acht, gelet op de aard van de zaak, de gebruikelijke termijn van zes weken voor het nemen van een beslissing op bezwaar daartoe toereikend. De rechtbank betrekt hierbij dat eiser reeds zeer lang op een nieuw besluit heeft moeten wachten.

De rechtbank ziet vooralsnog geen aanleiding om aan die opdracht een dwangsom te verbinden voor het geval verweerder daaraan niet mocht voldoen. De rechtbank gaat ervan uit dat de toewijzing van het verzoek om schadevergoeding wegens schending van de redelijke termijn voor verweerder een voldoende aansporing zal vormen, zeker omdat de besluitvormingstermijn doorloopt zolang nog niet onherroepelijk is beslist.

28. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het treffen van de door eiser verzochte voorlopige voorziening. De rechtbank is niet gebleken van enig spoedeisend belang aan de zijde van eiser dat toepassing van artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb rechtvaardigt.

29. Wel acht de rechtbank termen aanwezig om verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten worden, met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage, begroot op in totaal € 724,50 voor kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand:

• 1,25 punt voor het indienen van een (aanvullend) beroepschrift;

• 1 punt voor het verschijnen ter zitting;

• waarde per punt € 322,00;

• wegingsfactor 1.

De rechtbank heeft er daarbij rekening mee gehouden dat het uitblijven van een nieuwe beslissing op bezwaar eiser tot instelling van beroep van 6 juni 2008 noodzaakte. Het gewicht van een dergelijke zaak wordt als zeer licht gekwalificeerd. Bij de berekening van de proceskosten is voor het instellen van dit beroep dan ook een factor 0,25 gehanteerd.

30. Verder zal de rechtbank bepalen dat de gemeente Schijndel eiser het door hem betaalde griffierecht dient te vergoeden.

31. Beslist wordt als volgt.

Beslissing

De rechtbank,

- verklaart het beroep, voor zover het betrekking heeft op het uitblijven van een nieuwe beslissing op bezwaar, niet-ontvankelijk;

- verklaart het beroep voor het overige gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder, binnen zes weken na verzending van deze uitspraak, een nieuw besluit dient te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

- veroordeelt de gemeente Schijndel tot betaling aan eiser van een vergoeding van € 1.000,-- (zegge: eenduizend euro), te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de dag van openbaarmaking van deze uitspraak tot aan de dag van algehele voldoening;

- veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten, vastgesteld op € 724,50;

- wijst de gemeente Schijndel aan als de rechtspersoon die het bedrag van de proceskosten moet vergoeden;

- gelast de gemeente Schijndel eiser het door te vergoeden het door hem gestorte griffierecht te bedrage van € 145,00 te vergoeden.

Aldus gedaan door mr. D.J. de Lange, rechter, in tegenwoordigheid van mr. E.A. Vermunt als griffier en uitgesproken in het openbaar op 14 april 2009

De griffier is buiten staat om deze uitspraak

mede te ondertekenen.

<i>Partijen kunnen tegen deze uitspraak binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag.</i>

Afschriften verzonden: