Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2009:BJ7801

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
03-09-2009
Datum publicatie
16-09-2009
Zaaknummer
AWB 08-739
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Oprichten kas te Haaren.

De rechtbank constateert dat het bestreden besluit een weigering bevat om het geldende bestemmingsplan te wijzigen met toepassing van artikel 11, eerste lid, van de WRO. Artikel 11, tweede en zevende lid, van de WRO zijn gelet op de bewoordingen daarvan niet van toepassing op een dergelijke weigering, zodat geen goedkeuring van gedeputeerde staten is voorgeschreven. Aangezien het bestreden besluit geen ‘vaststelling van een wijziging’ betreft, sluit de Bijlage bij de Awb, sub C, onderdeel 2, beroep op de rechtbank niet uit. De rechtbank is derhalve op grond van artikel 8:1 van de Awb bevoegd om van het beroep kennis te nemen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-HERTOGENBOSCH

Sector bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 08/739

Uitspraak van de meervoudige kamer van 3 september 2009

inzake

[eiser],

te [woonplaats],

eiser,

gemachtigde mr. J.J.J. de Rooij,

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Haaren,

verweerder,

gemachtigde mr. G. Martens.

Aan het geding hebben op de voet van artikel 8:26 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) als partij deelgenomen [omwonende A] en anderen, allen te [plaats], gemachtigden [omwonende B] en [omwonende C], hierna te noemen: omwonenden.

Procesverloop

Bij besluit van 28 april 2005 heeft verweerder, voor zover hier relevant, geweigerd om op de voet van artikel 11 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) het bestemmingsplan “Buitengebied Haaren 1996” te wijzigen teneinde op het perceel kadastraal bekend [kadastergegevens], plaatselijk bekend [straat] ongenummerd (tegenover nummer [nummer]) te [plaats] (hierna: het perceel) het oprichten van een kas mogelijk te maken.

Op 13 juni 2005 heeft eiser tegen dit besluit bij de rechtbank beroep ingesteld.

Bij uitspraak van 16 februari 2006 heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard (zaaknummer AWB 05/1787). Tegen deze uitspraak heeft eiser hoger beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling).

Bij uitspraak van 27 december 2006 (zaaknummer 200602446/1) heeft de Afdeling voor zover hier relevant het beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch vernietigd en het bij de rechtbank ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard nu eiser tegen het besluit van 28 april 2005, als zijnde een primair besluit, eerst bezwaar had dienen te maken. De Afdeling heeft het beroepschrift voor zover gericht tegen de weigering van verweerder toepassing te geven aan de in artikel 11 van de WRO neergelegde bevoegdheid ter behandeling als bezwaarschrift doorgezonden aan verweerder.

Eiser heeft bij brief van 27 februari 2008 beroep ingesteld tegen het uitblijven van een beslissing op bezwaar van verweerder.

Bij besluit van 20 maart 2008 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en het besluit van 28 april 2005 gehandhaafd.

Bij brief van 28 maart 2009 heeft de rechtbank aan partijen medegedeeld dat, gelet op het bepaalde in artikel 6:20 van de Awb, het beroepschrift wordt geacht mede te zijn gericht tegen het besluit van 20 maart 2008.

De zaak is behandeld ter zitting van 6 augustus 2009. Daarbij is eiser, met bericht van verhindering, niet verschenen. Verweerder is verschenen bij gemachtigde. Omwonenden zijn verschenen bij [omwonende B] voornoemd.

Overwegingen

1. De rechtbank ziet zich eerst voor de ambtshalve te beantwoorden, vraag gesteld of eiser nog belang heeft bij het beroep voor zover dit betrekking heeft op het niet tijdig beslissen op het bezwaar van eiser. Verweerder heeft immers bij besluit van 20 maart 2008 alsnog een besluit op dit bezwaar genomen. Gesteld noch anderszins aannemelijk is geworden dat bij eiser thans nog procesbelang bestaat. De rechtbank zal het beroep dan ook in zoverre niet-ontvankelijk verklaren.

2. Aan de orde is derhalve thans nog uitsluitend of het besluit van 20 maart 2008, waarin verweerder de weigering om het bestemmingsplan te wijzigen als door eiser verzocht heeft gehandhaafd, in rechte stand kan houden.

3. De rechtbank gaat uit van de volgende, onweersproken, feiten en omstandigheden.

4. Eiser exploiteert in de gemeente Haaren een agrarisch bedrijf, niet zijnde een glastuinbouwbedrijf. Eiser heeft in dit verband ongeveer vier hectare boomkwekerijgronden in Haaren gepacht, welke zijn gelegen naast het perceel. Eiser beoogt op het perceel een teeltondersteunende kas voor opkweek en overwintering met een inpandige bedrijfsruimte van in totaal 3.763 m2 te realiseren. Het verzoek tot wijziging van het bestemmingsplan heeft betrekking op het mogelijk maken van de oprichting van deze kas op het perceel. Ingevolge het bestemmingsplan “Buitengebied Haaren 1996” (hierna: het bestemmingsplan) rust op het perceel de bestemming “Agrarisch gebied”. Het realiseren van de kas is op grond van de voor het perceel toepasselijke bebouwingsvoorschriften van het bestemmingsplan niet toegestaan. Aan de zijde van de [straat] waar het perceel is gelegen is op het perceel en de omliggende percelen geen bebouwing aanwezig.

5. Verweerder heeft onder meer gesteld dat het de vraag is of een weigeringsbesluit tot vaststelling van een goedkeuringsplichtig wijzigingsplan vatbaar is voor bezwaar en beroep. De rechtbank wordt verzocht een oordeel te geven over de ontvankelijkheid van het beroep.

6. Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het beroep luidde het wettelijk kader ten tijde hier van belang als volgt.

7. Artikel 11 van de WRO (oud) luidt - voor zover hier van belang:

1. Bij een bestemmingsplan kan worden bepaald, dat, tenzij de gemeenteraad zich daarbij een van deze bevoegdheden zelf heeft voorbehouden, burgemeester en wethouders volgens bij het plan te geven regelen het plan moeten uitwerken of binnen bij het plan te bepalen grenzen het plan kunnen wijzigen. (..).

2. De besluiten van burgemeester en wethouders of, in voorkomend geval van de gemeenteraad, behoeven de goedkeuring van gedeputeerde staten. (..).

7. In afwijking van het tweede lid behoeven de besluiten van burgemeester en wethouders of, in voorkomend geval, de gemeenteraad tot uitwerking of tot wijziging van het bestem-mingsplan geen goedkeuring van gedeputeerde staten, voor zover deze in hun besluit tot goedkeuring van het bestemmingsplan zulks hebben omschreven en tegen die uitwerking of wijziging niet van zienswijzen is gebleken. (..).

8. Ingevolge artikel 8:1, eerste lid, van de Awb juncto artikel 7:1, eerste lid, van de Awb kan een belanghebbende -na bij verweerder bezwaar te hebben ingediend tegen een besluit- tegen het besluit op bezwaar beroep instellen bij de rechtbank.

9. Artikel 8:5 van de Awb luidt:

1. Geen beroep kan worden ingesteld tegen een besluit, genomen op grond van een wettelijk voorschrift dat is opgenomen in de bijlage die bij deze wet behoort.

2. Bij een wijziging van de bijlage blijft de bijlage zoals deze luidde voor het tijdstip van inwerkingtreding van de wijziging van toepassing ten aanzien van de mogelijkheid om beroep in te stellen tegen een besluit dat voor dat tijdstip is bekendgemaakt.

10. Onderdeel C onder 2. van voormelde bijlage bij de Awb luidt - voor zover hier van belang:

Artikel 11, eerste lid, voor zover inhoudende de vaststelling van een uitwerking of wijziging en met uitzondering van een besluit dat ingevolge het zevende lid van dat artikel geen goedkeuring behoeft.

11. De rechtbank constateert dat het bestreden besluit een weigering bevat om het geldende bestemmingsplan te wijzigen met toepassing van artikel 11, eerste lid, van de WRO. Artikel 11, tweede en zevende lid, van de WRO zijn gelet op de bewoordingen daarvan niet van toepassing op een dergelijke weigering, zodat geen goedkeuring van gedeputeerde staten is voorgeschreven. Aangezien het bestreden besluit geen ‘vaststelling van een wijziging’ betreft, sluit de Bijlage bij de Awb, sub C, onderdeel 2, beroep op de rechtbank niet uit. De rechtbank is derhalve op grond van artikel 8:1 van de Awb bevoegd om van het beroep kennis te nemen.

12. Omwonenden hebben voorts betoogd dat eiser niet kan worden aangemerkt als belanghebbende, nu eiser tot op heden geen eigenaar is van of anderszins zakelijk gerechtigde is op het perceel.

13. Niet in geschil is dat eigenaar een boomteeltbedrijf voert en op een naast het perceel gelegen locatie boomteeltactiviteiten verricht. Voorts staat vast dat eiser het perceel wenst te gebruiken voor boomteeltactiviteiten ten behoeve van ditzelfde bedrijf. Naar het oordeel van de rechtbank staat hiermee genoegzaam vast dat eiser als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb kan worden aangemerkt. Anders dan omwonenden menen, is voor het zijn van belanghebbende bij een besluit als het onderhavige, strekkende tot wijziging van het bestemmingsplan en niet tot het verlenen van bouwvergunning, niet noodzakelijk dat eiser eigenaar van of anderszins zakelijk gerechtigde op het perceel is of was.

14. Nu ook overigens daarvoor geen beletselen zijn gebleken, is het beroep van eiser ontvankelijk.

15. Vervolgens dient de rechtbank te beoordelen of verweerder bevoegd was tot wijziging van het bestemmingsplan als verzocht over te gaan. De rechtbank overweegt dienaangaande als volgt.

16. Artikel 8.6.2 van de voorschriften behorend bij het bestemmingsplan luidt:

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd om de bestemming “Agrarisch gebied” te wijzigen overeenkomstig artikel 11 van de WRO ten behoeve van de nieuwvestiging van een agrarisch bedrijf door het opnemen van een nieuw “Agrarisch bouwblok” met inachtneming van de volgende bepalingen:

a. er dient onderzocht te worden of er geen reële mogelijkheden bestaan voor de vestiging op een bestaand Agrarisch bouwblok binnen het plangebied (hergebruik);

b. het nieuw te vestigen agrarisch bedrijf dient een volwaardig agrarisch bedrijf te betreffen;

c. terzake het bepaalde onder b dient vooraf het advies van de Adviescommissie Agrarische Bouwaanvragen te worden ingewonnen;

d. de locatiekeuze mag geen onevenredige schade tot gevolg hebben voor de in lid 1 van dit artikel genoemde waarden of de belangen van derden;

e. er dient een goede landschappelijke inpassing plaats te vinden en er dient zoveel mogelijk aangesloten te worden bij bestaande bebouwingselementen;

f. het “Agrarisch bouwblok” mag in ieder geval niet gesitueerd worden binnen een op plankaart 1 aangeduide “bouwvrije zone”;

g. de nieuwvestiging mag niet een glastuinbouwbedrijf betreffen;

h. van het Agrarisch bouwblok mag de breedte niet minder dan 60 m en de diepte niet meer dan 150 m bedragen, tenzij deze grotere bouwblokdiepte noodzakelijk is in verband met ter plaatse aanwezige opstallen, de infrastructuur, nutsvoorzieningen of om milieuhygiënische redenen;

i. de oppervlakte van het agrarisch bouwblok mag niet meer dan 1.5 ha bedragen;

j. de Algemene bepaling in verband met de Wet geluidhinder (artikel 22) dient in acht te worden genomen.

17. De rechtbank stelt vast dat het verzoek van eiser tot wijziging van het bestemmingsplan neerkomt op het opnemen van een nieuw agrarisch bouwblok ter plaatse, zodat artikel 8.6.2 van de planvoorschriften op dit verzoek van toepassing is. De rechtbank constateert voorts dat artikel 8.6.2 van de planvoorschriften voorwaarden inhoudt waaraan moet zijn voldaan teneinde de bevoegdheid te doen ontstaan voor verweerder om tot wijziging van het bestemmingsplan over te gaan. Deze voorwaarden zijn, gelet op de formulering van de aanhef van dit artikel, cumulatief. Dat wil zeggen dat indien aan een van deze voorwaarden niet is voldaan, verweerder reeds niet bevoegd was tot wijziging van het bestemmingsplan over te gaan.

18. De rechtbank stelt voorts vast dat verweerder aan zijn weigering onder meer ten grondslag heeft gelegd dat niet is voldaan aan de in artikel 8.6.2, aanhef en onder e, van de planvoorschriften gestelde voorwaarde.

19. Verweerder heeft ter onderbouwing van dit standpunt, zakelijk weergegeven, aangevoerd dat het perceel is gelegen in het beekdal van de [beek]. In het op 3 juni 2004 vastgestelde Beeldkwaliteitsplan Buitengebied (hierna: het Plan) is in hoofdstuk 6.2 een landschapsvisie opgenomen. In deze visie is onder meer vermeld dat alle vormen van bebouwing, waaronder kassen, uit de beekdalen moeten worden geweerd. Tevens blijkt uit deze visie dat langs de [beek] een zone van 100 meter dient te worden vrijgehouden van tuinbouw, boomteelt en kassenbouw. In de StructuurvisiePlus (een structuurplan in de zin van artikel 7 van de WRO) is het perceel gelegen in het beekdal van de [beek] en getypeerd als waardevol landschappelijk gebied (pagina 81). De bouw van een kas met een omvang van meer dan 3.700 m2 in een open agrarisch gebied zou een onevenredige aantasting vormen van de landschapswaarden nu in dit geval niet kan worden aangesloten bij bestaande bebouwing. In het (voor)ontwerp-bestemmingsplan, dat is gebaseerd op het Streekplan, heeft de grond voorts de bestemming ‘Agrarisch gebied (h) houtwallenlandschap’. Er is in laatstgenoemd plan op het perceel geen bouwvlak aanwezig en er mogen geen nieuwe bouwvlakken worden opgenomen. Een kas als de onderhavige mag, blijkens het provinciaal beleid op dit punt, alleen binnen het bouwvlak worden opgenomen. Verweerder heeft voorts aangevoerd dat het provinciaal beleid erop is gericht verdere verstening van het buitengebied tegen te gaan. Dit ook bij verweerder reeds langere tijd bestaande streven is voor verweerders gemeente nader uitgewerkt in onder meer het Plan en de StructuurvisiePlus. Verweerder stelt voorts dat hij bij het nemen van het bestreden besluit rekening heeft mogen houden met ruimtelijke ontwikkelingen daterend van na de inwerkingtreding van het geldende bestemmingsplan.

20. Eiser heeft met betrekking tot de onder sub e van genoemd artikel gestelde voorwaarde aangevoerd, zakelijk weergegeven, dat verweerder, door bij het Plan aan te sluiten het bepaalde in artikel 8.6.2, onder e, tot een dode letter maakt. Het staat verweerder niet vrij om zich te beroepen op stukken zoals het Plan en het nieuwe (voor)ontwerp-bestemmingsplan, nu deze dateren van na de inwerkingtreding van het geldende bestemmingsplan. Artikel 11 van de WRO is binnenplans, zodat de criteria en grenzen van het bestemmingsplan maatgevend zijn. Bovendien was in dit geval de termijn van tien jaar van artikel 11 WRO nog niet verstreken. Verweerder stelt ten onrechte dat hij mag toetsen aan gewijzigde planologische inzichten, waaronder het Streekplan. Het geldende bestemmingsplan is echter niet oud genoeg om daar zomaar vanaf te mogen wijken. Afgezien daarvan is het Streekplan voor dit gebied ook niet planologisch relevant. Eiser stelt zich voorts op het standpunt dat de aanvraag voldoet aan het vereiste dat de kas zoveel mogelijk ingepast wordt. Eiser heeft ook aangeboden een groensingel te realiseren. Overigens blijkt uit het bestreden besluit dat bebouwing in de buurt van de bewuste locatie wel beoogd wordt, zij het in het kader van de ruimte-voor-ruimteregeling. Inmiddels is een nieuw (voor)ontwerp-bestemmingsplan ter inzage gelegd. Dit is echter gedaan ruimschoots na de vernietiging door de Afdeling. Deze nieuwe ontwikkeling mag eiser dan ook niet worden tegengeworpen.

21. De rechtbank is van oordeel dat verweerder bij het nemen van het bestreden besluit zich heeft mogen baseren op ruimtelijke ontwikkelingen daterend van na de inwerkingtreding van het toen geldende bestemmingsplan, in dit geval in het bijzonder het Streekplan, de StructuurvisiePlus, het Plan en het (voor)ontwerp-bestemmingsplan. De rechtbank ziet niet in waarom voor wat betreft de toepassing van artikel 11 van de WRO een uitzondering zou dienen te worden gemaakt op het algemene bestuursrechtelijke beginsel dat bij het nemen van een besluit op bezwaar dient te worden uitgegaan van de feiten en omstandigheden zoals deze bestaan ten tijde van de datum waarop dit besluit wordt genomen. De rechtbank verwijst hierbij ook naar rechtspraak van de Afdeling op artikel 11 van de WRO, onder meer de uitspraak van 6 april 2005, LJN AT 3245. Anders dan eiser meent zijn - mede gelet op voornoemde uitspraak - de omstandigheden dat hier wijziging van een bestemmingsplan aan de orde is en de in artikel 11 van de WRO opgenomen termijn van tien jaar nog niet was verstreken niet redengevend om een uitzondering als hier bedoeld aan te kunnen nemen.

22. De rechtbank gaat er, mede gelet op de toelichting van verweerder ter zitting, van uit dat het Plan is vastgesteld door verweerder en beleidsregels als bedoeld in artikel 1:3, derde lid, van de Awb inhoudt. Uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting blijkt voorts dat het Plan, de StructuurvisiePlus, het (voor)ontwerp-bestemmingsplan alsmede het Streekplan waren vastgesteld voorafgaand aan de datum van het bestreden besluit. Verweerder heeft zich bij de beoordeling of aan de in artikel 8.6.2, onder e, van de planvoorschriften opgenomen voorwaarde is voldaan dan ook mogen baseren op de hiervoor genoemde vier stukken.

23. Eiser heeft nog aangevoerd dat het Streekplan voor het onderhavige gebied planologisch niet relevant is. De rechtbank stelt in dit verband vast dat het Streekplan is vastgesteld voor het grondgebied van de gehele provincie Noord-Brabant en dat een van de principes die in het Streekplan is neergelegd is dat verdere verstening van het buitengebied moet worden tegengegaan. Het perceel is gelegen in het buitengebied van de gemeente Haaren. Het betoog van eiser kan zonder nadere toelichting, welke ontbreekt, dan ook niet worden gevolgd.

24. Overige redenen, waaronder begrepen bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 4:84 van de Awb, op grond waarvan verweerder zich bij zijn besluitvorming niet heeft mogen baseren op eerdergenoemde vier beleidsstukken zijn niet gesteld en ook overigens niet aannemelijk geworden.

25. De rechtbank is daarom van oordeel dat verweerder zich op het standpunt heeft mogen stellen dat met de bouw van een kas van ongeveer 3.700 m2 op de beoogde locatie geen sprake is van een goede landschappelijke inpassing als bedoeld in artikel 8.6.2, aanhef en onder e, van de planvoorschriften, ook niet wanneer daarbij een groensingel zou worden aangebracht. In het bijzonder weegt de rechtbank daarbij mee dat op het perceel en op de omliggende percelen aan die zijde van de Mgr. Zwijsenstraat thans geen enkele vorm van bebouwing aanwezig is en dit perceel is gelegen in het beekdal van de Raamse Loop, een volgens de StructuurvisiePlus waardevol landschappelijk gebied. Dat ten zuiden van het perceel een ruimte-voor-ruimtelocatie is gelegen, zoals eiser heeft aangevoerd, maakt niet dat kan worden geconcludeerd dat voor wat betreft het voorliggende bouwplan sprake is van een goede landschappelijke inpassing, nog daargelaten dat niet is gesteld en ook overigens niet aannemelijk is geworden dat deze ruimte-voor-ruimtelocatie eveneens is gelegen in dit beekdal zonder dat bebouwing aldaar of in de directe omgeving ervan aanwezig is.

26. Nu niet is voldaan aan de in artikel 8.6.2, aanhef en onder e, van de planvoorschriften gestelde voorwaarde, was verweerder niet bevoegd over te gaan tot wijziging van het bestemmingsplan als verzocht. Gelet hierop behoeven de overige gronden van het beroep geen bespreking meer. Aan een afweging van de belangen van eiser bij de desbetreffende weigering kan, nu verweerder niet bevoegd was tot wijziging over te gaan, niet worden toegekomen.

27. Gelet op het voorgaande zal het beroep ongegrond worden verklaard.

28. De rechtbank acht geen termen aanwezig om een proceskostenveroordeling uit te spreken of te bepalen dat verweerder aan eiser het betaalde griffierecht dient te vergoeden.

29. Beslist wordt als volgt.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep voor zover het betreft het niet tijdig beslissen op het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk;

- verklaart het beroep voor het overige ongegrond.

Aldus gedaan door mr. T. van de Woestijne als voorzitter en mr. P.H.C.M. Schoemaker en mr. F.P.J.M. Otten als leden in tegenwoordigheid van mr. J.F.M. Emons als griffier en in het openbaar uitgesproken op 3 september 2009.

De griffier is buiten staat deze uitspraak mede te ondertekenen.

<i>Partijen kunnen tegen deze uitspraak binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag.</i>

Afschriften verzonden: