Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2009:BJ7731

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
30-07-2009
Datum publicatie
16-09-2009
Zaaknummer
AWB 08-431
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

In artikel 26a van de Awr is de kring van beroepsgerechtigden, ten opzichte van artikel 8:1 van de Awb, beperkt. Noch in dit wetsartikel, noch in enig ander wetsartikel, is de toepasselijkheid van artikel 7:1 van de Awb uitgezonderd. Dit betekent dat ook de belanghebbenden bedoeld in artikel 26a van de Awr eerst beroep kunnen instellen als zij bezwaar hebben gemaakt. Beroep niet-ontvankelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingblad 2009/1396
V-N 2009/65.7 met annotatie van Redactie
FutD 2009-2005
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-HERTOGENBOSCH

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 08/431

Uitspraakdatum: 30 juli 2009

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

en

de heffingsambtenaar van de gemeente ’s-Hertogenbosch, verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

Op 31 augustus 2007 is aan eiser een aanslag hondenbelasting voor de tweede helft van het jaar 2007, ten bedrage van € 35,35, en een verzuimboete, ten bedrage van € 70,69, opgelegd, dit laatste in verband met het te laat doen van aangifte hondenbelasting.

Op 10 oktober 2007 heeft [echtgenote], de echtgenote van eiser, tegen die aanslag en de boete bezwaar gemaakt.

Bij uitspraak op dit bezwaar van 21 december 2007 heeft verweerder de aanslag en de boete gehandhaafd.

Eiser heeft vervolgens tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij brief van 30 januari 2008, ter griffie ontvangen op 1 februari 2008.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 juni 2009. Eiser is niet verschenen of vertegenwoordigd. Namens verweerder zijn verschenen mr. [A] en mr. [B].

2. Beoordeling van de zaak

Aan de orde is of verweerder, bij uitspraak op bezwaar, het besluit tot oplegging aan eiser van een aanslag hondenbelasting en van een verzuimboete terecht heeft gehandhaafd.

Alvorens die vraag te kunnen beantwoorden, ziet de rechtbank zich genoodzaakt te bezien of het beroep ontvankelijk is.

Ingevolge artikel 7:1, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), voor zover hier van belang, dient degene aan wie het recht is toegekend tegen een besluit beroep op een administratieve rechter in te stellen, alvorens beroep in te stellen tegen dat besluit bezwaar te maken.

Op grond van artikel 8:1, eerste lid, van de Awb, kan een belanghebbende tegen een besluit beroep instellen bij de rechtbank.

In artikel 26a, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr) kan, in afwijking van artikel 8:1, eerste lid, van de Awb, het beroep slechts worden ingesteld door:

a. de belanghebbende aan wie de belastingaanslag is opgelegd;

b. (…), of

c. degene tot wie de voor bezwaar vatbare beschikking zich richt.

Het tweede lid van dit wetsartikel bepaalt dat het beroep mede kan worden ingesteld door degene van wie vermogensbestanddelen zijn begrepen in het voorwerp van de belasting waarop de belastingaanslag of de voor bezwaar vatbare beschikking betrekking heeft.

Uit deze wetsartikelen, in onderlinge samenhang bezien, kan worden afgeleid dat eiser niet bevoegd is tot het instellen van beroep bij de rechtbank. Gelet op de tenaamstelling van de aanslag en de beschikking tot oplegging van een verzuimboete, kon eiser daartegen bezwaar maken. Het is echter eisers echtgenote die bezwaar heeft gemaakt.

Uit de tekst van artikel 26a van de Awr kan worden afgeleid dat dit wetsartikel slechts een beperking aanbrengt binnen de groep van belanghebbenden die in beginsel beroep kunnen instellen. Niet is in dit artikel, noch in enig ander wetsartikel, bepaald dat artikel 7:1 van de Awb niet van toepassing is. Dit betekent naar het oordeel van de rechtbank dat de in artikel 26a van de Awr genoemde belanghebbenden alleen beroep kunnen instellen, als zij tevens bezwaar hebben gemaakt. Daarvan is in het geval van eiser geen sprake.

Gelet op de omstandigheid dat de uitspraak op bezwaar is gericht tot eisers echtgenote, moet verweerder hebben onderkend dat het bezwaar was gemaakt door een persoon tot wie de aanslag en de boetebeschikking niet waren gericht. Verweerder heeft niet, door de indiener van het bezwaarschrift en belanghebbende daarop te wijzen, bewerkstelligd dat alsnog door de juiste persoon bezwaar is gemaakt. Daarmee zou in dit geval zijn voorkomen dat beroep werd ingesteld door een belanghebbende die niet eerst bezwaar had gemaakt.

De omstandigheid dat verweerder heeft beslist op een bezwaar dat niet door of namens belanghebbende was gemaakt, kan niet in beroep worden hersteld.

De conclusie dient dan ook te zijn dat het beroep van eiser niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. De rechtbank komt dan ook niet toe aan beoordeling van de aan het begin van deze paragraaf geformuleerde rechtsvraag.

3. Proceskosten en griffierecht

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling, omdat eiser geen gebruik heeft gemaakt van beroepsmatig verleende rechtsbijstand en van overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten niet is gebleken.

Wel ziet de rechtbank, nu het instellen van beroep door een belanghebbende die niet eerst bezwaar heeft gemaakt door verweerder had kunnen worden voorkomen, aanleiding om te bepalen dat verweerder eiser het door hem betaalde griffierecht dient te vergoeden.

De rechtbank beslist als volgt.

4. Beslissing

De rechtbank,

- verklaart het beroep niet-ontvankelijk;

- gelast verweerder eiser het door hem betaalde griffierecht, ten bedrage van € 39, te vergoeden.

Aldus gedaan door mr. D.J. de Lange, rechter, in tegenwoordigheid van E.H.J.M.T. van der Steen als griffier en in het openbaar uitgesproken op 30 juli 2009.

De griffier is buiten staat om deze uitspraak

mede te ondertekenen.

Afschrift aangetekend

verzonden aan partijen op:

<small><i>Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ te ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Partijen kunnen ook beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Dit is echter alleen mogelijk indien de wederpartij daarmee schriftelijk instemt.</i></small>