Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2009:BJ7613

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
14-09-2009
Datum publicatie
15-09-2009
Zaaknummer
196155 - KG ZA 09-492
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Eiseres vraagt nakoming in kort geding van een overeenkomst. Vordering wordt afgewezen omdat onvoldoende aannemelijk is dat er inderdaad sprake is van een overeenkomst. Ook niet van uitlatingen van de kant van de gemeente waaruit bepaalde verplichtingen kunnen worden afgeleid. Als die al gedaan zijn, zijn ze gedaan door mensen die niet bevoegd waren dergelijke toezeggingen te doen, hetgeen eiseres had behoren te weten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 196155 / KG ZA 09-492

Vonnis in kort geding van 14 september 2009

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

FRERE VASTGOEDPROJECTEN B.V.,

gevestigd te Sint-Oedenrode,

eiseres,

advocaat mr. J. van Boekel te Tilburg,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE LAARBEEK,

zetelend te Beek en Donk,

gedaagde,

advocaat mr. J.A.M. van Heijningen te 's-Hertogenbosch.

Partijen zullen hierna Frere en gemeente Laarbeek genoemd worden.

1. De procedure

Na dagvaarding heeft op 31 augustus 2009 de mondelinge behandeling plaatsgevonden, waarbij de advocaat van Frere de eis heeft gewijzigd en toegelicht. Van beide zijden is het woord gevoerd aan de hand van pleitnota’s en zijn producties in het geding gebracht. Na gevoerd debat is vonnis gevraagd, waarna datum voor de uitspraak is bepaald.

2. De feiten

2.1. Sinds 2002 is de verplaatsing van het bedrijf van Industrie- en Grondverzetmachines Van de Vrande BV (hierna: Van de Vrande) gelegen aan de Mgr. Verhagenstraat te Beek en Donk, gemeente Laarbeek onderwerp van gesprek geweest tussen Van de Vrande en de gemeente Laarbeek. Omdat het de gemeente Laarbeek was gebleken dat Van de Vrande handelde in strijd met de toepasselijke geluidsnormen en dus niet aan de mileuregelgeving kon voldoen, diende Van de Vrande haar bedrijf te verplaatsen.

2.2. Onder voorwaarden was de gemeente Laarbeek in 2005 bereid zich in te spannen mee te werken aan een bestemmingswijziging van de oude bedrijfslocatie aan de Mgr. Verhagenstraat. In december 2005 heeft de gemeente Laarbeek Van de Vrande daartoe een intentieovereenkomst voorgelegd, waarin de herontwikkeling van de betreffende percelen centraal staat. In de kern genomen komt die overeenkomst er op neer dat Van de Vrande het bedrijf verplaatst en de Gemeente Laarbeek planologische medewerking zal verlenen aan woningbouwontwikkeling. De ruimtelijke onderbouwing welke benodigd is voor het opstarten van de noodzakelijke vrijstellingsprocedure wordt geïnitieerd door Van de Vrande of diens rechtsopvolger.

2.3. Van de Vrande heeft de intentieovereenkomst niet ondertekend. Er bestond tussen hen in elk geval geen overeenstemming over het aantal te realiseren parkeerplaatsen.

2.4. Frere heeft de betreffende percelen in 2006 gekocht en is in zoverre rechtsopvolger van Van de Vrande.

2.5. Sinds begin 2007 heeft de gemeente Laarbeek de gesprekken omtrent de herontwikkeling van de betreffende percelen met Frere gevoerd. Deze gesprekken zijn gevoerd door mevrouw Van Wetten, ambtenaar Ruimtelijke Ordening en de heer Knoop, wethouder Ruimtelijke Ordening.

2.6. Frere heeft in voornoemde gesprekken het plan voorgelegd woningbouw te willen realiseren op de locatie aan de Mgr. Verhagenstraat. Omdat er op de percelen een bedrijfsbestemming rust, is hiervoor een bestemmingswijziging nodig.

2.7. Bij brief van 4 juni 2009 heeft de gemeente Laarbeek Frere op de hoogte gesteld van het feit dat zij geen medewerking zal verlenen aan de bouwplannen, hetgeen in de brief van 17 juni 2009 nogmaals is bevestigd naar aanleiding van een verzoek van Frere om vrijstelling/toepassing van een projectbesluit.

3. Het geschil

3.1. Frere vordert – samengevat – in dit kort geding, uitvoerbaar bij voorraad:

3.1.1. Primair: De gemeente Laarbeek te veroordelen tot nakoming van de intentieovereenkomst van 2005 zulks op verbeurte van een dwangsom van € 5.000,--;

3.1.2. Subsidiair: De gemeente Laarbeek te veroordelen tot dooronderhandelen over de totstandkoming van een overeenkomst, waarbij de gemeente Laarbeek planologische medewerking verleent aan de door Frere ingediende bouwplannen zulks op verbeurte van een dwangsom van € 5.000,--;

3.1.3. De gemeente Laarbeek te veroordelen in de kosten van deze procedure.

3.2. Frere legt daaraan – samengevat – ten grondslag dat zij heeft aangegeven aan de parkeernorm te willen voldoen zodat er een perfecte overeenkomt tot stand is gekomen waarvan zij, als rechtsopvolger van Van de Vrande, nakoming kan verlangen. Voorzover dat niet het geval zou zijn, heeft zij in elk geval op grond van het feit dat de Gemeente Laarbeek met haar heeft gesproken over een en ander het gerechtvaardigde vertrouwen gekregen dat de Gemeente Laarbeek een overeenkomst ter zake met haar zou sluiten en zou meewerken aan woningbouwontwikkeling.

3.3. Gemeente Laarbeek voert – samengevat – de navolgende verweren:

3.3.1. Frere heeft mede gezien het tijdsverloop geen spoedeisend belang bij de vordering;

3.3.2. Een definitieve uitspraak, te weten nakoming van de intentieovereenkomst, kan in kort geding niet worden gevorderd;

3.3.3. Bij gebreke van wilsovereenstemming tussen de gemeente Laarbeek en Van de Vrande is de intentieovereenkomst niet tot stand gekomen. Bovendien is de intentieovereenkomst ook niet ondertekend;

3.3.4. Frere is niet vermeld als partij bij de niet-ondertekende en niet tot stand gekomen intentieovereenkomst, zodat Frere daaraan evenmin enig recht kan ontlenen;

3.3.5. Omtrent de herontwikkeling van de percelen aan de Mgr. Verhagenstraat heeft de gemeente gesprekken gevoerd (een wethouder en een ambtenaar) met Frere, maar zij hebben hierbij geen medewerking toegezegd gedaan en Frere er op gewezen dat er een bestemmingswijziging noodzakelijk was. De gemeente Laarbeek heeft zich niet gebonden, respectievelijk heeft zich ook niet kunnen binden – aangezien de gemeenteraad enkel bevoegd is tot een bestemmingsplanwijziging – aan de door Frere gewenste bestemmingsplanwijziging.

3.3.6. De gemeente kan niet tot planologische medewerking worden veroordeeld, omdat het college en de gemeenteraad deze niet zullen en kunnen verlenen en dit geldt ook voor de provincie. Gezien de ontwikkelingen die zich hebben voorgedaan in het volkshuisvestingsbeleid is planologische medewerking ook niet meer mogelijk. De gemeente heeft overigens ook niet met Frere onderhandeld en kan dus ook niet tot dooronderhandelen worden veroordeeld, hetgeen ook geen ordemaatregel betreft;

3.4. Op de overige stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Met betrekking tot het spoedeisend belang is de voorzieningenrechter van oordeel dat de omstandigheden van het geval op zichzelf genomen een kort geding voldoende rechtvaardigen.

4.2. Kern van het geschil is de vraag of tussen partijen een overeenkomst tot stand is gekomen op grond waarvan de gemeente Laarbeek jegens Frere gehouden is op dit moment mee te werken aan woningbouwontwikkeling.

4.3. Voor toewijzing van de gevraagde voorziening is in kort geding is slechts dan plaats indien voldoende aannemelijk is dat Frere inderdaad die aanspraak heeft, in andere woorden: of de gestelde overeenkomst inderdaad tot stand gekomen is. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is dat niet het geval. Er is geen ondertekende akte; de Gemeente Laarbeek heeft een gespreksverslag gedateerd 4 september 2006 in het geding gebracht waarin staat de overeenkomst bij gebreke van overeenstemming over de parkeernorm is afgeblazen. Wellicht ten overvloede merkt de voorzieningenrechter op dat Frere niet door op zeker moment aan te geven dat zij aan alle voorwaarden van de concept intentieovereenkomst wil gaan voldoen, alsnog een perfecte overeenkomst in het leven kan roepen; een aanbod vervalt wanneer het niet tijdig wordt aanvaard. Dat laatste is in het gesprek van 4 september 2006 ook vastgesteld. Reeds hierom zal het primair gevorderde worden afgewezen.

4.4. Voor het kunnen toewijzen van de subsidiair gevraagde voorziening is vereist dat voldoende aannemelijk is dat er door de Gemeente Laarbeek toezeggingen zijn gedaan, althans uitlatingen zijn gedaan op grond waarvan Frere redelijkerwijs heeft mogen vertrouwen dat er toezeggingen werden gedaan. Ook aan deze eis is niet voldaan.

4.5. Nog daargelaten dat er geen concrete toezeggingen zijn gesteld of gebleken, zijn er alleen gesprekken gevoerd met een ambtenaar en een wethouder. Deze zijn niet bevoegd om te beslissen op een verzoek tot wijziging van een bestemmingsplan of de Gemeente Laarbeek te binden aan toezeggingen op dat punt. Van Frere, als projectontwikkelaar, kan bovendien worden aangenomen dat zij bekend is met de bevoegdheden ter zake. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat Frere er niet gerechtvaardigd op had mogen vertrouwen dat de gemeente zich wenste te (gaan) binden. Ook de subsidiair gevraagde voorziening zal worden afgewezen.

4.6. Ten overvloede merkt de voorzieningenrechter op dat met het bovenstaande geen oordeel is gegeven of het niet op de weg van de medewerkers van de Gemeente Laarbeek had gelegen bepaalde informatie aan Frere te verschaffen en haar op enig punt te waarschuwen, omdat dat voor beslissing op de vordering niet relevant is; daaruit kan hoe dan ook geen verplichting voor de Gemeente Laarbeek worden afgeleid om met Frere “door te onderhandelen”.

4.7. Frere zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Gemeente Laarbeek worden begroot op:

- vast recht € 262,00

- overige kosten 0,00

- salaris advocaat 816,00

Totaal € 1.078,00

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1. wijst de vorderingen af;

5.2. veroordeelt Frere in de proceskosten, aan de zijde van Gemeente Laarbeek tot op heden begroot op € 1.078,00;

5.3. verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.F.M. Strijbos en in het openbaar uitgesproken op 14 september 2009.