Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2009:BJ7458

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
03-09-2009
Datum publicatie
11-09-2009
Zaaknummer
618503
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiser is een Pool die in Nederland werk heeft gezocht. Volgens eiser was hij als uitzendkracht in dienst van gedaagde. Hij maakt onder meer aanspraak op achterstallig loon.

Volgens gedaagde is eiser niet bij haar in dienst geweest en had hij zijn eigen onderneming. Zijn onderneming was lid van gedaagde, zoals blijkt uit een door hem ondertekende overeenkomst. Gedaagde werft klanten en werk en brengt dat onder bij haar leden. Aldus gedaagde.

Voor de vraag welke overeenkomst tussen partijen bestaat en wat tussen hen heeft te gelden, is bepalend hetgeen hen bij het sluiten van de overeenkomst voor ogen stond, mede in aanmerking genomen de wijze waarop zij feitelijk aan de overeenkomst uitvoering hebben gegeven en aldus daaraan inhoud hebben gegeven.

Eiser heeft de overeenkomst met gedaagde getekend, zonder dat hij de inhoud ervan kende. De Poolse vertaling heeft hij pas ontvangen toen hij bij gedaagde wegging. De feitelijke rechtsrelatie tussen partijen voldoet aan de definitie van een uitzendovereenkomst. Vordering toewijsbaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ‘s-HERTOGENBOSCH

Sector Kanton, locatie ‘s-Hertogenbosch

Zaaknummer : 618503

Rolnummer : 09-3418

Uitspraak : 3 september 2009

in de zaak van:

[eiser],

wonende te [adres],

eiser,

procederend met rechtsbijstand ingevolge toevoeging van de Raad voor de Rechtsbijstand d.d. 16 januari 2009, nr. 3FO1323,

gemachtigde: mr. M. van Loo,

t e g e n :

[gedaagde],

gevestigd te [adres],

gedaagde,

gemachtigde: de heer G. Vos.

Partijen zullen verder worden aangeduid als ‘[eiser]’ en ‘[gedaagde]’.

1. De procedure

[eiser] heeft bij dagvaarding gesteld en gevorderd als na te melden. [gedaagde] is in rechte verschenen en heeft een conclusie van antwoord genomen. Vervolgens is een comparitie van partijen bepaald. Deze heeft plaatsgevonden op 18 augustus 2009. [gedaagde] is niet ter comparitie verschenen. [eiser] heeft ter comparitie de eis verminderd. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. Het geschil

2.1. [eiser] vordert, na wijziging van de eis, betaling van € 1.295,12, te vermeerderen met rente en kosten als vermeld in de dagvaarding.

[eiser] legt daaraan het volgende ten grondslag.

Hij was als uitzendkracht in dienst van [gedaagde] geweest. Aan achterstallig loon over de weken 15, 16 en 17 van 2008 heeft hij nog € 888,13 te vorderen, namelijk 122,5 gewerkte uren ad € 7,25 per uur. [gedaagde] weigert dit bedrag aan hem te voldoen.

Voorts heeft [eiser] recht op terugbetaling van de borgsom ad € 100,-, nu aan de door [gedaagde] aan hem gegeven huisvesting een einde is gekomen.

[eiser] maakt voorts aanspraak op de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW en op de wettelijke rente over het achterstallige loon, welke laatste tot 16 februari 2009 € 62,92 bedraagt.

In mindering dient te komen een bedrag van € 200,-, dat aan hem als voorschot voor de genoemde weken is uitbetaald.

2.2. [gedaagde] heeft, kort weergegeven, het volgende verweer gevoerd.

[eiser] was niet in dienst van [gedaagde]. [eiser] had zijn eigen onderneming sinds 8 augustus 2006. Tevens was zijn onderneming lid van [gedaagde]. [gedaagde] werft klanten en werk en brengt dat onder bij haar leden.

Omdat [eiser] heeft gehandeld in strijd met het bepaalde in artikel 7 van de tussen partijen bestaande overeenkomst en misbruik van de situatie heeft gemaakt en rechtstreeks voor de relatie van [gedaagde] is gaan werken, heeft hij [gedaagde] grote schade toegebracht en is hij een boete van € 2.000,- verschuldigd. Hij heeft echter nagelaten dat bedrag te betalen.

3. De beoordeling

3.1. Ter comparitie is zijdens [eiser] onder meer het volgende verklaard.

[eiser] is een Pool die in 2006 in Nederland werk heeft gezocht. Het is juist dat hij op of rond 1 augustus 2006 de door [gedaagde] overgelegde overeenkomst heeft getekend. Hij heeft zich daartoe op die zelfde datum bij de Kamer van Koophandel ingeschreven als zzp-er. Dat heeft hij zo gedaan, omdat er toen voor Polen op geen andere manier aan werk was te komen. [eiser] wist echter niet waarvoor hij tekende. Dat is hem toen niet medegedeeld en hem zijn alleen papieren voorgelegd die hij op aanwijzing heeft getekend. Hij ging er steeds vanuit dat hij voor een uitzendbureau werkte. Hij heeft de Poolse vertaling van de overeenkomst met [gedaagde] pas ontvangen toen hij drie jaar later overstapte naar een ander bedrijf. Hij heeft nooit belasting betaald als zelfstandige. Hij heeft via [gedaagde] steeds gewerkt voor Aluverre Gevelbouw BV te Hardinxveld-Giessendam. Hij ontving van [gedaagde] € 7,25 netto per gewerkt uur.

Hij is in april 2008 gestopt met het werken voor [gedaagde] en is in mei 2008 gaan werken voor een ander uitzendbureau, genaamd Legalines. Hij is niet rechtstreeks voor de relatie van [gedaagde] gaan werken, zoals [gedaagde] stelt. Hij is overgestapt omdat hij via Legalines betere huisvesting kon krijgen en betere betaling.

3.2. Als enerzijds gesteld en anderzijds niet, dan wel onvoldoende gemotiveerd weersproken, alsmede op grond van de in het geding gebrachte producties, voor zover de inhoud daarvan niet is weersproken, staat tussen partijen het navolgende vast.

[eiser] heeft op of omstreeks 1 augustus 2006 een overeenkomst gesloten met [gedaagde], waarbij hij, handelende onder de naam Klus & Derk en ingeschreven bij de Kamer van Koophandel en Fabrieken voor Oost-Brabant onder nummer 17194165, lid is geworden van [gedaagde]. In de overeenkomst is bepaald dat [gedaagde] voor [eiser] zal bemiddelen bij potentiële opdrachtgevers voor werkzaamheden welke hij als zelfstandig ondernemer zal uitvoeren. Voorts is daarin onder meer bepaald dat hij een eenmalige entreefee van € 100,- betaalt, welke na beëindiging van het lidmaatschap zal worden gerestitueerd, dat hij ermee akkoord gaat dat [gedaagde] bij hem voor haar bemiddelingsactiviteiten kosten in rekening brengt, dat hij het recht heeft opdrachten zonder opgaaf van redenen te weigeren, en dat hij ermee akkoord gaat dat [gedaagde] de arbeidskosten van hem als lid namens hem bij de opdrachtgever in rekening brengt en dat [gedaagde] steeds per week met hem zal afrekenen.

[eiser] heeft € 100,- “entreefee” betaald.

[eiser] heeft, via bemiddeling van [gedaagde], gewerkt bij Aluverre Gevelbouw BV te Hardinxveld-Giessendam. Hij ontving van [gedaagde] € 7,25 netto per gewerkt uur. [gedaagde] heeft de door hem gewerkte uren in de weken 15, 16 en 17 van 2008, in totaal 122,5 uren, niet met hem afgerekend. Hij heeft voor deze uren slechts een voorschot ontvangen van twee maal € 100,-.

3.3. Met het lid worden van Polen van de EU per 1 mei 2004 zijn de regels voor het vrije verkeer van personen en goederen van toepassing geworden op de Polen. De toegang tot de Nederlandse arbeidsmarkt voor Poolse werknemers is echter aanvankelijk beperkt geworden. Die beperking was vormgegeven door een tewerkstellingsvergunning voor Polen (en burgers van andere nieuwe EU-leden) te eisen. Die vergunning moest door de werkgever worden aangevraagd. De eis van een tewerkstellingsvergunning is voor Poolse werknemers per 1 mei 2007 afgeschaft.

Een Poolse werknemer kon tussen 1 mei 2004 en 1 mei 2007 ook zonder tewerkstellingsvergunning in Nederland werken, namelijk als zelfstandige. Hij kon zich als zzp-er laten inhuren, indien hij zich als zodanig inschreef. Op deze mogelijkheid heeft [gedaagde] kennelijk ingespeeld door zich, als coöperatieve vereniging, te richten op Poolse arbeidskrachten en hen als zzp-er lid te laten worden van de vereniging en hen ‘als zelfstandige’ werk aan te bieden bij opdrachtgevers. Aldus zou er geen sprake zijn van een dienstverband (en behoefde [gedaagde] voor hen ook geen belastingen en premies in te houden en af te dragen).

3.4. [eiser] heeft gesteld dat er tussen partijen feitelijk sprake was van een uitzendovereenkomst. De uitzendovereenkomst is een bijzondere vorm van de arbeidsovereenkomst. Voor de vraag welke overeenkomst tussen partijen bestaat en wat tussen hen heeft te gelden, is bepalend hetgeen hen bij het sluiten van de overeenkomst voor ogen stond, mede in aanmerking genomen de wijze waarop zij feitelijk aan de overeenkomst uitvoering hebben gegeven en aldus daaraan inhoud hebben gegeven.

3.5. [eiser] heeft ter comparitie verklaard dat hem alleen maar enkele papieren zijn voorgelegd ter ondertekening en dat hij heeft getekend zonder dat hij wist wat de inhoud van deze stukken was, en dat hij ervan uitging dat hij voor een uitzendbureau kwam te werken. Eerst toen hij bij [gedaagde] wegging heeft hij de Poolse vertaling van de door hem getekende stukken ontvangen, aldus [eiser].

[gedaagde] heeft deze verklaring van [eiser] niet weersproken, zodat van de juistheid ervan moet worden uitgegaan.

3.6. Ten aanzien van de uitvoering van de overeenkomst wordt het volgende overwogen.

[gedaagde] legt en onderhoudt contacten met opdrachtgevers en stelt kennelijk aan hen arbeidskrachten met wie zij een overeenkomst heeft gesloten ter beschikking om arbeid te verrichten onder toezicht en leiding van de betreffende opdrachtgever. Er zijn aanwijzingen dat dit gebeurt krachtens een door de opdrachtgever aan [gedaagde] verstrekte opdracht (waarmee de verhouding tussen [eiser] en [gedaagde] een uitzendovereenkomst wordt), en niet krachtens een door de opdrachtgever aan [eiser] gegeven opdracht.

De omstandigheid dat [eiser] zich in de overeenkomst heeft verplicht om de afrekening van de door hem gewerkte uren via [gedaagde] te laten verlopen wijst erop dat er geen sprake is van een opdracht van de derde/opdrachtgever aan [eiser] (waarbij [gedaagde] uitsluitend bemiddeld zou hebben). In dat geval zou [gedaagde] immers niets te maken hebben met de afrekening tussen [eiser] en de derde/opdrachtgever. Uit dit onderdeel van de tussen partijen gesloten overeenkomst blijkt ook dat er een deel van de gebruikelijk tussen een werkgever en werknemer bestaande gezagsverhouding bestaat tussen [gedaagde] en [eiser], op dezelfde wijze als bij de uitzendovereenkomst gebruikelijk is, namelijk waar [gedaagde] de urenregistratie verlangt en de daarmee samenhangende administratie en afrekening verzorgt.

De overgelegde urenregistraties vormen eveneens een aanwijzing dat er sprake is van een opdracht van de opdrachtgever aan [gedaagde]. Deze zijn gesteld op naam van “Pool & Werk”. Zijdens [eiser] is onweersproken verklaard dat Pool & Werk in persoon en organisatie nauw verweven is met [gedaagde] en dat deze onderneming ook op hetzelfde adres als [gedaagde] is gevestigd en dat zij elkaars werkbriefjes gebruiken. Op dit urenregistratieformulier is de opdrachtgever aangeduid als “de inlener”, welke benaming voor de opdrachtgever wordt gebruikt in het kader van een uitzendovereenkomst. Uit de opmaak van het urenregistratieformulier blijkt voorts dat [eiser] zijn gewerkte en door de opdrachtgever geaccordeerde uren moest verantwoorden bij [gedaagde], hetgeen ook duidt op een opdracht aan [gedaagde] en niet aan [eiser].

Een bevestiging van het voorgaande kan worden gevonden in het gegeven dat [gedaagde] [eiser] verwijt dat hij rechtstreeks is gaan werken voor de relatie van [gedaagde] en daarmee schade aan haar heeft toegebracht: het was dus kennelijk ook niet de bedoeling van [gedaagde] dat [eiser] rechtstreeks in opdracht van de derde zou werken.

[gedaagde] heeft ook niet aangevoerd en nergens uit blijkt dat de opdrachten door de opdrachtgever aan [eiser] werden gegeven

3.7. De conclusie moet zijn dat de rechtsrelatie tussen partijen voldoet aan de definitie van een uitzendovereenkomst, zoals neergelegd in artikel 7:690 BW. De tussen partijen bestaande overeenkomst moet aldus, ondanks de bewoordingen die zijn gebruikt in de akte die partijen hebben ondertekend, worden aangemerkt als een uitzendovereenkomst als bedoeld in dat artikel.

3.8. [gedaagde] heeft niet weersproken dat de door [eiser] in de weken 15,16 en 17 van 2008 gewerkte 122,5 uren nog niet aan hem zijn uitbetaald, en dat het daarbij om een bedrag van € 888,13 netto gaat. Dit bedrag is [gedaagde] daarom verschuldigd.

3.9. [gedaagde] heeft aangevoerd dat [eiser] een bedrag van € 2000,- wegens boete aan haar verschuldigd is en heeft (kennelijk) een beroep op verrekening met het aan [eiser] verschuldigde gedaan.

[gedaagde] heeft echter niet weersproken dat [eiser] niet rechtstreeks voor de relatie van [gedaagde] is gaan werken, maar is gaan werken voor een andere uitzendorganisatie. Dit nog daargelaten dat [gedaagde] niet heeft onderbouwd dat [eiser] de geheimhouding die hij ingevolge de overeenkomst diende te betrachten ten aanzien van de opdrachtgever en [gedaagde] (sic!) niet is nagekomen.

Onvoldoende aannemelijk is aldus dat [eiser] een boete aan [gedaagde] verschuldigd is. Het beroep op verrekening wordt daarom verworpen.

3.10. Omdat de verhouding tussen partijen moet worden aangemerkt als een uitzendovereenkomst is artikel 7:625 BW van toepassing. De wettelijke verhoging op grond van dit artikel is toewijsbaar als gevorderd.

3.11. Tevens is toewijsbaar de wettelijke rente als gevorderd.

En omdat de relatie tussen partijen inmiddels is geëindigd heeft [eiser] recht op terugbetaling van de door hem betaald fee ad € 100,-. In mindering strekken de betaalde voorschotten van in totaal € 200,-.

3.12. De verminderde vordering is derhalve volledig toewijsbaar.

3.13. [gedaagde] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van de procedure.

4. De beslissing

De kantonrechter:

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen het loon over de periode van 7 april 2008 tot en met 27 april 2008, vermeerderd met de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW en de wettelijke rente over het achterstallige loon tot 16 februari 2009, in totaal een bedrag van € 1.295,12, vermeerderd met de wettelijke rente over € 888,13 vanaf 16 februari 2009 tot aan de dag der voldoening;

veroordeelt [gedaagde] in de kosten van dit geding, aan de zijde van [eiser] tot aan deze uitspraak begroot op € 543,98, waarvan te voldoen aan:

a. de griffier, door overschrijving op rekeningnummer 19.23.25.787 t.n.v. Arrondissement 's-Hertogenbosch onder vermelding van het zaaknummer en rolnummer van deze zaak:

- € 85,98 wegens explootkosten;

- € 118,50 wegens in debet gesteld vast recht;

- € 300,-- wegens salaris gemachtigde (niet met btw belast);

b. [eiser],

- € 39,50 wegens door hem betaald vast recht;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Aldus gewezen door mr. J.H. Wiggers, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 september 2009.