Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2009:BJ7374

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
10-09-2009
Datum publicatie
10-09-2009
Zaaknummer
AWB 09-2240
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Betreft bouwvergunning voor zeugen-/biggenstal. Verzoeksters hebben gesteld dat verweerder met (het toepassen van) de interne richtlijn een onterechte uitbreiding heeft gegeven aan de in de leidraad Beheersbaarheid van Brand 2007 genoemde maximumoppervlakte van 2.500 m2 per brandcompartiment en dat geen gelijkwaardig niveau van brandveiligheid wordt behaald. Gelet op de principiële aard en complexiteit van deze rechtsvraag, is behandeling door een meervoudige kamer aangewezen. Voorts zal de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening worden gevraagd advies uit te brengen. Gelet op de belangen van vergunninghoudster bestaat geen aanleiding het bestreden besluit te schorsen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-HERTOGENBOSCH

Sector bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 09/2240

Uitspraak van de voorzieningenrechter van 10 september 2009

inzake

[verzoekster]

te Amsterdam,

en

[verzoekster]

te Nijmegen,

verzoeksters,

[gemachtigde]

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Boxmeer,

verweerder,

[gemachtigden].

Aan het geding heeft als partij deelgenomen [vergunninghoudster], te Vortum-Mullem, vergunninghoudster, [gemachtigde]

Procesverloop

Bij besluit van 27 januari 2009 heeft verweerder een (reguliere) bouwvergunning verleend aan [vergunninghoudster], te Vortum-Mullem (hierna: vergunninghoudster), voor de bouw van een zeugen-/biggenstal op het perceel aan de [adres] te Vortum-Mullem.

Bij besluit van 16 juni 2009 heeft verweerder de bezwaren van verzoeksters ongegrond verklaard en het bestreden besluit met de op 20 april 2009 en 8 juni 2009 aangepaste en als zodanig gewaarmerkte tekeningen -met verbetering van de motivering- in stand gelaten.

Tegen laatstgenoemd besluit hebben verzoeksters bij brief van 25 juni 2009 beroep ingesteld. Dit beroep is geregistreerd onder zaaknummer AWB 09/2192.

Bij brief van 3 juli 2009 hebben verzoeksters de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De zaak is behandeld op de zitting van 19 augustus 2009, waar verzoeksters zijn verschenen bij gemachtigde. Verweerder is eveneens verschenen bij gemachtigde. Verschenen is voorts de gemachtigde van vergunninghoudster, vergezeld door [gemachtigde]

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, onder meer indien tegen een besluit beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2. Voor zover de toetsing aan dit criterium meebrengt dat het geschil in de bodemprocedure wordt beoordeeld heeft dit oordeel een voorlopig karakter en is dit niet bindend voor de beslissing in die procedure.

3. De voorzieningenrechter zal beoordelen of er aanleiding bestaat verweerders besluit van 16 juni 2009 te schorsen totdat hierover in beroep is beslist.

Feiten

4. Het bouwplan betreft de nieuwbouw van een zeugen-/biggenstal, welke bestaat uit vier brandcompartimenten. De gebruiksoppervlakten zijn respectievelijk 4.988 m2, 2.934 m2, 4.323 m2 en 1.447 m2.

5. Bij uitspraak van 2 april 2009 (AWB 09/446) heeft de voorzieningenrechter het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening van [verzoeker] te Sambeek toegewezen en verweerders besluit van 27 januari 2009 geschorst tot en met zes weken na de bekendmaking van het besluit op bezwaar. Bij uitspraak van 18 juni 2009 (AWB 09/1395) heeft de voorzieningenrechter de getroffen voorlopige voorziening met onmiddellijke ingang opgeheven.

Standpunten partijen

6. Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat het bouwplan voldoet aan de eisen van brandveiligheid. Verweerder heeft daarbij verwezen naar het op verzoek van vergunninghoudster door [ingenieursbureau] uitgebrachte rapportage “Beheersbaarheid van Brand” van 16 april 2009. Het bouwplan is hierin beoordeeld volgens de leidraad Beheersbaarheid van Brand 2007, (hierna: de leidraad BvB), rekening houdend met de eisen en beperkingen die maatregelenpakket 1 met zich brengt. Daarbij is voorts rekening gehouden met de criteria van verweerders interne richtlijn “Beleid brandcompartimentering dierenverblijven”(hierna: de interne richtlijn) doordat de oppervlakte van de brandcompartimenten onder de 5.000 m2 blijft, de toe te passen isolatiematerialen maximaal brandvoortplantingsklasse 2 hebben en de maatgevende vuurlast onder de 60 kg vurenhout/m2 blijft. De afwijking van de leidraad BvB is met het voldoen aan de interne richtlijn volgens verweerder voldoende gemotiveerd. Verweerder heeft gesteld dat in het Bouwbesluit 2003 (hierna: het Bouwbesluit) in het algemeen op een sluitende wijze de veiligheid en gezondheid van personen en dieren is geregeld en dat, indien wordt voldaan aan die regelgeving, er vanuit mag worden gegaan dat sprake zal zijn van een voldoende veilige en gezonde situatie voor mens en dier, zowel in kleine, grote als megastallen. Indien de wetgever een andere mening zou zijn toegedaan dan zou volgens verweerder in het Bouwbesluit wel verdergaande regelgeving zijn opgenomen specifiek gericht op de bescherming van de gezondheid of veiligheid van dieren.

7. Verzoeksters hebben zich -zakelijk weergegeven- op het standpunt gesteld dat toepassing van de interne richtlijn, die brandcompartimenten mogelijk maakt met een grotere oppervlakte dan de in de leidraad BvB voor dierenverblijven genoemde maximumoppervlakte van 2.500 m2, geen gelijkwaardige brandveiligheid biedt zoals bedoeld in het Bouwbesluit. In dit verband hebben verzoeksters gesteld dat de interne richtlijn neerkomt op extra eisen aan de brandveiligheid van het isolatiemateriaal, maar dat daarmee nog niet is aangetoond dat ten minste dezelfde mate van veiligheid, bescherming van de gezondheid, bruikbaarheid, energiezuinigheid en bescherming van het milieu geboden wordt. Verzoeksters hebben gesteld dat niet aan de in de leidraad BvB genoemde maximumoppervlakte van 2.500 m2 mag worden voorbij gegaan, nu hierdoor het aantal dieren dat bij brand door verbranding of verstikking zal omkomen wordt beperkt. In dit verband hebben verzoeksters erop gewezen dat de reikwijdte van de Woningwet (Ww) met ingang van 1 april 2007 is verruimd en dat mede rekening moet worden gehouden met de veiligheid van dieren. Aan die verruimde reikwijdte van de Ww is volgens verzoeksters uitdrukking gegeven door voor grote veestallen de maximumoppervlakte van 2.500 m2 per brand compartiment te stellen. Voorts hebben verzoeksters gesteld dat niet aan de eis uit de leidraad BvB wordt voldaan dat bij meer dan twee doorgangen in een brandcompartiment, deze doorgangen dienen te worden uitgevoerd met een dubbele sluisconstructie. Uit de bouwtekening noch de aan de bouwvergunning verbonden voorschriften blijkt van een dergelijke constructie, aldus verzoeksters.

Wettelijk kader

8. Ingevolge artikel 40, eerste lid, aanhef en onder a, van de Ww is het verboden te bouwen zonder of in afwijking van een door burgemeester en wethouders verleende bouwvergunning.

9. Ingevolge artikel 44, eerste lid, aanhef en onder a, van de Ww mag slechts en moet de reguliere bouwvergunning worden geweigerd, indiende aanvraag en de daarbij overgelegde gegevens naar het oordeel van de burgemeester en wethouders niet aannemelijk maken dat het bouwen waarop de aanvraag betrekking heeft voldoet aan de voorschriften die zijn gegeven bij of krachtens een algemene maatregel als bedoeld in artikel 2 of 120. Dit is het Bouwbesluit.

10. In de artikelen 2.103 tot en met 2.109 van het Bouwbesluit worden voorschriften gegeven ter beperking van uitbreiding van brand bij nieuwbouw.

Oordeel van de voorzieningenrechter

11. Niet in geschil is dat het bouwplan niet voldoet aan artikel 2.105 van het Bouwbesluit, op grond waarvan een brandcompartiment bij lichte industriefunctie niet groter mag zijn dan 1.000 m2. De in opdracht van het Ministerie van BZK opgestelde leidraad is een hulpmiddel om een onderbouwde invulling te geven aan de eis van brandveiligheid uit het Bouwbesluit betreffende grote brandcompartimenten. Met de leidraad BvB kunnen aanvragers van een bouwvergunning uitzondering verkrijgen van de standaardeis die in het Bouwbesluit wordt gesteld aan de maximale grootte van brandcompartimenten. Daarvoor is een specifieke beschouwing van de gelijkwaardigheid nodig, zulks ter beoordeling van het bevoegd gezag, zijnde verweerder.

12. In de leidraad BvB is aangegeven dat voor dierenverblijven een maximumoppervlakte van 2.500 m2 per brandcompartiment geldt. Verweerder heeft bij de beoordeling van onderhavige aanvraag om bouwvergunning de interne richtlijn toegepast, op grond waarvan een dierenverblijf kan worden gerealiseerd met brandcompartimenten die groter zijn dan 2.500 m2. Afhankelijk van de gewenste grootte dienen volgens de interne richtlijn dan keuzes te worden gemaakt over de brandvoortplantingsklasse van de (isolatie)materialen en de vuurbelasting van het bouwwerk. De maximale grootte van een brandcompartiment voor dierenverblijven is in de interne richtlijn gesteld op 5.000 m2.

13. Verzoeksters hebben -kort gezegd- gesteld dat verweerder met (het toepassen van) de interne richtlijn een onterechte uitbreiding heeft gegeven aan de in de leidraad BvB genoemde maximumoppervlakte van 2.500 m2 per brandcompartiment en dat geen gelijkwaardig niveau van brandveiligheid wordt behaald. Gelet op de principiële aard en complexiteit van de voorliggende rechtsvraag, leent dit geschil zich niet goed voor een beoordeling bij wijze van voorlopige voorziening, doch veeleer voor een beoordeling in de hoofdzaak door een meervoudige kamer. Voorts bestaat, mede gelet op hetgeen verzoeksters hebben gesteld ten aanzien van de doorgangen tussen de brandcompartimenten, aanleiding de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening te benoemen als deskundige en te vragen advies uit te brengen.

14. Voor het schorsen van het bestreden besluit bestaat, ondanks hetgeen hiervoor is overwogen, gelet op de zwaarwegende belangen van vergunninghoudster bij het tijdig kunnen realiseren van de zeugen-/biggenstal, geen aanleiding. In navolging van hetgeen in de uitspraak van 18 juni 2009 reeds door de voorzieningenrechter is overwogen, wordt overwogen dat het niet onaannemelijk is dat voor vergunninghoudster een onomkeerbare situatie zal ontstaan indien de zeugen-/biggenstal niet tijdig gereed is. Gebleken is dat vergunninghoudster een overeenkomst heeft gesloten met [betrokkene], op grond waarvan zij de verplichting heeft om de zeugen die nu nog op de bedrijfslocatie te Wintelre staan, uiterlijk 31 oktober 2009 daar weg te halen. Het niet (tijdig) kunnen nakomen van deze verplichting heeft als mogelijke, vergaande consequentie dat de zeugen moeten worden afgemaakt, hetgeen tevens leidt tot een aanzienlijke kapitaalsvernietiging. Daar komt bij dat door vergunninghoudster onweersproken is gesteld dat het aanbrengen van de scheidingswanden ten behoeve van een verdere brandcompartimentering, indien dit nodig mocht blijken, ook na het afronden van de bouwwerkzaamheden mogelijk is.

15. Gelet op het belang van vergunninghoudster om op afzienbare termijn duidelijkheid te verkrijgen over de rechtmatigheid van het bestreden besluit, ligt een versnelde en gevoegde behandeling van de bij de rechtbank aanhangige beroepen -daar waar mogelijk- in de rede.

16. De voorzieningenrechter acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling noch om te bepalen dat het griffierecht aan verzoeksters dient te worden vergoed.

17. Beslist wordt als volgt.

Beslissing

De voorzieningenrechter,

wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af.

Aldus gedaan door mr. A.H.N. Kruijer als voorzieningenrechter in tegenwoordigheid van A.J.H. van der Donk als griffier en in het openbaar uitgesproken op 10 september 2009.

?