Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2009:BJ7033

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
08-09-2009
Datum publicatie
08-09-2009
Zaaknummer
01/995606-08
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2012:BV2506, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Overtredingen van de regelgeving betreffende asbestsaneringen en valsheid in geschrift meermalen gepleegd.

Verdachte is feitelijk leidinggever.

Verdachte en de medeverdachten hebben zich onder meer onvoldoende om het lot van de eigen medewerkers bekommerd. Aan het werken met asbest kleven grote risico's voor het milieu, waaronder de gezondheid van personen.

Opgelegd wordt een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden met aftrek van voorarrest waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Aan de medeverdachte (feitelijk leidinggever) wordt dezelfde straf opgelegd.

Aan de rechtspersoon wordt opgelegd: een geldboete van 30.000,- euro en gehele stillegging van de onderneming voor de duur van 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht
Wetboek van Strafrecht 225
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 8.1
Wet milieubeheer 10.1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBO 2009/48 met annotatie van D. van der Meijden
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

Sector Strafrecht

Parketnummer: 01/995606-08

Datum uitspraak: 08 september 2009

Verkort vonnis van de rechtbank ’s-Hertogenbosch, meervoudige economische kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1979,

wonende te [woonplaats], [adres].

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 25 augustus 2009.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 24 maart 2009.

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 21 oktober 2008 te Hapert, gemeente Bladel, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, al dan niet opzettelijk, zonder daartoe verleende vergunning, een in of op perceel [adres] gelegen inrichting voor het (bedrijfsmatig) houden van (pels)dieren zijnde een inrichting genoemd in Categorie 8 van de bij het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer behorende Bijlage I en tevens behorende tot een bij het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer aangewezen categorie van inrichtingen waarvoor de verboden van artikel 8.1 eerste lid van de Wet milieubeheer golden, ten aanzien van de opslag van bouw- en sloopafval, klinkers en/of bouwmaterialen en/of de aanwezigheid van een kantoor, kantine, toiletten en/of douchegelegenheid, heeft veranderd of de werking daarvan heeft veranderd en/of ten aanzien van die verandering(en) in werking heeft gehad;

(zaak WM.01.HA)

Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

[medeverdachte 2] op of omstreeks 21 oktober 2008 te Hapert, gemeente Bladel, al dan niet opzettelijk, zonder daartoe verleende vergunning, een in of op perceel [adres] gelegen inrichting voor het (bedrijfsmatig) houden van (pels)dieren zijnde een inrichting genoemd in Categorie 8 van de bij het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer behorende Bijlage I en tevens behorende tot een bij het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer aangewezen categorie van inrichtingen waarvoor de verboden van artikel 8.1 eerste lid van de Wet milieubeheer golden, ten aanzien van de

opslag van bouw- en sloopafval, klinkers en/of bouwmaterialen en/of de aanwezigheid van een kantoor, kantine, toiletten en/of douchegelegenheid, heeft veranderd of de werking daarvan heeft veranderd en/of ten aanzien van die verandering(en) in werking heeft gehad

hebbende hij verdachte toen en daar tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, feitelijk leiding gegeven aan die verboden gedraging(en), althans opdracht gegeven tot dat/die feit(en);

(zaak WM.01.HA)

2.

hij tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, als degene die een inrichting, als bedoeld in het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer, gelegen aan de [adres] te Lage Mierde, in de gemeente Reusel - De Mierden, in of omstreeks de periode van 19 februari 2008 tot en met 21 oktober 2008 heeft veranderd en/of de werking van die inrichting heeft veranderd, ten aanzien van de opslag van bouw- en sloopafval en/of van asbest en/of asbesthoudende materialen, die verandering niet tenminste 4 weken voor die verandering, immers nog niet op 21 oktober 2008 had gemeld aan Burgemeester en Wethouders van die gemeente;

(zaak WM.04.LM)

Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

[medeverdachte 2] als degene die een inrichting, als bedoeld in het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer, gelegen aan de [adres] te Lage Mierde, in de gemeente Reusel - De Mierden, in of omstreeks de periode van 19 februari 2008 tot en met 21 oktober 2008 heeft veranderd en/of de werking van die inrichting heeft veranderd, ten aanzien van de opslag van bouw- en sloopafval en/of van asbest en/of asbesthoudende materialen, die verandering niet tenminste 4 weken voor die verandering,

immers nog niet op 21 oktober 2008 had gemeld aan Burgemeester en Wethouders van die gemeente

hebbende hij verdachte, tezamen en in vereniging met anderen of een ander,

althans alleen, toen en daar feitelijk leiding gegeven aan die verboden gedraging(en), althans opdracht gegeven tot dat/die feit(en);

(zaak WM.04.LM)

3.

hij in of omstreeks de periode van 8 oktober 2007 tot en met 12 augustus 2008 in de gemeente Bladel, althans in het arrondissement 's-Hertogenbosch, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, opzettelijk

- een formulier logboek van 12 augustus 2008, betreffende een asbestsloop te Bergschenhoek, zijnde een geschrift dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt, althans heeft vervalst hebbende hij, verdachte en/of voornoemde ander(en) op of omstreeks 12 augustus 2008 te Bergschenhoek opzettelijk valselijk en in strijd met de waarheid minder asbest-uren geregistreerd voor [werknemer 1] dan hij daadwerkelijk had gewerkt (zaak WM.07.BE) en/of

- een melding aan de Arbeidsinspectie betreffende een asbestsloop te Heusden, zijnde een geschrift dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt, althans heeft vervalst hebbende hij, verdachte en/of voornoemde ander(en) op of omstreeks 6 juni 2008 daar opzettelijk valselijk en in strijd met de waarheid 6 juni 2008 als aanvangsdatum opgegeven en/of vermeld dat de sloop naar aanleiding van een calamiteit moest worden uitgevoerd (zaak WM.12.HE) en/of

- een formulier logboek van 30 juni 2008, betreffende een asbestsloop in Gilze-Rijen zijnde een geschrift dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt, althans heeft vervalst hebbende hij, verdachte en/of voornoemde ander(en) in Gilze Rijen opzettelijk valselijk en in strijd met de waarheid minder asbest-uren geregistreerd dan in werkelijkheid waren gewerkt (zaak WM.13.GI) en/of

- een melding aan de Arbeidsinspectie betreffende een asbestsloop te Luijksgestel, zijnde een geschrift dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt, althans heeft vervalst hebbende hij, verdachte en/of voornoemde ander(en) op of omstreeks 8 oktober 2007 in Hapert opzettelijk valselijk en in strijd met de waarheid opgegeven dat de sloop was uitgevoerd naar aanleiding van een calamiteit (zaak WM.22.LU) en/of

- een werkplan betreffende een asbestsloop te Deurne, zijnde een geschrift dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt, althans heeft vervalst hebbende hij, verdachte en/of voornoemde ander(en) op of omstreeks 3 juli 2008 te Deurne en/of Hapert opzettelijk valselijk en in strijd met de waarheid opgegeven dat asbesthoudende materialen zo heel mogelijk zouden worden gedemonteerd (zaak WM.23.DE) en/of

- een werkplan betreffende een asbestsloop te Eersel, zijnde een geschrift om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt, althans heeft vervalst hebbende hij, verdachte en/of voornoemde ander(en) op of omstreeks 21 juni 2008 te Eersel en/of Hapert opzettelijk valselijk en in strijd met de waarheid de namen van de daar aanwezige Poolse arbeiders niet vermeld (zaak WM.24.EE) en/of

- een formulier logboek van 8 juli 2008 betreffende een asbestsloop te Oosterhout, zijnde een geschrift om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt, althans heeft vervalst hebbende hij, verdachte en/of voornoemde ander(en) op of omstreeks 8 juli 2008 te Oosterhout en/of Hapert opzettelijk valselijk en in strijd met de waarheid minder asbesturen geregistreerd dan daadwerkelijk waren gewerkt (zaak WM.31.OO) en/of

- een formulier logboek van 28 mei 2008 betreffende een asbestsloop te Bavel, zijnde een geschrift om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt, althans heeft vervalst hebbende hij, verdachte en/of voornoemde ander(en) op of omstreeks 28 mei 2008 te Bavel en/of Hapert opzettelijk valselijk en in strijd met de waarheid minder asbesturen geregistreerd dan daadwerkelijk waren gewerkt (zaak SR.02.BA) en/of

- een melding aan de Arbeidsinspectie betreffende een asbestsloop te Breda, zijnde een geschrift om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt, althans heeft vervalst hebbende hij, verdachte en/of voornoemde ander(en) op of omstreeks 20 juni 2008 te Breda en/of Hapert opzettelijk valselijk en in strijd met de waarheid als aanvangsdatum vermeld 24 juni 2008 (zaak SR.03.BR) en/of

- twee, althans een, formulier(en) logboek van 26 en/of 27 juni 2008 betreffende een asbestsloop te Eersel, zijnde (een) geschrift(en) om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt, althans heeft vervalst hebbende hij, verdachte en/of voornoemdeander(en) op of omstreeks 26 en/of 27 juni te Eersel en/of Hapert opzettelijk valselijk en in strijd met de waarheid minder asbesturen geregistreerd dan daadwerkelijk waren gewerkt (zaak SR.04.EE)

met het oogmerk om voormelde formulier(en) logboek, melding(en) en/of werkplan(nen) als echt en onvervalst te gebruiken of door een ander of anderen te doen gebruiken;

Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

[medeverdachte 2] in of omstreeks de periode van 8 oktober 2007 tot en met 12 augustus 2008 in de gemeente Bladel, althans in het arrondissement 's-Hertogenbosch, in elk geval in Nederland, opzettelijk

- een formulier logboek van 12 augustus 2008, betreffende een asbestsloop te Bergschenhoek, zijnde een geschrift dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt, althans heeft vervalst hebbende zij, op of omstreeks 12 augustus 2008 te Bergschenhoek opzettelijk valselijk en in strijd met de waarheid minder asbest-uren geregistreerd voor [werknemer 1] dan hij daadwerkelijk had gewerkt (zaak WM.07.BE) en/of

- een melding aan de Arbeidsinspectie betreffende een asbestsloop te Heusden, zijnde een geschrift dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt, althans heeft vervalst hebbende zij, op of omstreeks 6 juni 2008 daar opzettelijk valselijk en in strijd met de waarheid 6 juni 2008 als aanvangsdatum opgegeven en/of vermeld dat de sloop naar aanleiding van een calamiteit moest worden uitgevoerd (zaak WM.12.HE) en/of

- een formulier logboek van 30 juni 2008, betreffende een asbestsloop in Gilze-Rijen zijnde een geschrift dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt, althans heeft vervalst hebbende zij, in Gilze Rijen opzettelijk valselijk en in strijd met de waarheid minder asbest-uren geregistreerd dan in werkelijkheid waren gewerkt (zaak WM.13.GI) en/of

- een melding aan de Arbeidsinspectie betreffende een asbestsloop te Luijksgestel, zijnde een geschrift dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt, althans heeft vervalst hebbende zij, op of omstreeks 8 oktober 2007 in Hapert opzettelijk valselijk en in strijd met de waarheid opgegeven dat de sloop was uitgevoerd naar aanleiding van een calamiteit (zaak WM.22.LU) en/of

- een werkplan betreffende een asbestsloop te Deurne, zijnde een geschrift dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt, althans heeft vervalst hebbende zij, op of omstreeks 3 juli 2008 te Deurne en/of Hapert opzettelijk valselijk en in strijd met de waarheid opgegeven dat asbesthoudende materialen zo heel mogelijk zouden worden gedemonteerd (zaak WM.23.DE) en/of

- een werkplan betreffende een asbestsloop te Eersel, zijnde een geschrift om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt, althans heeft vervalst hebbende zij, op of omstreeks 21 juni 2008 te Eersel en/of Hapert opzettelijk valselijk en in strijd met de waarheid de namen van de daar aanwezige Poolse arbeiders niet vermeld (zaak WM.24.EE) en/of

- een formulier logboek van 8 juli 2008 betreffende een asbestsloop te Oosterhout, zijnde een geschrift om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt, althans heeft vervalst hebbende zij, op of omstreeks 8 juli 2008 te Oosterhout en/of Hapert opzettelijk valselijk en in strijd met de waarheid minder asbesturen geregistreerd dan daadwerkelijk waren gewerkt (zaak WM.31.OO) en/of

- een formulier logboek van 28 mei 2008 betreffende een asbestsloop te Bavel, zijnde een geschrift om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt, althans heeft vervalst hebbende zij, op of omstreeks 28 mei 2008 te Bavel en/of Hapert opzettelijk valselijk en in strijd met de waarheid minder asbesturen geregistreerd dan daadwerkelijk waren gewerkt (zaak SR.02.BA) en/of

- een melding aan de Arbeidsinspectie betreffende een asbestsloop te Breda, zijnde een geschrift om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt, althans heeft vervalst hebbende zij, op of omstreeks 20 juni 2008 te Breda en/of Hapert opzettelijk valselijk en in strijd met de waarheid als aanvangsdatum vermeld 24 juni 2008 (zaak SR.03.BR) en/of

- twee, althans een, formulier(en) logboek van 26 en/of 27 juni 2008 betreffende een asbestsloop te Eersel, zijnde (een) geschrift(en) om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt, althans heeft vervalst hebbende zij, op of omstreeks 26 en/of 27 juni te Eersel en/of Hapert opzettelijk valselijk en in strijd met de waarheid minder asbesturen geregistreerd dan daadwerkelijk waren gewerkt (zaak SR.04.EE)

met het oogmerk om voormelde formulier(en) logboek, melding(en)

en/of werkplan(nen) als echt en onvervalst te gebruiken of door een ander of

anderen te doen gebruiken,

hebbende hij verdachte toen en daar tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, feitelijk leiding gegeven aan die verboden gedraging(en), althans opdracht gegeven tot dat/die feit(en);

4.

hij in of omstreeks de periode van 31 mei tot en met 18 juni in de gemeente(n) Amersfoort en/of Tilburg, meermalen, althans eenmaal, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, al dan niet opzettelijk, bedrijfsmatig, althans in een omvang en/of op een wijze alsof deze bedrijfsmatig was handelingen met betrekking tot afvalstoffen heeft verricht, bestaande uit het

- in of omstreeks de periode van 1 tot en met 9 juni 2008 in de gemeente Amersfoort verrichten van sloopwerkzaamheden ingedeeld in risicoklasse 3 onder waarborgen voor risicoklasse 2 en/of het uitsluizen van ongereinigd, althans onvoldoende gereinigd, en mogelijk met asbest besmet materiaal (zaak WM.14.AM) en/of

- op of omstreeks 31 mei 2008 in de gemeente Tilburg verrichten van sloopwerkzaamheden ingedeeld in risicoklasse 3 onder waarborgen van risicoklasse 2 en/of het uitsluizen van ongereinigd, althans onvoldoende gereinigd, mogelijk met asbest besmet materiaal (zaak WM.27.TI) en/of

op of omstreeks 18 juni 2008 in de gemeente Tilburg verrichten van sloopwerkzaamheden ingedeeld in risicoklasse 2 onder waarborgen van risicoklasse 1 (zaak SR.05.TI)

terwijl daardoor (telkens), naar hij wist, althans redelijkerwijs had kunnen weten, nadelige gevolgen voor het milieu ontstonden, althans konden ontstaan;

Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden:

[medeverdachte 2] in of omstreeks de periode van 31 mei tot en met 18 juni in de gemeente(n) Amersfoort en/of Tilburg, meermalen, althans eenmaal, al dan niet opzettelijk, bedrijfsmatig, althans in een omvang en/of op een wijze alsof deze bedrijfsmatig was handelingen met betrekking tot afvalstoffen heeft verricht, bestaande uit het

- in of omstreeks de periode van 1 tot en met 9 juni 2008 in de gemeente Amersfoort verrichten van sloopwerkzaamheden ingedeeld in risicoklasse 3 onder waarborgen voor risicoklasse 2 en/of het uitsluizen van ongereinigd, althans onvoldoende gereinigd, en mogelijk met asbest besmet materiaal (zaak WM.14.AM) en/of

- op of omstreeks 31 mei 2008 in de gemeente Tilburg verrichten van sloopwerkzaamheden ingedeeld in risicoklasse 3 onder waarborgen van risicoklasse 2 en/of het uitsluizen van ongereinigd, althans onvoldoende gereinigd, mogelijk met asbest besmet materiaal (zaak WM.27.TI) en/of

op of omstreeks 18 juni 2008 in de gemeente Tilburg verrichten van sloopwerkzaamheden ingedeeld in risicoklasse 2 onder waarborgen van risicoklasse 1 (zaak SR.05.TI)

terwijl daardoor (telkens), naar zij wist, althans redelijkerwijs had kunnen weten, nadelige

gevolgen voor het milieu ontstonden, althans konden ontstaan,

hebbende hij verdachte toen en daar tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen feitelijk leiding gegeven aan die verboden gedraging(en), althans opdracht gegeven tot dat/die feit(en);

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Bewijsoverwegingen.

Ten aanzien van feit 1:

De officier van justitie is van oordeel dat dit feit wettig en overtuigend kan worden bewezen.

De verdediging heeft bepleit dat de activiteiten die op de [adres] te Hapert werden uitgevoerd niet vergunningplichtig en in sommige gevallen zelfs niet meldingplichtig zijn. Verdachte dient dan ook te worden vrijgesproken van het onder feit 1 tenlastegelegde.

De rechtbank stelt vast dat voor het perceel [adres] te Hapert slechts een vergunning was verleend voor een inrichting voor het houden van pelsdieren1, een inrichting genoemd in categorie 8 van de bij het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer behorende Bijlage I. De rechtbank acht bewezen dat deze inrichting op meerdere fronten veranderd is.2 Naar het oordeel van de rechtbank betrof dit niet slechts een incidentele verandering, maar een structurele, gelet op de hoeveelheden van de aangetroffen goederen – waaronder bouwmaterialen en bouw- en sloopafval – en het samenstel van de veranderingen die hebben plaatsgevonden.

Tevens wijst de rechtbank op de verklaringen die de verdachten [medeverdachte 1] en [verdachte] over dit perceel hebben afgelegd.

Verdachte [verdachte] heeft onder meer verklaard:

‘De [adres] kan gezien worden als werkplaats van [medeverdachte 2]. Omdat we in Lage Mierde ons kantoor nog niet kwijt konden, zaten we als noodoplossing zolang op de [adres] te Hapert.’3

In een proces-verbaal van bevindingen betreffende het eerste verhoor van verdachte [medeverdachte 1] is opgenomen dat [medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij een probleem heeft met de opslag van asbest. Hij verklaarde geen vergunning te hebben op de [adres] of [adres] voor de opslag van asbest. Hij kon het niet geregeld krijgen dat het asbest rechtstreeks vanaf de saneringslocatie naar de asbestverwerker werd vervoerd. Hij had een bufferlocatie nodig.4

De rechtbank is van oordeel dat is komen vast te staan dat de inrichting op het perceel [adres] te Hapert veranderd is en dat hiermee artikel 8.1 van de Wet milieubeheer is overtreden. Dat de activiteiten die op deze locatie werden uitgevoerd – mogelijk – niet vergunningplichtig, dan wel meldingplichtig waren (zoals gesteld door de verdediging), doet aan het voorgaande niet af.

De rechtbank verwerpt het verweer.

Ten aanzien van feit 2:

De officier van justitie is van oordeel dat dit feit wettig en overtuigend kan worden bewezen.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat van bedrijfsmatige opslag die pleegt te worden verricht op de locatie [adres] te Lage Mierde (nog) geen sprake is. De constatering dat incidenteel omstreeks 11 en 19 maart 2008 een container is gestald, maakt niet dat sprake is van een type B-inrichting waarvoor ingevolge artikel 1.10 lid 2 van het Activiteitenbesluit ten minste 4 weken voor de oprichting, een melding moet worden gedaan.

Naar het oordeel van de verdediging zal in ieder geval een gedeeltelijke vrijspraak dan wel ontslag van rechtsvervolging moeten volgen.

De rechtbank stelt vast dat voor de locatie [adres] op 2 juli 2008 op een meldingsformulier werd vermeld: ‘Binnen de inrichting worden werkzaamheden uitgevoerd m.b.t. de carrosseriebouw.’5 Het voorgenomen tijdstip van oprichting was 1 augustus 2008. Op 25 juli 2008 stemde de gemeente Reusel-De Mierden in met deze oprichting.6

De rechtbank is van oordeel dat uit observaties7 en tapgesprekken8 en verschillende verklaringen blijkt dat de locatie [adres] in bedrijfsmatige zin werd gebruikt door [medeverdachte 2] ten behoeve van onder meer asbestopslag. Tevens wijst de rechtbank op de verklaringen die [verdachte], [medeverdachte 1] en [werknemer 1] over de locatie [adres] hebben afgelegd.

Verdachte [verdachte] heeft onder meer verklaard9: ‘De [adres] kan gezien worden als werkplaats van [medeverdachte 2].’

In een proces-verbaal van bevindingen betreffende het eerste verhoor van verdachte [medeverdachte 1] is opgenomen dat [medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij een probleem heeft met de opslag van asbest. Hij verklaarde geen vergunning te hebben op de [adres] of [adres] voor de opslag van asbest. Hij kon het niet geregeld krijgen dat het asbest rechtstreeks vanaf de saneringslocatie naar de asbestverwerker werd vervoerd. Hij had een bufferlocatie nodig.10

[werknemer 1] heeft verklaard dat op de [adres] een verzamelcontainer staat waarin asbest wordt verzameld. De locatie kan worden gezien als tussenopslag.11

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank bewezen dat de locatie [adres] niet werd gebruikt voor carrosseriebouw, maar voor asbestwerkzaamheden met een structureel karakter, terwijl hiervan niet (tijdig) melding is gedaan.

De rechtbank verwerpt het verweer.

Ten aanzien van feit 3, zaak WM.07.BE:

De officier van justitie is van oordeel dat dit feit wettig en overtuigend kan worden bewezen. De verdediging heeft vrijspraak bepleit.

[werknemer 1] heeft over het registreren van de asbesturen ten behoeve van het project in Bergschenhoek het volgende gesteld:

‘Ik heb enkele weken op deze locatie gewerkt. We hebben daar niet meer pakuren gemaakt dan zes per dag. Het is misschien wel eens een keertje een half uur uitgelopen, maar dat was een uitzondering. U laat mij het dagstatus project van 12 augustus 2008 zien. Op deze staat dat ik van 05.30 uur tot 21.00 uur gewerkt heb en op de urenverantwoording staat dat ik drie shifts van twee uur in het pak gewerkt heb. Het is heel aannemelijk dat we daar een shift van twee uur extra gewerkt hebben. Ik kan me dat echter zo niet herinneren.’12

De rechtbank is van oordeel dat uit deze verklaring niet onomstotelijk blijkt dat daadwerkelijk minder werkuren in het pak zijn geregistreerd dan feitelijk waren gewerkt. In het dossier is verder onvoldoende wettig bewijs aanwezig voor dit feit, waardoor de rechtbank verdachte zal vrijspreken van dit feit.

Ten aanzien van feit 3, zaak WM.12.HE:

De officier van justitie is van oordeel dat dit feit wettig en overtuigend kan worden bewezen.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen bewijs is voor de stelling dat de werkzaamheden op een andere dag zijn aangevangen dan aan de Arbeidsinspectie doorgegeven.

In deze zaak was het duidelijk dat er beschadigingen waren en er kon niet meer worden voldaan aan de melding binnen twee dagen. In dat geval is er sprake van een calamiteit en heeft men dat als zodanig gemeld. Van enige opzettelijke valsheid in geschifte is dan ook geen enkele sprake.

De verdediging bepleit vrijspraak voor dit feit.

De rechtbank is van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen is dat de werkzaamheden voor dit project zijn aangevangen op een andere datum dan de datum die werd doorgegeven aan de Arbeidsinspectie. De rechtbank zal verdachte voor dit onderdeel vrijspreken.

Over het melden van een calamiteit met betrekking tot de asbestsanering stelt [medeverdachte 1] tegenover [verdachte] in een tapgesprek d.d. 4 juni 2008 dat er iets zal moeten zijn, omdat ze anders niet mogen saneren.

[verdachte]: dat is ook weer de gemeente Asten kutzooi. Geen sloopvergunning of iets van, dat was een calamiteitje. Ja ook dat moet je eigenlijk niet meer doen he.

[medeverdachte 1]: Nee dat heb ik tegen dingen ook al gezegd, dat gaat eigenlijk niet meer, dat moet te gewoon niet meer doen, gewoon vort een sloopvergunning aanvragen en aan de gang.

(…)

[verdachte]: ja, en wat is de reden van een calamiteit?

[medeverdachte 1]: ja, dat er dingen kapot zijn.

[verdachte]: dat de dakdekker het doorgestoten heeft.

[medeverdachte 1]: breuk. Ge moet het pas melden als ge aanrijdt ongeveer als ge daar bent.

[verdachte]: morgenvroeg.

[medeverdachte 1]: of net zoals [werknemer 3] pas melden als je klaar bent, zo doet [werknemer 3] het meestal.

[verdachte]: nee, dat moet je niet doen, je moet gewoon om 7 uur starten en om 9 uur vrijgave. Nee is goed. Kapotgestoken dakrand door dakdekkers.13

In een tapgesprek tussen [verdachte] en [werknemer 4] d.d. 4 juni 2008 wordt gezegd:

[werknemer 4]: het is euh, alleen de nok stukjes?

[verdachte]: alleen de nokstukken ja.

[werknemer 4]: oh, ja dat is goed.

[verdachte]: en morgenvroeg wordt dat gemeld als calamiteit, dus ze zijn beschadigd, dus alleen de nokken zijn beschadigd op enkele plekken dus daarom halen we de hele nokken eraf.14

Op 5 juni 2008 vindt een onderzoek plaats naar het gebouw. Verbalisant constateert dat het gebouw volledig intact was, inclusief de dakrand.15

Gelet op de bovenstaande bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat valselijk vermeld is dat deze sloop naar aanleiding van een calamiteit moest worden uitgevoerd. Het verweer wordt verworpen.

Ten aanzien van feit 3, zaak WM.13.GI:

De officier van justitie is van oordeel dat dit feit wettig en overtuigend kan worden bewezen.

De verdediging heeft erop gewezen dat er geen reden is om minder (pak)uren te noteren: er is geen regelgeving die bepaalt dat maar maximaal drie maal twee uur in het pak mag worden gewerkt.

Bij deze zaak bestaat onduidelijkheid of er nu wel of niet langer dan aangegeven is gewerkt met asbesthoudende platen.

De rechtbank is van oordeel dat het antwoord op de vraag hoeveel pakuren een persoon per dag maximaal mag maken niet van belang is voor de vraag of het formulier dat vermeldt hoeveel pakuren op een dag daadwerkelijk gewerkt zijn wel of niet naar waarheid is opgemaakt.

De rechtbank verwerpt het verweer.

De rechtbank stelt vast dat voor dit project op het logboek is ingevuld dat medewerkers van 8.00 tot 9.00 uur met asbest hebben gewerkt.16 Om 9.00 uur vindt een visuele inspectie plaats door [naam bedrijf]am bedrijf], waarbij een akkoord wordt gegeven.17

Getuige [werknemer 1] heeft over dit project verklaard:

‘Volgens mij was het rond 11.00 uur dat ik daar was. (…) Op het moment dat ik daar was waren ze van [medeverdachte 2] nog aan het saneren. De werkzaamheden waren nog niet klaar. Toen ik daar was zag ik dat een persoon binnen het afzetlint stond en dat deze persoon geen masker droeg. (…) Ik heb van dit project maar 1 vrijgave. Dat is de vrijgave [naam bedrijf] welke u mij eerder heeft getoond. Ik zie aan de vrijgave dat de laborant vermeldt dat hij om 09.00 uur in de ochtend aanvangt met de visuele inspectie. Ik was daar rond 11.00 uur. Er werd toen nog gesaneerd. Hieruit concludeer ik dat de vrijgave niet goed gedaan is door het laboratorium en dat er nog asbest werd gesaneerd nadat de vrijgave al was afgegeven.’18

Getuige [werknemer 4] heeft over dit project verklaard:

‘Ik kan u zeggen dat de laborant van [naam bedrijf] om 10.00 uur weg is gegaan. Ik had toen al een vrijgave. (…) U vraagt me hoe laat we ongeveer klaar waren met het verwijderen van de asbesthoudende golfplaten. Ik kan u zeggen dat we rond 10 uur à half 11 klaar waren. U laat me het dagstatusformulier en het logboekformulier zien van 30 juni 2008. Ik kan u zeggen dat ik dacht dat we om circa 10.00 uur klaar waren op de locatie. Ik kan niet zeggen waarom dit dan niet in het logboekformulier ingevuld staat.’19

Op 30 juni 2008 om 9.30 uur vindt het volgende gesprek plaats tussen [verdachte] en [werknemer 4].

[werknemer 4]: Ja, ik heb er 50 meter afgehaald en dan begint ie net te zeiken dat er nog veel meer af moet halen.

[verdachte]: Hoeveel moettie er dan nog afhalen?

[werknemer 4]: Ja, veel…eh…das meer dan 100 meter [verdachte].

[verdachte]: Ja nou, haalt er dat maar af. Als hun zeggen dat het er af moet dan eh… tellen we het er gewoon bij. Dat maakt mij niks uit. Hij zei tegen mij het is ongeveer 50 meter, maar ja als ze nou willen dat er meer afgaat, doen wij er toch gewoon meer af.

[werknemer 4]: Ja. Vanmorgen zeiden ze ooh das de asbestvrije, dus die laat ik liggen en we willen wegrijden en eeh…ooh…das ook nog asbest dat moette der afhalen.

[verdachte]: Ja. Het zal er toch af moeten anders moet je straks terug komen. Doe dat maar.

[werknemer 4]: Eeeh ik heb er hier al een vrijgave opzitten [verdachte]. Gewoon zo laten zitten dan?

[verdachte]: Ja eehhhm…nee.

[werknemer 4]: Maar…Het kan wel hoor. Op de tekening kan het ook ongeveer kloppen. Maar dan komde met de meters, komde niet uit.

(…)

Met de vrijgave kunde het wel maken. Het is een eeh.. anderhalf uur… een uurke werk… anderhalf is het er denk ik helemaal af.

[verdachte]: O ja. Doe dat maar.

De rechtbank acht, gelet op de verklaringen van [werknemer 1] en [werknemer 4] en het tapgesprek tussen [verdachte] en [werknemer 4], bewezen dat ook na 9.00 uur die dag nog asbestwerkzaamheden zijn verricht.

Het verweer wordt verworpen.

Ten aanzien van feit 3, zaak WM.22.LU:

De officier van justitie is van oordeel dat dit feit wettig en overtuigend kan worden bewezen. De verdediging heeft vrijspraak bepleit.

De rechtbank is van oordeel dat onvoldoende duidelijk is wat de controleurs van de gemeente bedoelen met ‘de dakconstructie van het gebouw was nog intact’.20 Het is naar het oordeel van de rechtbank mogelijk dat de constructie als zodanig nog wel intact was, maar dat de platen, die inmiddels waren verwijderd, wel waren ingestort. De lezing van verdachte, inhoudende dat gelet op de toestand van het dak het project wel een calamiteit betrof, wordt ondersteund door de getuige [getuige 1], de opdrachtgever van de sloop, die stelt dat het dak er heel snel vanaf gehaald moest worden vanwege de staat van het dak.21

Vanwege het ontbreken van voldoende wettig bewijs zal de rechtbank verdachte vrijspreken van dit feit.

Ten aanzien van feit 3, zaak WM.23.DE:

De officier van justitie is van oordeel dat dit feit wettig en overtuigend kan worden bewezen. De verdediging heeft vrijspraak bepleit.

In het werkplan van dit project was opgenomen dat de materialen zo heel mogelijk en zo voorzichtig mogelijk zouden worden gedemonteerd.22 De rechtbank stelt vast dat de opdrachtgever voor dit project zelf al asbesthoudend materiaal had verwijderd, waarbij hij onvoorzichtig en zonder beschermingsmaatregelen te werk was gegaan. Met deze situatie werd [medeverdachte 2] geconfronteerd. Het is niet gebleken dat [medeverdachte 2] vervolgens niet voldaan heeft aan het ‘zo heel mogelijk en zo voorzichtig mogelijk’ demonteren van het asbesthoudend materiaal. Deze omschrijving impliceert op zichzelf, gelet op de omstandigheden van het geval, geen valsheid. Uit het dossier blijkt niet dat [medeverdachte 2] een andere intentie had dan in het werkplan vermeld.

De rechtbank zal verdachte vrijspreken van dit feit.

Ten aanzien van feit 3, zaak WM.24.EE:

De officier van justitie is van oordeel dat dit feit wettig en overtuigend kan worden bewezen.

Naar het oordeel van de verdediging is onvoldoende bewijs geleverd dat Polen aan het werk zijn geweest ter plaatse. Als er al iets fout gegaan zou zijn, dan is dat niet de verantwoordelijkheid van [medeverdachte 2].

De rechtbank gaat er vanuit dat het werkplan zoals genoemd in de tenlastelegging het werkplan betreft dat op p. 1939 van het eindproces-verbaal is opgenomen en dat is ondertekend op 21 juni 2008. In dit werkplan worden geen Poolse medewerkers genoemd. Op het formulier dagstatus van [medeverdachte 2]23 voor dit project worden evenwel drie Poolse medewerkers genoemd.

Over dit project heeft [verdachte] op 18 juni 2008 een gesprek met [klant 1].24 [verdachte] zegt in dit gesprek dat de Polen daar niet mogen werken, waarop [klant 1] zegt dat hij ze er tussendoor moet mengen. [verdachte] zegt dat hij dan wel hangt als de arbeidsinspectie komt.

Diezelfde dag vindt hierover een telefoongesprek plaats tussen [verdachte] en [medeverdachte 1]25:

[verdachte]: He vanavond werken die van [collega] en [werknemer 5] of eeh.. [werknemer 6] werken wel mee, in de stal.

[medeverdachte 1]: Ja, zijn die dan onder eeeh… hebben zij daar papieren voor in orde gemaakt, dat die onder begeleiding vallen dan?

[verdachte]: Ja, die van [collega] niet, die zijn al een keer geweest.

(…)

[medeverdachte 1]: Ja, dan moet zorgen dat ze niet uit de stal komen.

[verdachte]: Ja.

[medeverdachte 1]: Nou geloof ik niet dat daar iemand zal komen maar…

[verdachte]: Ja daarom dat ik bel, niet dat eeeh… dat jij het ook weet.

[medeverdachte 1]: Als ze maar in de stal blijven en niet naar buiten lopen.

Op 19 juni 2008 heeft [verdachte] een telefonisch gesprek met [naam 2] over deze sanering26:

[naam 2]: He, hedde er wa Polen staan of da nie?

[verdachte]: Nee da nie, gisterenavond wel mar nou….durf ik da niet meer an.

[naam 2]: Waarom nie?

[verdachte]: Ja als ge een controle krijgt.

Op 31 oktober 2008 verklaart getuige [werknemer 7 ] over deze sanering:

‘Ik ben bij een varkensstal geweest. Er was brand geweest, de meeste varkens waren dood. De varkens waren asbestbesmet doordat er golfplaten naar beneden gekomen waren. Er waren veel mensen aan het werken. Er waren ook Polen aan het werken. De Polen hebben helemaal geen DAV-papieren. (…) Normaal doen die Polen alleen sloopwerk en geen asbest. [verdachte] had tegen die Polen gezegd dat ze achterin moesten werken. De Polen bevonden zich in de stal, binnen de linten.’27

Gelet op de vermelde bewijsmiddelen is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat het werkplan valselijk en in strijd met de waarheid de namen van de Poolse medewerkers niet vermeldt.

Het verweer wordt verworpen.

Ten aanzien van feit 3, zaak WM.31.OO:

De officier van justitie is van oordeel dat dit feit wettig en overtuigend kan worden bewezen.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het enige bewijsmiddel voor dit feit de verklaring van [werknemer 8 ] zou zijn. Deze verklaring moet gelet op de omstandigheden van het geval met een grote korrel zout worden genomen.

Mocht er al enig bewijs zijn, dan moet worden vastgesteld dat het een individuele actie van [werknemer 8 ] is geweest.

De rechtbank stelt vast dat in de formulieren logboek [medeverdachte 2] vermeld is dat medewerker [werknemer 8 ] op 8 juli 2008 in totaal zes pakuren heeft gemaakt.28

[werknemer 8 ] heeft hierover verklaard:

‘Ik heb in het logboek ingevuld dat [werknemer 9 ] en ik tot 16.00 uur gewerkt hebben, althans, tot die tijd in pak gewerkt hebben. We zijn wel om 08.00 uur begonnen, maar we hebben in het pak doorgewerkt tot 17.00 uur. (…) We hebben dus een uur te lang in het pak gewerkt. (…) Ik heb verschillende keren mijn logboek opzettelijk verkeerd ingevuld, omdat dat moest van mijn werkgever. Dit gebeurde nagenoeg elke keer onder tijdsdruk.’ 29

Hetgeen door de verdediging naar voren is gebracht ten aanzien van de geloofwaardigheid van de getuige [werknemer 8 ] geeft de rechtbank onvoldoende aanleiding te twijfelen aan zijn verklaring. Met zijn gedetailleerde verklaring belast de getuige ook zichzelf. Er zijn geen feiten komen vast te staan waaruit blijkt dat deze verklaring om welke reden dan ook in strijd met de waarheid zou zijn afgelegd.

De rechtbank wijst erop dat de algemene lijn van de verklaring van [werknemer 8 ], namelijk dat in opdracht van zijn werkgever pakuren foutief worden geregistreerd, wordt bevestigd door [werknemer 1], tevens werknemer van [medeverdachte 2]. Hij heeft onder meer verklaard:

‘Ik zal niet ontkennen dat er ook wel eens ooit een uurtje extra in pak wordt gewerkt bovenop de 6 ‘pakuren’. Om geen problemen te krijgen met de Arbeidsinspectie wordt dit niet vermeld in het werkplan.’30

‘Iedere DTA’er weet dat je per dag maximaal drie shifts van 2 uur in het pak mag maken. [verdachte] en [medeverdachte 2] hebben al jaren geleden aan mij uitgelegd dat ik op papier maar maximaal drie shifts van twee uur mag maken in het pak en dat ik maximaal deze drie shifts op de urenverantwoording mag schrijven. Dit is om te voorkomen dat ze commentaar krijgen tijdens een audit van de certificerende instelling of bij een controle van de Arbeidsinspectie.’31

Gelet op de genoemde bewijsmiddelen verwerpt de rechtbank de verweren.

Ten aanzien van feit 3, zaak SR.02.BA:

De officier van justitie is van oordeel dat dit feit wettig en overtuigend kan worden bewezen.

De verdediging heeft ten aanzien van dit feit dezelfde verweren als genoemd onder zaak WM.31.OO gevoerd.

De rechtbank stelt vast dat in de formulieren logboek [medeverdachte 2] vermeld is dat werknemer [werknemer 8 ] op 28 mei 2008 in totaal zes pakuren heeft gemaakt.32

[werknemer 8 ] heeft hierover verklaard:

‘Op het einde van de dag heb ik dus zeven uur in pak gewerkt. Wij mogen maximaal zes uur per dag in pak werken. Ik, als DTA’er, moet hiervan een registratie bijhouden. Ik heb bewust het laatste uur niet in deze registratie vermeld om te voorkomen dat het er bij een controle uit zou komen dat ik te lang in pak gewerkt had. (…) Ik heb dat gedaan omdat het werk af moest van [verdachte].’33

De rechtbank verwijst ten aanzien van de verweren naar hetgeen zij heeft opgemerkt bij de zaak WM.31.OO.

De verweren worden verworpen.

Ten aanzien van feit 3, zaak SR.03.BR:

Gelijk aan het standpunt van zowel de officier van justitie als de verdediging is de rechtbank van dit oordeel dat dit feit niet wettig en overtuigend bewezen is. De rechtbank spreekt verdachte vrij van dit feit.

Ten aanzien van feit 3, zaak SR.04.EE:

De officier van justitie is van oordeel dat dit feit wettig en overtuigend kan worden bewezen.

De verdediging heeft ten aanzien van dit feit dezelfde verweren als genoemd onder de zaken WM.31.OO en SR.02.BA gevoerd.

De rechtbank stelt vast dat in twee formulieren logboek [medeverdachte 2] vermeld is dat werknemer [werknemer 8 ] op zowel 26 als 27 juni 2008 telkens 6 pakuren heeft gemaakt.34

[werknemer 8 ] heeft hierover verklaard:

‘Het formulier met betrekking tot de dagelijkse controle van 26 juni 2008 heb ik verkeerd ingevuld. Ik heb de formulieren van 26 juni en 27 juni 2008 pas na afloop van het werk op 27 juni 2008 ingevuld. Omdat het werk tegen zat, hebben we ook weer meer uren in het pak gemaakt dan mocht. Hierdoor heb ik bewust dit formulier verkeerd ingevuld. (…) De urenverantwoording die ik ingevuld heb voor 26 juni 2008 klopt niet. (….) Wij hebben deze dag 10 uren in het pak gewerkt, terwijl we dat maar zes uur mogen. Op 27 juni 2008 hebben we tussen 07.00-09.00, 10.00-12.00, 13.00-15.00 en 15.30 tot 16.30 uur in het pak gewerkt. Hier hebben [werknemer 10] en ik de zes uur met één uur overschreden. (…) [verdachte] heeft tegen mij gezegd dat ik dat zo moest doen. Ook dit werk moest weer klaar zijn.’35

De rechtbank verwijst ten aanzien van de verweren naar hetgeen zij heeft opgemerkt bij de zaak WM.31.OO.

De verweren worden verworpen.

Ten aanzien van feit 4:

De officier van justitie is van oordeel dat dit feit wettig en overtuigend kan worden bewezen.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de regelgeving over risicoklassen van asbestsaneringen en over het uitsluizen van asbesthoudend materiaal gericht zijn op en gemaakt zijn ter bescherming van de werknemers. Het brengt niet per definitie gevaren voor het milieu met zich mee. Alleen al op grond daarvan dient een vrijspraak te volgen.

De rechtbank merkt hierover het volgende op:

In artikel 1.1 lid 2 van de Wet milieubeheer is bepaald dat onder ‘gevolgen voor het milieu’ in ieder geval worden verstaan gevolgen voor het fysieke milieu, gezien vanuit het belang van de bescherming van mensen, dieren, planten en goederen, van water, bodem en lucht en van landschappelijke, natuurwetenschappelijke en cultuurhistorische waarden en van de beheersing van het klimaat, alsmede van de relaties daartussen. Ook het belang van de bescherming van mensen in het kader van de gevolgen voor het fysieke milieu, waaronder de bescherming tegen ziektes die kunnen ontstaan door blootstelling aan asbest – hetgeen de rechtbank ziet als een feit van algemene bekendheid – valt derhalve onder dit bestanddeel. De verdediging is daarmee uitgegaan van een te beperkte opvatting van het begrip ‘milieu’.

Het verweer wordt verworpen.

Ten aanzien van feit 4, zaak WM.14.AM:

De verdediging stelt dat in Amersfoort is teruggeschaald nadat een asbestinventarisatiebureau ter plaatse is geweest en nadat advies is ingewonnen van een deskundige. Aan de hand van metingen op soortgelijke locaties waarbij sprake was van een soortgelijke situatie is besloten dat de werkzaamheden konden worden uitgevoerd onder de condities van risicoklasse 2.

Daarnaast betwist de verdediging dat in Amersfoort niet juist, althans in strijd met de regelgeving is uitgesluisd.

De rechtbank stelt vast dat voor het project in Amersfoort een asbestinventarisatie was gemaakt door [naam bedrijf], waarbij [naam bedrijf] het project heeft ingedeeld in risicoklasse 3.36 [medeverdachte 2] heeft het project uiteindelijk uitgevoerd in risicoklasse 2 en heeft daarvoor, na overleg met [getuige 2], gebruik gemaakt van rapporten betreffende andere projecten, die naar het oordeel van getuige [getuige 2] soortgelijk waren.37 Een meting voor het terugschalen van klasse 3 naar klasse 2 is niet uitgevoerd. Een medewerker van [naam bedrijf] heeft daarover verklaard:

‘De opdracht hield in dat ik een meting conform het ‘Huipenplan’ moest uitvoeren. Dit betreft een meting om de risicoklasse terug te schalen. (…) Het betrof een binnensanering in een winkelpand. De risicoklasse van de sanering was ingedeeld in de risicoklasse 3. Het was de bedoeling om door middel van luchtmetingen deze eventueel terug te schalen naar een lagere risicoklasse 2. (…)

Het containment was nog niet klaar. Ze moesten de sluis nog vast maken aan het containment en volgens mij was er ook geen onderdrukmachine aangesloten. (…) Toen [werknemer 8 ] en ik naar binnen gingen zijn we niet door de sluis gegaan. (…) Toen stelde [werknemer 8 ] voor om 6 pompen te meten en deze meting te draaien zonder dat er door hem gesaneerd werd. Hiermee was ik niet akkoord en ben weer vertrokken.’38

Aldus heeft [medeverdachte 2] niet een nieuw inventarisatierapport laten opstellen, benodigd voor het kunnen terugschalen van het project. Er is slechts overlegd met getuige [getuige 2], die niet ter plaatse is geweest en er werd vervolgens verwezen naar rapporten betreffende andere projecten, die volgens [getuige 2] vergelijkbaar waren. Daarmee is aldus zonder een daarvoor benodigde rapportage die gebaseerd is op metingen ter plaatse en waarmee objectief de indeling in een bepaalde risicoklasse kan worden bepaald, zelfstandig het project qua risicoklasse teruggeschaald. Eventuele schadelijke gevolgen voor het milieu zijn daarbij voor lief genomen.

Het verweer ten aanzien van het terugschalen van de risicoklasse wordt verworpen.

Ten aanzien van het uitsluizen van het asbesthoudend materiaal verwijst de rechtbank onder meer naar een tapgesprek d.d. 8 juni 2008 tussen [verdachte] en [werknemer 8 ]. [verdachte] zegt in dit gesprek tegen [werknemer 8 ]:

‘He maakte gullie wel wa plastic daarvoor of zo. Da ge toch een beetje een sluis hebt.’39

[werknemer 8 ] heeft over het uitsluizen van het asbest gesteld:

‘[verdachte] en [werknemer 9 ] zijn rond 05.00 uur gekomen om het materiaal te laden. Ik moest de douche buiten het pand trekken. Ik moest plastic hangen aan de voorzijde van het pand. Verder hebben wij geen sluis gemaakt om het asbesthoudend materiaal uit te sluizen naar de container die [verdachte] bij had. (…) Conform de regels zouden de pakketten eerst door een douche moeten voordat ze de vuile ruimte verlieten. Dit is niet gebeurd. [werknemer 9 ] heeft ze buiten nat gemaakt met een slang. Daarna hebben wij de douche teruggebouwd in het pand. De ruimte waarin de douche stond was door het verkeerd uitsluizen een vuile ruimte geworden.’40

Gelet op het tapgesprek tussen [verdachte] en [werknemer 8 ] en de verklaring van [werknemer 8 ] acht de rechtbank bewezen dat ongereinigd, althans onvoldoende gereinigd, mogelijk met asbest besmet materiaal is uitgesluisd. Het verweer wordt verworpen.

Ten aanzien van feit 4, zaak WM.27.TI:

De verdediging heeft gesteld dat op de locatie [adres] te Tilburg op basis van een rapport van [naam bedrijf] de werkzaamheden mochten plaatsvinden in risicoklasse 2. Daarvoor heeft de verdediging een rapport van [naam bedrijf] d.d. 20 mei 2008 overgelegd. Van handelen in strijd met de regelgeving is dan ook geen sprake.

Tevens heeft de verdediging gesteld dat geen sprake was van het op een onjuiste wijze uitsluizen van asbesthoudend materiaal. De verdediging verwijst daarvoor naar de verklaring van getuige [werknemer 11] en stelt dat het proces-verbaal van bevindingen van het observatieteam niet aantoont dat sprake zou zijn van het op een onjuiste wijze uitsluizen.

De rechtbank stelt vast dat het rapport van [naam bedrijf] d.d. 20 mei 2008 vermeldt dat tijdens het saneren van asbest een asbestmeting werd uitgevoerd. Er was aldus geen aan de sanering voorafgaande meting uitgevoerd, benodigd voor het kunnen terugschalen van een risicoklasse.

De rechtbank verwerpt het verweer ten aanzien van het terugschalen in risicoklasse.

Over het uitsluizen van het asbesthoudend materiaal voor dit project merkt de rechtbank op dat het proces-verbaal van bevindingen van het observatieteam41 niet het enige bewijsmiddel is voor een bewezenverklaring van het uitsluizen van ongereinigd, althans onvoldoende gereinigd, mogelijk met asbest besmet materiaal. De rechtbank wijst op een tapgesprek d.d. 27 mei 2008 tussen [verdachte] en [werknemer 12 ]42 en op de verklaring van medewerker [werknemer 7 ] over dit project.43

Het tapgesprek:

[verdachte]: Ja we moeten eigenlijk wel proberen dat we deze week eigenlijk vrij te geven.

[werknemer 12 ]: De week vrij? Dat gaat nooit. Dat haal ik echt niet. Want dat is godverdomme een heel gepoets hoor. (…) Vrijdag haalde nooit [verdachte] nooit. (…) Maar het is wel, we kunnen wel of misschien zaterdagmergen dan uitsluizen. Kiek want ik heb aan de ene kant heb ik dat oranje plastic nog veur hangen. Kijk als ik daar een plaat wegvat kunde daar met de loader naartoe rijden efkes dat zeil omhoog en dan ziet dat ook niemand als ge dat weer dicht laat zakken he. (…) Dan denk ik dat we dat zaterdagmergen heel vroeg kunnen doen. (…) Ja dat wil ik er wel gewoon voor zorgen dat we alles naar beneden hebben anders duurt het veel te lang en als ze ou bij ou veter vatten dan is het al mee feest denk ik voordat het 1 juni is.44

Medewerker [werknemer 7 ] heeft over dit project verklaard:

‘Ik kan me het werk nog goed herinneren. We hebben daar op een zaterdag vroeg op de ochtend gewerkt. We gingen op die zaterdag uitsluizen. [werknemer 13], [werknemer 9 ], [werknemer 4] en [werknemer 11] waren ook aanwezig. (…) Ik weet dat ik en [werknemer 13] onze beschermingsmiddelen droegen. De anderen allemaal niet. (…) We hebben daar amosiet gesaneerd. Ik en [werknemer 13] stonden binnen in pak, in een containment, die gewoon open was. We legden de pakketten op de vork van de verreiker. De verreiker reed naar buiten en deponeerde de pakketten in de container. Er was geen asbestsluis.’45

Gelet deze bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat bij dit project ongereinigd, althans onvoldoende gereinigd, mogelijk met asbest besmet materiaal is uitgesluisd. De rechtbank verwerpt het verweer.

Ten aanzien van feit 4, zaak SR.05.TI:

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het asbestinventarisatiebureau [naam adviesbureau] bij brief van 18 juni 2008 [medeverdachte 2] bericht heeft dat de asbesthoudende materialen konden worden verwijderd onder de waarborgen van risicoklasse 2 en 1. Het gemaakt verwijt is dan ook niet terecht.

De verdediging bepleit vrijspraak.

De rechtbank stelt vast dat [naam adviesbureau] bij brief van 18 juni 2008 te kennen heeft gegeven dat op de locatie [adres] te Tilburg kon worden gesaneerd onder de risicoklassen 1 en 2. De verdediging heeft niet betwist dat op deze locatie uiteindelijk is gesaneerd onder de waarborgen van risicoklasse 1. De rechtbank is van oordeel dat wanneer twee verschillende risicoklassen worden aangegeven, gekozen zal moeten worden voor het uitvoeren van de werkzaamheden in de hoogste categorie. In deze zaak heeft [medeverdachte 2] zelfstandig besloten tot terugschaling van dit project, terwijl dat gelet op het asbestinventarisatierapport niet was toegestaan.

Het verweer wordt verworpen.

De toerekening van de strafbare gedragingen aan de rechtspersoon

Naar het oordeel van de rechtbank is komen vast te staan dat binnen de rechtspersoon [medeverdachte 2] een cultuur is ontstaan waarbij met grote regelmaat opzettelijk regels werden overtreden. Er kan worden vastgesteld dat de directeuren [verdachte] en [medeverdachte 1] daar een groot aandeel in hebben gehad en in verschillende gevallen zelf de regels hebben overtreden. Ter illustratie daarvan verwijst de rechtbank hieronder naar enkele specifieke zaken.

Zaak WM.12.HE (feit 3):

Over het melden van een calamiteit met betrekking tot een asbestsanering in Heusden stelt [medeverdachte 1] tegenover [verdachte] in een tapgesprek d.d. 4 juni 200846 dat er iets zal moeten zijn, omdat ze anders niet mogen saneren.

[verdachte]: dat is ook weer de gemeente Asten kutzooi. Geen sloopvergunning of iets van, dat was een calamiteitje. Ja ook dat moet je eigenlijk niet meer doen he.

[medeverdachte 1]: Nee dat heb ik tegen dingen ook al gezegd, dat gaat eigenlijk niet meer, dat moet te gewoon niet meer doen, gewoon vort een sloopvergunning aanvragen en aan de gang.

(…)

[verdachte]: ja, en wat is de reden van een calamiteit?

[medeverdachte 1]: ja, dat er dingen kapot zijn.

[verdachte]: dat de dakdekker het doorgestoten heeft.

[medeverdachte 1]: breuk. Ge moet het pas melden als ge aanrijdt ongeveer als ge daar bent.

[verdachte]: morgenvroeg.

[medeverdachte 1]: of net zoals [werknemer 3] pas melden als je klaar bent, zo doet [werknemer 3] het meestal.

[verdachte]: nee, dat moet je niet doen, je moet gewoon om 7 uur starten en om 9 uur vrijgave. Nee is goed. Kapotgestoken dakrand door dakdekkers.

Zaak WM.24.EE (feit 3):

Over het mee laten werken tijdens een asbestsanering in Eersel van enkele Polen heeft [verdachte] op 18 juni 2008 een gesprek met [klant 1].47 [verdachte] zegt in dit gesprek dat de Polen daar niet mogen werken, waarop [klant 1] zegt dat hij ze er tussendoor moet mengen. [verdachte] stelt dat hij dan wel hangt als de arbeidsinspectie komt.

Diezelfde dag vindt hierover een telefoongesprek plaats tussen [verdachte] en [medeverdachte 1]:

[verdachte]: He vanavond werken die van [collega] en [werknemer 5] of eeh.. [werknemer 6] werken wel mee, in de stal.

[medeverdachte 1]: Ja, zijn die dan onder eeeh… hebben zij daar papieren voor in orde gemaakt, dat die onder begeleiding vallen dan?

[verdachte]: Ja, die van [collega] niet, die zijn al een keer geweest.

(…)

[medeverdachte 1]: Ja, dan moet zorgen dat ze niet uit de stal komen.

[verdachte]: Ja.

[medeverdachte 1]: Nou geloof ik niet dat daar iemand zal komen maar…

[verdachte]: Ja daarom dat ik bel, niet dat eeeh… dat jij het ook weet.

[medeverdachte 1]: Als ze maar in de stal blijven en niet naar buiten lopen.48

Op 19 juni 2008 heeft [verdachte] een telefonisch gesprek met [naam 2] over deze sanering:

[naam 2]: He, hedde er wa Polen staan of da nie?

[verdachte]: Nee da nie, gisterenavond wel mar nou….durf ik da niet meer an.

[naam 2]: Waarom nie?

[verdachte]: Ja als ge een controle krijgt.49

Op 31 oktober 2008 verklaart getuige [werknemer 7 ] over deze sanering:

‘Ik ben bij een varkensstal geweest. Er was brand geweest, de meeste varkens waren dood. De varkens waren asbestbesmet doordat er golfplaten naar beneden gekomen waren. Er waren veel mensen aan het werken. Er waren ook Polen aan het werken. De Polen hebben helemaal geen DAV-papieren. (…) Normaal doen die Polen alleen sloopwerk en geen asbest. [verdachte] had tegen die Polen gezegd dat ze achterin moesten werken. De Polen bevonden zich in de stal, binnen de linten.’50

Zaak WM.14.AM (feit 4):

Tijdens een asbestsanering in Amersfoort werd er ongereinigd, dan wel onvoldoende gereinigd asbest uitgesluisd. Op 8 juni 2008 vindt daarover een telefonisch gesprek plaats tussen [verdachte] en [werknemer 8 ], waarbij [verdachte] zegt:

‘He maakte gullie wel wa plastic daarvoor of zo. Da ge toch een beetje een sluis hebt.’51

In een verhoor d.d. 28 oktober 200852 stelt [werknemer 8 ] over deze sanering:

‘[verdachte] en [werknemer 9 ] zijn rond 05.00 uur gekomen om het materiaal te laden. Ik moest de douche buiten het pand trekken. Ik moest plastic hangen aan de voorzijde van het pand. Verder hebben wij geen sluis gemaakt om het asbesthoudend materiaal uit te sluizen naar de container die [verdachte] bij had. (…) [werknemer 9 ] en [verdachte] hadden geen beschermende kleding aan. Volgens mij moesten ze dit wel, omdat de pakken niet conform de regels zijn uitgesluisd. Conform de regels zouden de pakketten eerst door een douche moeten voordat ze de vuile ruimte verlieten. Dit is niet gebeurd. [werknemer 9 ] heeft ze buiten nat gemaakt met een slang.

(…)

Ik heb in mijn beleving niets verkeerd gedaan. Ik heb de aanwijzingen van mijn baas opgevolgd. Alles wat hier gebeurd is, is op zijn aanzeggen gebeurd.’

Feiten 1 en 2:

Ten aanzien van de feiten 1 en 2 op de tenlastelegging heeft verdachte [verdachte] onder meer verklaard53:

‘De [adres] kan gezien worden als werkplaats van [medeverdachte 2]. Omdat we in Lage Mierde ons kantoor nog niet kwijt konden, zaten we als noodoplossing zolang op de [adres] te Hapert.’

In een proces-verbaal van bevindingen betreffende het eerste verhoor van verdachte [medeverdachte 1] is opgenomen dat [medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij een probleem heeft met de opslag van asbest. Hij verklaarde geen vergunning te hebben op de [adres] of [adres] voor de opslag van asbest. Hij kon het niet geregeld krijgen dat het asbest rechtstreeks vanaf de saneringslocatie naar de asbestverwerker werd vervoerd. Hij had een bufferlocatie nodig.54

Conclusie

Verschillende strafbare gedragingen zijn uitgevoerd door de directeuren [verdachte] en [medeverdachte 1] zelf, dan wel – in opdracht van hen – door medewerkers van het bedrijf. Voor zover strafbare gedragingen op eigen initiatief van de werknemers van het bedrijf hebben plaatsgevonden is de rechtbank van oordeel dat dit paste binnen de bedrijfscultuur die de beide directeuren door hun eigen handelen hebben gecreëerd. Daarnaast is niet gebleken dat zij enige moeite hebben gedaan om te voorkomen dat werknemers regels zouden overtreden. Het tegendeel is veeleer het geval, zoals moge blijken uit de hiervoor opgenomen voorbeelden.

Alle strafbare gedragingen hebben plaatsgevonden in de sfeer van de rechtspersoon. Er kan worden vastgesteld dat de strafbare gedragingen pasten in de normale bedrijfsvoering van de rechtspersoon en dat deze gedragingen de rechtspersoon dienstig zijn geweest in het door haar uitgeoefende bedrijf. Door in strijd met de regels te handelen kon eenvoudiger, zonder rompslomp, worden gewerkt. Controles werden daar bovendien mee omzeild en controleurs werden op het verkeerde been gezet.

De rechtspersoon vermocht erover te beschikken of de gedragingen al dan niet zouden plaatsvinden en deze gedragingen werden blijkens de feitelijke gang van zaken, waaronder de grote rol van de beide directeuren, aanvaard.

Daarmee kunnen alle strafbare gedragingen worden toegerekend aan de rechtspersoon. Gelet op de grote rol van de directeuren bij het in strijd met de regels handelen, is naar het oordeel van de rechtbank ook bewezen dat de rechtspersoon opzet had op de strafbare feiten.

Het feitelijk leiding gegeven aan de strafbare gedragingen door verdachte

Zoals uit het voorgaande reeds blijkt hebben de beide directeuren een grote rol gespeeld bij verschillende strafbare gedragingen die kunnen worden toegerekend aan de rechtspersoon. Over het door medewerkers van de rechtspersoon op eigen initiatief verrichten van strafbare gedragingen is de rechtbank van oordeel dat de beide directeuren dergelijk handelen door eigen toedoen hebben gestimuleerd en in de hand gewerkt. Zij hebben maatregelen ter voorkoming van deze gedragingen achterwege gelaten en bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat de verboden gedragingen zich zouden voordoen. Zij hebben dan ook beiden – naast de eigen strafbare gedragingen – de verboden gedragingen door de werknemers bevorderd.

Daarmee hebben de beide verdachten feitelijk leiding gegeven aan de strafbare feiten.

De bewezenverklaring.

De rechtbank acht, op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen, dat

1.

[medeverdachte 2] op 21 oktober 2008 te Hapert, gemeente Bladel, opzettelijk, zonder daartoe verleende vergunning, een op perceel [adres] gelegen inrichting voor het (bedrijfsmatig) houden van (pels)dieren, zijnde een inrichting genoemd in Categorie 8 van de bij het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer behorende Bijlage I en tevens behorende tot een bij het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer aangewezen categorie van inrichtingen waarvoor de verboden van artikel 8.1 eerste lid van de Wet milieubeheer golden, ten aanzien van de opslag van bouw- en sloopafval, klinkers en bouwmaterialen en de aanwezigheid van een kantoor, kantine, toiletten en douchegelegenheid, heeft veranderd,

hebbende hij verdachte toen en daar tezamen en in vereniging met een ander, feitelijk leiding gegeven aan die verboden gedraging;

2.

[medeverdachte 2] als degene die een inrichting, als bedoeld in het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer, gelegen aan de [adres] te Lage Mierde, in de gemeente Reusel - De Mierden, in de periode van 19 februari 2008 tot en met 21 oktober 2008 heeft veranderd, ten aanzien van de opslag van bouw- en sloopafval en van asbest en asbesthoudende materialen, die verandering niet ten minste 4 weken voor die verandering, immers nog niet op 21 oktober 2008, had gemeld aan Burgemeester en Wethouders van die gemeente,

hebbende hij verdachte toen en daar tezamen en in vereniging met een ander, feitelijk leiding gegeven aan die verboden gedraging;

3.

[medeverdachte 2] in de periode van 28 mei 2008 tot en met 8 juli 2008 in Nederland, opzettelijk

- een melding aan de Arbeidsinspectie betreffende een asbestsloop te Heusden, zijnde een geschrift dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt, hebbende zij, verdachte, omstreeks 6 juni 2008 daar opzettelijk valselijk en in strijd met de waarheid vermeld dat de sloop naar aanleiding van een calamiteit moest worden uitgevoerd en

- een formulier logboek van 30 juni 2008, betreffende een asbestsloop in Gilze-Rijen, zijnde een geschrift dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt, hebbende zij, verdachte, in Gilze-Rijen opzettelijk valselijk en in strijd met de waarheid minder asbest-uren geregistreerd dan in werkelijkheid waren gewerkt en

- een werkplan betreffende een asbestsloop te Eersel, zijnde een geschrift om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt, hebbende zij, verdachte op 21 juni 2008 te Eersel of Hapert opzettelijk valselijk en in strijd met de waarheid de namen van de daar aanwezige Poolse arbeiders niet vermeld en

- een formulier logboek van 8 juli 2008 betreffende een asbestsloop te Oosterhout, zijnde een geschrift om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt, hebbende zij, verdachte op 8 juli 2008 te Oosterhout opzettelijk valselijk en in strijd met de waarheid minder asbesturen geregistreerd dan daadwerkelijk waren gewerkt en

- een formulier logboek van 28 mei 2008 betreffende een asbestsloop te Bavel, zijnde een geschrift om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt, hebbende zij, verdachte op 28 mei 2008 te Bavel opzettelijk valselijk en in strijd met de waarheid minder asbesturen geregistreerd dan daadwerkelijk waren gewerkt en

- twee formulieren logboek van 26 en 27 juni 2008 betreffende een asbestsloop te Eersel, zijnde geschriften om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt, hebbende zij, verdachte op 26 en 27 juni te Eersel opzettelijk valselijk en in strijd met de waarheid minder asbesturen geregistreerd dan daadwerkelijk waren gewerkt

met het oogmerk om voormelde formulieren logboek, melding en/of werkplan als echt en onvervalst te gebruiken of door een ander of anderen te doen gebruiken,

hebbende hij verdachte toen en daar tezamen en in vereniging met een ander, feitelijk leiding gegeven aan die verboden gedragingen;

4.

[medeverdachte 2] in de periode van 31 mei tot en met 18 juni 2008 in de gemeenten Amersfoort en/of Tilburg, meermalen opzettelijk, bedrijfsmatig handelingen met betrekking tot afvalstoffen heeft verricht, bestaande uit het

in de periode van 1 tot en met 9 juni 2008 in de gemeente Amersfoort verrichten van sloopwerkzaamheden ingedeeld in risicoklasse 3 onder waarborgen voor risicoklasse 2 en het uitsluizen van ongereinigd, althans onvoldoende gereinigd, en mogelijk met asbest besmet materiaal en

op 31 mei 2008 in de gemeente Tilburg verrichten van sloopwerkzaamheden ingedeeld in risicoklasse 3 onder waarborgen van risicoklasse 2 en het uitsluizen van ongereinigd, althans onvoldoende gereinigd, mogelijk met asbest besmet materiaal en

op 18 juni 2008 in de gemeente Tilburg verrichten van sloopwerkzaamheden ingedeeld in risicoklasse 2 onder waarborgen van risicoklasse 1

terwijl daardoor (telkens), naar zij wist, althans redelijkerwijs had kunnen weten, nadelige gevolgen voor het milieu ontstonden, althans konden ontstaan,

hebbende hij verdachte toen en daar tezamen en in vereniging met een ander, feitelijk leiding gegeven aan die verboden gedragingen.

De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De kwalificatie.

Het bewezenverklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.

De strafbaarheid.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van de feiten of van de verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen te zijnen laste bewezen is verklaard.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 10, 14a, 14b, 14c, 27, 47, 51, 57, 91, 225

Wet milieubeheer art. 8.1, 8.40, 8.41, 10.1

Wet op de economische delicten art. 1a, 2, 6

Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer art. 1.10

Oplegging van straf en/of maatregel

De eis van de officier van justitie.

Een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft gesteld dat de inval en aanhouding van verdachte grote impact op hem hebben gehad, waarbij de verdediging verwijst naar de inhoud van de persoonlijkheidsrapportage. Verdachte staat onder grote stress, met alle nadelige fysieke gevolgen van dien. Deze omstandigheden dienen strafverlagend te werken. In feite heeft verdachte al genoeg straf ondergaan, en moet hij thans in de gelegenheid worden gesteld te bewijzen dat hij louter goede bedoelingen heeft.

Verdachte is nimmer met justitie in aanraking geweest. Dat bewijst dat verdachte erg serieus met zijn werk omgaat. Het bedrijf bestaat al lang, en er gaat ook heel erg veel wel goed.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Voorts heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals tot uitdrukking komt in het wettelijke strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Bij de strafoplegging heeft de rechtbank in het bijzonder rekening gehouden met het feit dat [medeverdachte 2] doelbewust vele malen verschillende regels heeft overtreden. Deze frequente overtredingen vonden hun oorzaak in de cultuur binnen de rechtspersoon, die in de eerste plaats gecreëerd was door de directeuren [verdachte] en [medeverdachte 1]. De regelgeving betreffende asbestsaneringen is niet voor niets streng van aard. Het is algemeen bekend dat het werken met asbest grote risico’s voor het milieu, waaronder de gezondheid van personen, met zich meebrengt. Het met grote regelmaat overtreden van deze regels rekent de rechtbank verdachte zwaar aan. Mede om het lot van de eigen medewerkers heeft de verdachte zich onvoldoende bekommerd.

Verdachte heeft welbewust grote risico’s in het leven geroepen, waarbij de rechtbank onder meer wijst op het niet vermelden van Poolse medewerkers die niet met asbest hadden mogen werken en het uitsluizen van ongereinigd afval.

De rechtbank is van oordeel, dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf welke vrijheidsbeneming meebrengt voor de duur als hierna te melden.

Met betrekking tot een deel van de op te leggen gevangenisstraf zal de rechtbank bepalen dat dat deel van die straf niet zal worden tenuitvoergelegd mits verdachte zich tot het einde van de hierna vast te stellen proeftijd aan de voorwaarde houdt dat hij zich niet aan een strafbaar feit zal schuldig maken. De rechtbank wil met een en ander enerzijds de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten tot uitdrukking brengen en anderzijds door invloed uit te oefenen op het gedrag van de verdachte het door verdachte opnieuw plegen van een strafbaar feit tegengaan.

DE UITSPRAAK

T.a.v. feit 1 primair, feit 2 primair, feit 3 primair, feit 4 primair:

Vrijspraak, achtende de rechtbank het tenlastegelegde niet wettig en overtuigend bewezen.

Verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op de misdrijven en de overtreding:

T.a.v. feit 1 subsidiair:

medeplegen van opzettelijke overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 8.1, eerste lid aanhef en onder b, van de Wet milieubeheer, terwijl het feit wordt begaan door een rechtspersoon, terwijl de schuldige aan de verboden gedraging feitelijk leiding heeft gegeven

T.a.v. feit 2 subsidiair:

medeplegen van overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 1.10, tweede lid, van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer, terwijl het feit wordt begaan door een rechtspersoon, terwijl de schuldige aan de verboden gedraging feitelijk leiding heeft gegeven

T.a.v. feit 3 subsidiair:

medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd, terwijl het feit wordt begaan door een rechtspersoon, terwijl de schuldige aan de verboden gedraging feitelijk leiding heeft gegeven

T.a.v. feit 4 subsidiair:

medeplegen van opzettelijke overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 10.1, derde lid, van de Wet milieubeheer, meermalen gepleegd, terwijl het feit wordt begaan door een rechtspersoon, terwijl de schuldige aan de verboden gedraging feitelijk leiding heeft gegeven

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straf(fen) en/of maatregel(en).

T.a.v. feit 1 subsidiair, feit 2 subsidiair, feit 3 subsidiair, feit 4 subsidiair:

Gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. J.W.H. Renneberg, voorzitter,

mr. M.L.W.M. Viering en mr. S.J.W. Hermans, leden,

in tegenwoordigheid van mr. P.D. van Hees, griffier,

en is uitgesproken op 8 september 2009.

1 Eindpv., p. 413-440.

2 Eindpv., p. 480-495 (proces-verbaal van bevindingen onderzoek inrichting [adres] te Hapert).

3 Eindpv., p. 148.

4 Eindpv., p. 188-189.

5 Eindpv., p. 639.

6 Eindpv., p. 643-644.

7 Eindpv., p. 572-601.

8 Zie bijv. p. 606 (‘ik rij nou naar Lage Mierde, ik ga die asbest lossen’), en p. 610 ([verdachte]: ‘Want ik sta hier nou in Mierd, hier komt dadelijk politie. Alleen [werknemer 2] heeft hier gisteren nog een paar dingen asbest neergezet van de [naam 1]. Wou ik eigenlijk achterin de douchewagen laaien.’)

9 Eindpv., p. 148.

10 Eindpv., p. 188-189.

11 Eindpv., p. 255.

12 Eindpv., p. 258.

13 Eindpv., p. 1421-1423.

14 Eindpv., p. 1424.

15 Eindpv., p. 1426.

16 Eindpv., p. 1587.

17 Eindpv., p. 1594.

18 Eindpv., p. 1598-1599.

19 Eindpv., p. 297-298.

20 Eindpv., p. 1736.

21 Eindpv., p. 1751.

22 Eindpv., p. 1860.

23 Eindpv., p. 1922.

24 Eindpv., p. 1896.

25 Eindpv., p. 1898.

26 Eindpv., p. 1901.

27 Eindpv., p. 1966-1968.

28 Eindpv., p. 2246.

29 Eindpv., p. 215.

30 Eindpv., p. 248.

31 Eindpv., p. 261.

32 Eindpv., p. 2352.

33 Eindpv., p. 207.

34 Eindpv., p. 2435-2436.

35 Eindpv., p. 212-213.

36 Eindpv., p. 1637-1648.

37 Verklaringen van [medeverdachte 1] en [verdachte] ter terechtzitting van 25 augustus 2009.

38 Eindpv., p. 1686.

39 Eindpv., p. 1629.

40 Eindpv., p. 208.

41 Eindpv., p. 2104-2107.

42 Eindpv., p. 2078.

43 Eindpv., p. 2166.

44 Eindpv., p. 2078-2079.

45 Eindpv., p. 2166.

46 Een proces-verbaal van de Regiopolitie Brabant Zuid-Oost, Regionaal Milieuteam, OPS-dossiernummer PL22MT/08-003858, afgesloten op 22 januari 2009, verder te noemen: Eindpv., p. 1421-1423.

47 Eindpv., p. 1896.

48 Eindpv., p. 1898.

49 Eindpv., p. 1901.

50 Eindpv., p. 1966-1968.

51 Eindpv., p. 1629.

52 Eindpv., p. 208.

53 Eindpv., p. 148.

54 Eindpv., p. 188-189.

??

??

26

Parketnummer: 01/995606-08

[verdachte]