Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2009:BJ6280

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
27-08-2009
Datum publicatie
28-08-2009
Zaaknummer
195546 / JE RK 09-1370 en 197972 / FA RK 09-4396
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Ontzetting van de voogdij, met benoeming van Bureua Jeugdzorg tot nieuwe voogdes.

De rechtbank is, gelet op onder meer de opvoedingsstijl, het feitelijk handelen van de voogdes en haar man en het zorgelijke gedrag dat de minderjarigen laten zien, van oordeel dat de voogdes niet is staat is het opvoedingsklimaat te creëren waaraan deze minderjarigen behoefte hebben.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ‘s-HERTOGENBOSCH

Sector civiel recht

Zaaknummer: 195546 / JE RK 09-1370 en 197972 / FA RK 09-4396

Uitspraak: 27 augustus 2009

Beschikking betreffende ontzetting van de voogdij in de zaak van

DE RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING,

gevestigd te 's-Hertogenbosch,

verzoeker, hierna te noemen: de Raad,

tegen:

[voogdes],

wonende te [woonplaats],

hierna mede te noemen: de voogdes,

advocaat: mr. E.R.T. Tromp.

De procedure

Bij beschikking van 1 juli 2009 heeft de kinderrechter in deze rechtbank op verzoek van de Raad de voogdes geschorst in de uitoefening van de voogdij over na te noemen minderjarigen en bepaald dat de maatregel vervalt na verloop van 6 weken na de dag van deze beschikking, tenzij voor het einde van deze termijn een verzoek tot ontzetting aanhangig is gemaakt. Bij beschikking van de meervoudige kamer in deze rechtbank van 22 juli 2009 heeft de rechtbank op de in laatstgenoemde beschikking beschreven gronden voormelde beschikking van de kinderrechter van 1 juli 2009 bekrachtigd en de zaak voor verder onderzoek en nadere behandeling aangehouden tot de zitting van 14 augustus 2009.

Op 7 augustus 2009 is ingekomen ter griffie van deze rechtbank een brief met bijlagen van mr. Tromp.

Op 11 augustus 2009 is ingekomen ter griffie van deze rechtbank een verzoekschrift van de Raad, waarin de Raad de rechtbank verzoekt de voogdes te ontzetten van de voogdij over de minderjarigen:

- [minderjarige 1], geboren te [geboorteplaats],op [geboortedatum];

- [minderjarige 2], geboren te [geboorteplaats],op [geboortedatum];

- [minderjarige 3], geboren te [geboorteplaats],op [geboortedatum].

Als belanghebbenden worden aangemerkt de voogdes, de heer [X](echtgenoot van de voogdes), mevrouw [Y](de moeder), de minderjarige [minderjarige 1], alsmede de stichting Bureau Jeugdzorg Noord-Brabant (hierna: de stichting).

De voortgezette behandeling van het schorsingsverzoek en de behandeling van het onzettingsverzoek hebben plaatsgevonden ter zitting van 14 augustus 2009. Verschenen zijn de voogdes en de heer [X], beiden bijgestaan door mr. J.W.C. Giebels ter vervanging van mr. E.R.T. Tromp, de moeder, de minderjarige [minderjarige 1]met mevrouw [Z}(begeleidster van [minderjairge 1] vanuit de stichting), de heer [naam] namens de stichting, alsmede mevrouw [naam] namens de Raad.

Van het verhandelde ter zitting is proces-verbaal opgemaakt.

De beoordeling

De Raad legt aan zijn verzoek ten grondslag dat de voogdes misbuik maakt van haar bevoegdheid, haar verplichtingen verwaarloost en niet in staat is tot een behoorlijke uitoefening van de voogdij en verwijst voor een onderbouwing van de gronden van zijn verzoek naar een uitgebracht raadsrapport, gedateerd 11 augustus 2009, waaruit met name het hiernavolgende naar voren komt.

De voogdes en de heer [X] vangen vanuit een idealistische intentie de minderjarigen op die zij een veilige en huiselijke plek willen geven. De minderjarigen hebben vanuit hun belaste voorgeschiedenis nog meer dan een gemiddelde minderjarige behoefte aan een veilige, voorspelbare en stimulerende omgeving met professionele begeleiding, maar hieraan wordt volgens de Raad niet voldaan. De professionele competenties van de voogdes schieten tekort. Zo blijkt de voogdes onvoldoende in staat om af te stemmen op de behoeften van de minderjarigen die reeds veel hebben meegemaakt en die ieder hun eigen karakter en problematiek hebben. Zij legt hen haar wil op en heeft te weinig pedagogische vaardigheden om adequaat te reageren op probleemgedrag. Uit het raadsonderzoek komt naar voren dat meermaals fysiek geweld gebruikt is jegens de minderjarigen, met name [minderjarige 2] en [minderjarige 3]. De privacy en de bewegingsvrijheid van de minderjarigen is ernstig geschaad door het plaatsen van camera’s en het op slot doen van de slaapkamerdeur van de minderjarigen. [minderjarige 1] maakt de indruk ernstig geparentificeerd te zijn, omdat zij veel huishoudelijke taken en zorgtaken op zich neemt. Zij heeft weinig eigenheid en staat sterk onder invloed van de voogdes. De minderjarigen kunnen zich allen niet emotioneel uiten, hebben moeite met het afstemmen op volwassenen en vertonen sociaal wenselijk gedrag. [minderjarige 2] maakt een extreem angstige dan wel een apathische indruk, met name wanneer hij wordt aangesproken op zijn gedrag. Na de uithuisplaatsing zijn de minderjarigen door de voogdes en de heer [X] emotioneel belast en onder druk gezet. Zij hebben de minderjarigen allerlei beloftes gedaan voor het moment dat zij weer naar huis zouden komen en de voogdes heeft hen allerlei beperkingen opgelegd.

Voorts voert de Raad aan dat de voogdes de biologische moeder van de minderjarigen geen plek geboden heeft in het leven van de minderjarigen, waarmee zij haar verantwoordelijkheid als voogdes heeft verwaarloosd. De voogdes had hulp kunnen vragen bij de aanpak van de moeilijkheden waartegen zij aanliep bij de invulling van de omgang. Dit is niet gebeurd. De voogdes en de heer [X] hebben zich in plaats daarvan geprofileerd als ouders van de minderjarigen. Met name [minderjarige 3] weet pas sinds kort dat de voogdes niet haar biologische moeder is.

De pedagogische begeleiding door de [rechtspersoon] bestaat uit één medewerkster op MBO-niveau die vanuit haar familiaire betrokkenheid bij de voogdes onvoldoende neutraal en professioneel in de opvoeding kan staan. De voogdes heeft verzuimd de nodige extra professionele begeleiding te realiseren voor [minderjarige 2] en [minderjarige 3] en hen hiermee de specifieke zorg onthouden waaraan zij behoefte hadden. [minderjarige 3] is door de kinderarts doorverwezen naar de GGZ, echter daarop heeft de voogdes geen actie ondernomen. Dit is op advies van de kinderarts pas gebeurd vlak voor de uithuisplaatsing.

Tenslotte voert de Raad nog aan dat de voogdes onverantwoord omgaat met medicatieverstrekking. Zo krijgt [minderjarige 3] medicatie voor ADHD zonder dat hiervoor een diagnose is gesteld en mogen de kinderen ook zelf hun medicatie pakken.

Op grond van het vorenstaande concludeert de Raad dat is voldaan aan de gronden voor ontzetting van de voogdij in de zin van artikel 1:327 onder b van het Burgerlijk Wetboek (BW). De Raad is van oordeel dat de stichting moet worden belast met de voogdij over de minderjarigen om de ontwikkelingsbehoeften van de minderjarigen te realiseren. Het doel van de maatregel is het continueren van de pleeggezinplaatsing van de minderjarigen en het verrichten van onderzoek naar de mogelijke aanwezigheid van kindfactoren bij de minderjarigen, de invloed daarvan op hun gedrag en de mogelijkheden voor professionele begeleiding en behandeling. Daarnaast moet onderzocht worden op welke wijze de moeder opnieuw een rol in het leven van de minderjarigen kan krijgen en op welke wijze contact van de minderjarigen met de voogdes en de heer [X] kan worden gerealiseerd. Het belang van de minderjarigen moet hierbij steeds het uitgangspunt zijn.

Van terugplaatsing van de minderjarigen in het gezin van de voogdes in het kader van een ondertoezichtstelling kan naar het oordeel van de Raad geen sprake kan zijn, omdat de veiligheid van de minderjarigen in emotionele en fysieke zin hiermee blijvend zou worden geschaad. De Raad komt tot deze conclusie, omdat bij de voogdes en de heer [X] onvoldoende bereidheid wordt gezien om de noodzakelijke hulpverlening te accepteren en te benutten. Daarnaast tonen zij weinig inzicht in de behoeften van de kinderen en in hun eigen handelen als opvoeder en leggen zij de schuld bij de stagiaires. De voogdes is een dominante vrouw die van mening is dat zij met haar jarenlange ervaring alles goed doet en dat haar niets behoeft te worden verteld. Er is geen sprake van veranderingsbereidheid. Ook uit informatie van Stichting NIDOS, die reeds jarenlang betrokken is bij de voogdes en bij de [rechtspersoon], blijkt dat hoewel de samenwerking goed is geweest, de voogdes en de heer [X] steeds hun eigen koers varen.

Namens de voogdes heeft mr. Giebels ter zitting het hiernavolgende naar voren gebracht, waarbij zij tevens heeft verwezen naar de brief van mr. Tromp van 7 augustus 2009.

De voogdes verzet zich tegen het verzoek van de Raad. Een ontzetting is de meest verstrekkende maatregel en deze dient enkel te worden uitgesproken wanneer dit in het belang van de minderjarigen is. De voogdes is van mening dat er alternatieven zijn die kunnen en moeten worden ingezet om de zorgen die er zijn weg te nemen. Bij lezing van het rapport van de Raad moet rekening gehouden worden met het feit dat het onderzoek door de Raad in een korte periode is verricht en dat deze periode voor de minderjarigen als gevolg van de plotselinge uithuisplaatsing zeer onrustig was.

De voogdes erkent dat het uitdelen van tikken weliswaar niet pedagogisch verantwoord is, maar om te spreken van fysieke mishandeling zijn meer indicaties nodig. De uitingen van verdriet door de voogdes over de uithuisplaatsing jegens de kinderen waren wellicht niet verstandig omdat deze emotioneel belastend voor de minderjarigen kunnen zijn. In ogenschouw moet echter worden genomen dat de voogdes reeds zes jaar voor deze minderjarigen zorgt en dat de uithuisplaatsing voor haar en de heer [X] het grootste drama was dat hen kon overkomen. Het gaat dan ook te ver om op basis van deze feiten te concluderen dat de voogdes misbruik heeft gemaakt van haar bevoegdheid als voogdes.

Er is geen sprake van onverantwoord medicijngebruik. Men kan erover van mening verschillen of de gegeven medicatie noodzakelijk was, maar deze werd voorgeschreven door de huisarts. De minderjarigen mogen niet zelf hun medicatie pakken. Er is voor elk kind een doosje met daarop de naam, waarin voor elk kind de voorgedoseerde medicatie wordt geplaatst. De minderjarigen mogen uit dit doosje wel eens zelf hun medicatie pakken.

Er is sprake geweest van omgang van de minderjarigen met de moeder, echter dit deed erg veel met de minderjarigen. De voogdes is van mening dat het initiatief voor de omgang van de zijde van de moeder moet komen en niet van de zijde van de minderjarigen. Mogelijk heeft de voogdes onvoldoende aandacht besteed aan de knelpunten die de omgangsregeling opleverde, echter dit kan niet worden geduid als verwaarlozing van verplichtingen en kan daarmee geen grond opleveren voor ontzetting. Het kan wel een reden zijn om een ondertoezichtstelling uit te spreken. De voogdes heeft hiertegen geen bezwaar. In alle kinderbeschermingszaken wordt eerst geprobeerd om toe te werken naar een verantwoorde thuissituatie. Deze situatie is niet wezenlijk anders.

De voogdes erkent dat er zorgen zijn, doch zij bestrijdt dat zij aan de minderjarigen professionele zorg heeft onthouden. Het bevreemdt de voogdes echter dat bijvoorbeeld de school niet in een eerder stadium met haar in gesprek is gegaan over de zorgen die de school volgens de raadsrapportage heeft geconstateerd. De voogdes en de [rechtspersoon] zijn altijd in gesprek gegaan en serieus omgegaan met adviezen die zij kregen. Hieruit volgt in het geheel niet dat de voogdes niet begeleidbaar zou zijn. [minderjarige 3] is reeds voorafgaand aan de rapportage aangemeld bij de GGZ. De intake heeft in mei 2009 plaatsgevonden, maar een eventueel noodzakelijk behandelplan is er nog niet.

De voogdes acht het onbegrijpelijk dat de Raad concludeert dat zij onvoldoende pedagogische vaardigheden heeft. De voogdes en de heer [X] hebben een jarenlange ervaring met de verzorging van minderjarigen. Tot maart 2008 was er een ondertoezichtstelling en er is reeds jarenlang een positieve samenwerking met stichting NIDOS. Stichting NIDOS overweegt drie voogdijpupillen terug te plaatsen in het gezin van de voogdes onder de voorwaarde dat de voogdes de komende vijf jaar geen andere kinderen opneemt, buiten de minderjarigen waarop het voorliggende verzoek ziet. De voogdes en de heer [X] hebben een verklaring ondertekend waarin zij zich met deze voorwaarde akkoord verklaren. Ook Bureau Jeugdzorg Venray geeft aan respect te hebben voor het werk van de voogdes en de [rechtspersoon]. De moeder heeft nog altijd vertrouwen in de [rechtspersoon], maar is met name bezorgd over haar rol. Voor deze zorg en andere zorgen die de voogdes wel erkent is zij bereid een ondertoezichtstelling te accepteren.

Bij de voogdes ontstaat het gevoel dat de Raad eerst een conclusie heeft getrokken en dat daar vervolgens in de rapportage naartoe is geredeneerd. Het belang van de minderjarigen moet echter voorop staan. Zij willen graag terug naar het gezin van de voogdes. De intentie van de voogdes en de [rechtspersoon] maakt dat het een goede plek is voor de minderjarigen. Tenslotte ligt de verantwoordelijkheid van de situatie die is ontstaan niet enkel bij de voogdes en de [rechtspersoon]. Men kan zich immers afvragen of het verantwoord was dat diverse instellingen zoveel kinderen bij de [rechtspersoon] hebben geplaatst; soms verbleven er gelijktijdig 16 tot 18 kinderen bij de [rechtspersoon]. Vanuit hun intentie was het voor de voogdes en de heer [X] moeilijk om een kind in een problematische situatie te weigeren als het door een instantie werd aangeboden. De voogdes is van mening dat het het meest in het belang is van deze minderjarigen dat zij terug worden geplaatst in het gezin van de voogdes en dat andere maatregelen worden getroffen om de zorgen die er wel zijn, weg te nemen.

De stichting heeft ter zitting naar voren gebracht dat de minderjarigen in de pleeggezinnen zeer zorgelijke signalen laten zien die erop wijzen dat de minderjarigen ernstig getraumatiseerd zijn. Daarnaast is de stichting van mening dat de samenwerking met de voogdes zeer moeizaam verloopt.

De moeder heeft ter zitting aangegeven dat zij hevig geschrokken is van de inhoud van de rapportage. Zij heeft destijds vrijwillig meegewerkt aan een uithuisplaatsing van de minderjarigen, omdat zij vreesde hen uit onmacht verbaal of lichamelijk te zullen mishandelen. Door de inhoud van de raadsrapportage is bij de moeder de indruk ontstaan dat zij de minderjarigen evengoed bij zich had kunnen houden, nu uiteindelijk toch is gebeurd waar zij destijds voor vreesde. Daarnaast maakt de moeder zich zorgen over haar rol in het leven van de minderjarigen. De moeder is van mening dat de voogdes haar geleidelijk bij de minderjarigen als moeder naar de achtergrond heeft geschoven, mede door de minderjarigen moeder niet meer als “mama” te laten aanduiden.

De rechtbank overweegt als volgt:

De voogdes en de heer [X] zijn [functie voogdes en de heer X] van de [rechtspersoon]. Binnen die [rechtspersoon] functioneren zij als gezinshuisouders. Gelet op de verwevenheid van de feitelijke uitvoering van taken door de voogdes, de heer [X] en de medewerkers van de [rechtspersoon] zal de rechtbank hierna niet alleen spreken over de voogdes, maar ook over de heer [X] en de [rechtspersoon].

De rechtbank stelt voorop dat de voogdes en de heer [X] het beste voorhebben met de minderjarigen en de andere kinderen die zij hebben opgevangen. Uit alles blijkt dat de voogdes en de heer [X] zeer betrokken zijn op de minderjarigen en dat zij zich vanuit een ideaalbeeld het lot van vele andere kinderen die in de knel zitten aantrekken. Zij hebben hun uiterste best gedaan om al deze kinderen een thuis te bieden, hen structuur te bieden en hen netjes op te voeden. De minderjarigen komen over het algemeen qua verzorging niets tekort, er wordt hen discipline bijgebracht en er wordt hen geleerd aandacht te hebben voor hun omgeving.

De vraag die de rechtbank dient te beantwoorden is of de pedagogische kennis en vaardigheden van de voogdes en de heer [X], zulks in samenhang met de intentie en uitgangspunten van de [rechtspersoon], toereikend zijn om [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3] het stabiele en veilige opvoedingsklimaat te bieden dat zij nodig hebben.

Op basis van de raadsrapportage, de overige stukken in het dossier en het verhandelde ter zitting van 10 juli en 14 augustus 2009, waaronder het verhoor van [minderjarige 1], is de rechtbank van oordeel dat het gedrag van de minderjarigen zodanig zorgelijk is dat zij in hun ontwikkeling worden bedreigd en dat zij behoefte hebben aan opvoeders met specifieke pedagogische kwaliteiten in combinatie met hulpverlening en behandeling door professionals op basis van gedegen diagnostisch onderzoek. De minderjarigen hebben behoefte aan een duidelijk en veilig opvoedingsklimaat, waarin zij positief gestimuleerd worden en hun opvoeders inzicht hebben in hun afzonderlijke specifieke behoeften. De ontwikkelingsbehoeften van de minderjarigen zijn onder meer afhankelijk van hun leeftijd, hun belaste verleden en van eventuele kindfactoren.

Uit het raadsonderzoek komt onder meer naar voren dat de minderjarigen allen moeite hebben om zich emotioneel te uiten, dat zij sociaal wenselijk gedrag vertonen en moeite hebben met het afstemmen op volwassenen. Bovendien constateert de rechtbank op basis van de op [minderjarige 1] betrekking hebbende passages in de raadsrapportage en het verhoor van [minderjarige 1] ter zitting dat [minderjarige 1] zich als twaalfjarige met name identificeert met de wereld van volwassenen en dat zij erg bezorgd is over het welzijn van de voogdes. [minderjarige 1] heeft ruimte nodig voor de ontwikkeling van haar eigen identiteit. Bij [minderjarige 2] is met name het extreem angstige en bij momenten apathische gedrag wanneer hij op zijn gedrag wordt aangesproken zorgelijk. [minderjarige 3] vertoont blijkens het raadsrapport zowel externaliserend als angstig gedrag. Ook de door de pleegouders van de pleeggezinnen, waar de kinderen thans verblijven, geuite zorgen passen in het beeld dat door de Raad is geschetst over het welzijn van de kinderen.

Uit het rapport van de Inspectie Jeugdzorg komt naar voren dat de voogdes en de [rechtspersoon] niet beschikken over voldoende pedagogische kennis en voldoende pedagogisch geschoold personeel.

Tijdens het raadsonderzoek hebben de voogdes en de heer [X] verklaard dat bij [minderjarige 2] sprake is van ernstige hechtingsproblematiek en dat hij daarnaast door een erkende psycholoog, mevrouw [naam psycholoog]te [woonplaats], is gediagnosticeerd met ADHD, PDD-NOS en een posttraumatische stresstoornis. Zij geven aan dat [minderjarige 2] voor deze problematiek Concerta slikt. De rechtbank overweegt dat de genoemde diagnoses zeer ernstige meervoudige kindeigen problematiek inhouden die nader onderzoek naar geschikte professionele behandeling en begeleiding vereist om een goede verdere ontwikkeling van [minderjarige 2] te waarborgen. Het enkel toedienen van medicatie gericht op het beheersen van ADHD is hiertoe onvoldoende. Uit de stukken blijkt niet dat de voogdes en de [rechtspersoon] het initiatief hebben genomen tot het doen verrichten van nader onderzoek, noch dat zij geschikte professionele behandeling en begeleiding hebben gezocht. Zij hebben volstaan met de medicatie en het opstellen van een pedagogisch plan door de binnen de [rechtspersoon] werkzame pedagogisch medewerker op MBO-niveau. Uit deze handelswijze van de voogdes en de [rechtspersoon] blijkt dat zij onvoldoende inzicht hebben in de implicaties van dergelijke diagnoses voor de ontwikkeling van een kind. Het gebrek aan inzicht in dit kader blijkt ook uit de wijze waarmee wordt omgegaan met medicatie voor de minderjarigen in het algemeen, waarbij als voorbeeld kan worden genoemd het toedienen van medicatie voor ADHD aan [minderjarige 3] zonder dat de diagnose ADHD is gesteld.

Tevens blijkt uit de opvoedstijl van de voogdes en de heer [X], zoals beschreven in de raadsrapportage, dat zij niet steeds inzien welke pedagogische benadering deze minderjarigen, gelet op hun belaste verleden en mogelijke kindeigen problematiek, nodig hebben. Zo erkent de voogdes dat er enige mate van fysiek geweld jegens de minderjarigen heeft plaatsgevonden en dit blijkt ook uit de verklaringen van de minderjarigen tijdens het raadsonderzoek en het gedrag dat zij laten zien.

Daarbij komt dat de rechtbank bezien vanuit het perspectief van de minderjarigen vraagtekens zet bij het opnamebeleid van de [rechtspersoon]. Naar de voogdes en de heer [X] ter zitting ook zelf hebben erkend, werd bij tijden de maximale opnamecapaciteit overschreden om te kunnen voldoen aan de vraag om kinderen die in een crisissituatie verkeerden tijdelijk op te vangen. In dergelijke periodes ging, aldus de voogdes ter zitting, eigenlijk alle aandacht uit naar het draaiend houden van de huishouding en de opvang van de nieuwkomer(s). Dit lijkt ten koste te zijn gegaan van de aandacht voor en de begeleiding van de minderjarigen wat naar het oordeel van de rechtbank niet in hun belang moet worden geacht. Weliswaar hebben verschillende instellingen kinderen voor tijdelijke opneming aangeboden aan de [rechtspersoon], ook wanneer op dat moment al veel kinderen in huis waren. Echter, het lag in de eerste plaats op de weg van de voogdes en de heer [X] om een reële inschatting te maken van wat zij aan zouden kunnen zonder dat het belang van de minderjarigen die permanent in hun gezin verbleven hieronder zou lijden. De rechtbank is van oordeel dat de voogdes en de heer [X], ondanks hun goede bedoelingen, hun draagkracht hierin ernstig hebben overschat en dat zij hiermee de ontwikkeling van de minderjarigen hebben geschaad.

In de beschikking van 22 juli 2009 heeft de rechtbank de voogdes verzocht de rechtbank schriftelijk mede te delen op welke wijze zij de belangen van de minderjarigen bij een stabiel opgroei- en opvoedingsklimaat denkt te kunnen waarborgen. De voogdes heeft de rechtbank echter geen concrete op [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3] afzonderlijk gerichte ideeën aangereikt ter invulling van hun specifieke behoeften. Ook ter zitting van 14 augustus 2009 is deze vraag van de rechtbank door of namens de voogdes onvoldoende beantwoord. Wanneer de rechtbank de voogdes en de heer [X] ter zitting vraagt zich uit te laten over enkele voorvallen en zorgen die de Raad in zijn rapportage vermeldt, geven zij onvoldoende blijk van herkenning van de invloed die deze voorvallen en zorgen op de minderjarigen hebben. Zo heeft de voogdes voor aanvang van de zitting op 14 augustus 2009 op de gang aan [minderjarige 1] een nieuwe mobiele telefoon getoond die [minderjarige 1] van een derde cadeau zou hebben gehad. De voogdes heeft vervolgens de telefoon weer weggestopt en tegen [minderjarige 1] gezegd dat zij de telefoon weer mee naar huis zou nemen omdat [minderjarige 1] op dit moment geen telefoon mag hebben. De voogdes is bekend met de afspraak met de stichting dat [minderjarige 1] voorlopig geen eigen mobiele telefoon mag hebben, omdat er geen zicht was op de frequentie waarmee [minderjarige 1] met de voogdes contact had en wat er tijdens die contacten werd besproken. Uit dit handelen blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat de voogdes geen inzicht heeft in de emotionele belasting en druk die een dergelijk voorval op [minderjarige 1] legt. Dit wordt nog eens bevestigd door de waarnemingen van de huidige pleegouders van de minderjarigen waar zij melden dat de voogdes tijdens de telefonische contacten de minderjarigen belast door het geven van allerlei instructies en door het ventileren van haar emoties over de uithuisplaatsing van de minderjarigen.

Tenslotte deelt de rechtbank de zorgen van de Raad over het ontbreken van een rol van de moeder in het leven van de minderjarigen. Voor hun identiteitsontwikkeling is het van groot belang dat zij weten wie hun biologische moeder is en dat hen de stimulans en de ruimte wordt geboden om op een onbelaste manier contact met hun moeder te hebben. Het behoorde tot de taak van de voogdes om op een verantwoorde manier invulling te geven aan dit contact. Ook wanneer persoonlijk contact van de minderjarigen met de moeder niet in het belang van de minderjarigen zou zijn geweest, had de voogdes de minderjarigen duidelijkheid kunnen en moeten geven over de rol van hun moeder. De voogdes noemt zichzelf, zulks ook tegen uitdrukkelijk advies van de kinderarts in, “mama” tegenover de minderjarigen en het is onduidelijk of met [minderjarige 3], op een wijze die passend is voor haar leeftijd, is besproken wie haar ouders zijn. Deze handelswijze vormt een bedreiging voor de identiteitsontwikkeling van de minderjarigen.

De rechtbank is gelet op de hierboven beschreven zorgen, waaronder de opvoedingsstijl, het feitelijk handelen van de voogdes en de heer [X] en het zorgelijke gedrag dat de minderjarigen laten zien, van oordeel dat de voogdes niet in staat is het opvoedingsklimaat te creëren waaraan deze minderjarigen behoefte hebben. Omdat de rechtbank gebleken is dat de voogdes onvoldoende inzicht heeft in en geen concrete ideeën heeft over wat nodig is om de situatie te verbeteren is de rechtbank van oordeel dat een ondertoezichtstelling niet de geëigende maatregel is om de ontwikkelingsbehoeften van de minderjarigen veilig te stellen. De voogdes en de heer [X] kunnen wel open staan voor hulpverlening, maar incidentele adviezen van professionals zijn onvoldoende om de bedreiging in de ontwikkeling van de minderjarigen te keren. De minderjarigen hebben permanent behoefte aan opvoeders met specifieke pedagogische vaardigheden in combinatie met aanvullende behandeling door professionals. De rechtbank is van oordeel dat de voogdes en de heer [X] onvoldoende leerbaar zijn om deze verzorgings- en opvoedingssituatie te realiseren.

Derhalve is de rechtbank van oordeel dat is komen vast te staan dat de voogdes niet in staat is tot een behoorlijke uitoefening van de voogdij in de zin van artikel 1:327 onder b BW en dat het in het belang van de minderjarigen is dat de voogdes op voormelde grond wordt ontzet van de voogdij over de minderjarigen. Gelet op het bepaalde in artikel 1:331 BW blijft de maatregel van voorlopige voogdij van kracht totdat de uitspraak omtrent de ontzetting in kracht van gewijsde is gegaan.

Bij de stukken bevindt zich een verklaring van de voorgestelde voogdes, waarin deze zich bereid verklaart de voogdij over de minderjarigen te aanvaarden.

Het voorgaande leidt tot de navolgende beslissing.

De beslissing

De rechtbank:

ontzet [voogdes] van de voogdij over de minderjarigen:

- [minderjarige 1], geboren te [geboorteplaats], op [geboortedatum];

- [minderjarige 2], geboren te [geboorteplaats], op [geboortedatum];

- [minderjarige 3], geboren te [geboorteplaats], op [geboortedatum];

benoemt de Stichting Bureau Jeugdzorg Noord-Brabant, unit Oss, Portbus 763 te 5340 AT Oss, tot voogdes over voornoemde minderjarigen;

veroordeelt [voogdes] tot het doen van rekening en verantwoording van het gevoerde bewind aan de benoemde voogdes;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. A.E.M. Effting-Zeguers, J.W. Brunt en O.A.J.M. Lavrijssen, rechters, tevens kinderrechters, en in het openbaar uitgesproken op 27 augustus 2009 door mr. J.W. Brunt in aanwezigheid van de griffier.

conc: mka

Tegen deze beschikking kan -uitsluitend door tussenkomst van een advocaat- hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch

a. door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak

b. door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.