Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2009:BJ6237

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
28-08-2009
Datum publicatie
28-08-2009
Zaaknummer
01/825065-09
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2010:BM9153, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een gevangenisstraf van vijf jaar met aftrek voorarrest voor zedendelicten.

1. Bewijsredenering en betrouwbaarheidsoordelen bij ontkennende verdachte van ontucht met kind jonger dan 12 jaar en aanranding.

2. TBS niet noodzakelijk, mede gelet op wetgeving over voorwaardelijke invrijheidsstelling.

3. Gelet op artikel 68, lid 1, eerste volzin Sv geen schorsing voorlopige hechtenis om andere sanctie uit te zitten; anders dan Hof Den Haag, LJN BJ3346.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht
Wetboek van Strafrecht 37a
Wetboek van Strafrecht 244
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 67
Wetboek van Strafvordering 67a
Wetboek van Strafvordering 68
Wetboek van Strafvordering 342
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NBSTRAF 2009/337
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

Sector Strafrecht

Parketnummer: 01/825065-09

Datum uitspraak: 28 augustus 2009

Vonnis van de rechtbank ’s-Hertogenbosch, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1953,

wonende te [woonplaats], [adres],

thans gedetineerd te: [PI].

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 14 augustus 2009.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 16 april 2009.

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

1.

hij op meerdere, althans een, tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode

van 1 augustus 2006 tot en met 21 december 2008 te Bakel, gemeente

Gemert-Bakel, in elk geval in Nederland, (telkens) met [slachtoffer 1], geboren [geboortedatum] 2000, (zijnde zijn, verdachtes, kleindochter),

die toen (telkens) de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt,

(telkens) een of meer handeling(en) heeft gepleegd, die (telkens) bestond(en)

uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die

[slachtoffer 1], hebbende verdachte (telkens):

- zijn vinger(s) in de vagina, althans tussen de schaamlippen, van die

[slachtoffer 1] gebracht/geduwd en/of

- zijn tong in de mond van die [slachtoffer 1] gebracht/geduwd en/of

- aan de vagina en/of de schaamlippen, van die [slachtoffer 1] gelikt en/of

- zijn vinger(s) in de anus van die [slachtoffer 1] gebracht/geduwd en/of

- die [slachtoffer 1] zijn penis laten aftrekken, althans laten vasthouden en/of

- zijn penis in de mond van die [slachtoffer 1] gebracht/geduwd en/of

- in de mond van die [slachtoffer 1] sperma gespoten, althans ge-urineerd en/of

- die [slachtoffer 1] haar tong in zijn, verdachtes, mond laten doen;

artikel 244 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op meerdere, althans een, tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode

van 1 oktober 1986 tot en met 1 oktober 1992 te Asten en/of te Deurne, in elk

geval in Nederland, (telkens) met [slachtoffer 2], geboren op [geboortedatum] 1980, (zijnde zijn dochter), die toen (telkens) de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, (telkens) een of meer handeling(en) heeft

gepleegd, die (telkens) bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel

binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 2], hebbende verdachte (telkens):

- zijn vinger(s) in de vagina, althans tussen de schaamlippen, van die

[slachtoffer 2] gebracht/geduwd en/of

- die [slachtoffer 2] zijn, verdachtes, penis laten aftrekken, althans laten

vasthouden en/of

- zijn penis in de mond van die [slachtoffer 2] gebracht/geduwd en/of

- zijn tong in de vagina, althans tussen de schaamlippen, van die [slachtoffer 2]

gebracht/geduwd en/of aan de vagina, alhans de schaamlippen, van die [slachtoffer 2]

gelikt en/of

- zijn penis tussen de schaamlippen van die [slachtoffer 2] gebracht/geduwd en/of

vervolgens (gedeeltelijk) in de vagina van die [slachtoffer 2] geduwd/gebracht;

artikel 244 Wetboek van Strafrecht

3.

hij in of omstreeks de periode van 01 septmeber 2007 tot en met 1 november

2007 te Bakel, gemeente Gemert-Bakel, in elk geval in Nederland, door geweld

of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of (een)

andere feitelijkhe(i)d(en) [slachtoffer 3] heeft gedwongen tot het

plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handeling(en),

hebbende hij, verdachte,

- zijn tong, althans lippen, tegen de mond/lippen, van die [slachtoffer 3]

gebracht/geduwd en/of

- zijn hand onder de trui van die [slachtoffer 3] gebracht/geduwd en/of (vervolgens)

haar bh losgemaakt en/of over de (blote) buik van die [slachtoffer 3] gewreven en/of

- zijn hand tussen de onderbroek en/of broek van die [slachtoffer 3] gebracht/geduwd en

aldus doende de billen van die [slachtoffer 3] aangeraakt

en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging

met geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) uit het

mee naar buiten nemen van die [slachtoffer 3] en/of

(met kracht) duwen van die [slachtoffer 3] tegen een muur (van een huis, althans een

gebouw) en/of

(met kracht) vastpakken van die [slachtoffer 3] en/of

(onverhoeds) kussen en/of betasten van die [slachtoffer 3] en/of

openmaken van zijn riem en/of gulp en/of

(met kracht) naar beneden duwen/brengen van die [slachtoffer 3];

artikel 244 wetboek van Strafrecht

Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden:

hij in of omstreeks de periode van 01 septmeber 2007 tot en met 1 november

2007 te Bakel, gemeente Gemert-Bakel, in elk geval in Nederland, met

[slachtoffer 3], geboren op [geboortedatum] 1996, die toen de leeftijd van

zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige

handeling(en) heeft gepleegd, hebbende hij, verdachte,

- zijn tong, althans lippen, tegen de mond/lippen, van die

[slachtoffer 3] gebracht/geduwd en/of

- zijn hand onder de trui van die [slachtoffer 3] gebracht/geduwd en/of (vervolgens) haar

bh losgemaakt en/of over de (blote) buik van die [slachtoffer 3] gewreven en/of

- zijn hand tussen de onderbroek en/of broek van die [slachtoffer 3] geduwd en/of

gebracht en aldus doende de billen van die [slachtoffer 3] aangeraakt;

artikel 247 Wetboek van Strafrecht

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

De bewijsmiddelen.

De rechtbank heeft als bewijsmiddelen gebruikt, voor zover hieronder nader aangeduid:

- het eindproces-verbaal van de regiopolitie Brabant Zuid-Oost, gezamenlijke recherche Helmond, met registratienummer 2009020034, d.d. 18 februari 2009, met twee ongenummerde pagina’s aan het begin en genummerde pagina’s 3 tot en met 255 (waartussen met de hand genummerde pagina’s 66a en 230a), bevattende processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden (hierna in de voetnoten te noemen: ‘einddossier’);

- een proces-verbaal van (het eerste studio)verhoor van getuige [voorletters slachtoffer 3] (de rechtbank begrijpt: [slachtoffer 3], dat plaatsvond op 10 februari 2009, met genummerde pagina’s 1 tot en met 49;

- een proces-verbaal van de regiopolitie Brabant Zuid-Oost, gezamenlijke recherche Helmond, nummer 2008005309-35, d.d. 29 april 2009, met genummerde pagina’s 1 en 2 en een bijlage;

- een deskundigenrapport (‘Vergelijkend handschriftonderzoek dagboek [slachtoffer 1]’) van drs. W.P.F. Fagel, d.d. 5 juni 2009, met genummerde pagina’s 1 tot en met 4 en twee bijlagen;

- een proces-verbaal van de regiopolitie Brabant Zuid-Oost, gezamenlijke recherche Helmond, nummer2009015508-5, met een fotomap, d.d. 23 juni 2009;

- processen-verbaal van verhoor van getuigen [getuige 4] (d.d. 7 juli 2009), [getuige 1], [slachtoffer 2], [getuige 5] en [getuige 8, moeder slachtoffer 3] (d.d. 22 juli 2009), [getuige 7] (d.d. 23 juli 2009), [getuige 9, vader slachtoffer 3] en [getuige 6] (d.d. 24 juli 2009) bij de rechter-commissaris, telkens ongenummerde pagina’s;

- een proces-verbaal van (het tweede studio)verhoor (in het bijzijn, in een andere ruimte, van verdachtes advocaat en de rechter-commissaris) van getuige [voorletters slachtoffer 3] (de rechtbank begrijpt: [slachtoffer 3], dat plaatsvond op 21 juli 2009, met genummerde pagina’s 1 tot en met 31;

- een proces-verbaal van (het tweede studio)verhoor (in het bijzijn, in een andere ruimte, van verdachtes advocaat en de rechter-commissaris) van getuige [slachtoffer 1], dat plaatsvond op 22 juli 2009, met genummerde pagina’s 1 tot en met 28;

- de verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van de rechtbank, d.d. 14 augustus 2009.

De bewijsbeslissing ten aanzien van feit 1.

Vaststaande feiten.

De rechtbank stelt de volgende feiten vast. [Verdachte], is de opa van [slachtoffer 1].1 Zij is geboren op [geboortedatum] 2000.2 Verdachte woont sinds juni 2006 en tot op het moment van zijn aanhouding op 3 februari 2009 aan het [voormalig adres verdachte] in Bakel.3 Eind 2006 is [slachtoffer 1] met haar moeder ook daar in de buurt op [adres slachtoffer 1] komen wonen.4 Verdachte verricht vrijwilligerswerk in een loods waarin een caravan en paarden staan en waar in de tweede helft van 2008 hoezen van seksbanden liggen. Die loods staat in Deurne.5 De zaak komt aan het rollen naar aanleiding van een briefje dat is gedateerd op ‘13\Dec\zat’ en dat blijkens de inhoud een bladzijde uit een dagboek is. Daarop staat de passage ‘ik wert waker opa was al waker en we ging sexsen om dat opa mij de mooiste van de famili vint […]’.6 Van algemene bekendheid is dat 13 december in 2008 op een zaterdag viel en dat 12 december 2008 de vrijdag was die volgde op het Sinterklaasfeest van 5 december.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie vindt dat het ten laste gelegde op zich en anders met gebruik van een schakelbewijsredenering wettig en overtuigend kan worden bewezen.

Het standpunt van de verdediging.

De verdachte ontkent stellig dat hij het ten laste gelegde feit heeft gepleegd. Hij vermoedt dat zijn dochters en schoonzoons een complot tegen hem smeden, omdat zijn vrouw en hij zich bemoeien met hun levensstijl en de manier van opvoeden van hun kinderen. Namens verdachte is naar voren gebracht dat het ten laste gelegde niet wettig en overtuigend kan worden bewezen. In de eerste plaats vindt de verdediging dat het bewijs maar uit één bron afkomstig is (namelijk het gestelde slachtoffer [slachtoffer 1]). In de tweede plaats vindt de verdediging de informatie die [slachtoffer 1] geeft, onvoldoende verifieerbaar, betrouwbaar en authentiek. Ten slotte heeft de raadsvrouwe aangevoerd dat hier geen schakelbewijsredenering mag worden gebruikt.

Het oordeel van de rechtbank.

Bewijsoverwegingen.

De rechtbank overweegt ten aanzien van het bewijs als volgt. [slachtoffer 1] logeert min of meer regelmatig bij verdachte en zijn vrouw in Bakel.7 Zij logeert daar ook op 12 december 2008.8 [getuige 1, moeder van slachtoffer 1] vindt de dagboekbladzijde op 21 december 2008 bij het opruimen van [slachtoffer 1]s kamer.9 [slachtoffer 1] heeft die bladzij geschreven.10 [slachtoffer 1] verklaart vervolgens thuis, bij artsen en bij de politie over misbruik door haar opa. Op de vrijdag na Sinterklaas 2008 wordt zij wakker, terwijl verdachte al wakker is en gaan zij ‘seksen’ (voor [slachtoffer 1]: kussen). Verdachte trekt [slachtoffer 1]s kleren uit, stopt zijn wijsvingers in haar ‘fluit’ (voor [slachtoffer 1]: vagina) en draait rondjes. Hij stopt ook zijn tong in haar mond en draait rondjes. Het voorgaande gebeurt vaker, negen keer wordt genoemd, vanaf haar zesde, zevende levensjaar, niet al toen ze in groep 2 zat maar wel toen ze in groep 3 en 4 zat ([slachtoffer 1] doubleert groep 3; de rechtbank merkt op dat van algemene bekendheid is dat kinderen vanaf circa zes jaar normaalgesproken in groep 3 zitten). Het begint als ze zelf nog niet in Bakel maar in Deurne woont. Het gebeurt ook als ze acht is. De handelingen vinden telkens plaats bij verdachte thuis (in de woonkamer, de badkamer/wc en het kantoor/de hobbyruimte), in de loods waar verdachte werkt en waar paarden staan en op zeker moment (hoezen van) seksdvd’s liggen, en ook wel buiten achter het huis. Verdachte voelt dan ook aan haar achterwerk en gaat met een vinger in haar anus op en neer. Zij moet zijn penis vasthouden en hem aftrekken. Zij moet zijn penis in haar mond stoppen en hem pijpen en er komt door haar beschreven lichaamsvocht uit zijn penis. De rechtbank laat daarbij in het midden wat die vloeistof precies is; [slachtoffer 1] spreekt van plas, maar haar beschrijving van het vocht en de kennelijke hoeveelheid daarvan, lijkt eerder op sperma te duiden. Van algemene bekendheid is hoe dan ook dat uit het mannelijk geslachtsdeel slechts sperma of urine kan komen. [slachtoffer 1] zegt aan verdachte op verschillende momenten dat zij het niet wil, dat zij voor oma wil tekenen, dat zij het vervelend vindt, dat het pijn doet en dat het niet mag en vies is, en zij moet overgeven en duwt en schopt hem weg. Verdachte beloont haar soms met snoep en zegt dat zij het niet mag doorvertellen, omdat opa en oma anders gaan scheiden en het dan haar schuld is.11

Verwerping unus-testis-nullus-testisverweer (‘één getuige is geen getuige’).

De bewezenverklaring is niet op één getuigenverklaring gebaseerd. De rechtbank verwerpt het verweer en overweegt daartoe het volgende.

In artikel 342, tweede lid van het Wetboek van Strafvordering (Sv) is bepaald dat de rechter een bewezenverklaring niet alleen mag baseren op de verklaring van één getuige. Vaste rechtspraak van de Hoge Raad is echter ook dat het tweede bewijsmiddel geen bevestiging hoeft te zijn van die ene getuigenverklaring en voldoende is dat de getuigenverklaring een of meer onderdelen van de tenlastelegging onderbouwt, terwijl een ander bewijsmiddel een of meer andere bestanddelen dekt (zie al HR 17 januari 1927, NJ 1927, p. 189). Aan deze ondergrens van wettig bewijs is in dit geval voldaan, omdat naast de verklaringen van het slachtoffer (en verklaringen die daarop zijn te herleiden) over de kern van het ten laste gelegde feit, bewijs wordt gebruikt dat – en de rechtbank verwijst naar de vaststaande feiten – de ten laste gelegde geboortedatum en de plaatsen van het delict onderbouwt.

Verwerping betrouwbaarheidsverweer.

Gelet op de beperkte garanties die artikel 342, tweede lid Sv door de zonet aangehaalde vaste rechtspraak nog geeft, is het belangrijk dat de rechter zich vergewist van de betrouwbaarheid van de kerngetuigenverklaring. Daarbij speelt in verband met zedendelicten nog een rol dat uit onderzoek blijkt dat daarbij relatief vaak, geheel of gedeeltelijk en opzettelijk of goed gemeend, onjuiste verklaringen worden afgelegd. De rechtbank vindt de informatie van [slachtoffer 1] betrouwbaar en verwerpt het verweer van de verdediging op dit punt. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

In eerste instantie vertrouwt [slachtoffer 1] haar verhaal toe aan haar dagboek. De rechtbank heeft geen reden om eraan te twijfelen dat [slachtoffer 1] die passages zelf, uit zichzelf en over zichzelf heeft geschreven. Daarbij heeft de rechtbank in de eerste plaats gelet op het eerder aangehaalde onderzoek naar het dagboek. Daarnaast heeft de rechtbank in dit verband gekeken naar het taalgebruik van de desbetreffende zin, ook in de context van de rest van de bladzijde, te weten een in dezelfde stijl geschreven relaas van de dag. Ten slotte heeft de rechtbank daarbij betrokken dat [slachtoffer 1] de voorgaande dag bij haar grootouders in Bakel heeft gelogeerd (dus, anders dan de raadsvrouwe stelt, wel degelijk ook in 2008).

[slachtoffer 1] zegt dat ze ook wel bladzijdes uit dit dagboek heeft weggescheurd.12 Dat vindt bevestiging in een objectief feit, te weten het door haar moeder op het politiebureau afgeleverde dagboek, waaruit blaadjes zijn gescheurd.13 [slachtoffer 1] wil na de vondst van het dagboekblaadje daarover alleen met haar moeder praten.14 Dat komt overeen met en is voor de rechtbank verklaarbaar uit de verklaring van haar stiefvader. [getuige 2, stiefvader slachtoffer 1] zegt immers dat hij schrok van het lezen van de bladzijde en dat hij [slachtoffer 1] op een niet boze, maar wel felle toon bij zich riep – welke emoties in lijn liggen met zijn uitspraak dat hij nadien in Bakel bij verdachte zijn gram wilde gaan halen – waarop [slachtoffer 1] dichtklapte.15

De andere mensen die [slachtoffer 1] ondervragen, doen dit steeds op een passende manier en/of krijgen spontaan antwoord of informatie. Zo zegt [slachtoffer 1] in het gesprek naar aanleiding van de gevonden bladzijde spontaan dat verdachte haar aanraakt. Haar moeder vraagt vervolgens of verdachte haar aan haar arm aanraakt, na ontkennend antwoord of hij haar aan haar hoofd aanraakt en na ontkennend antwoord en een blik naar beneden of hij haar aan haar been aanraakt. Zij krijgt als antwoord dat verdachte haar aan haar ‘fluit’ aanraakt. [slachtoffer 1]s moeder stelt vervolgens de open vraag wat verdachte daar dan doet en krijgt als antwoord dat hij daar met zijn vinger aan en in komt. [slachtoffer 1] zegt daarop spontaan dat verdachte haar kust. Op haar moeders vraag of dat op de wang is, antwoordt [slachtoffer 1] dat het op de mond is, en op de opmerking dat hij dit misschien doet omdat hij haar lief vindt, reageert [slachtoffer 1] door te zeggen dat verdachte ook zijn tong in haar mond doet. Bij de huisarts vertelt [getuige 1, moeder van slachtoffer 1] bewust niet zelf wat zij heeft gehoord en houdt zij zich afzijdig bij het gesprek dat hij met [slachtoffer 1] heeft. Op zijn vraag of het een of twee of tien of twintig keer is gebeurd, antwoordt [slachtoffer 1] dat het wel negen keer is gebeurd. Op de vraag of het al in groep 4 gebeurde, antwoordt ze bevestigend, op de vraag of het al gebeurde toen zij in groep 3 zat eveneens, maar op de vraag of het in groep 2 al gebeurde, antwoordt zij ontkennend.16 Bij de kinderarts wil [slachtoffer 1] geen antwoord geven, maar schrijft zij haar verhaal desgevraagd wel, uit zichzelf, op.17 Dat geldt in eerste instantie ook voor het (eerste) studioverhoor.18 Als in dat studioverhoor vervolgens wordt gevraagd hoe laat verdachte haar wakker maakte, verbetert [slachtoffer 1], overeenkomstig hetgeen zij in haar dagboek en bij de verhoorster opschreef, dat zij zelf wakker werd.19 Als [slachtoffer 1] wordt gevraagd welke dingen verdachte bij haar heeft gedaan, stelt [slachtoffer 1] de wedervraag of verhoorster alleen dat wil horen of ook wil horen wat zij bij verdachte heeft gedaan.20 Op de vraag tijdens het tweede studioverhoor wat [slachtoffer 1] de vorige keer heeft verteld over het misbruik buiten, antwoordt [slachtoffer 1], en blijkens het verbatim proces-verbaal van dat eerste verhoor correct, dat zij daar toen nog niks over heeft verteld. Zij vergist zich overigens als zij ook zegt nog niet te hebben verklaard over wat in het kantoor is gebeurd, maar wat zij dan in het tweede studioverhoor verklaart – dat daar alleen maar is gekust – komt overeen met wat zij in verband met die plek in het eerste studioverhoor heeft verklaard.21

[slachtoffer 1] verklaart ook – in het eerste studioverhoor (drie weken na de vondst van de bladzij) en meer dan een half jaar daarna in het tweede studioverhoor – hetzelfde (consistent) over het gebeuren en haar verklaringen vinden elders steun. De rechtbank wijst op het begin van het misbruik toen ze zes, zeven jaar was, en dat begin komt ook overeen met het nog in Deurne wonen en met het in groep 3 zitten.22 Voorts wijst de rechtbank op het gebeuren op de bank waar zij slaapt, wat ook overeenkomt met verdachtes eigen, niet door de raadsvrouwe bij haar betoog betrokken verklaring dat de kinderen (de rechtbank begrijpt: de kleinkinderen) op de bank of bij zijn vrouw en hem slapen, maar dat dit laatste niet vaak voorkomt omdat zijn vrouw daar geen voorstander van is.23 Ten slotte noemt de rechtbank het op de badkamer pijpen terwijl zij op de wc-bril zit, waaronder een keer dat haar oma wakker werd.24 Ook merkt de rechtbank op dat de hoezen van seksdvd’s in de loods, waarvan [slachtoffer 1] spreekt (en waarbij zij zich na een passende vraag ook tot het zien van de hoezen, dus niet de films, beperkt),25 daar in de tweede helft van 2008 ook daadwerkelijk waren26.

In verband met een complot tegen verdachte merkt de rechtbank op dat zij geen aanleiding ziet om aan door [slachtoffer 1] of haar moeder of stiefvader gegeven informatie te twijfelen. In de eerste plaats vindt de rechtbank het in beginsel onwaarschijnlijk dat een meisje van de leeftijd van [slachtoffer 1] zodanig in een complot van volwassenen kan worden betrokken dat zij verklaart zoals zij, blijkens hetgeen net is overwogen, heeft verklaard. De rechtbank ziet geen reden om daar in dit geval anders over te denken. Ook vindt de rechtbank het in beginsel onwaarschijnlijk dat iemand, laat staan een heel gezin, het hoofd van de familie van kindermisbruik beschuldigt, enkel omdat men van zijn bemoeizucht met hun leefstijl of met de manier van opvoeden van hun kinderen af wil. Ook hier is het tegendeel niet gebleken. Ten slotte weegt de rechtbank mee dat familieleden ook niet belastend voor verdachte hebben verklaard, waar dat de zaak van een van hen wel zou hebben ondersteund. Immers, in verband met de aangifte van [slachtoffer 2] (feit 2, zie hierna) verklaart noch [getuige 2] noch [getuige 3, oom slachtoffer 1] belastend.27 Een complot van de familie is dus geenszins aannemelijk gemaakt of geworden.

Op basis van al het voorgaande concludeert de rechtbank dat, met name ook waar het de kern van het ten laste gelegde betreft, [slachtoffer 1] informatie geeft op een door haar bepaalde wijze, onder door haar bepaalde omstandigheden en ten overstaan van door haar geaccepteerde personen, alsmede dat [slachtoffer 1] niet naar iemands mond praat, dat zij niet overdrijft waar dat wel had gekund, dat zij consistent verklaart en dat zij corrigeert waar informatie verkeerd overkomt. Ook vinden haar verklaringen op onderdelen aansluiting bij of steun in andere, betrouwbare verklaringen. Van een complot is geen sprake.

Conclusie.

De rechtbank heeft uit wettige bewijsmiddelen de overtuiging gekregen dat verdachte het ten laste gelegde onder 1 heeft begaan, zoals hierna in de bewezenverklaring zal worden gespecificeerd.

De bewijsbeslissing ten aanzien van feit 2.

Vaststaande feiten.

De rechtbank stelt de volgende feiten vast. [Verdachte], is de vader van [slachtoffer 2].28 Zij is geboren op [geboortedatum] 1980.29 Als zij zes, zeven jaar oud is, wonen verdachte en zijn gezin aan de [voormalig adres verdachte] in (woonplaats).30

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie vindt dat het ten laste gelegde op zich en anders met gebruik van een schakelbewijsredenering wettig en overtuigend kan worden bewezen.

Het standpunt van de verdediging.

De verdachte ontkent stellig dat hij het ten laste gelegde feit heeft gepleegd. Hij vermoedt dat zijn dochters en schoonzoons een complot tegen hem smeden, omdat zijn vrouw en hij zich bemoeien met hun levensstijl en de manier van opvoeden van hun kinderen. Namens verdachte is naar voren gebracht dat het ten laste gelegde niet wettig en overtuigend kan worden bewezen. In de eerste plaats vindt de verdediging dat het bewijs maar uit één bron afkomstig is (namelijk het gestelde slachtoffer [slachtoffer 2]). In de tweede plaats vindt de verdediging de informatie die [slachtoffer 2] geeft, onbetrouwbaar. Ten slotte heeft de raadsvrouwe aangevoerd dat hier geen schakelbewijsredenering mag worden gebruikt.

Het oordeel van de rechtbank.

Verwerping unus-testis-nullus-testisverweer (‘één getuige is geen getuige’).

De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsvrouwe dat het bewijs maar uit één bron afkomstig is en verwijst voor de motivering van die beslissing naar hetgeen daarover is overwogen in verband met het eerste ten laste gelegde feit.

Honorering betrouwbaarheidsverweer.

Het andere verweer van de raadsvrouwe slaagt en de rechtbank overweegt het volgende. [slachtoffer 2] verklaart over het misbruik dat met haar heeft plaatsgevonden. Zij benoemt één concreet geval circa twintig jaar geleden. Pas lang nadien realiseert zij zich dat het verdachte zou zijn geweest die haar heeft misbruikt.31 Anders dan bij [slachtoffer 1]s verklaring is er niets om [slachtoffer 2] verklaring op betrouwbaarheid te toetsen. Met name haar broer [getuige 3, oom slachtoffer 1], die volgens [slachtoffer 2] aanwezig is geweest tijdens de aanzet tot het incident, verklaart zich er absoluut niets van te kunnen herinneren.32 In het bijzonder geldt ook dat [getuige 1, moeder van slachtoffer 1]s verklaring in dezen geen uitkomst kan bieden. Zij verklaart immers over een ander incident en zegt daarover slechts dat ze heeft gezien dat verdachte hun gezamenlijke slaapkamer binnenkomt, naar haar toekomt en vervolgens naar het bed van haar zus [slachtoffer 2] gaat, maar dat zij zich daarna wegdraait en niets ziet of hoort.33 Ten slotte is in dit verband van belang dat [slachtoffer 2] het in de loop der jaren met haar zussen over misbruik in hun jeugd heeft gehad.34 Los van deze concrete zaak, wetenschappelijk onderzoek toont in zijn algemeenheid aan dat mensen die met elkaar praten, regelmatig samen, overigens zonder kwaad opzet, tot een voor hen waar, compleet verhaal komen, waarbij eventuele gaten worden ingevuld (zogenoemd ‘collaborative storytelling’).

De rechtbank moet de vraag beantwoorden of zij uit wettig bewijs de overtuiging heeft gekregen dat verdachte degene is geweest die [slachtoffer 2] heeft misbruikt. Die overtuiging heeft de rechtbank uit de weinige bewijsmiddelen niet gekregen. Wat er ook zij van de opvattingen van de officier van justitie en de raadsvrouwe over schakelbewijs, een dergelijke redenering zou dat niet anders maken. Ten overvloede, de rechtbank zegt hiermee niet dat [slachtoffer 2] niet is misbruikt en ook niet dat zij liegt. De rechtbank vindt alleen dat het te onzeker is om onder deze omstandigheden op basis van het weinige wettige bewijs dat er in dit geval is, tot een veroordeling van deze verdachte voor dit feit te komen.

Conclusie.

De rechtbank heeft uit de wettige bewijsmiddelen niet de overtuiging gekregen dat verdachte het ten laste gelegde onder 2 heeft begaan en zal hem daarvan vrijspreken.

De bewijsbeslissing ten aanzien van feit 3.

Vaststaande feiten.

De rechtbank stelt de volgende feiten vast. [Verdachte], is een buurman van [slachtoffer 3].35 Hij is een soort opa voor haar.36 [slachtoffer 3] is geboren op [geboortedatum] 1996.37 Verdachte woont met zijn gezin sinds juni 2006 en tot op het moment van zijn aanhouding op 3 februari 2009 aan het [voormalig adres verdachte] in Bakel.38 Van algemene bekendheid is dat Bakel in de gemeente Gemert-Bakel ligt. Een directe buurman van verdachte is [getuige 4].39 In het najaar van 2007 beschuldigt [slachtoffer 3] verdachte tegenover diens vrouw van seksueel misbruik.40

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie vindt dat het primair ten laste gelegde op zich en anders met gebruik van een schakelbewijsredenering wettig en overtuigend kan worden bewezen.

Het standpunt van de verdediging.

De verdachte ontkent stellig dat hij het ten laste gelegde feit heeft gepleegd. Hij vermoedt dat de [familie van slachtoffer 3] een complot tegen hem smeedt. Namens verdachte is naar voren gebracht dat het ten laste gelegde niet wettig en overtuigend kan worden bewezen. In de eerste plaats vindt de verdediging dat het bewijs maar uit één bron afkomstig is (namelijk het gestelde slachtoffer [slachtoffer 3]). In de tweede plaats vindt de verdediging de informatie die [slachtoffer 3] geeft, onbetrouwbaar. Ten slotte heeft de raadsvrouwe aangevoerd dat hier geen schakelbewijsredenering mag worden gebruikt.

Het oordeel van de rechtbank.

Bewijsoverwegingen.

De rechtbank overweegt ten aanzien van het bewijs als volgt. Als er in september of oktober van 2007 iets van een feest bij verdachte thuis is, neemt verdachte het initiatief om met [slachtoffer 3] een rondje te gaan lopen. Al spoedig duwt hij haar tegen het huis van zijn directe buurman [getuige 4] en probeert haar op de grond te krijgen. Verdachte maakt [slachtoffer 3]’s bh los en zit onder haar trui. Hij zoent haar op de mond, ook met zijn tong, maar het wordt geen tongzoen, want zij houdt haar lippen stijf opeen. Hij betast haar op de blote buik en tussen haar broek en haar onderbroek over de billen. [slachtoffer 3] probeert verdachte tevergeefs te ontwijken, zegt dat hij moet ophouden en heeft hem weggeduwd. Zij moet huilen en hij doet haar pijn als hij haar vastpakt.41

Verwerping unus-testis-nullus-testisverweer (‘één getuige is geen getuige’).

De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsvrouwe dat het bewijs maar uit één bron afkomstig is en verwijst voor de motivering van die beslissing naar hetgeen daarover is overwogen in verband met het eerste ten laste gelegde feit.

Verwerping betrouwbaarheidsverweer.

De rechtbank vindt de informatie van [slachtoffer 3] betrouwbaar en verwerpt het verweer van de verdediging op dit punt. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

In verband met wat wordt genoemd ‘collaborative storytelling’, hetgeen de rechtbank zo-even bij het betrouwbaarheidsverweer in verband met het tweede ten laste gelegde feit heeft besproken, is belangrijk dat al in het najaar van 2007 blijkt van de aanranding van [slachtoffer 3]. Direct na het gebeuren meldt [slachtoffer 3] zich overstuur bij haar moeder die, aantoonbaar, ook dan al actie onderneemt.42 Het gesprek tussen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] over seksueel misbruik vindt plaats na [slachtoffer 3]’s aanranding, zo leidt de rechtbank af uit de verklaring van [slachtoffer 1] dat [slachtoffer 3]’s ouders er zelf achter zijn gekomen43 en uit de wijze waarop [slachtoffer 3] over het gesprek spreekt (ze dacht ‘[verdachte] heeft gewoon aan haar gezeten net zoals hij bij mij heeft gedaan’ en ze wist wat [slachtoffer 1] bedoelde, ‘wat er met mij en [verdachte] was gebeurd en wat hij met mij had gedaan’)44. Van belang is nog dat [slachtoffer 3] desgevraagd zelf, en bij herhaling, niet zegt wat er nu eerder was, dat gesprek met [slachtoffer 1] of het misbruik: ‘dat vroeg die ene mevrouw de vorige keer ook al. Dat weet ik dus nie[t]’.45

[slachtoffer 3] verklaart niet onbetrouwbaar, maar juist consistent en controleerbaar over de datum waarop het incident bij het huis van buurman [getuige 4] plaatsvindt. Zij noemt weliswaar het vijftigste verjaardagsfeest van verdachtes vrouw (dat op 23 februari 2007 heeft plaatsgevonden), maar zegt meteen: ‘Zij was jarig of ja gewoon een feest trouwens weet ik niet meer’. Even tevoren verklaart zij dat het anderhalf jaar geleden is (dat is anderhalf jaar voor het studioverhoor op 10 februari 2009).46 De rechtbank begrijpt daarom dat het volgens [slachtoffer 3] op een feest in het najaar van 2007 was en is van oordeel dat de raadsvrouwe in haar conclusie [slachtoffer 3]’s opmerking dat het op de verjaardag van verdachtes vrouw is gebeurd, uit de context haalt. Najaar 2007 past bij de verklaring van [slachtoffer 3]’s moeder dat zij het verhaal eind september, begin oktober 2007 hoort, en dat is volgens [slachtoffer 3] meteen nadat het is gebeurd,47 bij het feit dat de ouders zo’n twee weken later van school horen dat [slachtoffer 3] over het misbruik is begonnen48 (waarover op 9 november 2007 een oudergesprek plaatsvindt)49 en dat zij in een ander oudergesprek verklaren dat het voorval ergens in september heeft gespeeld50. Ook in het tweede studioverhoor is [slachtoffer 3] uitdrukkelijk niet zeker over de aard van het feest. Zij verklaart bovendien dat het op een zomeravond buiten was en dat het heel benauwd en warm was.51 Dat laatste, zo is algemeen bekend, past niet bij een februariavond, maar wel bij een (na)zomeravond.

Anders dan de raadsvrouwe vindt de rechtbank dat de personen die in 2007 van [slachtoffer 3]’s aanranding horen, ook nadien in grote mate overeenkomstig verklaren en dat die verklaringen slechts op ondergeschikte punten uiteenlopen. Kern van de zaak is immers allereerst dat [slachtoffer 3] de feiten, die zij een à anderhalf jaar later in de studio vertelt, meteen en overstuur aan haar ouders heeft verteld.52 Voor zover de raadsvrouwe, blijkens door haar aangehaalde citaten, wil betogen dat [slachtoffer 3] bij haar eerste studioverhoor vertelt dat zij er eerst met haar moeder en dan met haar vader over praat, maar in haar tweede studioverhoor vertelt dat haar moeder degene is die het tegen haar vader vertelt, wordt miskend dat [slachtoffer 3] ook in het tweede studioverhoor duidelijk zegt dat haar moeder het binnen aan haar vader vertelt en dat zij er zelf bij staat en schreeuwt en het (verder) aan haar vader vertelt.53 In verband met het voorgaande vindt de rechtbank van belang dat [slachtoffer 3] zich niet gevoelig toont voor beïnvloeding door autoriteit. Zij blijft bij het standpunt dat haar moeder en niet haar vader de eerste was die van de aanranding hoorde, als haar moeder zegt – ten onrechte overigens – dat de rechter het tegendeel gelooft.54 Voorts blijkt uit verschillende verklaringen steevast dat er ook nog een confrontatie tussen [slachtoffer 3] en verdachtes vrouw heeft plaatsgevonden, dat [slachtoffer 3] zich ook dan, overstuur, thuis over de aanranding uitlaat en dat ook verdachtes dochter [getuige 5] er dan van hoort.55

De informatie die [slachtoffer 3] geeft vindt, waar enigszins mogelijk, bevestiging in objectieve informatie. De rechtbank wijst op het feit dat [slachtoffer 3] in 2007 op school een tekening van het gebeurde maakt – waarop te zien is: een huis met een groot raam, op een paadje een vrouwspersoon met de rug tegen dat huis en een manspersoon die haar betast, bosschages aan de andere kant – en daarbij schrijft dat het gaat om ‘[getuige 4] zijn huis’, hetgeen overeenkomt met de foto’s van het huis van verdachtes buurman [getuige 4], naar welke plaats [slachtoffer 3] desgevraagd de politie bijna twee jaar later zonder omwegen leidt.56 De gelopen route, de positionering en het huis van [getuige 4] met het grote raam komen ook terug in [slachtoffer 3]’s studioverklaringen.57

Ten slotte ziet de rechtbank geen enkele aanleiding om aan door [slachtoffer 3] of haar ouders gegeven informatie te twijfelen. Een complot is wederom geenszins aannemelijk gemaakt of geworden. Ook hier vindt de rechtbank het onwaarschijnlijk dat een meisje van de leeftijd van [slachtoffer 3] zodanig in een complot kan worden betrokken dat zij verklaart zoals zij, blijkens hetgeen net is overwogen, heeft verklaard en ook hier bestaat geen enkel redelijk motief voor een complot van deze aard.

Op basis van al het voorgaande concludeert de rechtbank dat, met name ook waar het de kern van het ten laste gelegde betreft, [slachtoffer 3], op authentieke wijze informatie geeft, die wat betreft de plaats delict steun vindt in andere, betrouwbare verklaringen en in objectief bewijs.

Conclusie.

De rechtbank heeft uit wettige bewijsmiddelen de overtuiging gekregen dat verdachte het ten laste gelegde onder 3 primair heeft begaan, zoals hierna in de bewezenverklaring zal worden gespecificeerd.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte

1.

op tijdstippen in de periode van 3 augustus 2006 tot en met 21 december 2008 in Nederland, telkens met [slachtoffer 1], geboren [geboortedatum] 2000, zijnde zijn kleindochter, die toen telkens de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, handelingen heeft gepleegd die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 1], hebbende verdachte:

- zijn vingers in de vagina van die [slachtoffer 1] gebracht en

- zijn tong in de mond van die [slachtoffer 1] gebracht en

- aan de vagina van die [slachtoffer 1] gelikt en

- zijn vinger in de anus van die [slachtoffer 1] gebracht en

- die [slachtoffer 1] zijn penis laten aftrekken en

- zijn penis in de mond van die [slachtoffer 1] gebracht en

- in de mond van die [slachtoffer 1] sperma gespoten, althans geürineerd en

- die [slachtoffer 1] haar tong in zijn, verdachtes, mond laten doen;

3. primair

in de periode van 1 september 2007 tot en met 1 november 2007 te Bakel, gemeente Gemert-Bakel, door geweld of feitelijkheden [slachtoffer 3] heeft gedwongen tot het dulden van ontuchtige handelingen, hebbende hij

- zijn tong tegen de mond/lippen van die [slachtoffer 3] gebracht en

- zijn hand onder de trui van die [slachtoffer 3] gebracht en haar bh losgemaakt en over de blote buik van die [slachtoffer 3] gewreven en

- zijn hand tussen de onderbroek en broek van die [slachtoffer 3] gebracht en aldus doende de billen van die [slachtoffer 3] aangeraakt

en bestaande dat geweld of die feitelijkheden uit het

met kracht duwen van die [slachtoffer 3] tegen een muur van een huis en

met kracht vastpakken van die [slachtoffer 3] en

onverhoeds kussen en betasten van die [slachtoffer 3] en

met kracht naar beneden duwen van die [slachtoffer 3].

De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De kwalificatie.

Het bewezenverklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.

De strafbaarheid.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van de feiten of van de verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen te zijnen laste bewezen is verklaard.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

10, 24c, 27, 36f, 57, 63, 244 en 246 Wetboek van Strafrecht.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

Ten aanzien van de feiten 1, 2 en 3 primair:

6 jaar gevangenisstraf met aftrek van voorarrest en

TBS met dwangverpleging.

De officier van justitie vordert dat de rechtbank in haar uitspraak het advies op grond van artikel 37b, tweede lid van het Wetboek van Strafrecht (Sr) opneemt, dat met TBS pas wordt aangevangen nadat verdachte twee derde van de opgelegde gevangenisstraf heeft uitgezeten.

Toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1], vermeerderd met de wettelijke rente, alsmede oplegging van de schadevergoedingsmaatregel,

toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3], vermeerderd met de wettelijke rente, alsmede oplegging van de schadevergoedingsmaatregel,

De officier van justitie vordert, indien de rechtbank niet overgaat tot het opleggen van de maatregel van TBS, een gevangenisstraf voor de duur van 10 jaar met aftrek van voorarrest.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsvrouwe heeft zich niet in het bijzonder uitgelaten over een op te leggen sanctie. Zij heeft geconcludeerd tot volledige vrijspraak en niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partijen.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte moet worden opgelegd, let de rechtbank op de aard van wat bewezen is verklaard. Ook kijkt de rechtbank naar de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank houdt rekening met de ernst van de strafbare feiten die de verdachte heeft gepleegd in verhouding tot andere feiten die de wet strafbaar stelt. Daarvoor kijkt de rechtbank naar de maximumstraffen die in de wet staan en naar de straffen die rechters doorgaans voor feiten als deze opleggen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan twee ernstige zedendelicten. Hij heeft de zes- tot achtjarige [slachtoffer 1] gedurende ongeveer twee jaar en vier maanden grof seksueel misbruikt. Verdachte heeft zich meermaals aan haar vergrepen en is daarbij verschillende lichaamsopeningen binnengedrongen. Hij heeft slechts aan zijn eigen gerief gedacht en zelfs tegen haar kenbare wil in zijn zin doorgezet. Ook heeft verdachte de elfjarige [slachtoffer 3] aangerand. Hij heeft haar met een smoes van mensen weggelokt om zijn lusten te bevredigen, terwijl zij hem duidelijk maakte dat zij dit niet wilde. Verdachte is de opa van [slachtoffer 1] en was, zo zagen zij dat allebei, een surrogaatopa voor [slachtoffer 3]. Het bijzondere vertrouwen dat de meisjes in hem mochten hebben, heeft verdachte beschaamd. Hij heeft [slachtoffer 1] in een ernstige tweestrijd gebracht: zij moest kiezen tussen het zich laten welgevallen van zijn wangedrag en het niet meer zien van verdachtes vrouw, haar oma, op wie zij zo is gesteld. [slachtoffer 3] heeft geruime tijd naast de man moeten wonen die haar met geweld tot ontucht heeft gebracht. Verdachtes gedrag heeft twee onschuldige meisjes mogelijk voor het leven getekend. Hij heeft bovendien zijn omgeving, waaronder zijn eigen, ooit hechte familie ernstig leed toegebracht.

De rechtbank let ook op de persoon van verdachte. Uit het dossier komt het beeld naar voren van een man die gewend is zijn zin te krijgen en die zich aan regels en aan opvattingen van anderen weinig gelegen laat liggen. Dat blijkt onder meer uit het uitgebreide strafblad dat verdachte sinds 1969 heeft opgebouwd. Daarop staan overigens geen strafbare feiten die soortgelijk zijn aan wat nu bewezen is verklaard. De rechtbank heeft kennis genomen van het voorlichtingsrapport dat (reclasseringsmedewerker) van Reclassering Nederland op 25 maart 2009 heeft uitgebracht. Over verdachte is door psychiater (psychiater) gerapporteerd op 9 april 2009 en door psycholoog (psycholoog) op 15 april 2009. Uit laatstgenoemde twee rapporten blijkt dat ten tijde van de feiten sprake was van een ziekelijke stoornis van de geestvermogens in de vorm van een antisociale persoonlijkheidsstoornis; over een seksuele stoornis of parafilie kan niets worden gezegd. De rechtbank neemt die bevindingen en conclusies van de psychiater en de psycholoog over.

De officier van justitie heeft primair gevorderd dat naast gevangenisstraf ook TBS met dwangverpleging zal worden bevolen. Daarom zal de rechtbank zich eerst uitlaten over de terbeschikkingstelling. De officier van justitie stelt terecht dat artikel 37a, eerste lid Sr in verband met de maatregel van terbeschikkingstelling niet meer eist dan dat een stoornis ten tijde van de feiten bestond en dus niet dat de feiten het gevolg zijn van verdachtes geestesgesteldheid (HR 22 januari 2008, LJN BC1311). Genoemd artikel bepaalt echter ook dat de rechter terbeschikkingstelling kan bevelen, indien, onder meer, de veiligheid van anderen het opleggen van die maatregel eist. In dat kader speelt voor de rechtbank in de eerste plaats een rol dat bij verdachte slechts kan worden vastgesteld dat sprake is van een antisociale persoonlijkheidsstoornis en niet van, kort gezegd, ziekelijke seksuele afwijkingen. Aan die persoonlijkheidsstoornis moet verdachte, gelet op zijn levensloop, al veel langer lijden. Dat heeft gedurende vele decennia tot allerlei delicten geleid, maar nooit aantoonbaar tot seksueel delictgedrag. Daarbij merkt de rechtbank op dat het dossier weliswaar bol staat van beschuldigingen van seksueel misbruik door en met allerlei personen en dat onder 2 aan verdachte ook vroeger misbruik in de familie ten laste is gelegd, maar dat nooit daadwerkelijk is vastgesteld dat verdachte daarbij betrokken is en dat de rechtbank verdachte wegens gebrek aan overtuigend bewijs ook zal vrijspreken van het onder 2 ten laste gelegde misbruik van een van zijn dochters. In de tweede plaats is voor de rechtbank van belang dat in het onderhavige geval aan de beveiliging van de samenleving kan worden tegemoetgekomen door het opleggen van een gevangenisstraf. Met name is dan belangrijk dat op 1 juli 2008 de Wet van 6 december 2007, Stb. 2007, 500 in werking is getreden. Vervroegde invrijheidstelling is toen veranderd in voorwaardelijke invrijheid-stelling. Nadat iemand twee derde van zijn straf heeft uitgezeten, wordt hij niet langer zo maar vrijgelaten, maar kan het openbaar ministerie bijzondere voorwaarden stellen. Het kan dan gaan om het ondergaan van bijzondere zorg, zoals geestelijke gezondheidszorg. Het resterende derde deel van de gevangenisstraf blijft voor een periode die zo lang duurt als dat gedeelte boven het hoofd van de verdachte hangen (artikelen 15 en 15a Sr). Gelet op een en ander ziet de rechtbank geen noodzaak om te bevelen dat verdachte ter beschikking wordt gesteld.

De rechtbank vindt dat verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf moet krijgen en wel voor de duur als hierna te noemen. Met een andere straf of een (deels) voorwaardelijke of kortere gevangenisstraf wordt niet voldoende vergolden wat verdachte de meisjes heeft aangedaan en wordt het belang van de samenleving, die tegen verdachte moet worden

beveiligd, niet voldoende gediend. Van een van de beschuldigingen van ernstig seksueel misbruik, die een periode van vele jaren zou bestrijken, zal verdachte worden vrijgesproken. Daarom zal de op te leggen gevangenisstraf lager uitvallen dan de officier van justitie heeft geëist.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1].

De rechtbank acht de vordering in haar geheel toewijsbaar, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 21 december 2008 tot de dag der algehele voldoening.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil. Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 21 december 2008 tot de dag der algehele voldoening.

Aangezien aldus aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat verdachte van de schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde is bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot schadevergoeding.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3].

De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering, aangezien deze niet van zo eenvoudige aard is dat zij zich leent voor behandeling in het strafgeding. Met alleen de zin dat [slachtoffer 3] niet meer naar buiten durft, is de schadeclaim namelijk onvoldoende onderbouwd.

De benadeelde partij kan haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De rechtbank zal, nu de vordering niet wordt toegewezen, de benadeelde partij veroordelen in de kosten. Deze kosten worden tot op heden begroot op nihil.

Voorlopige hechtenis.

Het standpunt van de verdediging.

Namens verdachte is bepleit dat de voorlopige hechtenis wordt opgeheven als logisch gevolg van de bepleite integrale vrijspraak. Voorts heeft de verdediging met een beroep op artikel 5 van het Europees verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), alsmede onder verwijzing naar een beschikking van het Gerechtshof in ’s-Gravenhage van 22 juli 2009, LJN BJ3346, verzocht om tijdelijke schorsing van de voorlopige hechtenis. Daartoe is gesteld dat de tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis die is gekoppeld aan een eerder bij onherroepelijke beslissing aan verdachte opgelegde schadevergoedingsmaatregel, een minder zware inbreuk is op verdachtes recht op persoonlijke vrijheid dan de vrijheidsbeneming die het gevolg is van toepassing van voorlopige hechtenis. Verdachte zou daarom in de gelegenheid moeten worden gesteld die vervangende hechtenis, waarvan de executie is aangekondigd, uit te zitten.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie ziet, gelet op zijn requisitoir, geen aanleiding voor het opheffen van de voorlopige hechtenis. Hij verzet zich tegen schorsing van de voorlopige hechtenis en wijst op het verschil tussen de in genoemde Haagse beschikking aan de orde zijnde gevangenisstraf en de hier relevante ‘vervangende’ hechtenis bij een maatregel, alsmede op het feit dat het Haagse Hof in zijn beschikking ruimte laat voor afwijking van de geponeerde algemene regel.

Het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank stelt vast dat, gelet op het vonnis van heden, nog steeds is voldaan aan de wettelijke vereisten voor voorlopige hechtenis, die zijn neergelegd in de artikelen 67 en 67a Sv. De rechtbank wijst het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis daarom af.

Naar aanleiding van het verzoek om schorsing van de voorlopige hechtenis overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank volgt het standpunt van de raadsvrouwe en van het Gerechtshof in Den Haag niet. Artikel 68, eerste lid, eerste volzin Sv bepaalt immers, voor zover hier relevant, dat de termijn gedurende welke een bevel tot voorlopige hechtenis van kracht is, niet loopt gedurende de tijd dat de verdachte uit anderen hoofde rechtens van zijn vrijheid is beroofd. Voor de situatie dat het openbaar ministerie besluit om aan iemand die zich in voorlopige hechtenis bevindt, zijn vrijheid te ontnemen op basis van een andere titel heeft de wetgever dus een regeling getroffen. De rechtbank merkt bovendien op dat deze regeling recht doet aan artikel 5 EVRM en hetgeen de raadsvrouwe daarover heeft gesteld: de beslissing om (onder meer) vervangende hechtenis ten uitvoer leggen, gaat voor op voorlopige hechtenis. De rechtbank wijst daarom ook het verzoek om schorsing van de voorlopige hechtenis af. Ambtshalve overweegt de rechtbank nog dat overigens geen persoonlijke redenen zijn gebleken die zouden moeten voorgaan op het strafvorderlijke belang dat is gemoeid met het voortduren van verdachtes voorlopige hechtenis.

DE UITSPRAAK

T.a.v. feit 2:

Vrijspraak, achtende de rechtbank het tenlastegelegde niet wettig en overtuigend bewezen.

Verklaart het tenlastegelegde onder 1 en 3 primair bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op de misdrijven:

T.a.v. feit 1:

met iemand beneden de leeftijd van twaalf jaren handelingen plegen die mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd

T.a.v. feit 3 primair:

feitelijke aanranding van de eerbaarheid

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straf en maatregel.

T.a.v. feit 1, feit 3 primair:

Gevangenisstraf voor de duur van 5 jaar, met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht.

T.a.v. feit 1:

Maatregel van schadevergoeding van EUR 5.000,00 subsidiair 60 dagen hechtenis.

Legt derhalve aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1] van een bedrag van EUR 5.000,00 (zegge: vijfduizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 60 dagen hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 21 december 2008 tot de dag der algehele voldoening.

De toepassing van deze vervangende hechtenis heft de hiervoor genoemde

betalingsverplichting niet op.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]:

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] van een bedrag van EUR 5.000,00 (zegge: vijfduizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 21 december 2008 tot de dag der algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil. Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voorzover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.

T.a.v. feit 3 primair:

Niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij [slachtoffer 3] in haar vordering.

Veroordeelt de benadeelde partij in de kosten van de verdachte tot op heden begroot op nihil.

Wijst af het verzoek tot opheffing dan wel schorsing van de voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. E.C.M. de Klerk, voorzitter,

mr. E.M.J. Raeijmaekers en mr. F. van Laanen, leden,

in tegenwoordigheid van L.M.E. de Roo, griffier,

en is uitgesproken op 28 augustus 2009.

1 Verklaring verdachte ter terechtzitting, d.d. 14 augustus 2009 (hierna: verdachte ter zitting).

2 Geboorteakte [slachtoffer 1], d.d. [geboortedatum] 2000, einddossier p. 70.

3 Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 4] bij de rechter-commissaris, d.d. 7 juli 2009 (hierna: RC-verhoor [getuige 4]), ongenummerde p. 1, 2e alinea; notulen oudergesprek ouders [slachtoffer 3] (schriftelijke bescheiden), d.d. 20 november 2007 (hierna: notulen 2e oudergesprek), einddossier p. 247; proces-verbaal van aanhouding van verdachte, d.d. 3 februari 2009, einddossier p. 37.

4 Proces-verbaal van aangifte door [getuige 1], d.d. 8 januari 2009 (hierna: aangifte [getuige 1]), einddossier p. 53-54; proces-verbaal van (2e) verhoor verdachte, d.d. 3 februari 2009 (hierna: 2e politieverhoor verdachte), einddossier p. 172.

5 Verdachte ter zitting; RC-verhoor [getuige 4], ongenummerde p. 2, middelste drie alinea’s; proces-verbaal van (5e) verhoor van verdachte, d.d. 4 februari 2009 (hierna: 5e politieverhoor verdachte), einddossier p. 195; proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 6] bij de rechter-commissaris, d.d. 24 juli 2009 (hierna: RC-verhoor [getuige 6]), ongenummerde p. 1, laatste alinea.

6 Schriftelijk bescheid, d.d. 13 december [2008], einddossier p. 66.

7 Aangifte [getuige 1], einddossier p. 53-55; proces-verbaal van (2e studio)verhoor van getuige [slachtoffer 1], d.d. 22 juli 2008 (hierna: 2e studioverhoor [slachtoffer 1]), p. 5; 2e politieverhoor verdachte, einddossier p. 171; proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 7] bij de rechter-commissaris, d.d. 23 juli 2009 (hierna: RC- verhoor [getuige 7]), ongenummerde p. 2, 1e alinea.

8 Aangifte [getuige 1], einddossier p. 53.

9 Aangifte [getuige 1], einddossier p. 53 en 55; proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 2], d.d. 9 januari 2009 (hierna: politieverhoor [getuige 2]), einddossier p. 129.

10 Proces-verbaal van (1e studio)verhoor van getuige [slachtoffer 1] (hierna: 1e studioverhoor [slachtoffer 1]), einddossier p. 96; 2e studioverhoor [slachtoffer 1], p. 6 en 10; aangifte [getuige 1], einddossier p. 56; deskundigenrapport van drs. W.P.F. Fagel, d.d. 5 juni 2009.

11 1e studioverhoor [slachtoffer 1], einddossier p. 86, 91-123 en de tijdens dat verhoor door [slachtoffer 1] geschreven passages (schriftelijke bescheiden), einddossier p. 78-79 (8e t/m 13e regel van boven en 2e en 3e regel van onderen); 2e studioverhoor [slachtoffer 1], p. 5-8, 11-16 en 25; proces-verbaal van bevindingen informatief gesprek [getuige 1], d.d. 5 januari 2009 (hierna: informatief gesprek [getuige 1]), einddossier p. 47-48; aangifte [getuige 1], einddossier p. 53, 56-58 en 61; brief kinderarts (kinderarts) (schriftelijk bescheid), d.d. 6 januari 2009 (hierna: brief (kinderarts)), einddossier p. 66a-67 en de tijdens het consult door [slachtoffer 1] geschreven passages (schriftelijk bescheid), einddossier p. 69; politieverhoor [getuige 2], einddossier p. 129 en 132. Voor verdachtes vrijwilligerswerk in genoemde loods: verdachte ter zitting, d.d. 14 augustus 2009 en proces-verbaal van (3e) verhoor van verdachte, d.d. 4 februari 2009, einddossier p. 181.

12 2e studioverhoor [slachtoffer 1], p. 11 en 23.

13 Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 1], d.d. 29 april 2009, p. 1-2.

14 Informatief gesprek [getuige 1], einddossier p. 47; aangifte [getuige 1], einddossier p. 55; 2e studioverhoor [slachtoffer 1], p. 6.

15 Politieverhoor [getuige 2], einddossier p. 129.

16 Aangifte [getuige 1], einddossier p. 56 en 58.

17 Aangifte [getuige 1], einddossier p. 60-61; brief (kinderarts), einddossier p. 66a-67 en de tijdens het consult door [slachtoffer 1] geschreven passages (schriftelijk bescheid), einddossier p. 69.

18 1e studioverhoor [slachtoffer 1], einddossier p. 86-87 en 89 en de tijdens dat verhoor door [slachtoffer 1] geschreven passages, einddossier p. 78-79 (8e t/m 13e regel van boven en 2e en 3e regel van onderen) (schriftelijke bescheiden).

19 1e studioverhoor [slachtoffer 1], einddossier p. 98.

20 1e studioverhoor [slachtoffer 1], einddossier p. 111.

21 2e studioverhoor [slachtoffer 1], p. 25, ook in vergelijk met 1e studioverhoor [slachtoffer 1], einddossier p. 94, 104 en m.n. 111.

22 Aangifte [getuige 1], einddossier p. 53-54; 1e studioverhoor [slachtoffer 1], einddossier p. 93 en 115; 2e studioverhoor [slachtoffer 1], p. 5.

23 Proces-verbaal van (1e) verhoor verdachte, d.d. 3 februari 2009, einddossier p. 167; 1e studioverhoor [slachtoffer 1], einddossier p. 94-95 en 115; 2e studioverhoor [slachtoffer 1], p. 5.

24 1e studioverhoor [slachtoffer 1], einddossier p. 112-113; 2e studioverhoor [slachtoffer 1], p. 14-15.

25 1e studioverhoor [slachtoffer 1], einddossier p. 121-122.

26 Verdachte ter zitting; RC-verhoor [getuige 4], ongenummerde p. 2, middelste drie alinea’s; 5e politieverhoor verdachte, einddossier p. 195.

27 Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 1] bij de rechter-commissaris, d.d. 22 juli 2009 (hierna: RC- verhoor [getuige 1]), ongenummerde p. 4, 1e alinea; proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 3] (hierna: politieverhoor [getuige 3]), d.d. 18 februari 2009, einddossier p. 160.

28 Verklaring verdachte ter terechtzitting, d.d. 14 augustus 2009 (hierna: verdachte ter zitting).

29 Geboorteakte [slachtoffer 2], d.d. 13 oktober 1980, einddossier p. 227.

30 Proces-verbaal van bevindingen (informatief gesprek [slachtoffer 2]), d.d. 16 januari 2009, einddossier p. 208; proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 2], d.d. 16 januari 2009, einddossier p. 215; proces-verbaal van (4e) verhoor verdachte, d.d. 4 februari 2009 (hierna: 4e politieverhoor verdachte), einddossier p. 189.

31 Proces-verbaal van verhoor van getuige [slachtoffer 2] bij de rechter-commissaris, d.d. 22 juli 2009 (hierna: RC-verhoor [slachtoffer 2]), ongenummerde p. 1, laatste alinea.

32 Politieverhoor [getuige 3], einddossier p. 160.

33 RC-verhoor [getuige 1], ongenummerde p. 4, 1e alinea.

34 RC-verhoor [slachtoffer 2], ongenummerde p. 1-2, laatste resp. eerste alinea; proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 5] bij de rechter-commissaris, d.d. 22 juli 2009 (hierna: RC-verhoor [getuige 5]), ongenummerde p. 3, laatste twee alinea’s.

35 Verdachte ter zitting.

36 Verdachte ter zitting; proces-verbaal van (1e studio)verhoor van getuige [slachtoffer 3], d.d. 10 februari 2009 (hierna: 1e studioverhoor [slachtoffer 3]), p. 24; proces-verbaal van (2e studio)verhoor van getuige [slachtoffer 3], d.d. 21 juli 2009 (hierna: 2e studioverhoor [slachtoffer 3]), p. 14.

37 Geboorteakte [slachtoffer 3], d.d. [geboortedatum] 1996, einddossier p. 237.

38 RC-verhoor [getuige 4], ongenummerde p. 1, 2e alinea; notulen 2e oudergesprek, einddossier p. 247; proces-verbaal van aanhouding van verdachte, einddossier p. 37.

39 RC-verhoor [getuige 4], ongenummerde p. 1, 1e alinea, en p. 2-3, laatste resp. eerste alinea.

40 Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 6], d.d. 11 februari 2009; einddossier p. 153; RC-verhoor [getuige 6], ongenummerde p. 2, 1e alinea; 1e studioverhoor [slachtoffer 3], p. 42; 4e politieverhoor verdachte, einddossier p. 190; proces-verbaal van bevindingen (informatief gesprek [getuige 8, moeder slachtoffer 3] en [getuige 9, vader slachtoffer 3]), d.d. 28 januari 2009 (hierna: informatief gesprek [getuige 8] en [getuige 9]), einddossier p. 230; proces-verbaal van aangifte door [getuige 8, moeder slachtoffer 3], d.d. 3 februari 2009 (hierna: aangifte [getuige 8]), einddossier p. 234.

41 1e studioverhoor [slachtoffer 3], p. 3-18, 24 en 29-33; 2e studioverhoor [slachtoffer 3], p. 13 en 15; informatief gesprek [getuige 8] en [getuige 9], einddossier p. 230; aangifte [getuige 8], einddossier p. 234; notulen oudergesprek ouders [slachtoffer 3] (schriftelijke bescheiden), d.d. 9 november 2007 (hierna: notulen 1e oudergesprek), einddossier p. 238-239; notulen 2e oudergesprek, einddossier p. 241; tekening en tekst van [slachtoffer 3] (schriftelijke bescheiden), einddossier p. 243-244.

42 1e studioverhoor [slachtoffer 3], p. 18-19; 2e studioverhoor [slachtoffer 3], p. 11 en 14-18; informatief gesprek [getuige 8] en [getuige 9], einddossier p. 230; aangifte [getuige 8], einddossier p. 234; proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 8, moeder slachtoffer 3] bij de rechter-commissaris, d.d. 22 juli 2009 (hierna: RC-verhoor [getuige 8]), ongenummerde p. 1-2, laatste resp. eerste alinea; proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 9, vader slachtoffer 3] bij de rechter-commissaris, d.d. 24 juli 2009 (hierna: RC-verhoor [getuige 9]), ongenummerde p. 1, voorlaatste alinea.

43 2e studioverhoor [slachtoffer 1], p. 20.

44 2e studioverhoor [slachtoffer 3], p. 23.

45 2e studioverhoor [slachtoffer 3], p. 21.

46 1e studioverhoor [slachtoffer 3], p. 8.

47 Aangifte [getuige 8], einddossier p. 234; 1e studioverhoor [slachtoffer 3], p. 18-20; 2e studioverhoor [slachtoffer 3], p. 11-169.

48 Tekening en tekst (schriftelijke bescheiden), einddossier p. 243-244.

49 Notulen 1e oudergesprek, einddossier p. 238-239.

50 Notulen 2e oudergesprek, einddossier p. 241.

51 2e studioverhoor [slachtoffer 3], p. 7-8 en 10-11.

52 Informatief gesprek [getuige 8] en [getuige 9], einddossier p. 230; notulen 1e oudergesprek, einddossier p. 239; aangifte [getuige 8], einddossier p. 234; 1e studioverhoor [slachtoffer 3], p. 18-20; 2e studioverhoor [slachtoffer 3], p. 11-169; RC-verhoor [getuige 5], ongenummerde p. 1, 3e alinea; RC-verhoor [getuige 8], ongenummerde p. 1, laatste alinea.

53 2e studioverhoor [slachtoffer 3], p. 16-18.

54 2e studioverhoor [slachtoffer 3], p. 17.

55 Informatief gesprek [getuige 8] en [getuige 9], einddossier p. 230; notulen 1e oudergesprek, einddossier p. 239; aangifte [getuige 8], einddossier p. 234; 1e studioverhoor [slachtoffer 3], p. 40-42; 2e studioverhoor [slachtoffer 3], p. 18-19; RC-verhoor [getuige 5], ongenummerde p. 1, 3e alinea; RC-verhoor [getuige 8], ongenummerde p. 1, laatste alinea.

56 Tekening en tekst van [slachtoffer 3] (schriftelijke bescheiden), einddossier p. 243-244; proces-verbaal van bevindingen, d.d. 23 juni 2009 en de daarbij gevoegde foto’s 13-18.

57 1e studioverhoor [slachtoffer 3], p. 9-12 en 34-36 Tekening en tekst van [slachtoffer 3] (schriftelijke bescheiden), einddossier p. 243-244; proces-verbaal van bevindingen, d.d. 23 juni 2009 en de daarbij gevoegde foto’s 13-18.