Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2009:BJ5631

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
05-08-2009
Datum publicatie
19-08-2009
Zaaknummer
182769
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2011:BQ0003, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verkoop onderneming door beherend vennoot cv; bevoegdheidsverdeling; omvang schade na ontbinding en opvolgende verkoop

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 2
Burgerlijk Wetboek Boek 2 203
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 74
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JRV 2009, 748
JIN 2009/626
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 182769 / HA ZA 08-2077

Vonnis van 5 augustus 2009

in de zaak van

PAULUS GUILLELMUS JOHANNES WERTENBROEK

in hoedanigheid van curator in het faillissement van de commanditaire vennootschap

CAFE-ZAAL DE LIJMBEEK C.V.,

wonende te Eindhoven,

eiser,

advocaat mr. O.F.J. Moorman van Kappen te Eindhoven

tegen

1. [E],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

advocaat mr. H.A.M.J. Loeffen te Geldrop

2. [J],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

advocaat mr. I.K. Kolev te Hapert

Partijen zullen hierna de curator en [E] en [J] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 11 maart 2009

- het proces-verbaal van comparitie van 20 mei 2009

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Bij akte, gedateerd 1 juli 2004, is opgericht de commanditaire vennootschap Cafe-Zaal De Lijmbeek CV te Eindhoven. Als beherende vennoten traden op [C] en (wijlen) [H]; [Y] is commanditair vennoot. De vennootschap had ten doel de exploitatie van een horecaonderneming (cafebedrijf) aan de Lijmbeekstraat 173 te Eindhoven. Deze onderneming werd gedreven onder de handelsnaam ‘Cafe-zaal De Lijmbeek’.

2.2. Bij schriftelijke overeenkomst van 12 april 2007 heeft [C] verkocht aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Fifties BV i.o., vertegenwoordigd door [E] en [J] ‘de gehele inventaris, goodwill en het recht om de handelsnaam te voeren van het door verkoper voor eigen rekening gedreven bedrijf gevestigd te Eindhoven aan de Lijmbeekstraat 173, genaamd: Café – zaal “De Lijmbeek”, zoals nader omschreven op de aan dit koopkontrakt als bijlage aangehechte, door partijen geparafeerde inventarislijst, op de in deze overeenkomst vastgelegde voorwaarden’.

De koopsom bedroeg EUR 40.000,-, waarvan EUR 38.000,- voor inventaris en EUR 2.000,- goodwill. Levering zou geschieden uiterlijk op 1 juli 2007 of zoveel eerder als partijen mochten overeenkomen. De verkoper staat er ingevolge artikel 8.1 van de overeenkomst voor in dat de levering geschiedt in volle, vrije en onbezwaarde eigendom, zonder enig eigendomsvoorbehoud van derden en zonder pandrechten ten behoeve van derden. Zoals overeengekomen werd op 17 april april 2007 door Fifties BV i.o. een bedrag van EUR 4.000,- overgemaakt op het bankrekeningnummer van de – ten verzoeke van [C] – bemiddelende makelaar Klaassen, zulks onder vermelding van ‘waarborgsom De Lijmbeek’.

2.3. Bij vonnis van deze rechtbank van 30 mei 2007 werd Cafe-Zaal De Lijmbeek c.v. alsook haar beherend vennoot [C] in staat van faillissement verklaard, met benoeming van mr. Wertenbroek tot curator in beide faillissementen.

Bij brief van 4 juni 2007 heeft de curator aan [E] en [J] laten weten dat hij voornemens is – gelijk eerder al tijdens een bespreking met [E] op 31 mei 2007 aangegeven - om de tussen hen en [C] op 12 april 2007 gesloten koopovereenkomst gestand te doen en dat hij daartoe toestemming zal vragen aan de rechter-commissaris. De curator gaf verder aan dat hij nog nader contact zou zoeken in verband met de verdere uitwerking.

2.4. Bij brief van 26 juni 2007 liet mr. Kolev namens [E] en [J] aan de curator het volgende weten (voor zoveel hier van belang):

‘Op 12 april hebben cliënten ([E] en [J], Rb) een overeenkomst van koop en verkoop gesloten met [C], thans uw failliet. (…).

In artikel 8 van de betreffende overeenkomst is bepaald en bedongen dat de verkoper en voor instaat dat de levering geschiedt in volle vrij en onbezwaarde eigendom zonder eigendomsvoorbehouden en pandrechten van en behoeve van derden. Cliënten, althans cliënt [J] is inmiddels bezocht door een vertegenwoordiger van Heineken, de brouwerij. De heer Mars deelde cliënt mede dat de brouwerij reeds langer geleden pandrecht heeft gevestigd op de gehele inventaris van het café welk pandrecht door uw failliet is verleend. Het pandrecht strekt tot zekerheid van de terugbetaling van een door de brouwerij aan de heer [C] verstrekte geldlening waarop niet is afgelost noch rente is betaald. De brouwerij deelt mede de desbetreffende zekerheid uit te winnen. Zulks is door de heer Maes inmiddels telefonisch aan mij bevestigd. (…)

Voorts constateerden cliënten na het leggen van een derdenbeslag, op verzoek van [Y] dat de failliet voorts heeft verzwegen dat er tussen hem en de heer [Y] een vennootschapsakte was gesloten op grond waarvan de failliet niet bevoegd was tot vervreemding van een of meer zaken of rechten die tot de onderneming behoorde zonder uitdrukkelijke toestemming van de andere vennoot. De failliet was derhalve in tegenstelling in de koopovereenkomst werd verklaard, niet bevoegd over zaken en rechten tot de onderneming behorend, te beschikken.

Middels dit schrijven wordt dan ook voor en namens cliënten ingevolge artikel 12 lid 1 van de gesloten overeenkomst de buitengerechtelijke ontbinding van deze overeenkomst ingeroepen. (…)’.

2.5. Op 9 juli 2007 is de reeds betaalde waarborgsom ad EUR 9.000,- - buiten medeweten van de curator - door Klaassen terugbetaald aan Fifties BV i.o. De curator heeft niet in de ontbinding berust en [E] en [J] bij brief van 1 augustus 2007 gesommeerd tot nakoming van de overeenkomst van 12 april 2007. Omdat [E] aangaf niet na te zullen komen ontbond de curator vervolgens de met hem en [J] gesloten overeenkomst.

2.6. Op 31 augustus 2007 sloot de curator een overnameovereenkomst met [J], handelend onder de naam Fifties BV i.o.. Op grond van deze overeenkomst droeg de curator de inventaris en goodwill van de horecaonderneming aan Fifties BV i.o. over tegen betaling van een koopsom van EUR 28.232,-. Van deze koopsom had EUR 22.000,- betrekking op de inventaris, EUR 2.000,- op goodwill, EUR 1.000,- boedelbijdrage en EUR 3.232,- boedelbijdrage in verband met huurschuld. De overdracht vond plaats vrij van pandrechten; de curator verleende te dier zake vrijwaring.

2.7. Fifties BV i.o. werd opgericht op 12 oktober 2007 en heeft de – inmiddels ontbonden – overname-overeenkomst van 12 april 2007 niet bekrachtigd.

3. Het geschil

3.1. De curator vordert samengevat - veroordeling van [E] en [J] tot betaling van EUR 16.000,- vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 juli 2007, althans 1 augustus 2007, althans met ingang van een door de rechtbank in goede justitie te bepalen datum tot aan de dag der algehele voldoening zomede tot betaling van EUR 952,- buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten.

De curator voert daartoe – kort gezegd – het volgende aan. [E] en [J] zijn tekortgeschoten in de nakoming van hun verplichtingen uit hoofde van de overeenkomst van 12 april 2007. Op grond van artikel 2: 203 lid 2 jo art. 6:74 Burgerlijk Wetboek (BW) zijn [E] en [J] hoofdelijk aansprakelijk voor de schade die de curator als gevolg van die tekortkoming heeft geleden, bestaande uit een lagere verkoopopbrengst. De schade bedraagt EUR 16.000,- zijnde het verschil tussen de oorspronkelijke verkoopprijs ad 40.000,- minus de feitelijk gerealiseerde verkoopopbrengst voor de inventaris en goodwill ad EUR 24.000,-. De boedelbijdragen die zijn betaald bovenop de EUR 24.000,- zijn te beschouwen als wanprestatieschade. Zo is de huurachterstand, ter zake waarvan een bijdrage ad EUR 3.232,- is betaald, pas ontstaan nadat duidelijk werd dat de overeenkomst van 12 april 2007 niet zou worden nagekomen.

3.2. [E] en [J] voeren verweer. Zij beroepen zich, onafhankelijk van elkaar, primair op het feit dat [C] niet in hoedanigheid van beherend vennoot van de commanditaire vennootschap heeft gehandeld doch in persoon en dat de curator, nu hij optreedt in hoedanigheid van curator in het faillissement van de commanditaire vennootschap, rechten voortvloeiende uit de door [C] voor zichzelf gesloten overeenkomst niet kan uitoefenen. Zij beroepen zich daarbij op het feit dat de commanditaire vennootschap een van het privé-vermogen van haar beherende vennoten afgescheiden vermogen kent.

Subsidiair beroepen [E] en [J] zich op de gevolgen van de namens hen bij brief van 26 juni 2007 ingeroepen buitengerechtelijke ontbinding van de overeenkomst van 12 april 2007. Deze ontbinding hield verband met het feit dat [C] had verzwegen dat hij niet bevoegd was om – zonder instemming van Yalcin, de commanditaire vennoot - de onderneming te verkopen, hetgeen bleek na de totstandkoming van de overeenkomst, toen Yalcin conservatoir beslag legde onder [E] en [J] ter zake de door hen te betalen kooppenningen. [C] heeft bovendien verzwegen dat de inventaris belast was met een pandrecht van Heineken. Meer subsidiair betwisten [E] en [J] dat er schade is opgetreden als gevolg van het feit dat zij niet hebben afgenomen. Er bestaat geen verband met de lagere opbrengst die de curator heeft gerealiseerd. Uiterst subsidiair stelt [J] tenslotte nog dat de vordering van de curator in strijd is met de redelijkheid en billijkheid en misbruik van recht oplevert.

3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. De rechtbank verwerpt het betoog van [E] en [J] dat [C] voor zichzelf heeft gehandeld en niet namens de commanditaire vennootschap, rechthebbende van de aan [E] en [J] verkochte onderneming. Om te beginnen moet voor [E] en [J] duidelijk zijn geweest dat [C] ter zake de verkoop optrad in hoedanigheid van beherend vennoot nu een van de door [E] en [J] over te nemen overeenkomsten, de bruikleenovereenkomst met Heineken, de commanditaire vennootschap, als wederpartij vermeld, met [C] en Heijmans als beherende vennoten. Verder zijn [E] en [J] er zelf tot het moment van dagvaarding van uit gegaan dat [C] bij de verkoop in hoedanigheid van beherend vennoot had gehandeld (zij het zonder toestemming van de commanditaire vennoot) nu zij zich in hun ontbindingsbrief aan de curator van 26 juni 2007 er niet op beroepen dat [C] voor zichzelf handelde en niet namens de vennootschap, ondanks het feit dat hen op grond van de ten verzoeke van Yalcin inmiddels aan hen betekende beslagstukken en dagvaarding duidelijk moet zijn geweest dat de horecaonderneming niet aan [C] persoonlijk maar aan de commanditaire vennootschap toebehoorde. Voorts moet worden aangenomen dat, ook in het geval [C] in eigen naam heeft gehandeld, uit de brief van de curator van 4 juni 2007 volgt dat de curator de uit die rechtshandeling voortvloeiende contractspositie namens de commanditaire vennootschap heeft overgenomen, waartoe hij niet de toestemming van [E] en [J] benodigde aangezien zij daardoor immers geen aanspraken jegens [C] verliezen .Tenslotte is gesteld noch gebleken dat [E] en [J] enig rechtens te respecteren belang hebben bij hun verweer. Vast staat immers dat zowel de commanditaire vennootschap alsook [C] in staat van faillissement verkeren, de curator belast is met de afwikkeling van beide faillissementen en uit dien hoofde ook in alle gevallen bevoegd zou zijn geweest om [E] en [J] de uit hoofde van de overeenkomst van 12 april 2007 verschuldigde prestaties te leveren, [E] en [J] hoe dan ook bevrijdend aan de curator hadden kunnen betalen en er evenmin een verschil bestaat in de gevolgen van het door [E] en [J] niet nakomen van hun verplichtingen uit hoofde van de overeenkomst. Het enkele feit dat de commanditaire vennootschap een (van het privévermogen van haar beherend vennoot [C]) afgescheiden vermogen kent doet hier niet aan af.

4.2. [E] en [J] beroepen zich voorts op de per 26 juni 2007 door hen ingeroepen ontbinding van de overeenkomst. Als gronden voor de ontbinding worden aangevoerd het feit dat [C] niet bevoegd was om zonder toestemming van Yalcin de onderneming te vervreemden alsook de omstandigheid dat [C] heeft verzwegen dat er pandrechten rustten op de verkochte inventaris.

4.2.1. Daargelaten dat het verwijt met betrekking tot de onbevoegdheid van [C] niet tot ontbinding van de overeenkomst kan leiden wordt het verwijt ten onrechte gemaakt.

De curator wijst er immers terecht op dat de door [E] en [J] aan de vennootschapsakte ontleende bevoegdheidsverdeling louter interne rechten en plichten tussen de vennoten in het leven roept waarop derden, zoals [E] en [J] zich niet kunnen beroepen. Bovendien blijkt uit de door [J] overgelegde stukken dat Yalcin, de commanditaire vennoot, ook geen beroep doet op deze, in strijd met de interne bevoegdheidsverdeling verrichte rechtshandeling. [C] heeft derhalve als beherend vennoot de vennootschap rechtsgeldig kunnen binden.

4.2.2. Met betrekking tot het al dan niet door [C] verzwegen pandrecht overweegt de rechtbank dat de vennootschap op grond van de overeenkomst gehouden was om op 1 juli 2007, danwel een nader overeen te komen tijdstip, de vrije en onbezwaarde eigendom te leveren van (onder meer) de inventaris. De enkele omstandigheid dat die inventaris, naar [E] en [J] al dan niet bekend was, tot dat moment van levering belast was met een of meerdere zekerheidsrechten kan op zichzelf geen tekortkoming opleveren van de verplichting tot onbezwaarde levering. Immers, die verplichting werd pas actueel op moment van levering en was ten tijde van het inroepen van de buitengerechtelijke ontbinding op 26 juni 2007 (nog) niet opeisbaar. Gesteld noch gebleken is dat op 26 juni 2007 reeds vast stond dat nakoming, dat wil zeggen onbelaste levering van de inventaris, op 1 juli 2007 onmogelijk was, terwijl [E] en [J] uit de brief van de curator van 4 juni 2007 moest begrijpen dat de curator onverminderd bereid was om de overeenkomst, en daarmee ook de verplichting tot onbezwaarde levering gestand te doen. Derhalve konden [E] en [J] niet met een beroep op artikel 6:80 lid 1 BW de ontbinding van de overeenkomst al inroepen nog voordat hun vordering opeisbaar was.

4.2.3. Voor zover [J] zich heeft beroepen op een wilsgebrek (dwaling/bedrog) vanwege de verzwijging door [C] van zijn onbevoegdheid respectievelijk de zekerheidsrechten op de inventaris ten tijde van het sluiten van de overeenkomst dient dit beroep eveneens te stranden. Wat er overigens ook zij van de merites van dit beroep staat immers vast dat [C] wél bevoegd was om de vennootschap te binden. Voorts kan de vraag of [C] het bestaan van pandrechten op de inventaris heeft verzwegen (de curator stelt dat dit door de verkopend makelaar is gemeld) voor [J] niet van belang zijn geweest bij het sluiten van de overeenkomst nu de overeenkomst de verkoper immers verplichtte tot onbelaste levering, vrij van pandrechten. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, valt althans niet in te zien welk redelijk belang [J] er desondanks bij zou hebben gehad om omtrent het bestaan van pandrechten ten tijde van het sluiten van de overeenkomst te worden geïnformeerd nu hij immers had bedongen dat hem vrij van pandrechten zou worden geleverd.

Voor zover [J] zijn beroep op een wilsgebrek stoelt op het feit dat hem informatie is onthouden over de financiële toestand van de onderneming wijst de rechtbank op artikel 7.3 van de overeenkomst, waarin partijen verklaren volledig bekend te zijn met het verkochte, de staat waarin het verkochte zich bevindt en de financieel-economische situatie van de onderneming.

4.3. [E] en [J] betwisten dat er als gevolg van hun tekortkoming schade is geleden, althans schade in de door de curator gestelde orde van grootte. De rechtbank oordeelt als volgt.

4.3.1. [J] beroept zich er op dat de curator jegens hem bij het sluiten van de overeenkomst van 31 augustus 2007 geen enkel voorbehoud heeft gemaakt voor wat betreft het verschil tussen de op dat moment overeenkomen prijs en de eerder, op 12 april 2007 overeengekomen prijs. Dat verweer kan [J] niet baten nu uit het enkele feit dat de curator te dier zake geen voorbehoud heeft gemaakt op zichzelf, behoudens bijkomende, door [J] te stellen en bij betwisting te bewijzen feiten en omstandigheden, nog niet voortvloeit dat de curator geacht moet worden zijn recht op schadevergoeding wegens [J]s’ tekortkoming te hebben prijsgegeven.

4.3.2. [E] bestrijdt dat de met [J] overeengekomen prijs het maximaal haalbare was. De curator heeft volgens [E] niet aan zijn schadebeperkingsplicht voldaan door [E] niet in de gelegenheid te stellen zich over de met [J] overeengekomen koopsom uit te laten. Evenmin heeft de curator [E] in de gelegenheid gesteld om te onderzoeken of wellicht een hogere prijs haalbaar zou zijn.

[E] erkent dat hij met [J] heeft moeten besluiten om de horecaonderneming na het faillissement niet voor het publiek open te houden, hoewel hen daartoe door de curator wel de gelegenheid is geboden, gelijk ook blijkt uit diens brief van 4 juni 2007. Dit besluit hing, aldus [E], samen met het feit dat zij nog niet over de benodigde vergunningen beschikten. Dat betekent dat de horecaonderneming vanaf 30 mei 2007 tot en met de levering op 1 september 2007 gesloten is geweest, derhalve een periode van 3 maanden. Bij correcte nakoming van de overeenkomst zou de periode van sluiting slechts 1 maand hebben bedragen, waarbij nog aantekening verdient dat de curator heeft aangeboden om de periode van sluiting nog korter te laten duren door de exploitatie alvast aan [E] en [J] over te dragen. De rechtbank acht het een feit van algemene bekendheid dat de mogelijkheden van een curator om een gefailleerde onderneming going concern en daarmee tegen een hogere waarde dan de executiewaarde te verkopen snel met het verstrijken van de tijd afnemen. Klanten lopen weg en vinden elders onderdak, leveranciers en financiers dringen aan op duidelijkheid respectievelijk betaling en dreigen, veelal op basis van juridische en/of feitelijke preferentie, een doorstart feitelijk onmogelijk te maken terwijl de curator voorts geconfronteerd wordt met oplopende (boedel)verplichtingen waarvoor (nog) geen dekking is gevonden.Tegen die achtergrond dient de curator zijn wettelijke taak, het ten behoeve van de gezamenlijke schuldeisers het vermogen van de gefailleerde schuldenaar te gelde maken tegen een zo hoog mogelijke opbrengst naar beste kunnen te volbrengen. Bij het streven naar de maximale opbrengst diende de curator zich er in het onderhavige geval rekenschap van te geven dat naarmate de onderneming langer gesloten bleef (bij gebreke van een koper) zulks tot verdere afkalving van waarde zou leiden, tot een allengs oplopende boedel (huur)schuld alsook een oplopend risico dat de verhuurder middels beëindiging van de huurovereenkomst een doorstart feitelijk illusoir zou maken en waardoor slechts nog de mogelijkheid van een uitverkoop tegen executiewaarde zou overblijven, met alle (desastreuze) gevolgen voor de opbrengst van dien. Tenslotte dient bedacht te worden dat de eerdere verkoop aan [E] en [J], anders dan de door de curator tot stand gebrachte verkoop, tot stand kwam buiten faillissement. Bij de verkoop van en onderneming going concern buiten faillissement zal doorgaans een (aanmerkelijk) hogere opbrengst worden gerealiseerd dan wanneer de verkoop geschiedt door de curator die immers dient te acteren onder druk van de hiervoor geschetste omstandigheden waarvan aspirant-kopers zich doorgaans al te zeer bewust zijn.

Tegen de hiervoor geschetste achtergrond acht de rechtbank de kale bewering van [E] dat een hogere waarde gerealiseerd had kunnen worden zonder enige feitelijk onderbouwing een ontoereikende betwisting van de stelling van de curator dat de door hem gerealiseerde prijs voor de onderneming het onder de gegeven omstandigheden maximaal haalbare resultaat was. Voorts bestond er, anders dan [E] meent, geen gehoudenheid aan de zijde van de curator om ruggespraak te voeren met [E] omtrent de van [J] bedongen koopsom noch behoefde de curator [E] in de gelegenheid te stellen onderzoek te doen naar de mogelijkheden een hogere opbrengst te realiseren. [E] heeft althans geen feiten en omstandigheden aangevoerd op grond waarvan het bestaan van een dergelijke gehoudenheid kan worden aangenomen.

De omstandigheid dat [E] oorspronkelijk in de onderlinge verhouding binnen Fifties BV i.o. slechts ‘kennis, arbeid en vlijt’ zou inbrengen en [J] de financiële middelen leidt niet tot een ander oordeel.

4.3.3. Het beroep van [J] op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid alsook zijn stelling dat de vordering van de curator misbruik van recht oplevert dient reeds bij gebreke van enige feitelijke onderbouwing te worden verworpen.

4.4. De curator heeft ter comparitie gesteld dat de boedelbijdrage ad EUR 3.232,- ter zake huurachterstand alsmede de aan de curator toekomende boedelbijdrage ad EUR 1.000,- als wanprestatieschade kwalificeert en daarmee ten laste komt van [E] en [J]. De rechtbank oordeelt hierover als volgt.

4.4.1. Artikel E van de met [J] gesloten koopovereenkomst bepaalt:

‘Omdat sinds het faillissement drie maanden zijn verstreken tot datum overname, derhalve tot 1 september 2007, is afgesproken dat koper een boedelbijdrage (met het karakter van een schadevergoeding) voldoet, als tegemoetkoming in de kosten die de curator daardoor zal moeten maken om de verhuurder te bewegen zijn medewerking te verlenen aan verhuur van het pand aan de Lijmbeekstraat 173 aan koper als opvolgend huurder. Deze vergoeding is gelijk aan anderhalve keer de volledige maandhuur exclusief BTW’.

De rechtbank begrijpt dat het hier dus gaat om een door de koper te betalen vergoeding voor de inspanning die de curator zich moet getroosten om de verhuurder in te laten stemmen met de koper als opvolgend huurder. Het gaat derhalve, anders dan de curator ter comparitie betoogde, niet om een vergoeding voor de extra huur die de boedel verschuldigd is aan de verhuurder als gevolg van de uitgestelde levering per 1 september 2007. Díe last legt artikel V.5 immers al volledig bij de koper.

Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, valt niet te begrijpen op welke (extra) inspanningen de curator het oog heeft bij het bedingen van deze bijdrage, in aanmerking nemende het gegeven dat volgens zijn brief van 4 juni 2007 de verhuurder reeds toen genegen was om medewerking te verlenen. Voor zover die medewerking op dat moment nog nadere uitwerking behoefde, bijvoorbeeld in de vorm van vastlegging in contracten c.a., vallen de daarmee gepaard gaande kosten niet als schade aan te merken aangezien die kosten ook bij deugdelijke nakoming gemaakt hadden moeten worden. Voor zover de via deze boedelbijdrage gedekte kosten evenwel zien op additionele werkzaamheden, opgeroepen door het feit dat [E] en [J] de initiële overeenkomst niet zijn nagekomen, had de curator zulks nader behoren toe te lichten, hetgeen hij evenwel heeft nagelaten. Het enkele feit dat de curator met [J] een deel van de opbrengst als vergoeding van dergelijke kosten heeft geoormerkt brengt nog niet met zich dat ook daadwerkelijk van schade, veroorzaakt door de wanprestatie van [E] en [J]. Dat betekent dat de boedelbijdrage ad EUR 3.232,- in verband met huurschuld als opbrengst ter zake de verkoop van de onderneming heeft te gelden, althans niet als wanprestatieschade voor vergoeding in aanmerking komt.

4.4.2. Ten aanzien van de algemene boedelbijdrage ad EUR 1.000,-, blijkens art. D van de overeenkomst met [J], strekkende tot vergoeding voor de kosten verbonden aan de afwikkeling van het faillissement en de werkzaamheden van de curator in het kader van de doorstart overweegt de rechtbank dat de curator als gevolg van de niet-nakoming door [E] en [J] genoodzaakt is geworden werkzaamheden te verrichten teneinde alsnog tot een verkoop van de onderneming te geraken, uiteindelijk resulterend in een op 31 augustus 2007 met [J] gesloten activatransactie. De te dier zake bedongen bijdrage ad EUR 1.000,- staat daarmee in causaal verband met die tekortkoming en komt als wanprestatieschade voor vergoeding in aanmerking, nu de hoogte ervan niet is bestreden.

4.5. Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat aan de curator ten titel van schadevergoeding kan worden toegewezen een bedrag van EUR 12.768,-.

4.6. De curator vordert vergoeding van buitengerechtelijke werkzaamheden ad EUR 952,-. Deze werkzaamheden zien, aldus de curator, op de uitvoerige correspondentie tussen de curator en de betrokken raadslieden over de mogelijkheden voor een minnelijke regeling. [E] betwist dat er buitengerechtelijke werkzaamheden zijn verricht die voor afzonderlijke vergoeding in aanmerking komen, buiten het bestek van de artikelen 237 tot en met 2540 Rv.

Aangezien de curator geen enkel inzicht heeft verschaft in de aard en omvang van de werkzaamheden waarvan hij vergoeding vordert dient zijn vordering als onvoldoende onderbouwd te worden afgewezen. Ook indien de curator zou menen dat het hem op grond van de voor hem geldende gedragsregels niet zou zijn toegestaan inzicht te geven in de inhoud van de beweerdelijk gevoerde schikkingsonderhandelingen zou hij daarmee miskennen dat die gedragsregels er niet aan in de weg staan een concrete opgave te doen van de aard en omvang van deze werkzaamheden alsmede het tijdvak waarin een en ander zich heeft afgespeeld, aan de hand waarvan [E] en [J] zich vervolgens hadden kunnen uitlaten.

4.7. De gevorderde rente kan, als onweersproken, toegewezen worden met ingang van 1 juli 2007, de datum waarop volgens de overeenkomst van 12 april 2007 nagekomen had moeten worden.

4.8. Aangezien [E] en [J] als de overwegend in het ongelijk gestelde partijen moeten worden aangemerkt dienen zij de proceskosten te dragen. Deze kosten worden aan de zijde van de curator geraamd op:

- kosten deurwaarder EUR 71,80

- Vast recht EUR 375,-

- salaris advocaat (2 pnt, tarief II) EUR 904,-

EUR 1.350,80

De gevorderde veroordeling in de nakosten is in het kader van deze procedure slechts toewijsbaar voor zover deze kosten op dit moment reeds kunnen worden begroot. De nakosten zullen dan ook op de navolgende wijze worden toegewezen.

5. De beslissing

De rechtbank

Veroordeelt [E] en [J] hoofdelijk, des dat de een betalend de ander zal zijn bevrijd, tot betaling aan de curator van een bedrag van EUR 12.768,-., te vermeerderen met de wettelijke rente ingaande 1 juli 2007 tot de dag der algehele voldoening;

Veroordeelt [E] en [J] hoofdelijk, des dat de een betalend de ander zal zijn bevrijd, tot betaling van de proceskosten, aan de zijde van de curator tot heden begroot op EUR 1.350,80;

Veroordeelt [E] en [J] hoofdelijk, des dat de een betalend de ander zal zijn bevrijd, tot betaling van de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,-- aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [E] en [J] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,-- aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak;

Verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

Wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. W. Schoorlemmer en in het openbaar uitgesproken op 5 augustus 2009.