Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2009:BJ4340

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
31-07-2009
Datum publicatie
31-07-2009
Zaaknummer
AWB 09-1174
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2010:BL9632, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Weigering standplaatsvergunning voor de locatie Pensmarkt naast het kunstwerk ‘Etude Gothique’ te Den Bosch, gebaseerd op het belang van de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving. Uit de stukken blijkt dat verweerder voor de Markt/Pensmarkt in 2005 en 2006 een herinrichtingsplan heeft vastgesteld, waarbij een belangrijk aspect is dat de zichtlijnen op en naar de Markt volledig tot hun recht komen. De rechtbank is van oordeel dat – gelet op de ruime beoordelingsmarge die verweerder in deze toekomt – deze uitgangspunten van de herinrichting niet onredelijk zijn. Verweerder heeft de weigering standplaatsvergunning voor de locatie naast ‘Etude Gothique’ voldoende gemotiveerd. De rechtbank concludeert dat verweerder in redelijkheid de gevraagde standplaatsvergunning voor de locatie naast ‘Etude Gothique’ heeft kunnen weigeren. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard. Met het aanbieden van een alternatieve locatie in het centrum heeft verweerder voldoende rekening gehouden met de belangen van eiseres. Stelling van eiseres dat de aangeboden locatie commercieel niet aantrekkelijk is niet (cijfermatig) onderbouwd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ’s-HERTOGENBOSCH

Sector bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 09/1174

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 31 juli 2009

inzake

[eiseres]

te [woonplaats]

eiseres,

gemachtigde [gemachtigde]

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente '[verweerder]

verweerder,

gemachtigde [gemachtigde]

Procesverloop

Bij besluit van 18 september 2008 heeft verweerder geweigerd aan eiseres een standplaatsvergunning te verlenen voor de locatie [adres] Bij besluit van 4 november 2008 heeft verweerder geweigerd aan eiseres een standplaatsvergunnin[adres]oor de locatie [adres]

Het tegen deze besluiten door eiseres gemaakte bezwaar is door verweerder bij besluit van 5 maart 2009 ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen laatstgenoemd besluit beroep ingesteld.

De zaak is behandeld op de zitting van 16 juli 2009, waar [eiseres] namens eiseres zijn verschenen, bijgestaan door de gemachtigde. Verweerder is verschenen bij gemachtigde.

Overwegingen

1. Voor zover het beroep ziet op de locatie [adres] (primair besluit van 18 september 2008) behoeft dit geen bespreking meer, aangezien eiseres ter zitting het beroep met betrekking tot deze locatie heeft ingetrokken.

2. Aan de orde is de vraag of verweerder terecht en op goede gronden heeft geweigerd aan eiseres een standplaatsvergunning voor de locatie [adres]

3. Eiseres stelt zich – zakelijk weergegeven – op het standpunt dat de locatie naast [adres]’ voldoet aan de stedenbouwkundige uitgangspunten die verweerder voor de herinrichting van de Markt heeft geformuleerd. Verweerder heeft namelijk bij brief van 19 juli 2006 deze locatie als nieuwe standplaats aan eiseres voorgesteld. Eiseres mocht op basis van deze brief erop vertrouwen dat haar definitieve nieuwe standplaats niet wezenlijk zou wijzigen ten opzichte van de in die brief aangegeven standplaats. Dit klemt te meer nu zij al gedurende bijna 30 jaar met haar viskraam op de locatie [adres] staat en de aanwezigheid van haar viskraam aldaar in het verleden nimmer een beletsel voor verlening van een standplaatsvergunning is geweest. Op basis van de door verweerder gewekte verwachtingen heeft eiseres haar personele bezetting in stand gelaten. De stelling van verweerder dat de locatie op de [adres] uit stedenbouwkundige overwegingen de beste keuze is, is niet nader gemotiveerd.

Daarnaast is eiseres van mening dat geen behoorlijke belangenafweging heeft plaatsgevonden. De standplaatswijziging heeft voor eiseres grote financiële gevolgen. Gelet op het door BRO in 2001 uitgevoerde Consumentenonderzoek Warenmarkt Binnenstad zijn de meest drukke punten [adres], de doorgang bij de HEMA en de doorgang bij de VVV. De locatie Kerkstraat behoort niet tot de drukste punten en betekent daarom een commerciële aderlating voor eiseres. Voorts heeft eiseres de indruk dat verweerder gelegenheidsargumenten gebruikt om haar naar de Kerkstraat te verplaatsen. Uit onderdeel 4 sub c van collegevoorstel 08.0656 blijkt volgens eiseres dat de bezwaren van een aantal winkeliers in verband met de door hen gestelde geurhinder tengevolge van de bakactiviteiten van eiseres de werkelijke redenen voor de gewenste verplaatsing zijn. Dit argument is echter nooit door verweerder aangevoerd.

4. Verweerder is – zakelijk weergegeven – van mening dat het beleid om op de Markt alleen maar op bepaalde locaties standplaatsen toe te staan in verband met de wens een open ruimtelijk beeld te creëren niet als onredelijk kan worden beschouwd. De omstandigheid dat eiseres al een groot aantal jaren een vaste standplaats op de [adres] heeft, kan niet als bijzondere omstandigheid worden aangemerkt. Aan haar is immers telkens slechts voor een jaar een standplaatsvergunning verleend. Eiseres is vanaf 2001 jaarlijks op de hoogte gebracht van de herinrichtingsplannen en daarmee verband houdende mogelijke wijzigingen van de standplaatslocaties. Eiseres kan aan de brief van 19 juli 2006 niet het vertrouwen ontlenen dat haar een standplaatsvergunning voor de locatie naast [adres]’ zou worden toegewezen. In die brief wordt namelijk expliciet aangegeven dat het een concept betreft. Na beoordeling van het concept is door verweerder besloten dat een standplaats naast [adres]’ niet acceptabel is vanwege een negatieve invloed op de visuele beleving van de openbare ruimte en belemmering van de zichtlijnen. Dit is bij brief van 7 februari 2007 aan eiseres medegedeeld. De standplaats op de [adres] is een aantrekkelijk alternatief. Deze is immers gelegen op een centrale plek in de binnenstad. Verweerder heeft zich ingespannen om voor eiseres een geschikte locatie te vinden, waarbij hij ook oog heeft gehad voor commerciële aspecten. Niet kan worden gesteld dat de belangenafweging onevenredig zwaar voor eiseres heeft uitgepakt in verhouding tot het met het beleid te dienen doel.

5. Het wettelijk kader luidt als volgt.

6. Artikel 116 van de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) 1996 van ’s-Hertogenbosch bepaalt, voor zover thans relevant:

1. Het is verboden zonder vergunning van burgemeester en wethouders op of aan de weg of aan het openbaar water dan wel op een andere – al dan niet met enige beperking – voor eenieder toegankelijke en in de openlucht gelegen plaats:

a. met een voertuig, een kraam, een tafel of enig ander middel een standplaats in te nemen of te hebben teneinde in de uitoefening van de handel goederen te koop aan te bieden, te verkopen of te verstrekken, dan wel diensten aan te bieden of over die goederen dan wel diensten informatie te verstrekken;

b. anderszins goederen uit te stallen of uitgestald te hebben om deze te koop aan te bieden, te verkopen of te verstrekken aan publiek of over die goederen dan wel diensten informatie te verstrekken.

(…)

7. Een vergunning bedoeld in het eerste lid kan worden geweigerd:

a. (…)

b. (…)

c. in het belang van de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving.

7. De rechtbank overweegt als volgt.

8. Verlening van een standplaatsvergunning is, gelet op het bepaalde in artikel 116 van de APV 1996, een bevoegdheid van burgemeester en wethouders. Vergunning kan worden geweigerd op grond van één van de weigeringsgronden neergelegd in het zevende lid van artikel 116 van de APV. In het onderhavige geval is de weigering gebaseerd op artikel 116, lid 7, onder c. van de APV, te weten het belang van de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving.

9. Het college van burgemeester en wethouders komt bij het nemen van een besluit als hier in het geding een ruime beoordelingsmarge toe. Het is aan het college om de bij het nemen van een dergelijk besluit betrokken belangen tegen elkaar af te wegen. De rechter zal zich bij de beoordeling van een zodanig besluit terughoudend moeten opstellen.

10. Uit de stukken blijkt dat verweerder voor [adres] in 2005 en 2006 een herinrichtingsplan heeft vastgesteld. Daarin worden [adres] als één plein beschouwd. Het doel van dit plan is het creëren van een gebied met een kwalitatief hoogstaande inrichting en een optimale beleving van de openbare ruimte. Dit uit zich onder meer in nieuwe bestrating en meubilair, maar ook in het optimaliseren van de visuele beleving van de ruimte van het plein als hart van de binnenstad. Een belangrijk aspect hierbij is dat de zichtlijnen op en naar de Markt volledig tot hun recht komen. Dat betekent concreet dat er vanuit [adres] onbelemmerd zicht moet zijn over de Markt op de Sint Jan en over de [adres] naar het stadhuis. Deze zichtlijnen moeten vrij worden gemaakt en vrij blijven. Zo komt volgens het herinrichtingsplan de stedenbouwkundige kwaliteit van de historische binnenstad volledig tot haar recht. De rechtbank is van oordeel dat deze uitgangspunten van de herinrichting niet onredelijk zijn.

11. Vast staat dat verweerder vanaf 2001 herhaaldelijk aan eiseres heeft medegedeeld dat zij in verband met de herinrichtingsplannen van verweerder de standplaats op de [adres] niet zal kunnen behouden, maar op termijn haar viskraam naar een andere locatie op de [adres] zal moeten verplaatsen.

12. Eiseres heeft betoogd dat de weigering van verweerder om aan haar een standplaatsvergunning te verlenen voor de locatie [adres] naast [adres]’ in strijd is met het vertrouwensbeginsel, nu verweerder deze locatie zelf bij brief van 19 juli 2006 aan eiseres heeft voorgesteld als nieuwe standplaats.

De rechtbank is van oordeel dat dit betoog faalt en overweegt daartoe het volgende. Gelet op de tekst van voornoemde brief, alsmede de bijbehorende plattegrond, betreft het daarbij een aan alle standplaatshouders gericht voorstel voor nieuwe locaties van standplaatsen [adres] Verweerder geeft in de brief expliciet aan dat het een conceptvoorstel betreft, waarop door de standplaatshouders kan worden gereageerd en merkt specifiek met betrekking tot eiseres op dat in haar geval ook de uiteindelijke positie van het kunstwerk [adres]’ nog een rol speelt. Uit deze bewoordingen kan niet worden afgeleid dat daarmee de standplaats naast [adres]’ definitief aan eiseres wordt toegezegd. Dat in de brief wordt gesproken van het nog aangeven van de juiste maten maakt evenmin dat het voorstel als een definitieve toezegging kan worden opgevat. Gelet daarop kon eiseres aan deze brief niet het door haar gestelde gerechtvaardigde vertrouwen ontlenen. Dat eiseres om die reden haar personele bezetting in stand heeft gelaten, is voor haar eigen rekening en risico. Evenmin komt in dit verband bijzondere betekenis toe aan het feit dat eiseres reeds een groot aantal jaren een standplaats op de [adres] inneemt. Nu aan eiseres telkens voor een periode van een jaar standplaatsvergunning is verleend, ligt in het tijdelijke karakter van de vergunning de mogelijkheid besloten dat in de toekomst geen vergunning meer zal worden verleend. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de weigering van verweerder om aan eiseres voor de locatie [adres] naast [adres]’ een standplaatsvergunning te verlenen niet in strijd is met het vertrouwensbeginsel.

13. Verweerder heeft in het bestreden besluit gesteld dat aan eiseres reeds bij brief van 7 februari 2007 is medegedeeld dat het college na beoordeling van het conceptvoorstel heeft besloten dat een standplaats naast [adres]’ niet acceptabel is vanwege een negatieve invloed op de visuele beleving en belemmering van de zichtlijnen. De rechtbank leest dit echter niet in bedoelde brief. Hierin wordt slechts aan eiseres medegedeeld dat naar aanleiding van binnengekomen reacties een nieuw plan voor de locaties van de standplaatsen zal worden opgesteld.

De rechtbank volgt niet het standpunt van eiseres dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd en overweegt daartoe het volgende. In het besluit van 15 april 2008 (B&W-voorstel 08.0396) heeft verweerder aangegeven dat de herinrichting van de Markt aanleiding is om een aantal standplaatshouders een wezenlijk andere locatie toe te wijzen, waarbij zichtlijnen, naast praktische zaken, sturend zullen zijn. Eiseres is in de gelegenheid gesteld op dit besluit zienswijzen in te dienen, hetgeen zij op 16 mei 2008 heeft gedaan. In het besluit van 26 augustus 2008 (B&W-voorstel 08.0879) heeft verweerder, in reactie op de ingediende zienswijze, gemotiveerd waarom de locatie naast [adres]’ wordt afgewezen. Deze locatie is volgens verweerder weliswaar beter dan de huidige plek van eiseres, maar er blijft sprake van een onderbreking van de zichtlijnen naar de Markt. Daar komt volgens verweerder bij dat de standplaatshouder, die voorheen met een verkoopwagen op de locatie naast [adres]’ heeft gestaan (mevrouw Cao) en deze vanwege de herinrichting van [adres] heeft moeten verlaten, bezwaar heeft gemaakt tegen het vergunnen van deze plek aan eiseres. In het primaire besluit van 4 november 2008 heeft verweerder aangegeven dat in het kader van de herinrichting van [adres] is besloten dat het kunstwerk [adres]’ meer centraal in de ruimte moet komen te liggen. Voorts heeft verweerder in voornoemd besluit gerefereerd aan het inrichtingsplan, waarin is vastgesteld dat het niet wenselijk is verkoopwagens te plaatsen in belangrijke zichtlijnen over het plein, zoals op de [adres].

Het bestreden besluit, gelezen in samenhang met bovengenoemde besluiten, acht de rechtbank voldoende motivering.

14. Eiseres heeft voorts aangevoerd dat verweerder bij het nemen van het bestreden besluit onvoldoende oog heeft gehad voor haar belangen en daarmee onzorgvuldig heeft gehandeld. De rechtbank stelt voorop dat het verweerder vrij stond in verband met de herinrichting van [adres] nieuwe plannen te maken. Deze vrijheid maakt onderdeel uit van zijn bevoegdheid op basis van artikel 116 van de APV 1996, waarbij hem, zoals gezegd, een ruime beoordelingsmarge toekomt. Niet is gebleken dat verweerder bij het afwegen van de bij het bestreden besluit betrokken belangen dusdanig onzorgvuldig is geweest dat de gevolgen voor eiseres, in verhouding tot het met het besluit te dienen doel, onevenredig zwaar zijn. Uit het bestreden besluit blijkt dat eiseres een alternatieve locatie op [adres] tegenover de [adres] is geboden. Deze locatie is evenals de oude locatie van eiseres op een centrale plek in de binnenstad gelegen. Gelet daarop moet het ervoor worden gehouden dat verweerder in voldoende mate rekening heeft gehouden met de commerciële belangen van eiseres. Mogelijk (tijdelijk) omzetverlies behoort nu eenmaal tot het normale ondernemersrisico van eiseres. Voorts is de rechtbank van oordeel dat eiseres haar vrees voor omzetverlies heeft gebaseerd op een (oud) onderzoek naar aantallen bezoekers van de warenmarkt. De rechtbank acht dit geen deugdelijke (cijfermatige) onderbouwing voor eiseresses stelling.

15. Hetgeen van de zijde van eiseres overigens naar voren is gebracht heeft de rechtbank niet tot een ander oordeel kunnen brengen.

16. Bovenstaande overwegingen leiden de rechtbank tot de conclusie dat verweerder in redelijkheid de gevraagde standplaatsvergunning voor de locatie naast [adres]’ heeft kunnen weigeren. Het beroep zal daarom ongegrond worden verklaard.

17. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling of voor vergoeding van het griffierecht.

18. Beslist wordt als volgt.

Beslissing

De rechtbank,

- verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door mr. N.H.J.M. Veldman-Gielen als rechter in tegenwoordigheid van mr. F.M. Tadic als griffier en in het openbaar uitgesproken op 31 juli 2009.

?