Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2009:BJ3888

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
27-07-2009
Datum publicatie
28-07-2009
Zaaknummer
631403
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiser was uitkeringsgerechtigde en is een overeenkomst voor bepaalde tijd aangegaan met SHD te Oss. Hij is werkzaam in het kader van het project Werkende Weg van de gemeente Oss. De overeenkomst kan als arbeidsovereenkomst worden aangemerkt. Eiser is op staande voet ontslagen op grond van werkweigering. Hij weigerde bij een potentiele werkgever een maand stage te lopen alvorens hij daar eventueel in dienst zou kunnen komen. De kantonrechter is van oordeel dat in het licht van de in het vonnis omschreven omstandigheden geen sprake is van werkweigering die een ontslag op staande voet rechtvaardigt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2009-0584

Uitspraak

RECHTBANK ‘s-HERTOGENBOSCH

Sector Kanton, locatie ‘s-Hertogenbosch

Zaaknummer : 631403

Rolnummer : 5823/09

Uitspraak : 27 juli 2009

DK

in de zaak van:

[eiser]

wonende te Oss;

eiser,

gemachtigde: mw. mr. Y.G.F.M. Coenders,

procederend bij toevoeging d.d. 26 mei 2009

nr. 1EO1768

t e g e n :

de besloten vennootschap SHD Re-integratie B.V.

gevestigd en kantoorhoudende te Oss,

gedaagde,

procederend in persoon.

1. De procedure

Nadat een dag was bepaald voor de behandeling van deze zaak, heeft eiser, verder te noemen “[eiser]”, gedaagde, verder te noemen “SHD”, doen dagvaarden.

De mondelinge behandeling heeft op 14 juli 2009 plaatsgevonden. [eiser] is bij die gelegenheid in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde voornoemd. SHD heeft zich laten vertegenwoordigen door mevrouw [M] en de heer [L].

Na gevoerd debat is vonnis bepaald op heden.

2. Het geschil

2.1. In deze zaak doet zich het volgende voor.

SHD is als rëintegratiebureau betrokken bij het project Werkende Weg van de Gemeente Oss. Dit project houdt in dat moeilijk bemiddelbare uitkeringsgerechtigden en de SHD met elkaar een overeenkomst sluiten, met het doel de uitkeringsgerechtigde naar betaalde arbeid te begeleiden en hem/haar weer aansluiting te laten krijgen op de arbeidsmarkt.

[eiser] heeft met ingang van 23 januari 2009 voor de duur van 5 maanden een overeenkomst gesloten met SHD. In deze overeenkomst staat vermeld dat het loon van [eiser] € 8,85 bruto per uur bedraagt exclusief 8% vakantiebijslag bij een 32-urige werkweek.

SHD heeft [eiser] op 12 februari 2009 medegedeeld dat hij op staande voet is ontslagen wegens werkweigering.

Namens [eiser] heeft zijn gemachtigde bij brief van 20 februari 2009 de nietigheid van het ontslag op staande voet ingeroepen en aanspraak gemaakt op doorbetaling van het loon en wedertewerkstelling.

SHD heeft het ontslag op staande voet gehandhaafd. Vanaf 18 mei 2009 is [eiser] wederom door de gemeente Oss bij SHD geplaatst in het kader van het Werkende Weg project.

2.2. [eiser] vordert – zakelijk weergegeven – dat de kantonrechter bij wege van voorlopige voorziening ex artikel 254 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, uitvoerbaar bij voorraad, SHD veroordeelt tot betaling van het achterstallig salaris over de periode van

12 februari 2009 tot 12 mei 2009 onder aftrek van hetgeen SHD over februari 2009 reeds bewijsbaar heeft voldaan, zonder enige compensatie of korting, vermeerderd met de wettelijke rente en de wettelijke verhoging, één en ander met veroordeling van SHD in de kosten van dit geding.

[eiser] legt daaraan, kort weergegeven, het volgende ten grondslag.

Tussen partijen is sprake van een arbeidsovereenkomst. Er bestaat een gezagsverhouding tussen partijen, SHD betaalt loon aan [eiser] en er worden reguliere werkzaamheden door [eiser] verricht zodat hij weer in een werkritme kan komen. Deze werkzaamheden bestonden voornamelijk uit het demonteren van houten pallets bij SHD. [eiser] heeft hierin initiatief getoond en andere werknemers op sleeptouw genomen. Hij hield zich nauwelijks bezig met sollicitatietrainingen of het schrijven van sollicitatiebrieven. Vanaf zijn indiensttreding bij SHD tot aan zijn ontslag op staande voet is hij bij drie potentiële werkgevers op gesprek geweest. De eerste week heeft hij een sollicitatiegesprek gevoerd bij Garant Reclameverspreiding, maar de aangeboden functie heeft hij afgewezen omdat deze niet passend was. De tweede week heeft hij gesolliciteerd op een passende vacature bij Ceva, maar daar viel de keuze op iemand anders. De derde week is hij op sollicitatiegesprek geweest bij Vissers Meubelmakerij te Oss. Voor en tijdens dit sollicitatiegesprek is [eiser] niet goed begeleid door SHD. [eiser] kreeg pas op de ochtend van het gesprek te horen dat er die middag een sollicitatiegesprek voor hem was geregeld zonder dat men hem vertelde bij welke werkgever dit was. Hij kreeg daarom niet de kans om zich op het gesprek voor te bereiden. Ook was hij niet op de hoogte van het beleid van SHD om eerst een stage-overeenkomst te sluiten met een potentiële werkgever. [eiser] was ervan overtuigd dat hij met de directeur van Vissers Meubelmakerij (de heer [V]) tijdens het sollicitatiegesprek een reguliere arbeidsovereenkomst was overeengekomen. Nadat de heer [V] ermee akkoord was gegaan dat hij de maandag daarop zou beginnen en hij [eiser] een salarisaanbod had gedaan, intervenieerde de consulent van SHD met de mededeling dat [eiser] de eerste maand stage diende te lopen tegen een stagevergoeding. [eiser] zag hier het nut niet van in en was hevig teleurgesteld, hetgeen zich uitte in weinig vleiende opmerkingen jegens SHD en de gemeente Oss. Deze reactie wordt begrijpelijk wanneer de rapportages van Argonaut en van de psychologe van SHD in ogenschouw worden genomen. SHD heeft onvoldoende rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van [eiser].

In het kader van de arbeidsovereenkomst met SHD bestaat er geen enkele verplichting voor [eiser] om een stageovereenkomst te sluiten met een potentiële werkgever. Op SHD rust als werkgever de bewijslast voor het bestaan van een objectief dringende reden voor het ontslag op staande voet. Nu [eiser] nooit geweigerd heeft om werk te verrichten bij SHD is er geen sprake geweest van een dringende reden. Bovendien dienen bij de beoordeling of sprake is van een objectief dringende reden voor ontslag alle omstandigheden van het geval meegewogen te worden. Dit is niet gebeurd. De weigering om op basis van een stage-overeenkomst bij Vissers te gaan werken berustte op een misverstand. Voorts zijn de financiële gevolgen van het ontslag voor [eiser] zeer groot, nu hem na het ontslag gedurende drie maanden lang geen uitkering is verstrekt. SHD had kunnen volstaan met het opleggen van een passende sanctie, zoals schorsing voor bepaalde tijd of een loonsanctie.

Nu SHD weigert om het loon te betalen over de periode vanaf 12 februari 2009 tot 12 mei 2009 heeft [eiser] een spoedeisend belang bij de onderhavige vordering.

2.3. SHD heeft hiertegen het volgende verweer gevoerd.

In het kader van een arbeidsovereenkomst heeft SHD [eiser] werkzaamheden aangeboden en heeft zij hem geholpen met solliciteren. De werkzaamheden bestonden uit het demonteren van houten pallets. Dit betroffen uitzonderlijke werkzaamheden die –bij een gebrek aan andere opdrachten - door SDH waren binnengehaald om werk voor handen te hebben voor een vijftig tot zestigtal van haar werknemers. SHD verloont haar werknemers zelf en ontvangt in het kader van het project Werkende Weg per traject een bedrag van de gemeente Oss. De binnen SHW werkzame consulenten zijn belast met het vinden van een baan voor de werknemers van SHD. SHD vormt slechts een tussenstation voor deze werknemers. Op grond van het bepaalde in artikel 1 van de arbeidsovereenkomst kon SHD [eiser] opdragen om zijn werkzaamheden te gaan verrichten bij een derde (inlener) zonder zijn verlies van rechtspositie bij SHD. Met ‘inlenen’ wordt in dit artikel bedoeld detachering of stage. Bij veel banen die aan de werknemers worden aangeboden geldt dat er één maand stage wordt gelopen. Dit is een soort proeftijd om te kunnen bekijken hoe het de werknemer en het bedrijf waarbij men stage loopt, bevalt. Op 12 februari 2009 heeft SHD bij Vissers Meubelmakerij een sollicitatiegesprek voor [eiser] geregeld. SHD weet niet of Vissers Meubelmakerij [eiser] tijdens dit sollicitatiegesprek een contract heeft aangeboden. Volgens SHD heeft de heer [V] gezegd dat [eiser] met een stage zou kunnen beginnen en heeft de consulent van SHD, de heer [T], dit ook tegen [eiser] gezegd. Dit blijkt uit het verslag wat door deze consulent is opgemaakt. [eiser] was echter niet bereid om voorafgaand aan een eventueel dienstverband bij Vissers Meubelmakerij stage te lopen hetgeen geleid heeft tot het ontslag op staande voet. Daarbij merkt SHD op dat [eiser] voor de tweede maal binnen een maand een passende stage weigerde. De eerste keer betrof een door Garant Reclame-verspreiding aangeboden stage. Nadat [eiser] laatstgenoemde stage had geweigerd, is hij door SHD schriftelijk gewaarschuwd voor de gevolgen indien dit zich zou herhalen.

2.4. Op hetgeen partijen over en weer nog hebben aangevoerd zal hierna, voor zover zakelijk van belang, worden teruggekomen.

3. De beoordeling

3.1. SHD heeft de spoedeisendheid van de vordering niet bestreden. [eiser] heeft onweersproken gesteld dat hij vanaf 12 februari 2009 tot 12 mei 2009 loon noch een uitkering heeft ontvangen en gedurende die periode aangewezen is geweest op financiële hulp van familieleden. Het spoedeisend belang staat hiermee voldoende vast. [eiser] is dan ook ontvankelijk in zijn vordering.

3.2. In de onderhavige procedure, strekkende tot het treffen van een voorlopige voorziening, dient de vordering slechts te worden toegewezen indien met een redelijke mate van zekerheid kan worden aangenomen dat de kantonrechter een overeenkomstige vordering in de bodemprocedure zal toewijzen. Dienaangaande wordt het volgende overwogen.

3.3. Tussen partijen bestaat een overeenkomst voor bepaalde tijd, welke op 23 januari 2009 is ingegaan. Vastgesteld moet worden of deze overeenkomst als arbeidsovereenkomst gekwalificeerd kan worden. Daartoe wordt het volgende overwogen.

Voor de kwalificatie van een overeenkomst als arbeidsovereenkomst is, kort gezegd, vereist dat er sprake moet zijn van arbeid (die gedurende zekere tijd wordt verricht), loon, en een gezagsverhouding.

Partijen hebben aangevoerd dat [eiser] zich vanaf zijn indiensttreding bij SHD op 23 januari 2009, tot aan het ontslag op 12 februari 2009, heeft beziggehouden met het demonteren van houten pallets bij SHD. Deze werkzaamheden kunnen als reeële of productieve arbeid worden aangemerkt. Gesteld noch gebleken is dat deze werkzaamheden overwegend gericht waren op het uitbreiden van kennis en ervaring van [eiser], nu [eiser] reeds lange tijd ervaring had in het werken met hout c.q. bewerken van hout. Uit de stellingen van partijen kan voorts worden afgeleid dat [eiser] het merendeel van zijn arbeidstijd aan deze werkzaamheden heeft besteed en hij in veel mindere mate sollicitatiewerkzaamheden heeft verricht. Aan het element arbeid wordt derhalve voldaan.

Ook blijkt uit de schriftelijke arbeidsovereenkomst dat [eiser] zich heeft verbonden om deze arbeid gedurende zekere tijd, te weten een periode van vijf maanden, ten behoeve van SHD te verrichten.

Verder staat vast dat SHD [eiser] als tegenprestatie voor deze arbeid loon verschuldigd was. Tevens was er sprake van een gezagsverhouding tussen [eiser] en SHD nu [eiser] de instructies van SHD diende op te volgen.

Aan de vereisten voor een arbeidsovereenkomst wordt derhalve voldaan, zodat onderhavige overeenkomst als arbeidsovereenkomst dient te worden aangemerkt.

3.4. Vaststaat dat SHD op 12 februari 2009 een sollicitatiegesprek geregeld had voor [eiser] bij Vissers Meubelmakerij te Oss. Verder staat vast dat [eiser] samen met zijn consulent bij SHD, de heer [T], naar dit gesprek is toegegaan en dit gesprek in eerste instantie goed verliep. Volgens [eiser] is hij tijdens dit gesprek met de heer [V] mondeling overeengekomen dat deze hem een regulier arbeidscontract zou aanbieden en was men het ook over het salaris eens.

Volgens [eiser] gaf de heer [T] daarop echter aan ‘dat dat zo niet gaat’, en er de eerste maand stage gelopen diende te worden tegen een stagevergoeding.

Gebleken is dat [eiser] hier het nut niet van in zag en hij het niet eens was met de stageperiode van een maand. Volgens [eiser] uitte zijn teleurstelling zich vervolgens in het plaatsen van weinig vleiende opmerkingen richting SHD en de gemeente Oss. Vaststaat dat zich direct na terugkomst bij SHD een discussie ontspon tussen [eiser] en de heer [T], waarbij [eiser] aangaf de stageperiode niet te zullen accepteren. Op grond van werkweigering heeft SHD [eiser] diezelfde dag op staande voet ontslagen.

3.5. Ter zitting is door mevrouw [M], (manager P & O bij SHD) aangevoerd dat het de consulent is die met de potentiële werkgever afspraken maakt over de invulling van het dienstverband. Zij heeft voorts verklaard dat de consulent (in dit geval de heer [T]) jegens [eiser] aangegeven heeft dat er een stageperiode gevolgd zou moeten worden bij Vissers Meubelmakerij en ook dit bedrijf zelf aangegeven heeft dat [eiser] met een stage zou kunnen beginnen.

Door mevrouw [M] is eveneens verklaard dat zij zelf niet aanwezig is geweest bij het sollicitatiegesprek, maar zij haar informatie haalt uit een verslag wat door de heer [T] is opgemaakt na afloop van het bewuste sollicitatiegesprek. Zij heeft voorts verklaard dat de door haar opgestelde ontslagbrief van 12 februari 2009 en haar vervolgbrief van 3 maart 2009 op de bevindingen van de heer [T], zoals opgenomen in eerdergenoemd verslag, zijn gebaseerd.

Het verslag van de heer [T] bevindt zich niet tussen de processtukken in tegenstelling tot de brieven van SHD van 12 februari 2009 en 3 maart 2009. In deze brieven staat onder meer opgenomen:

In de brief van 12 februari: ‘In eerste instantie verliep het gesprek zodanig goed, dat de werkgever een stageplaats aanbood met ingang van 16 februari 2009’.

In de brief van 3 maart: ‘Vanuit het project “Werkende Weg” kunnen wij onze clienten bij eventuele potentiele werkgevers een stageovereenkomst aanbieden. Deze stageperiode bedraagt altijd een maand waarbij een stageovereenkomst wordt opgemaakt waarin is opgenomen dat bij gebleken geschiktheid de stage zal worden omgezet in een dienstverband zonder proeftijd’.

3.6. Hetgeen SHD in deze procedure heeft aangevoerd staat aan de opvatting van [eiser] dat hij aanvankelijk met [V] een regulier arbeidscontract was overeengekomen, althans dat hij in die veronderstelling verkeerde, niet in de weg. Daarbij is van betekenis de verklaring van mevrouw [M] ter zitting dat zij niet weet of de heer [V] [eiser] een contract heeft aangeboden, nu zij bij het sollicitatiegesprek niet aanwezig is geweest. Weliswaar schrijft zij in haar brief van 12 februari 2009 dat werkgever (lees: Vissers Meubelmakerij) [eiser] een stageplaats heeft aangeboden met ingang van 16 februari 2009, maar dit laat de mogelijkheid open dat aanvankelijk tussen [eiser] en de heer Visser is gesproken over een regulier arbeidscontract.

Niet gebleken is dat SHD [eiser] bij zijn indiensttreding geïnformeerd heeft over zijn verplichting om eerst een maand stage te lopen, voordat hij bij een potentiële werkgever in dienst zou kunnen treden. Tijdens de intake is hier in ieder geval niets over gezegd, aldus [eiser] ter zitting.

Bovendien is SHD zelf niet helemaal duidelijk over de verplichting om bij wijze van proeftijd een maand stage te moeten lopen. Namens SHD is ter zitting verklaard dat er ook potentiële werkgevers zijn die direct met een werknemer van SHD in zee willen gaan en de voorkeur van SHD hier in principe ook naar uit gaat.

Voor zover SHD verwijst naar het bepaalde in artikel 1, tweede alinea, van de arbeidsovereenkomst, waarin staat dat werknemer door werkgeefster opgedragen kan worden om werkzaamheden te gaan verrichten bij een derde (inlener), wordt opgemerkt dat uit de tekst van dit artikel onvoldoende naar voren komt dat een werknemer verplicht is om bij een potentiële werkgever stage te lopen. Niet gebleken is dat SHD dit artikel uit de arbeidsovereenkomst jegens [eiser] nader heeft toegelicht in die zin dat onder ‘inlenen’ ook het lopen van stage dient te worden begrepen. Evenmin is gebleken dat SHD, voorafgaand aan het bewuste sollicitatiegesprek bij Vissers Meubelmakerij, heeft aangegeven dat [eiser], alvorens hij daar mogelijk in dienst zou kunnen treden, eerst een maand stage zou moeten lopen.

De weigering van [eiser] om stage te lopen bij Vissers Meubelmakerij moet dan ook bezien worden in het licht van voormelde omstandigheden. Niet onbegrijpelijk is dat [eiser] teleurgesteld reageerde op de door de consulent geopperde stage, nu hij er op grond van de uitlatingen van de heer [V] reeds vanuit ging dat er een regulier arbeidscontract gesloten zou worden. Ook de persoonlijke omstandigheden van [eiser] kunnen geacht worden op zijn reactie van invloed te zijn geweest. SHD was van deze persoonlijke omstandigheden op de hoogte gelet op de overgelegde rapportage van Argonaut en de rapportage van de psychologe van SHD. Van SHD had, mede gelet op de bijzondere aard van de arbeidsverhouding waarbij SHD te maken heeft met personen die al langere tijd uit het arbeidsproces zijn en het korte dienstverband van [eiser] bij SHD, verwacht mogen worden dat zij de reactie van [eiser] minder zwaar zou sanctioneren.

De eerdere waarschuwing van SHD bij brief van 2 februari 2009 maakt dit niet anders, nu dit een andere situatie betrof waarin [eiser] werkzaamheden weigerde omdat hij die niet passend vond.

3.7. Gelet op voorgaande overwegingen is de weigering van [eiser] om stage te lopen niet aan te merken als werkweigering die een ontslag op staande voet rechtvaardigt. Daarbij wordt mede in aanmerking genomen dat de gevolgen van het ontslag voor [eiser] te ernstig zijn in vergelijking met het belang van SHD bij het ontslag. SHD was ervan op de hoogte dat [eiser] na zijn ontslag bij SHD gedurende drie maanden 100% gekort zou worden op zijn uitkering.

De vorderingen van [eiser] zullen in voege als na te melden, worden toegewezen.

3.8. SHD dient als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij te worden veroordeeld in de kosten van deze procedure.

4. De beslissing

De kantonrechter, rechtdoende in kort geding:

Veroordeelt SHD om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiser] te betalen:

Het netto equivalent van het salaris vanaf 12 februari 2009 tot 12 mei 2009, uitgaande van een bruto uurloon van € 8,85 bij een werkweek van 32 uur, onder aftrek van hetgeen [eiser] over februari 2009 reeds heeft ontvangen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment dat het loon opeisbaar is geworden tot aan de dag der voldoening en de wettelijke verhoging, te berekenen overeenkomstig het bepaalde in artikel 7:625 lid 1 BW;

Veroordeelt SHD in de kosten van deze procedure, aan de zijde van [eiser] tot aan deze uitspraak begroot op € 693,98, waarvan te voldoen aan:

a. de griffier, door overschrijving op rekeningnummer 19.23.25.787 t.n.v. Arrondissement ’s Hertogenbosch onder vermelding van het zaaknummer en rolnummer van deze zaak:

- € 85,98 wegens explootkosten;

- € 156,00 wegens in debet gesteld vast recht;

- € 400,00 wegens salaris gemachtigde (niet met B.T.W. belast);

b. [eiser],

- € 52,00 wegens door [eiser] betaald vast recht;

Verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

Wijst af het meer en of anders gevorderde.

Aldus gewezen door W.P.C.G. Derksen, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 juli 2009, in tegenwoordigheid van de griffier.

Zaaknummer: 631403 blad 6