Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2009:BJ3802

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
29-07-2009
Datum publicatie
29-07-2009
Zaaknummer
01/841313-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Rechtbank veroordeelt verdachte tot een werkstraf van 240 uur en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de tijd van zes maanden voor valsheid in geschrifte, verduistering en oplichting, gepleegd in zijn (voormalige) functie als brandweercommandant.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

Sector Strafrecht

Parketnummer: 01/841313-07

Datum uitspraak: 29 juli 2009

Verkort vonnis van de rechtbank ’s-Hertogenbosch, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1947,

wonende te [woonplaats], [adres].

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 26 september 2008, 2 april 2009 en 15 juli 2009.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 15 augustus 2008. Voor de helderheid

benoemt de rechtbank de onder feit 3 en feit 4 cumulatief/alternatief tenlastegelegde onderdelen als feit 3a, feit 3b, feit 4a en feit 4b. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad. Nadat de tenlastelegging op de terecht-zitting van 26 september 2008 is gewijzigd (bijlage) is aan verdachte tenlastegelegd dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2003 tot en met 22 juli 2006 in de gemeente Veldhoven, althans in het arrondissement 's-Hertogenbosch, meermalen, althans eenmaal, opzettelijk (een) presentielijst(en), zijnde de/die presentielijst(en) (een) geschrift(en) dat/die bestemd is/zijn om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt, althans heeft

vervalst hebbende hij, verdachte toen daar opzettelijk valselijk en in strijd met de waarheid, (telkens) een kruisje bij zijn naam op de presentielijst(en) gezet en/of (vervolgens) de/die presentielijst(en) als eindverantwoordelijke voor akkoord getekend en/of (vervolgens) de/die presentielijst(en) doorgestuurd naar de betalingsadministratie, met het oogmerk om voormelde presentielijst(en) als echt en onvervalst te gebruiken of door een ander of

anderen te doen gebruiken;

(Artikel 225 Wetboek van Strafrecht)

2.

hij in of omstreeks de periode van 1 september 1999 tot 1 mei 2006 in de gemeente Veldhoven, in elk geval in het arrondissement 's-Hertogenbosch, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, meermalen, althans eenmaal, opzettelijk de/een aankoopbon(nen)(voor kleding bij [bedrijf 1]) en/of de/een opdrachtbon(nen) (voor kleding bij [bedrijf 1]), zijnde die aankoopbon(nen) en/of die opdrachtbon(nen) (een) geschrift(en) dat/die bestemd is/zijn om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt, althans heeft vervalst hebbende hij, verdachte toen daar opzettelijk valselijk en in strijd met de waarheid meerdere, althans (een) aankoopbon(nen) en/of opdrachtbon(nen) uitgeschreven en/of gewijzigd en/of (vervolgens) van zijn paraaf voorzien, met het oogmerk om voormelde aankoopbon(nen) en/of opdrachtbon(nen) als echt en onvervalst te gebruiken of door een ander of anderen te doen gebruiken, terwijl hij als ambtenaar, te weten brandweercommandant van de brandweer van Veldhoven, bij het begaan van dit feit gebruik heeft gemaakt van macht, gelegenheid of middel hem door zijn ambt geschonken;

(Artikelen 44, 47 en 225 Wetboek van Strafrecht)

3a.

hij in of omstreeks de periode van 29 mei 1998 tot en met 29 augustus 2006 te Veldhoven, in elk geval in het arrondissement 's-Hertogenbosch, meermalen, althans eenmaal, opzettelijk een aggregaat/ generator en/of een trap en/of een telescoopladder en/of een kabelhaspel, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele toebehoorde(n) aan de brandweer van Veldhoven en/of de gemeente Veldhoven, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en welk(e) goed(eren) verdachte anders dan door misdrijf onder zich had, te weten in zijn hoedanigheid als beroepskracht/medewerker van de brandweer te Veldhoven, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend, terwijl hij als ambtenaar, te weten brandweercommandant van de brandweer van Veldhoven, bij het begaan van dit feit gebruik heeft gemaakt van macht, gelegenheid of middel hem door zijn ambt geschonken,

en/of

3b.

hij in of omstreeks de periode van 29 mei 1998 tot en met 29 augustus 2006 te Veldhoven, in elk geval in het arrondissement 's-Hertogenbosch, meermalen, althans eenmaal, (telkens) met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen (telkens) door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, de gemeente Veldhoven heeft bewogen tot de afgifte van geld, in elk geval van enig goed, hebbende

verdachte (telkens) met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid (een) goed(eren) met (een) opdrachtbon(nen) van de brandweer (bij [bedrijf 2]) besteld en/of (vervolgens) die/deze goed(eren) mee naar huis genomen en/of (vervolgens) voor eigen gebruik aangewend, waardoor de gemeente Veldhoven (telkens) werd bewogen tot bovenomschreven afgifte, terwijl hij als ambtenaar, te weten brandweercommandant van de brandweer van Veldhoven, bij het begaan van dit feit gebruik heeft gemaakt van macht, gelegenheid of middel hem door zijn ambt geschonken;

(Artikelen 44, 321 en 326 Wetboek van Strafrecht)

4a.

hij in of omstreeks de periode van 17 augustus 2004 tot en met 29 augustus 2006 te Veldhoven, in elk geval in het arrondissement 's-Hertogenbosch, meermalen, althans eenmaal, opzettelijk twee, althans een, bureaustoel(en) en/of een ladekast en/of een archiefkast en/of twee, althans een, ladeblok(ken) en/of een kluis, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele toebehoorde(n) aan de brandweer van Veldhoven en/of de gemeente Veldhoven, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en welk(e)

goed(eren) verdachte anders dan door misdrijf onder zich had, te weten in zin hoedanigheid als beroepskracht/medewerker van de brandweer te Veldhoven, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend, terwijl hij als ambtenaar, te weten als brandweercommandant van de brandweer te Veldhoven, bij het begaan van dit feit gebruik heeft gemaakt van macht, gelegenheid of middel hem door zijn ambt geschonken;

en/of

4b.

hij in of omstreeks de periode van 17 augustus 2004 tot en met 29 augustus 2006 te Veldhoven, in elk geval in het arrondissement 's-Hertogenbosch, meermalen, althans eenmaal,(telkens) met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, de gemeente Veldhoven heeft bewogen tot de afgifte van geld, in elk geval van enig goed, hebbende verdachte met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of

listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid (een) goed(eren) met (een) opdrachtbon(nen) van de brandweer (bij [bedrijf 3]) besteld en/of (vervolgens) die/deze goed(eren) mee naar huis genomen en/of (vervolgens) voor eigen gebruik aangewend, waardoor de gemeente Veldhoven werd bewogen tot bovenomschreven afgifte, terwijl hij als ambtenaar, te weten brandweercommandant van de brandweer van Veldhoven, bij het begaan van dit feit gebruik heeft gemaakt van macht, gelegenheid of middel hem door zijn ambt geschonken;

(Artikelen 44, 321 en 326 Wetboek van Strafrecht)

Tengevolge van kennelijke omissies in de tenlastelegging begaan, is in feiten 2, 3a, 3b, en 4b telkens in de laatste volzin tussen de woorden ‘macht’ en ‘gelegenheid’ weggevallen ‘en/of’ en tussen de woorden ‘gelegenheid’ en ‘of’ weggevallen ‘en/’. De rechtbank herstelt deze omissies in de bewezenverklaring en leest voormelde zinsneden zoals hiervoor is vermeld. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

Tengevolge van een kennelijke omissie in de tenlastelegging begaan, is in feit 3b tussen

de woorden ‘in strijd met de waarheid (een) goed(eren)’ en ‘met (een) opdrachtbon(nen)’

weggevallen: ‘te weten een aggregaat/generator en een trap en een telescoopladder.’

De rechtbank herstelt deze omissie in de bewezenverklaring en leest voormelde zinsnede zoals hiervoor is vermeld. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

Tengevolge van een kennelijke omissie in de tenlastelegging begaan, is in feit 4b tussen

de woorden ‘in strijd met de waarheid (een) goed(eren)’ en ‘met (een) opdrachtbon(nen)

weggevallen: ‘te weten bureaustoelen en een ladekast en een archiefkast en ladeblokken en een kluis.’ De rechtbank herstelt deze omissie in de bewezenverklaring en leest voormelde zinsnede zoals hiervoor is vermeld. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

Voorzover in de tenlastelegging overige taal- en/of schrijffouten voorkomen zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Vrijspraak.

partiële vrijspraak feit 2.

Uit de redactie van de tenlastelegging volgt expliciet dat bewezen dient te worden dat verdachte degene is geweest die opdrachtbonnen valselijk heeft opgemaakt en geparafeerd.

De rechtbank stelt vast dat opdrachtbonnen 006162 (blz. 1222) en 000960 (blz. 1236) zijn opgemaakt en geparafeerd door [de vervangend brandweercommandant], zijnde vervangend brandweercommandant [naam vervangend brandweercommandant].

De rechtbank zal deze incidenten dan ook bij de hierna uitgeschreven bewezenverklaring buiten beschouwing laten en verdachte daarvan vrijspreken.

t.a.v. feit 4a.

Met de officier van justitie en de verdediging acht de rechtbank niet bewezen dat verdachte

de tenlastegelegde verduistering heeft begaan, zodat hij daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Verweren verdediging.

De raadsman heeft betoogd dat de bekennende verklaringen die verdachte ten overstaan van verbalisanten van de rijksrecherche heeft afgelegd niet voor het bewijs mogen worden gebezigd, aangezien - kort gezegd -:

*de raadsman ondanks zijn uitdrukkelijke verzoek en de expliciete toezegging van de

officier van justitie niet in staat is gesteld om bij de verhoren van verdachte aanwezig te

zijn, terwijl dit vanwege verdachtes gezondheidstoestand en zijn neiging om in stressvolle

situaties sociaalwenselijke antwoorden te geven, geboden was;

*er sprake is van schending van het beginsel van ‘equality of arms’ omdat verdachte

zich - door de afwezigheid van zijn raadsman bij de verhoren en de afwezigheid van een

audiovisuele registratie van die verhoren - bij zijn betwisting van de inhoud van zijn

bekennende verklaringen, die hij als zodanig heeft afgelegd als gevolg van door hem

ervaren druk, in een ongelijkwaardige positie ziet geplaatst ten opzichte van de verhorende

verbalisanten die daarbij kunnen terugvallen op hun ‘ambtseed’.

De officier van justitie is van mening dat verdachte bij zijn verhoren voldoende in

de gelegenheid is gesteld om zijn raadsman te consulteren en dat de afwezigheid

van de raadsman bij die verhoren niet aan het handelen of een gebrek aan inspanningen

van de rijksrecherche te wijten is geweest, doch aan de omstandigheid dat er geen

afstemming mogelijk bleek tussen de agenda’s van betrokkenen. Voor wat betreft

de betwisting van de inhoud van de bekennende verklaringen - als gevolg van

vermeende onoirbare druk door de verhorende verbalisanten - wijst de officier van

justitie er op dat verdachte aan het einde van het 12e verhoor op 20 juni 2007

uitdrukkelijk verklaart dat hij alle verklaringen in vrijheid heeft af kunnen leggen

zonder dat er buitensporige druk is uitgeoefend. De officier van justitie acht niet

aannemelijk geworden dat er sprake is geweest van onoirbare druk of dat verdachte verklaringsonbekwaam is geweest. De officier van justitie concludeert dat de bekennende verklaringen van verdachte voor het bewijs kunnen worden gebezigd.

De rechtbank overweegt als volgt.

Raadsman bij verhoor?

Het Europese Hof voor de rechten van de mens (EHRM) heeft in een aantal recente uitspraken, waaronder in de zaken van Salduz van 27 november 2008 en Panovits van 11 december 2008, geoordeeld dat iedere terzake van een misdrijf aangehouden verdachte in beginsel het recht toekomt op toegang tot een raadsman en dat die verdachte - voor zover dit redelijkerwijs mogelijk is - voorafgaand aan zijn (eerste) verhoor in de gelegenheid wordt gesteld om een raadsman te raadplegen op straffe van bewijsuitsluiting.

De Hoge Raad heeft zich in zijn arrest van 30 juni 2009 (BH3079) over deze rechtspraak van het EHRM gebogen en concludeert daarin het volgende:

‘De Hoge Raad leidt uit de rechtspraak van het EHRM af dat een verdachte die door de politie is aangehouden, aan art. 6 EVRM een aanspraak op rechtsbijstand kan ontlenen die inhoudt dat hem de gelegenheid wordt geboden om voorafgaand aan het verhoor door de politie aangaande zijn betrokkenheid bij een strafbaar feit een advocaat te raadplegen.

Uit de rechtspraak van het EHRM kan echter niet worden afgeleid dat de verdachte recht heeft op de aanwezigheid van een advocaat bij het politieverhoor. Het vorenoverwogene brengt met zich mee dat de aangehouden verdachte vóór aanvang van het eerste verhoor dient te worden gewezen op zijn recht op raadpleging van een advocaat.’ en ‘Indien een aangehouden verdachte niet dan wel niet binnen redelijke grenzen de gelegenheid is geboden om voorafgaand aan het eerste verhoor door de politie een advocaat te raadplegen, levert dat in beginsel een vormverzuim op als bedoeld in art. 359a Sv.’

Uit alle relevante stukken volgt dat verdachte in de onderhavige zaak voorafgaande aan en gedurende zijn verhoren ruimschoots de gelegenheid is geboden om met zijn raadsman in contact te treden. Verdachte heeft van dit consultatierecht voorafgaande aan én tijdens de verhoren ook daadwerkelijk gebruik gemaakt. Zo heeft verdachte zijn raadsman op 17 juni 2007, zijnde de dag voor zijn aanhouding, geconsulteerd alsmede aan het einde van de eerste dag van de verhoren (18 juni 2007). De rechtbank stelt vast dat verdachte tot dan (18 juni 2007) ontkennende verklaringen heeft afgelegd en dat hij vanaf de tweede dag van de verhoren (19 juni 2007) bekennend is gaan verklaren. Zo ook op de derde en laatste dag van de verhoren (20 juni 2007). De raadsman van verdachte heeft de geschetste gang van zaken rond het consultatierecht bevestigd. De rechtbank leidt uit het voorafgaande af dat verdachte op verschillende stadia toegang tot zijn raadsman heeft gehad, waaronder voorafgaande aan de dag dat hij bekennend is gaan verklaren. De rechtbank concludeert dat aan alle vereisten van het consultatierecht is voldaan.

De raadsman van verdachte heeft op 30 november 2006 verzocht om bij de verhoren van verdachte aanwezig te zijn. De officier van justitie heeft daarmee ingestemd. Desondanks

hebben de verhoren buiten de aanwezigheid van de raadsman plaatsgevonden. Uit de verklaringen die de verhorende [verbalisant 1] en [verbalisant 2] ten overstaan van de rechter-commissaris hebben afgelegd en die [verbalisant 2] ter zitting van 15 juli 2009 in grote lijnen heeft bevestigd, leidt de rechtbank af dat de afwezigheid van de raadsman bij de verhoren niet aan het handelen of nalaten van de rijksrecherche te wijten is geweest, doch aan de omstandigheid dat er geen afstemming mogelijk bleek tussen de agenda’s van betrokkenen. De rechtbank acht uit het verhandelde ter zitting niet gebleken dat genoemde verbalisanten doelbewust hebben aangestuurd op een situatie waarin geen raadsman bij de verhoren aanwezig kon zijn. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat de toezegging van het openbaar ministerie de verdediging niet ontslaat van haar eigen verantwoordelijkheid om zich inspanningen te getroosten om van het toegezegde gebruik te maken. Zo had de raadsman zich bij de verhoren evenzeer door een kantoorgenoot kunnen laten vertegen-woordigen. De raadsman heeft naar voren gebracht dat hij alleen op maandag 18 juni 2007 absoluut verhinderd was de verhoren bij te wonen. Ondanks de daartoe geboden gelegen- heid was de raadsman ook afwezig op dinsdag 19 juni 2007 en woensdag 20 juni 2007, de dagen waarop verdachte bekennende verklaringen heeft afgelegd.

Nu uit de recente rechtspraak van het EHRM voorts niet volgt dat een verdachte recht heeft op de aanwezigheid van een advocaat bij het (politie)verhoor zelf, verwerpt de rechtbank

het daaromtrent gevoerde verweer van de raadsman.

Verhoren verdachte.

De rechtbank erkent het gegeven dat een verhoorsituatie, met name voor een first offender zoals verdachte, een ingrijpende gebeurtenis betreft waarvan enige psychische druk uitgaat.

Met name verhoren zoals de onderhavige waarbij de ondervraagde wordt geconfronteerd met onderzoeksresultaten kunnen een indringend karakter hebben en op de ondervraagde intimiderend over komen. Echter, zolang de verhoormethode geen afbreuk doet aan het respect voor het principe dat een verdachte niet gedwongen wordt een bepaalde verklaring af te leggen, is er geen sprake van ongeoorloofde druk.

De rechtbank stelt allereerst vast dat verdachte bij alle verhoren de cautie is gegeven en dat hij al zijn verklaringen heeft ondertekend nadat hij zijn verklaringen heeft doorgelezen en daarin heeft volhard.

Uit de verklaring die verhorend [verbalisant 2] ter zitting van 15 juli 2009 heeft afgelegd leidt de rechtbank af dat verdachte voorafgaande aan het verhoor is geïnformeerd over de mogelijk te verwachten procedure na zijn aanhouding, te weten:

drie dagen inverzekeringstelling, een eventuele verlenging van die inverzekeringstelling

en 14 dagen inbewaringstelling. Het is de rechtbank niet gebleken dat deze procedure op manipulatieve wijze aan verdachte is medegedeeld teneinde een (snelle) doorbraak in de verhoren te forceren. [verbalisant 2] heeft tijdens genoemde zitting toegelicht dat enkel sprake is geweest van een informatieve standaardprocedure om verdachte op de hoogte te stellen van mogelijk vrijheidsbenemende dwangmiddelen. De rechtbank vindt geen aanleiding tot twijfel hieraan.

Voorts volgt uit de verklaringen die de verhorende [verbalisant 1] en [verbalisant 2] ten overstaan van de rechter-commissaris hebben afgelegd en die [verbalisant 2] ter zitting van 15 juli 2009 heeft bevestigd, dat zij op enig moment tijdens de verhoren, op eigen initiatief, een arts hebben ingeschakeld om de verklaringsbekwaamheid van verdachte te onder-zoeken. Uit dit onderzoek volgde dat er geen medische reden bestond om het verhoor te onderbreken dan wel op andere wijze te laten plaatsvinden. Bij gebrek aan andersluidende aanwijzingen acht de rechtbank dan ook niet aannemelijk geworden dat de lichamelijke gesteldheid van verdachte zijn verklaringsbekwaamheid op enigerlei wijze (nadelig) heeft beïnvloed.

De rechtbank concludeert dat uit de processtukken en het verhandelde ter zitting niet is gebleken van ongeoorloofde pressie tijdens de verhoren als gevolg waarvan verdachte in zijn verklaringsvrijheid zou zijn aangetast en hij sociaalwenselijke antwoorden zou hebben gegeven. Naar het oordeel van de rechtbank doet daaraan de door de raadsman aangevoerde subjectieve druk niets af. De rechtbank hecht in dit verband ook waarde aan verdachtes eigen, authentiek geformuleerde, verklaring van 20 juni 2007 waarin hij terugblikt op zijn eerdere verklaringen: ‘Ik ben de afgelopen dagen gehoord en ik ben goed behandeld. Ik heb op tijd kunnen drinken en eten. Ik heb alle verklaringen in vrijheid bij u af kunnen leggen zonder dat u buitensporige druk op mij heeft uitgeoefend. Het verhoor heeft wel een psychische druk op mij gelegd’(blz 548).

Voor wat betreft de juistheid van verdachtes bekennende verklaringen heeft de rechtbank zich er voorts nadrukkelijk van vergewist dat deze in voldoende mate worden ondersteund door ander bewijs.

‘Equality of arms’

De door de raadsman geponeerde stelling dat sprake is van schending van het beginsel van ‘equality of arms’ wordt tot slot door de rechtbank niet onderschreven. De rechtbank oordeelt dat het door de raadsman geschetste verschil in waardering tussen beëdigde verklaringen van verbalisanten versus andersoortige verklaringen voortvloeit uit de in het Wetboek van Strafvordering beschreven opsporingsbevoegdheden van verbalisanten en het bewijsrechtelijk stelsel zoals vastgelegd in artikel 344 lid 2 Sv. Daarbij stelt de rechtbank zich op het standpunt dat het door art. 6 EVRM gewaarborgde beginsel van ‘fair trial’ in deze zaak voldoende is gecompenseerd door het horen van de twee verhorende verbalisanten bij de rechter-commissaris in aanwezigheid van de raadsman en het horen van één van hen ter zitting.

Oordeel rechtbank.

De rechtbank acht geen enkele rechtsregel geschonden en ziet dan ook geen aanleiding om de bekennende verklaringen van verdachte buiten de bewijsvoering te laten.

Bewijsoverweging. (feit 1)

De rechtbank acht mede op grond van de bekennende verklaring van verdachte en de

daarmee overeenstemmende verklaring van [getuige 1],

zijnde de werkneemster speciaal belast met de definitieve verwerking van de presentie-lijsten, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte - kort gezegd - meerdere keren onterecht zijn naam op de presentielijsten heeft aangekruist. De daarmee niet geheel overeenstemmende verklaring van [getuige 2] doet daaraan

niets af, omdat hij niet met de verwerking van de presentielijsten was belast en [getuige 1] in haar aanvullende verklaring d.d. 16 mei 2009 de procedure rond de verwerking van de presentielijsten op heldere wijze inzichtelijk heeft gemaakt.

De bewezenverklaring.

De rechtbank acht, op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte:

1.

in de periode van 1 januari 2003 tot en met 22 juli 2006 in de gemeente Veldhoven meermalen opzettelijk presentielijsten, zijnde die presentielijsten geschriften die bestemd zijn om tot bewijs van enig feit te dienen, heeft vervalst hebbende hij, verdachte toen daar opzettelijk valselijk en in strijd met de waarheid, telkens een kruisje bij zijn naam op de presentielijsten gezet en/of vervolgens die presentielijsten als eindverantwoordelijke voor akkoord getekend en/of vervolgens die presentielijsten doorgestuurd naar de betalingsadministratie, met het oogmerk om voormelde presentielijsten als echt en onvervalst te gebruiken of door een ander te doen gebruiken.

2.

in de periode van 1 september 1999 tot 1 mei 2006 in het arrondissement 's-Hertogenbosch meermalen opzettelijk opdrachtbonnen voor kleding bij [bedrijf 1], zijnde die opdrachtbonnen geschriften die bestemd zijn om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt, hebbende hij, verdachte toen daar opzettelijk valselijk en in strijd met de waarheid meerdere opdrachtbonnen uitgeschreven en vervolgens van zijn paraaf voorzien, met het oogmerk om voormelde opdrachtbonnen als echt en onvervalst te gebruiken of door een ander of anderen te doen gebruiken, terwijl hij als ambtenaar, te weten brandweercommandant van de brandweer van Veldhoven, bij het begaan van dit feit gebruik heeft gemaakt van macht en/of gelegenheid en/of middel hem door zijn ambt geschonken.

3a.

in de periode van 29 augustus 2004 tot en met 29 augustus 2006 te Veldhoven opzettelijk een kabelhaspel die toebehoorde aan de brandweer van Veldhoven en welk goed verdachte anders dan door misdrijf onder zich had, te weten in zijn hoedanigheid als beroepskracht/ medewerker van de brandweer te Veldhoven, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend, terwijl hij als ambtenaar, te weten brandweercommandant van de brandweer van Veldhoven, bij het begaan van dit feit gebruik heeft gemaakt van macht en/of gelegenheid en/of middel hem door zijn ambt geschonken

en

3b.

omstreeks de periode van 16 december 2005 tot en met 29 augustus 2006 te Veldhoven

meermalen telkens met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen telkens door

listige kunstgrepen de gemeente Veldhoven heeft bewogen tot de afgifte van geld, hebbende

verdachte telkens met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk goederen, te weten een aggregaat/generator en een trap en een telescoopladder, met opdrachtbonnen van de brandweer bij [bedrijf 2] besteld en vervolgens deze goederen mee naar huis genomen en vervolgens voor eigen gebruik aangewend, waardoor de gemeente Veldhoven telkens werd bewogen tot bovenomschreven afgifte, terwijl hij als ambtenaar, te weten brandweercommandant van de brandweer van Veldhoven, bij het begaan van dit feit gebruik heeft gemaakt van macht en/of gelegenheid en/of middel hem door zijn ambt geschonken.

4b.

in de periode van 22 augustus 2004 tot 30 september 2005 te Veldhoven meermalen

telkens met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door listige kunstgrepen

de gemeente Veldhoven heeft bewogen tot de afgifte van geld, hebbende verdachte met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk goederen, te weten bureaustoelen en een ladekast en een archiefkast en ladeblokken en een kluis, met opdrachtbonnen van de brandweer bij [bedrijf 3] besteld en vervolgens deze goederen mee naar huis genomen en vervolgens voor eigen gebruik aangewend, waardoor de gemeente Veldhoven werd bewogen tot bovenomschreven afgifte, terwijl hij als ambtenaar, te weten brandweercommandant van de brandweer van Veldhoven, bij het begaan van dit feit gebruik heeft gemaakt van macht en/of gelegenheid en/of middel hem door zijn ambt geschonken.

De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De kwalificatie.

Het bewezenverklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.

De strafbaarheid.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van de feiten of van de verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen te zijnen laste bewezen is verklaard.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op:

Wetboek van Strafrecht art. 9, 10, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 27, 44, 57, 225(oud), 225, 321, 322, 326(oud) en 326.

DE OVERWEGINGEN DIE TOT DE BESLISSING HEBBEN GELEID

De eis van de officier van justitie.

t.a.v. feit 1, feit 2, feit 3a (kabelhaspel), feit 3b en feit 4b:

een gevangenisstraf van 18 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

De op te leggen straffen.

Bij de beslissing over de straffen die aan verdachte dienen te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

Bij de strafoplegging zal de rechtbank enerzijds in het bijzonder rekening houden met de volgende uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren gekomen omstandigheden ten bezware van verdachte:

- de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals tot uitdrukking komt in het wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd;

- verdachte heeft gedurende een langere periode - kort gezegd - diverse frauduleuze

delicten gepleegd ter zelfverrijking. Hierbij heeft verdachte ernstig misbruik

gemaakt van het vertrouwen dat de gemeenschap in hem stelde. In zijn algemeen-

heid wordt door ambtelijke fraude het vertrouwen dat de samenleving in de

integriteit van overheidsdienaren mag hebben in ernstige mate geschaad. De

betrokkenheid van verdachte, een brandweercommandant, bij dergelijke feiten

levert een aanzienlijke bijdrage aan een negatieve beeldvorming van de overheid

en draagt bij aan een door de burger kennelijk in toenemende mate gevoeld

wantrouwen ten opzichte van die overheid als geheel. Voorts is de gemeenschap

door het laakbare gedrag van verdachte benadeeld;

- verdachte heeft ter zitting er blijk van gegeven het kwalijke van zijn handelen in het geheel niet in te zien.

Bij de strafoplegging zal de rechtbank anderzijds in het bijzonder rekening houden met de volgende uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren gekomen omstandigheden die tot matiging van de straf hebben geleid:

- verdachte is nooit eerder met politie en justitie in aanraking geweest;

- verdachte is zelf getroffen door de gevolgen van de door hem gepleegde strafbare feiten in die zin dat hij zijn baan is kwijtgeraakt.

De rechtbank zal een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, nu de rechtbank van oordeel is dat de op te leggen straf de ernst van het bewezen- verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank een werkstraf en een voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur op zijn plaats. De rechtbank wil met laatst-

genoemde straf de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten tot uitdrukking brengen en anderzijds ermee bewerkstelligen dat dit verdachte ervan zal weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. Hierbij weegt de rechtbank mee dat verdachte na een aanvankelijk uitgebreide bekentenis bij de rijksrecherche ter zitting een geheel andere proceshouding heeft aangenomen kennelijk om, tegen beter weten in, zijn reputatie te beschermen en waarvan niet gezegd kan worden dat verdachte de verantwoordelijkheid

voor zijn strafbare gedrag neemt.

DE UITSPRAAK

t.a.v. feit 4a:

Vrijspraak, achtende de rechtbank het tenlastegelegde niet wettig en overtuigend bewezen.

Verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op de misdrijven:

t.a.v. feit 1:

valsheid in geschrift, meermalen gepleegd.

t.a.v. feit 2:

valsheid in geschrift, terwijl hij als ambtenaar bij het begaan van dit feit gebruik maakt van macht, gelegenheid of middel hem door zijn ambt geschonken,

meermalen gepleegd.

t.a.v. feit 3a:

verduistering, gepleegd door hem die het goed uit hoofde van zijn persoonlijke

dienstbetrekking onder zich heeft, terwijl hij als ambtenaar bij het begaan van dit feit gebruik maakt van macht, gelegenheid of middel hem door zijn ambt geschonken.

t.a.v. feit 3b:

oplichting, terwijl hij als ambtenaar bij het begaan van dit feit gebruik maakt van macht, gelegenheid of middel hem door zijn ambt geschonken, meermalen gepleegd.

t.a.v. feit 4b:

oplichting, terwijl hij als ambtenaar bij het begaan van dit feit gebruik maakt van macht, gelegenheid of middel hem door zijn ambt geschonken, meermalen gepleegd.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straffen.

t.a.v. feit 1 , feit 2, feit 3a, feit 3b en feit 4b:

*Werkstraf voor de duur van 240 uren subsidiair 120 dagen hechtenis met aftrek

overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht. De rechtbank waardeert een in

verzekering doorgebrachte dag op 2 uur te verrichten arbeid.

*Gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van

2 jaren.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. A.F. van Hoorn, voorzitter,

mr. J.F.M. Pols en mr. M.Th. van Vliet, leden,

in tegenwoordigheid van D.A. Koopmans, griffier,

en is uitgesproken op 29 juli 2009.

12

Parketnummer: 01/841313-07

[verdachte]