Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2009:BJ3067

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
18-06-2009
Datum publicatie
20-07-2009
Zaaknummer
613719
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

1. Faillissementspauliana. Geldopname door directeur van BV is geen betaling door die BV aan de directeur. Opname ten behoeve van betaling aan werknemers van de BV. 2. Directeur laat BV na het faillissement een betaling doen. Dit is onrechtmatig tegenover de boedel en de directeur is gehouden tot schadevergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2009-0568
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ‘s-HERTOGENBOSCH

Sector Kanton, locatie ‘s-Hertogenbosch

Zaaknummer : 613719

Rolnummer : 09-2507

Uitspraak : 18 juni 2009

in de zaak van:

[Eiser],

in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van de

besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid OTE Nederland B.V.,

wonende te [adres],

eiser,

gemachtigde: mr. H.J. School,

t e g e n :

[Gedaagde],

wonende te [adres],

gedaagde,

procederend in persoon.

1. De procedure

Eiser heeft bij dagvaarding gesteld en gevorderd als na te melden. Gedaagde is in rechte verschenen en heeft mondeling verweer gevoerd. Vervolgens is een comparitie van partijen gelast die heeft plaatsgevonden op 18 mei 2009. Daarna is vonnis bepaald. Onder de genoemde processtukken bevinden zich tevens de in die stukken nader aangeduide producties.

Partijen zullen verder worden aangeduid als ‘[eiser]’ en ‘[gedaagde]’.

2. Het geschil

2.1. [eiser] vordert een verklaring voor recht en betaling van € 3.850,-, te vermeerderen met rente en kosten als vermeld in de dagvaarding.

[eiser] legt daaraan het volgende ten grondslag. De besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid OTE Nederland B.V. (hierna: OTE) is bij vonnis van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 15 november 2006 failliet verklaard met benoeming van [eiser] als curator. Het faillissementsrekest waarop dit faillissement is uitgesproken, is op 8 november 2006 betekend aan OTE door terhandstelling aan haar directeur J. [gedaagde]. Op 10 november 2006 heeft een betaling van € 2.000,- plaatsgevonden door OTE aan [gedaagde] en op 16 november 2006 heeft een betaling van € 1.850,- plaatsgevonden door OTE aan [gedaagde]. OTE heeft een groot aantal crediteuren onbetaald gelaten. [gedaagde] was volledig op de hoogte van de financiële situatie van OTE. Er is sprake van de benadeling van één of meer schuldeisers en van een onverplichte rechtshandeling. [eiser] doet primair een beroep op artikel 42 Fw juncto 43 Fw. [gedaagde] is bevoordeeld en één of meer schuldeisers zijn benadeeld. Ter zake de betaling op 16 november 2006 is er subsidiair sprake van een onrechtmatige daad omdat [gedaagde] niet meer tot betaling voor OTE bevoegd was. Meer subsidiair doet [eiser] een beroep op artikel 47 Fw.

Bij brief van 2 augustus 2007 heeft [eiser] deze transacties vernietigd. [eiser] heeft tevergeefs [gedaagde] gesommeerd het bedrag van in totaal € 3.850,- terug te betalen.

[eiser] heeft buitengerechtelijke kosten gemaakt ter hoogte van € 577,50 die door [gedaagde] verschuldigd zijn.

2.2. [gedaagde] heeft, kort weergegeven, het volgende verweer gevoerd. De verrichte betaling van € 2.000,- behoort tot de loonadministratie van OTE en was geboekt als salaris op 10 november 2006, voordat [gedaagde] werd geconfronteerd met het faillissement van OTE. De betaling van € 1.850,- van 15 november 2006 was gebruikt om vliegtickets en reiskosten van de Franse chauffeurs mee te betalen. De trekkers en trailers moesten in opdracht van [eiser] per direct terugkeren naar Nederland en de chauffeurs moesten deze werkzaamheden uitvoeren nadat ze verzekerd waren van de vergoeding van de kosten voor hun terugreis. [eiser] biedt geen inzage in de administratie.

3. De beoordeling

3.1. [gedaagde] heeft aanvankelijk gesteld dat de betaling van € 2.000,- salaris betrof. Ter comparitie heeft [gedaagde] verklaard dat het bedrag is opgenomen van de rekening van OTE om de chauffeurs een voorschot te kunnen betalen. [eiser] heeft verklaard dat er in de administratie van OTE regelmatig betalingen van € 2.000,- voorkomen die in rekening-courant zijn geboekt en dat het bedrag van € 2.000,- middels een pinopname door [gedaagde] zelf is opgenomen. Voorts heeft [eiser] verklaard dat het klopt dat [gedaagde] de chauffeurs contant geld mee gaf. Er kan derhalve van worden uitgegaan dat [gedaagde] het bedrag van € 2.000,- heeft opgenomen om de voor OTE werkzame chauffeurs een voorschot te kunnen voldoen ter dekking van kosten die samenhangen met de uitvoering van werkzaamheden voor OTE en dat die chauffeurs op dat voorschot ook jegens OTE aanspraak konden maken. Zodoende werd met de betaling aan de chauffeurs een opeisbare vordering voldaan.

De opname door [gedaagde] kan niet worden aangemerkt als een betaling van OTE aan [gedaagde] nu deze opname geschiedde door [gedaagde] in zijn hoedanigheid van bestuurder van OTE. Door de overhandiging van dit bedrag aan chauffeurs door [gedaagde] is er sprake van een betaling door OTE aan die chauffeurs.

Onder genoemde omstandigheden is er van een onverplicht verrichte rechtshandeling ten aanzien van de opname van het bedrag van € 2.000,- geen sprake. Het beroep op het bepaalde in de artikel 42 en 43 Fw kan daarom niet slagen.

3.2. Zoals hiervoor al is overwogen moet er van worden uitgegaan dat er sprake was van de betaling van een bedrag van € 2.000,- door OTE aan de voor haar werkzame chauffeurs. Gesteld noch gebleken is dat de chauffeurs wisten dat het faillissement reeds was aangevraagd of dat de betaling het gevolg was van overleg tussen OTE als schuldenaar en de chauffeurs als schuldeisers, dat ten doel had de chauffeurs door die betaling boven andere schuldeisers te begunstigen. Ook het beroep op artikel 47 Fw slaagt daarom niet.

3.3. Het bepaalde in de artikelen 42, 43 en 47 Fw ziet op betalingen die zijn verricht voorafgaand aan de faillietverklaring. Vast staat dat de betaling van het bedrag van € 1.850,- naar de bankrekening van [gedaagde] heeft plaatsgevonden nadat OTE in staat van faillissement was verklaard. [eiser] heeft dat immers gesteld en [gedaagde] heeft gesteld dat de betaling heeft plaatsgevonden nadat [eiser], die pas bij het vonnis tot faillietverklaring tot curator was benoemd,opdracht had gegeven trekkers en trailers naar Nederland te laten terugkeren. Het beroep van [eiser] op de artikelen 42, 43 en 47 Fw kan dan ook ten aanzien van deze betaling niet slagen.

Het faillissement van OTE bracht mee dat OTE ingaande de dag waarop het faillissement was uitgesproken, niet langer bevoegd was betalingen te doen uit haar vermogen. [gedaagde] was derhalve evenmin bevoegd om als bestuurder van OTE, OTE betalingen te laten doen. Vast staat dat [gedaagde] OTE na het uitspreken van het faillissement toch nog de betaling van

€ 1.850,- heeft laten doen. [eiser] heeft onweersproken gesteld dat hij [gedaagde] daartoe geen toestemming had gegeven zodat daarvan kan worden uitgegaan. Door het door OTE laten verrichten van de betaling van € 1.850,- heeft [gedaagde] onrechtmatig gehandeld jegens de boedel. [gedaagde] is gehouden de schade die de boedel hierdoor heeft geleden te vergoeden. Deze schade kan worden gesteld op het bedrag van € 1.850,-. De vordering zal in zoverre worden toegewezen, te vermeerderen met de niet weersproken buitengerechtelijke kosten, die overeenkomstig het toepasselijke staffeltarief zullen worden vastgesteld op € 300,-, en de gevorderde rente met ingang van 10 augustus 2007, zijnde de dag waartegen deze is aangezegd. Het onrechtmatig handelen van [gedaagde] leidt niet tot vernietiging van de betreffende rechtshandeling zodat de daartoe strekkende vordering niet voor toewijzing in aanmerking komt.

3.4. De slotsom van het voorgaande is dat een bedrag van € 2.150,- met rente voor toewijzing in aanmerking komt en dat de vordering voor het overige moet worden afgewezen.

3.5. Partijen worden over en weer gedeeltelijk in het ongelijk gesteld. In verband daarmee zullen de kosten worden gecompenseerd als na te melden.

4. De beslissing

De kantonrechter:

veroordeelt [gedaagde] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiser] te betalen de som van € 2.150,-, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 1.850,- vanaf 10 augustus 2007 tot aan de dag der algehele voldoening;

compenseert de kosten van deze procedure in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.J.C. Adang, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 juni 2009, in tegenwoordigheid van de griffier.

Zaaknummer: 613719 CV EXPL 09-2507 Schalken qq – [gedaagde] blad 3

vonnis