Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2009:BJ3058

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
18-06-2009
Datum publicatie
20-07-2009
Zaaknummer
613714
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Faillissementspauliana. 1. Art. 42/43 Fw. Vergoeding gemaakte reiskosten door BV. Geen onverplichte rechtshandeling. Wetenschap van faillissementsaanvraag in dat geval niet relevant. 2. Art. 47 Fw. Hoedanigheid van administratrice van de failliete BV en echtgenote van de bestuurder van die BV rechtvaardigt nog niet de conclusie dat gedaagde wetenschap had van de faillissementsaanvraag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ‘s-HERTOGENBOSCH

Sector Kanton, locatie ‘s-Hertogenbosch

Zaaknummer : 613714

Rolnummer : 09-2506

Uitspraak : 18 juni 2009

in de zaak van:

[Eiser],

in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van de

besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid OTE Nederland B.V.,

wonende te [adres],

eiser,

gemachtigde: mr. H.J. School,

t e g e n :

[Gedaagde],

wonende te [adres],

gedaagde,

gemachtigde: [O].

1. De procedure

Eiser heeft bij dagvaarding gesteld en gevorderd als na te melden. Gedaagde is in rechte verschenen en heeft mondeling verweer gevoerd. Vervolgens is een comparitie van partijen gelast die heeft plaatsgevonden op 18 mei 2009. Daarna is vonnis bepaald. Onder de genoemde processtukken bevinden zich tevens de in die stukken nader aangeduide producties.

Partijen zullen verder worden aangeduid als ‘[eiser] q.q.’ en ‘[gedaagde]’.

2. Het geschil

2.1. [eiser] q.q. vordert een verklaring voor recht en betaling van € 986,-, te vermeerderen met rente en kosten als vermeld in de dagvaarding.

[eiser] q.q. legt daaraan het volgende ten grondslag. De besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid OTE Nederland B.V. (hierna: OTE) is bij vonnis van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 15 november 2006 failliet verklaard met benoeming van [eiser] q.q. als curator. Het faillissementsrekest waarop dit faillissement is uitgesproken, is op 8 november 2006 betekend aan OTE door terhandstelling aan haar directeur [O]. [gedaagde] is de levenspartner van [O] en zij was fulltime werkzaam als administratrice binnen OTE. Op 13 november 2006 heeft een betaling van € 986,- plaatsgevonden door OTE aan [gedaagde]. OTE heeft een groot aantal crediteuren onbetaald gelaten. [O] en [gedaagde] waren volledig op de hoogte van de financiële situatie van OTE. Er is sprake van de benadeling van één of meer schuldeisers. Er is sprake van een onverplichte rechtshandeling zodat [eiser] q.q. primair een beroep doet op artikel 42 Fw juncto 43 Fw. Er is sprake van samenspanning tussen [O], in zijn functie van bestuurder van OTE, en [gedaagde]. [eiser] q.q. doet subsidiair een beroep op artikel 47 Fw. Zowel OTE als [gedaagde] wisten dat het faillissement was aangevraagd en de betaling had alleen ten doel [gedaagde] te bevoordelen boven andere schuldeisers.

Bij brief van 2 augustus 2007 heeft [eiser] q.q. deze transactie vernietigd. [eiser] q.q. heeft tevergeefs [gedaagde] gesommeerd het bedrag van € 986,- terug te betalen.

[eiser] q.q. heeft buitengerechtelijke kosten gemaakt ter hoogte van € 147,90 die door [gedaagde] verschuldigd zijn.

2.2. [gedaagde] heeft, kort weergegeven, het volgende verweer gevoerd. De verrichte betaling behoort tot de loonadministratie van OTE en was geboekt als salaris op 13 november 2006, voordat [O] en [gedaagde] werden geconfronteerd met het faillissement van OTE. De betaling was voor 13 november 2006 verwerkt in het betalingsverkeer van OTE. [eiser] q.q. biedt geen inzage in de administratie.

3. De beoordeling

3.1. [gedaagde] heeft aanvankelijk gesteld dat de betaling van € 986,- aan haar toekomend salaris betrof. Op het betreffende rekeningafschrift staat vermeld dat de betaling betrekking had op ‘Reiskosten frankrijk 11-06’. Ter comparitie is namens [gedaagde] verklaard dat de betaling betrekking had op kosten die [gedaagde] had gemaakt in verband met een reis naar Frankrijk ten behoeve van OTE. Nu [eiser] q.q. daarop te kennen heeft gegeven dit te willen aannemen wordt er van uitgegaan dat de betaling een aan haar toekomende vergoeding betreft van kosten die [gedaagde] voor de uitoefening van haar werkzaamheden voor OTE heeft gemaakt. Zodoende werd met de betaling aan een opeisbare vordering voldaan. Van een onverplicht verrichte rechtshandeling is daarmee geen sprake. Het antwoord op de vraag of OTE en [gedaagde] wetenschap hadden van de faillissementsaanvraag is in verband daarmee niet relevant. Het beroep van [eiser] q.q. op artikel 42 juncto 43 Fw gaat daarom niet op.

3.2. [eiser] q.q. heeft in het kader van zijn beroep op artikel 47 Fw gesteld dat overduidelijk is dat [gedaagde] en OTE ten tijde van de betaling wisten dat het faillissement was aangevraagd aangezien [O] het faillissementsrekest zelf van de deurwaarder heeft ontvangen en [gedaagde] als administratrice als vanzelfsprekend op de hoogte was van de slechte financiële situatie en het ingediende faillissementsrekest. Dat [O] op de hoogte zou zijn geweest van de faillissementsaanvraag brengt nog niet mee dat [gedaagde] daarvan ook op de hoogte was. De enkele omstandigheid dat [gedaagde] administratrice was bij OTE en dat zij de echtgenote is van [O] rechtvaardigt nog niet de conclusie dat zij wetenschap van de faillissementsaanvraag had. Bovendien heeft [gedaagde] die bekendheid met de aanvraag gemotiveerd weersproken. Daartoe is gesteld dat [O] het faillissementsrekest wel in ontvangst heeft genomen, maar dat hij van de inhoud daarvan toen geen kennis heeft genomen en dat hij door een stomme fout van een medewerkster, die het rekest onjuist heeft verwerkt, niet heeft geweten dat er een faillissementsrekest was ingediend.

Niet is dan ook komen vast te staan dat [gedaagde] bij de ontvangst van het bedrag van

€ 986,- wist dat het faillissement van OTE was aangevraagd en evenmin dat de betaling het gevolg was van overleg tussen OTE en [gedaagde], dat ten doel had [gedaagde] door die betaling boven andere schuldeisers te begunstigen. [eiser] q.q. heeft op dit punt geen voldoende gespecificeerd bewijsaanbod gedaan. Geconcludeerd moet dan ook worden dat het beroep van [eiser] q.q. op artikel 47 Fw niet slaagt.

3.3. De slotsom van het voorgaande is dat de vordering moet worden afgewezen. [eiser] q.q. zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van deze procedure.

4. De beslissing

De kantonrechter:

wijst het gevorderde af;

veroordeelt [eiser] q.q. in de kosten van deze procedure aan de zijde van [gedaagde] gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.J.C. Adang, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 juni 2009, in tegenwoordigheid van de griffier.

Zaaknummer: 613714 CV EXPL 09-2506 [eiser] q.q. – [gedaagde] blad 3

vonnis