Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2009:BJ2913

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
16-07-2009
Datum publicatie
17-07-2009
Zaaknummer
194015 KG ZA 09-362
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Geen recht op inzage volledige administratie familieleden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 194015 / KG ZA 09-362

Vonnis in kort geding van 16 juli 2009

in de zaak van

[J],

wonende te [woonplaats],

eiser in conventie,

verweerder in reconventie,

advocaat mr. H.M.M. van den Elzen te Uden,

tegen

1. [C],

2. [A],

beiden wonende te [woonplaats],

gedaagden in conventie,

eisers in reconventie,

advocaat mr. C.F.L.A. van der Vegt-Boshouwers te Eindhoven.

Eiser zal hierna als [J] en gedaagden in conventie en eisers in reconventie als vader en [A] en gezamenlijk als vader c.s. worden aangeduid.

1. De procedure

1.1. [J] heeft, na wijziging van eis, in kort geding in conventie gesteld en gevorderd zoals hierna verkort is weergegeven.

1.2. De advocaat van [J] heeft de vordering ter terechtzitting toegelicht, mede aan de hand van de door haar overgelegde pleitnotities met producties.

1.3. Vader c.s. hebben verweer gevoerd tegen de vordering in conventie en in reconventie gestelde en gevorderd zoals hierna verkort is weergegeven. De advocaat van vader c.s. heeft dit verweer en de eis in reconventie ter terechtzitting toegelicht, mede aan de hand van de door haar overgelegde pleitnotities tevens eis in reconventie.

1.4. De advocaat van [J] heeft verweer gevoerd in reconventie.

1.5. Na gevoerd debat hebben partijen vonnis gevraagd.

2. De feiten

2.1. Op 14 september 2001 is de moeder van [J] overleden. Vader was op dat moment met moeder gehuwd in gemeenschap van goederen. Moeder had ten behoeve van vader een zogenaamd “langstlevende testament” ex artikel 1167 Burgerlijk Wetboek oud gemaakt.

2.2. Uit het huwelijk van vader en moeder zijn twee kinderen geboren, [J] en [A]. Beiden hebben berust in de nalatenschap en geen beroep op hun legitieme portie gedaan. Vader beheert de nalatenschap van moeder.

2.3. In voormeld testament is - voor zover thans van belang - het navolgende bepaald:

“Ik deel toe:

A. aan mijn voornoemde echtgenoot, ter voldoening aan mijn verzorgingsplicht jegens hem, alle goederen en rechten die tot mijn nalatenschap zullen blijken te behoren, zulks onder de last en verplichting voor hem, wegens de daardoor plaatshebbende overbedeling:

(…)

b. aan mijn kinderen en bij eventueel vóóroverlijden van een of meer van hen aan de bij plaatsvervulling ervende nakomelingen van de vóóroverledene(n) in contanten uit te keren de aan deze toekomende erfdelen, berekend in het saldo van mijn nalatenschap;

B. aan ieder van mijn kinderen en bij eventueel vóóroverlijden van een of meer van hen aan ieder van de bij plaatsvervulling ervende nakomelingen van de vóóroverledene(n) een vordering in contanten ten laste van mijn voornoemde echtgenoot wegens de aan deze gedane overbedeling, voor ieder ten bedrage van het hem of haar in het saldo van mijn nalatenschap toekomend erfdeel.

(…)

De sub B aan mijn kinderen, onderscheidenlijk aan hun nakomelingen toegedeelde vorderingen in contanten ten laste van mijn voornoemde echtgenoot, zullen eerst opeisbaar zijn bij zijn overlijden, alsmede wanneer hij eventueel zou hertrouwen zonder het maken en handhaven van

huwelijksevoorwaarden, inhoudende de uitsluiting van iedere gemeenschap van goederen, zou worden verklaard in staat van faillissement of onder curatele zou worden gesteld.

(…) .”

2.4. Uit de successieaangifte volgt dat het vermogen van de huwelijkse goederengemeenschap tussen vader en moeder ten tijde van het overlijden van moeder ongeveer ƒ 1.400.000,-- bedroeg en de echtelijke woning hypotheekvrij was.

2.5. Het ouderlijk bedrijf bestond uit een pluimveebedrijf (kippen); tevens was er sprake van caravanstalling. Dit bedrijf is in 1996 door de gemeente “weggekocht”. De opbrengst heeft vader verdeeld tussen [J] en [A]; dit gebeurde door het aangaan van een commanditaire vennootschap met beide kinderen. [J] heeft het (nieuw opgezette) kuikenbedrijf van vader overgenomen en voortgezet op een nieuwe locatie. [A] heeft met haar deel van de opbrengst een kantoorpand met bedrijfsruimte gebouwd en verhuurt dit bedrijfsmatig.

Vader woont thans nog in de voormalige echtelijke woning te [woonplaats].

2.6. Ondanks verzoeken van [J] en zijn advocaat aan vader c.s. om [J] inzage te verschaffen in het vermogensbeheer door vader van de nalatenschap van moeder hebben vader c.s. dit tot op heden geweigerd.

3. Het geschil in conventie

3.1. [J] vordert in dit kort geding in conventie, na wijziging van eis samengevat – vader c.s., althans vader te veroordelen:

primair: om binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis, althans binnen een in goede justitie te bepalen termijn, aan [J], althans aan een door hem aangewezen deskundige, volledige inzage te verlenen in het beheer van het vermogen van vader, met het recht om van de relevante stukken een afschrift te maken en te verkrijgen, één en ander zoals geformuleerd onder 16 in het lichaam van de dagvaarding en waarbij onder stukken en bescheiden ook verstaan wordt de op gegevensdragers aangebrachte gegevens, op straffe van een dwangsom van € 250,00 per dag;

subsidiair: vader c.s. te gelasten om de administratieve bescheiden zoals genoemd onder 16 in het lichaam van de dagvaarding, althans de in goede justitie te bepalen administratieve bescheiden, waarbij onder stukken en bescheiden ook verstaan wordt de op gegevensdragers aangebrachte gegevens, te bewaren tot na het overlijden van vader en alsdan binnen één maand na die datum ter inzage en voor afschrift te verstrekken aan [J], op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 per dag;

primair en subsidiair: met veroordeling van vader c.s. in de kosten van dit geding.

De onder 16 in de dagvaarding genoemde bescheiden zijn (behoudens kennelijke stijl- en taalfouten) letterlijk weergegeven de volgende:

a. successieaanslag en de aan de successieaangifte ten grondslag liggende bescheiden;

b. jaarstukken, belastingaangiftes IB/VB en bijbehorende aanslagen;

c. de bankafschriften, zowel zakelijk als privé, zowel lopende rekeningen als spaarrekeningen;

d. schenkingen, bijbehorende aktes en aangifte/aanslag schenkingsrecht;

e. notariële bescheiden betreffende de door vader bewoonde woningen, waaronder hypotheekaktes en overeenkomst, waaronder overeenkomsten van geldlening;

ee. idem voor wat betreft de woning aan de Molenstraat 17;

f. overzicht van investeringen in de woning dan wel zakelijke rechten, verbouwingen woningen derden, kopie offertes en betalingen;

ff. idem voor wat betreft de start van het eigen bedrijf van [A];

g. voor het overige alle onderliggende bescheiden.

3.2. [J] legt aan zijn vordering, kort weergegeven, het navolgende ten grondslag.

[J] heeft een vordering op vader ter zake van de nalatenschap van moeder. Bij [J] bestaat een ernstig vermoeden dat vader geen goed beheer voert over zijn vermogen (het nalatenschapsvermogen), waardoor [J] in zijn verhaalsmogelijkheden jegens vader te zijner tijd zal worden geschaad. Tevens bestaat het vermoeden dat vader en [A] bezig zijn om een vermogensverschuiving van vader naar [A] te laten plaatsvinden en dat de vermogens van vader en [A] zeer nauw verstrengeld zijn geraakt. [J] heeft dan ook belang bij inzage in het vermogensbeheer door vader teneinde de juistheid van zijn stellingen te kunnen toetsen en om eventuele schenkingen en bevoordelingen nu al te beoordelen en eventueel op grond van het bepaalde in artikel 3:45 BW te kunnen vernietigen. Omdat de relatie tussen [J] en vader c.s. is verstoord en zij hem geen enkele informatie verschaffen, is het voor [J] niet eenvoudig om deze benadeling aan te tonen. Omdat vader en [A] samen het beheer van de erfenis voeren en [J] vermoedt dat vaders zakelijke en financiële belangen door [A] behartigd worden, dient [A] eveneens haar medewerking te verlenen aan de verstrekking van deze informatie. De handelswijze van vader c.s. is is in strijd met de redelijkheid & billijkheid, althans is [J] op grond van het bepaalde in artikel 843a Rv gerechtigd tot inzage en afschrift van de door hem gevraagde bescheiden. De vordering op vader uit hoofde van de nalatenschap van moeder heeft [J] nodig om in de toekomst financieel het hoofd boven water te kunnen houden. Bij de bedrijfsoverdracht van vader op [J] zijn namelijk grote fouten gemaakt waardoor [J] in totaal voor zeker € 500.000,-- is benadeeld. Hierdoor is het bedrijf van [J] in ernstige financiële problemen geraakt en is het momenteel niet mogelijk om de vereiste verbouwingen en investeringen in zijn bedrijf te realiseren.

3.3. Het verweer van vader c.s. komt - zakelijk weergegeven - op het navolgende neer.

1. [J] dient niet ontvankelijk te worden verklaard in zijn vorderingen jegens [A]; [A] is immers geen partij in deze kwestie; zij is net als [J] (voorwaardelijk) schuldeiser van vader met betrekking tot de nalatenschap van moeder,

2. Vader c.s. betwisten dat zij op grond van de redelijkheid & billijkheid gehouden zijn tot de door [J] gevorderde inzage en afschrift van bescheiden,

3. voor zover de vorderingen zijn gestoeld op artikel 843a Rv dienen deze te worden afgewezen, nu aan de in dat artikel gestelde voorwaarden niet is voldaan,

4. [J] heeft op grond van het testament van moeder weliswaar een vordering op vader, maar dit betreft een voorwaardelijke vordering die pas opeisbaar wordt als vader overlijdt, hertrouwt zonder het maken van huwelijkse voorwaarden, in staat van faillissement wordt verklaard of onder curatele wordt gesteld. Vader heeft voordien het recht om zijn gehele vermogen op te maken, indien hij dat wenst,

5. vader voert alleen het beheer over zijn vermogen en hoeft aan niemand rekening en verantwoording af te leggen, dus ook niet aan [J],

6. er is geen sprake van verwevenheid van het vermogen van vader en [A],

7. de wet verbindt geen sanctie aan slecht beheer van vermogen; [J] heeft dan ook geen enkel belang bij toewijzing van de vorderingen, althans ontbreekt het spoedeisend belang,

8. indien de vorderingen worden toegewezen dient de uitvoerbaar bij voorraad verklaring achterwege te worden gelaten; wanneer de gevraagde bescheiden aan [J] moeten worden verschaft terwijl de mogelijkheid van hoger beroep openstaat, dreigt een hoger beroep een lege huls te worden, omdat [J] alsdan kennis van deze bescheiden heeft kunnen nemen,

9. de gevorderde dwangsommen dienen achterwege te worden gelaten.

3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. Het geschil in reconventie

4.1. Vader c.s. vorderen in reconventie, na wijziging van eis samengevat - een straat- en contactverbod jegens [J] op straffe van een dwangsom van € 1.000,-- voor iedere keer dat [J] deze verboden overtreedt, met veroordeling van [J] in de proceskosten.

4.2. Vader c.s. leggen aan hun vordering, kort weergegeven, het navolgende ten grondslag. [J] is slechts uit op het verkrijgen van meer geld. Hij kent daarin geen grenzen meer. [J] heeft zijn blijkbaar penibele financiële situatie te danken aan eigen financieel wanbeheer en gebrekkig zakelijk inzicht. In de afgelopen jaren zijn zowel vader als [A] regelmatig lastiggevallen en bedreigd door [J], waarbij ook sprake is geweest van huiselijk geweld. Vader is diverse malen neergeslagen door [J] wanneer vader hem weigerde geld te geven. Bovendien is [J] zowel de woning van vader als [A] binnengedrongen en heeft hij [A] herhaaldelijk telefonisch lastiggevallen en ook éénmaal met de dood bedreigd. Van deze voorvallen is ook melding gemaakt bij de politie en de wijkagent (Mark Gouka van politie Brabant Zuid Oost). De onderhavige procedure is de zoveelste poging van [J] om aan meer geld te komen. Voor vader en [A] is nu dan ook de maat vol. Zij willen rust en niet meer constant belaagd en lastiggevallen worden door [J]. Vader en [A] hebben dan ook belang bij het door hen gevorderde straat- en contactverbod. Diverse malen is door de politie aan vader c.s. het advies gegeven aangifte te doen van huiselijk geweld en bedreiging, maar dit heeft voor vader c.s. op emotionele bezwaren gestuit. Tevens speelt een rol dat, wanneer [J] opgepakt zou worden, de 65.000 dieren in zijn pluimveebedrijf zonder verzorgingen zouden komen te zitten.

4.3. Het verweer van [J] komt - zakelijk weergegeven - op het navolgende neer. Hij betwist dat hij vader c.s. heeft bedreigd of dat er sprake is geweest van huiselijk geweld. Een straat - en contactverbod heeft verstrekkende consequenties en kan alleen opgelegd worden in evident en structureel bedreigende situaties, waarvan in het geheel geen sprake is; er is geen enkele concrete aanwijzing die een contact- en straatverbod zouden kunnen rechtvaardigen. De reconventionele vorderingen dienen dan ook geen ander doel dan [J] in een kwaad daglicht te plaatsen en daarmee de aandacht van de kern van de zaak te halen, namelijk de bevoordeling door vader van [A]. De bevoordeling van [A] is voor [J] bijzonder pijnlijk; terwijl vader en [A] in luxe leven en hun eigen gang gaan, woont [J] in de stal en kan maar amper de financiële touwtjes aan elkaar knopen. [J] voelt zich buitengesloten. Bovendien ontbreekt het spoedeisend belang.

4.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5. De beoordeling in conventie

5.1. Als erfgenaam heeft [J] uiteraard recht op inzage in de successieaanslag en de aangifte. Uit de dagvaarding volgt evenwel dat hij die stukken kent. De betrokken successieaangifte heeft hij zelfs als productie 2 bij dagvaarding gevoegd. Waarom hij die opnieuw ter inzage zou moeten krijgen, valt zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet in te zien. Waarom hij een rechtstreeks en voldoende belang zou hebben om de gehele boekhouding van de erflaatster in te zien (vgl artikel 3:15j BW) heeft hij niet aangegeven.

5.2. [J] heeft zich ter onderbouwing van zijn vordering blijkens zijn uitlatingen ter zitting primair beroepen op de redelijkheid en billijkheid. Naar de voorzieningenrechter begrijpt gaat het er hem om dat hij actie kan ondernemen tegen het verkwanselen van het vermogen van vader door vader en [A]. Daarbij speelt dan mee dat de mogelijkheden om daar tegen op te komen na het overlijden van vader beperkt zijn.

5.3. Allereerst merkt de voorzieningenrechter op dat [J] weliswaar een vordering heeft op vader, maar deze vordering betreft slechts een voorwaardelijke vordering die blijkens het testament eerst opeisbaar word na overlijden van vader, indien vader in staat van faillissement word verklaard, hertrouwt of onder curatele word gesteld. Indien één van deze omstandigheden zich voordoet zal derhalve pas duidelijk zijn of en zo ja voor welk bedrag de vordering van [J] inbaar is. Het staat vader op grond van het onderhavige “langstlevende testament” volledig vrij om zijn gehele vermogen te beheren (waaronder volledig in te teren) zoals hem dat belieft.

5.4. Aan [J] valt toe te geven dat de rechtsbetrekking tussen hem en vader en [A] wordt beheerst door de eisen van redelijkheid en billijkheid, maar die brengen niet mee dat hem inzage wordt geboden in de door hem aangegeven bescheiden van vader en/of [A]. Vader is niet gehouden tijdens zijn leven rekening en verantwoording aan [J] af te leggen, laat staan dat [A] daartoe gehouden zou zijn. Het beroep de redelijkheid en billijkheid faalt.

5.5. Het beroep op artikel 843a Rv kan [J] evenmin baten. Immers, [J] vraagt om overlegging van een groot aantal bescheiden, waarbij hij zich kennelijk voorstelt dat een uitgebreide studie daarvan klaarheid zal brengen over een mogelijke toekomstige overbedeling van zus [A] en vaststelling van onderbedeling van hemzelf. Los van de vraag of hiervan sprake zal zijn of kunnen zijn, is het volgende van belang. De bepaling van artikel 843a Rv bevat geen blanco cheque om ongebreideld bescheiden op te vragen die men graag met het oog op een en ander belang zou willen inzien of hebben; artikel 843a Rv biedt geen ruimte voor een zogenaamde fishing expedition. Uit het feit dat [J] niet aangeeft welke stukken hij precies wenst te ontvangen maar vordert dat een groot aantal weinig bepaalde stukken wordt afgegeven, volgt reeds dat sprake is van een fishing expedition. In de Memorie van Toelichting (Kamerstukken II 1999-2000, 26 855 nr. 3, p. 188) wordt er uitdrukkelijk op gewezen dat zogenaamde “fishing expeditions” voorkomen dienen te worden. Met het oog daarop is in artikel 843a Rv dan ook de eis gesteld dat het moet gaan om “bepaalde bescheiden”. Het beroep op genoemde bepaling kan [J] reeds hierom evenmin baten.

5.6. Op grond van hetgeen [J] heeft aangevoerd over de mogelijke benadeling van hem door vader en/of [A] kan ook niet leiden tot het oordeel dat er wellicht bepaalde, zeer voor de hand liggende en daarom door de voorzieningenrechter aan te wijzen, bescheiden aan hem ter inzage zouden moeten worden gegeven. Dat vader en/of [A] enige regel van geschreven of ongeschreven recht zouden schenden, is immers door [J] - ondanks zijn uitgebreide verhaal - niet aangegeven, laat staan toegelicht.

5.7. Op grond van het bovenstaande komt de voorzieningenrechter aan een belangenafweging niet meer toe. De vordering zal worden afgewezen met veroordeling van [J], als de in het ongelijk te stellen partij, in de kosten van het geding.

6. De beoordeling in reconventie

6.1. In de aard van de vordering is naar het oordeel van de rechter een voldoende spoedeisend belang gelegen.

6.2. Een straatverbod, zoals vader c.s. vorderen, vormt een inbreuk op het aan een ieder toekomend recht om zich vrijelijk te verplaatsen. Voor het toewijzen van een zo ingrijpende maatregel moet sprake zijn van in hoge mate aannemelijke feiten en omstandigheden die zo'n inbreuk kunnen rechtvaardigen.

6.3. Omstandigheden die meebrengen dat van een voldoende concreet en reëel gevaar sprake is dat [J] zich in (de nabijheid van) de leefomgeving van vader en/of [A] gewelddadig of anderszins onrechtmatig zal gedragen, zijn voorshands niet voldoende aannemelijk geworden, zodat reeds hierom het gevorderde straatverbod zal worden afgewezen.

6.4. Wél acht de voorzieningenrechter - gelet op de authentiek overkomende verklaringen ter zitting van zowel vader als [A] en de niet weersproken slechte verstandhouding tussen partijen, welke door de brutale en aanmatigende vordering in conventie worden bevestigd - een contactverbod geïndiceerd, teneinde een escalatie tussen partijen te voorkomen en rust voor vader en [A] te bevorderen.

6.5. In verband met de eisen van proportionaliteit zal het verbod voor de hierna te noemen duur worden opgelegd.

6.6. De gevorderde dwangsom wordt gelimiteerd als na te melden. Tevens zal hieraan een matigingsclausule van de hierna te melden inhoud worden verbonden.

6.7. De beslissing op het gevorderde contactverbod zal - voor zover thans niet uitgesproken - worden aangehouden tot één jaar na de betekening van dit vonnis. Indien vader c.s. niet vóór die datum om voortzetting van de behandeling hebben gevraagd ter verlenging van het verbod of ter uitbreiding van de dwangmiddelen, zal de zaak als ingetrokken worden beschouwd.

6.8. Gelet op de relatie tussen partijen en het feit dat beide gedeeltelijk in het ongelijk zullen worden gesteld, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

7. De beslissing

De voorzieningenrechter

in conventie

7.1. wijst de vorderingen af;

7.2. veroordeelt [J] in de proceskosten, aan de zijde van gedaagden tot op heden begroot op € 1.078,00, waarvan € 816,00 salaris advocaat en € 262,00 vast recht;

7.3. verklaart dit vonnis in conventie wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

in reconventie

7.4. verbiedt [J] gedurende zes maanden na betekening van dit vonnis anders dan via zijn advocaat - persoonlijk, schriftelijk, telefonisch of anderszins contact op te nemen met vader en/of [A];

7.5. bepaalt dat [J] voor iedere dag dat hij in strijd handelt met het onder 7.4. bepaalde, aan betrokkene een dwangsom verbeurt van € 250,00;

7.6. bepaalt dat deze dwangsom vatbaar zal zijn voor matiging door de rechter, voor zover handhaving daarvan naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn, in aanmerking genomen de mate waarin aan het vonnis is voldaan, de ernst van de overtreding en de mate van verwijtbaarheid van de overtreding,

7.7. verklaart dit vonnis in reconventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

7.8. compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

7.9. houdt de behandeling van het overige pro forma aan tot een jaar na betekening van dit vonnis.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.F.M. Strijbos en in het openbaar uitgesproken op 16 juli 2009.