Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2009:BJ2876

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
25-06-2009
Datum publicatie
16-07-2009
Zaaknummer
591125
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

"Varde-zaak" Tussenvonnis. Opt-outverklaring tijdig en op juiste wijze ingediend conform WCAM-beschikking? Oproeping in vrijwaring van Dexia. Artikel 6:15 lid 1 AWB; 1017 lis 3 Rv

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ‘s-HERTOGENBOSCH

Sector Kanton, locatie Eindhoven

Zaaknummer : 591125

Rolnummer : 08/10112

Uitspraak : 25 juni 2009

Vonnis in hoofdzaak en incident

In de zaak van:

de buitenlandse vennootschap Varde Investments (Ireland) Limited,

gevestigd te Dublin (Ierland),

eiseres in de hoofdzaak, verweerster in het incident,

gemachtigde: mr. G.J. Schras, advocaat te Spijkenisse,

rolgemachtigde: de maatschap naar burgerlijk recht GGN Maas-Delta deurwaarders, gerechtsdeurwaarders te Rotterdam,

t e g e n :

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde in de hoofdzaak, eiseres in het incident,

gemachtigde: mr. G.H. Rompen, advocaat te Eersel, ([adres]),

heeft de kantonrechter te Eindhoven in vervolg op de tussenvonnissen in hoofdzaak en in incident van 19 februari 2009 en 23 april 2009 het navolgende vonnis gewezen.

1. De verdere procedure

1.1. De kantonrechter heeft acht geslagen op de volgende processtukken:

- de akte zijdens [gedaagde] van 7 mei 2009;

- de akte uitlaten in het incident tot oproeping in vrijwaring zijdens Varde Investments van 28 mei 2009.

1.2. Partijen zullen hierna “Varde Investments” en “[gedaagde]” worden genoemd.

1.3. De uitspraak is bepaald op heden.

2. De verdere beoordeling in het incident

2.1. De kantonrechter volhardt bij de tussenvonnissen van 19 februari 2009 en 23 april 2009.

2.2. Thans moet derhalve worden bezien of aan [gedaagde] na het uitspreken van de WCAM-beschikking als in eerdere tussenvonnissen genoemd, door Dexia per brief is medegedeeld dat de opt - out verklaring moest of (ook) kon worden gericht aan Dexia zelve, bijvoorbeeld in een brief als bedoeld in onderdeel 2.16 van het tussenvonnis van 23 april 2009.

2.3. Uit de door [gedaagde] nader betrokken stellingname in haar akte van 7 mei 2009, namelijk dat zij geen partij was in de procedure die heeft geleid tot de WCAM- beschikking en na de WCAM-beschikking ter zake geen bericht van Dexia heeft ontvangen over de beschikking of de daarop gebaseerde gevolgen, blijkt dat een dergelijke brief niet door [gedaagde] is ontvangen.

Zij heeft, aldus de akte, na in de media te hebben vernomen dat zij die niet met de regeling wilden instemmen dit kenbaar dienden te maken, dit kenbaar gemaakt conform de aan haar akte van 7 mei 2009 gehechte productie 1, zijnde de brochure “De Duisenbergregeling” (hierna de brochure). In artikel 11 onder 2 (brochure pagina 19) staat de wijze waarop mededelingen aan Dexia dienen te worden gedaan, aldus [gedaagde]. Op een andere wijze van kennisgeving is [gedaagde] nimmer gewezen, aldus [gedaagde]. Subsidiair beroept [gedaagde] zich op artikel 6:15 lid 1 AWB.

2.4. Varde Investments heeft gesteld dat de brochure dateert van vóór de WCAM- beschikking en niet ziet op ‘out - opten’. Het vermeldt slechts het adres van Dexia waaraan de debiteur correspondentie kan richten. Door Dexia is voorts voldaan aan de overwegingen in de WCAM-beschikking die zien op aankondiging van de WCAM-beschikking en de daarin vervatte beslissingen.

2.5. De kantonrechter stelt vast dat door Dexia niet in het kader van de WCAM-beschikking aan [gedaagde] is bericht dat ook aan Dexia zelve een opt out-verklaring kon of moest worden gericht. Dat voorts aan [gedaagde] in het geheel niets zou zijn bericht over de WCAM-beschikking betekent niet dat Dexia zich niet aan de instructies van het Hof als opgenomen in de WCAM-beschikking heeft gehouden.

2.6. Het per ‘gewone brief’ informeren van de aan verzoeksters (waaronder Dexia) “‘bekende gerechtigden’ tot een vergoeding (in de zin van artikel 1017, lid 3 Rv)”, als vermeld in overweging 10.4 van de WCAM-beschikking, ziet immers niet op alle tot een vergoeding gerechtigden.

Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat in artikel 1017 lid 3 Rv sprake is van een beperkte groep:

“Bekenden gerechtigden tot een vergoeding zijn in deze fase van de procedure niet alleen degenen die in het verzoekschrift zijn vermeld, maar ook degenen die daarin niet zijn vermeld maar wel in de procedure zijn verschenen” [TK 2003-2004, VW 29414 nr. 3 (Memorie van Toelichting) p.30].

2.7. [gedaagde] behoort niet tot de groep als bedoeld in artikel 1017 lid 3 Rv. Dexia kon derhalve richting [gedaagde] volstaan met het plaatsen van de door het Hof aangegeven advertenties en plaatsing op haar website. Dat Dexia hieraan niet heeft voldaan is gesteld noch gebleken.

2.8. Gezien het voorgaande en gezien hetgeen in de eerdere tussenvonnissen is overwogen moet worden vastgesteld dat geen sprake is van een door [gedaagde] correct uitgebrachte “opt-out verklaring”. Van door Dexia na de WCAM-beschikking verstrekte informatie die [gedaagde] op het verkeerde been heeft gezet, is niet gebleken. [gedaagde] is derhalve gebonden aan de overeenkomst, zoals voorshands al is aangenomen in overweging 2.8 van het tussenvonnis van 23 april 2009. Dat zij behoort tot uitgezonderde groepen (zie overweging 2.7 van genoemd tussenvonnis) is immers ook niet gebleken.

2.9. Het beroep op artikel 6:15 lid 1 van de Algemene Wet Bestuursrecht (AWB) leidt niet tot een ander oordeel. Zonder nadere toelichting - die ontbreekt - is onduidelijk waarom Dexia, niet zijnde een onbevoegde administratieve rechter of onbevoegd bestuursorgaan maar een particuliere rechtspersoon, in de gegeven omstandigheden gehouden zou zijn (geweest) tot doorzending van de brief van [gedaagde] van 25 juli 2007 aan de op de voet van artikel 907 lid sub f BW in de WCAM-beschikking aangewezen persoon.

Voor zover [gedaagde] aldus een beroep heeft willen doen op artikel 6:2 lid 2 jo 6:248 lid 2 BW geldt dat dit beroep onvoldoende is onderbouwd. Ook ambtshalve ziet de kantonrechter geen reden om, in een situatie waarin [gedaagde] in ieder geval ten tijde van de verzending van de brief van 25 juli 2007 werd bijgestaan door een rechtskundig onderlegde gemachtigde - die met de al op 27 juli 2005 in werking getreden Wet collectieve afwikkeling massaschade bekend moest worden geacht - het beroep door Varde Investments als rechtsopvolger van Dexia op artikel 7:908 leden 1 en 2 BW naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar te achten.

2.10. Gezien het voorgaande heeft [gedaagde] evident geen belang bij oproeping in vrijwaring van Dexia, nu op grond van de gesloten effectenlease-overeenkomsten [gedaagde] geen aanspraken op Dexia (meer) kan hebben als bedoeld in haar incidentele conclusie – namelijk gebaseerd op gedane beloften en per saldo negatieve resultaten -, zodat de vordering in het incident zal worden afgewezen.

2.11. [gedaagde] zal als in het ongelijk gestelde in het incident in de kosten daarvan als aan de zijde van Varde Investments gevallen, worden veroordeeld.

3. De verdere beoordeling in de hoofdzaak

3.1. In de hoofdzaak zal thans verder dienen te worden geprocedeerd. Er is immers geen reden meer voor aanhouding, nu vaststaat dat door [gedaagde] geen opt-out verklaring is afgelegd.

3.2. Bovendien zijn door de Hoge Raad op 5 juni 2009 drie uitspraken gewezen (LJN BH 2811 inzake Levob; LJN BH 2815 inzake Dexia en LJN BH 2822 inzake Dexia), zodat de door [gedaagde] in haar akte verzoek tot aanhouding in de hoofdzaak van 11 december 2008 genoemde reden voor aanhouding inmiddels als zodanig ook is vervallen.

3.3. De zaak zal verwezen worden naar de rol voor conclusie van antwoord zijdens [gedaagde]. Vervolgens zal worden bezien of een comparitie van partijen in de rede ligt.

3.4. Iedere verdere beslissing in de hoofdzaak zal worden aangehouden.

4. De beslissing

De kantonrechter:

in het incident:

wijst het gevorderde af;

veroordeelt [gedaagde] in de kosten van het incident, tot op heden aan de zijde van Varde Investments begroot op € 500,=;

verklaart dit vonnis wat de proceskostenveroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad;

in de hoofdzaak:

verwijst de zaak naar de rol van donderdag 23 juli 2009 voor conclusie van antwoord zijdens [gedaagde];

houdt iedere verdere beslissing aan.

Aldus gewezen door mr. R.R.M. de Moor, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 25 juni 2009, in tegenwoordigheid van de griffier.