Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2009:BJ2438

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
09-07-2009
Datum publicatie
14-07-2009
Zaaknummer
AWB 08-1652
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank concludeert dat de re-integratieinspanningen van de werkgever onvoldoende zijn geweest en dat deze ten tijde van de aanvraag nog onvoldoende waren hersteld om de periode van de loonsanctie te verkorten. Gelet op de adviezen van de bedrijfsarts van de werkgever is aanleiding om in medisch objectieve zin aan te nemen dat het re-integratieproces onnodige vertraging heeft opgelopen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ’s-HERTOGENBOSCH

Sector bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 08/1652

Uitspraak van de meervoudige kamer van 9 juli 2009

inzake

MEE Zuidoost Brabant,

te Eindhoven,

eiseres,

gemachtigde W. Peara-van den Hoven,

arts-gemachtigde mr. drs. D.W.M. Weesie

tegen

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv),

te Amsterdam,

Uwv-kantoor te Eindhoven,

verweerder,

gemachtigde P.W.M. van der Helm.

Aan het geding heeft als partij ex artikel 8:26 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) deelgenomen [werkneemster], te [woonplaats], werkneemster van eiseres.

Procesverloop

Bij besluit van 5 november 2007 heeft verweerder aan eiseres medegedeeld dat hij van mening is dat eiseres de tekortkomingen in haar re-integratieverplichting voor [werkneemster] (hierna: de werkneemster) nog niet heeft hersteld. Onder verwijzing naar de rapportage van arbeidsdeskundige M.B.P. Pieters ziet verweerder geen reden om de loonsanctie van 52 weken te verkorten.

Het hiertegen door eiseres gemaakte bezwaar is door verweerder bij besluit van 4 april 2008 ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen dit besluit beroep ingesteld. De werkneemster heeft in het kader van dit beroep een schriftelijke reactie ingediend.

De zaak is behandeld ter zitting van 15 juni 2009, waar zowel eiseres als verweerder zich hebben doen vertegenwoordigen door hun bovengenoemde (arts-)gemachtigden. Tevens is verschenen de werkneemster.

Overwegingen

1. De rechtbank stelt voorop dat, gelet op hetgeen eiseres in beroep en ter zitting naar voren heeft gebracht, het geschil zich beperkt tot de vraag of eiseres (alsnog) voldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht.

2. De rechtbank gaat daarbij uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Op 2 januari 2006 is de werkneemster wegens ziekte uitgevallen voor haar werkzaamheden als consulent zorg bij eiseres. Op 10 september 2007, door verweerder ontvangen op 12 september 2007, heeft de werkneemster een aanvraag ingediend om in aanmerking te komen voor een uitkering krachtens de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Bij besluit van 8 oktober 2007 heeft verweerder aan eiseres medegedeeld dat de werkneemster een WIA-aanvraag zonder een compleet re-integratieverslag heeft ingediend, omdat eiseres een of meerdere onderdelen daarvan niet (op tijd) zou hebben overgelegd. Aangegeven wordt dat eiseres een week de gelegenheid heeft gehad om het verzuim te herstellen en dat eiseres van deze gelegenheid geen gebruik heeft gemaakt. Omdat eiseres niet heeft voldaan aan haar re-integratieverplichtingen, wordt het tijdvak waarin de werkneemster jegens eiseres recht heeft op loon tijdens ziekte verlengd met 52 weken. Daarbij is vermeld dat zodra eiseres alsnog haar re-integratieverplichtingen is nagekomen, verweerder gevraagd kan worden om de loonsanctie te verkorten. Onder het kopje “wat verwachten wij van u?” staat aangegeven dat eiseres zo spoedig mogelijk alsnog de volgende formulieren dient op te sturen: de eindevaluatie van het plan van aanpak, het actueel oordeel en de medische informatie. Daarbij is tevens vermeld dat na ontvangst van de ontbrekende stukken door verweerder beoordeeld zal worden of eiseres voldoende heeft gedaan aan de re-integratie van haar werknemer. Is alles in orde, zo vermeldt het besluit, dan wordt de loonsanctieperiode tot zes weken na de beslissing daarover verkort. Eiseres heeft tegen dit besluit inzake het opleggen van een loonsanctie geen rechtsmiddel aangewend.

Op 9 oktober 2007 is namens eiseres verzocht om de WIA-aanvraag verder in behandeling te nemen. Daarbij zijn het actueel oordeel en medische informatie bijgevoegd.

3. Bij besluit van 5 november 2007 heeft verweerder, naar aanleiding van de melding op 9 oktober 2007, geoordeeld dat eiseres de tekortkoming nog niet heeft hersteld. Ter onderbouwing van dit oordeel wordt verwezen naar een rapportage van arbeidskundige M.B.P. Pieters van 25 oktober 2007. Verweerder ziet daarom af van verkorting van de loonsanctie van 52 weken. In het bestreden besluit op bezwaar heeft verweerder dit standpunt gehandhaafd.

4. Op de gronden van het beroep van eiseres zal hierna nader worden in gegaan.

5. De rechtbank overweegt als volgt.

6. Artikel 25 van de Wet WIA behelst een wezenlijk andere systematiek van de loonsanctie (zoals in de memorie van toelichting het systeem van artikel 25 van de Wet WIA wordt genoemd; TK 2005-2006, 30318, nr. 6, p.19) dan de systematiek onder de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering. Zowel in het geval van een administratieve tekortkoming ten aanzien van de re-integratieverplichtingen als in het geval van een inhoudelijke tekortkoming legt het Uwv een loonsanctie op van maximaal 52 weken. De werkgever heeft zelf in de hand hoe lang de loonsanctie feitelijk zal duren. Zodra hij zijn tekortkomingen ten aanzien van zijn in artikel 25, negende lid, van de Wet WIA genoemde verplichtingen of zijn re-integratieinspanningen heeft hersteld, kan hij dit (onderbouwd) melden aan het Uwv. Het Uwv moet vervolgens binnen drie weken na ontvangst van de melding een besluit nemen, waarin wordt vastgesteld of de tekortkoming inderdaad is hersteld. Is dat het geval, dan eindigt de loondoorbetalingsverplichting zes weken na dat besluit, maar niet later dan na 52 weken. Indien het Uwv het besluit te laat heeft genomen, eindigt de loondoorbetalingsverplichting zoveel eerder als het besluit te laat is genomen.

7. Gelet op de gewijzigde systematiek van de loonsanctie is de rechtbank, anders dan eiseres, allereerst van oordeel dat er geen sprake is van een punitieve sanctie. De opgelegde loonsanctie beoogt immers de tekortkomingen in de re-integratie te herstellen. Indien en zodra de geconstateerde tekortkomingen zijn hersteld, wordt de opgelegde loonsanctie verkort. De bij het besluit van 8 oktober 2007 opgelegde loonsanctie, waartegen eiseres overigens geen rechtsmiddel heeft aangewend, is derhalve reparatoir van aard.

8. De rechtbank stelt vast dat verweerder eiseres verwijt dat zij onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht in de periode ná 20 juni 2007, nadat de werkneemster uit haar klinische opname te Venray was ontslagen. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft verweerder onder verwijzing naar de rapportages van zijn bezwaarverzekeringsarts en van de bezwaararbeidsdeskundige aangevoerd dat er geen deugdelijke grond aanwezig is voor het opgetreden hiaat van 2 maanden doordat eerst in augustus 2007 is gestart met de re-integratie.

9. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting is voldoende komen vast te staan dat de werkneemster, nadat haar opname op 20 juni 2007 was beëindigd, tot begin augustus 2007 geen begin heeft gemaakt met het al dan niet op arbeidstherapeutische basis verrichten van haar werkzaamheden. Ter zitting heeft eiseres aangegeven dat de werkneemster in juli 2007 vakantie heeft gehad. Desgevraagd bleek dit niet om daadwerkelijk vakantieverlof te gaan, maar eiseres besloot de werkneemster de kans te gunnen om bij te komen van haar langdurige opname. Hoe begrijpelijk de rechtbank het ook acht dat eiseres aan de werkneemster die mogelijkheid heeft geboden, toch moet worden vastgesteld dat van een medisch objectieve noodzaak voor deze rustperiode niet of onvoldoende is gebleken. Daartoe wijst de rechtbank op de periodieke evaluatie van bedrijfsarts L.H.J.J. Horijon-Denis van 26 juni 2007 waarin wordt aangegeven dat een rustige start in het werk mogelijk moet zijn met inachtneming van regelmaat, ritme en een duidelijke structurering. Naar het oordeel van de rechtbank valt daarom niet in te zien dat de arbeidstherapeutische werkzaamheden, bestaande uit inlezen in de ontwikkelingen in de organisatie, gelet op de adviezen van de bedrijfsarts pas in augustus 2007 vorm konden krijgen. De rechtbank volgt verweerder dan ook in diens oordeel dat, in medisch objectieve zin, er aanleiding is om aan te nemen dat het re-integratieproces onnodige vertraging heeft opgelopen. In de door eiseres aangevoerde omstandigheid dat de werkneemster door verweerder niet medisch is onderzocht, ziet de rechtbank geen aanleiding om tot een andersluidend oordeel te komen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in dit geval, zonder de werkneemster zelf te zien, op verantwoorde wijze tot het medisch oordeel kunnen komen dat de werkneemster na ontslag uit haar opname tot tenminste enige werkzaamheden in staat moest worden geacht. Dit oordeel wordt immers bevestigd door de eigen bedrijfsarts van eiseres die de werkneemster op het spreekuur heeft gezien.

10. Het vorenstaande leidt de rechtbank met verweerder tot de conclusie dat de re-integratie-inspanningen van eiseres in de periode na 20 juni 2007 onvoldoende zijn geweest en dat deze ten tijde van de aanvraag van eiseres op 9 oktober 2007 nog onvoldoende waren hersteld om de periode van de loonsanctie te verkorten. Op of omstreeks deze datum vertegenwoordigden de werkzaamheden van de werkneemster immers nog slechts een loonwaarde van 12 uur per week. Daartoe wijst de rechtbank op de rapportage van de door eiseres ingeschakelde arbeidsdeskundige L. Janssen van 24 september 2007 waaruit blijkt dat de werkneemster per 1 oktober 2007 op basis van 12 uur loonwaarde zal werken alsmede op het feit dat de werkneemster van 26 september 2007 tot en met 11 oktober 2007 met vakantie was. Ten tijde van de aanvraag van 8 oktober 2007 tot verkorting van de loonsanctie was derhalve van een substantiële uitbreiding van de uren die de werkneemster tegen loonwaarde werkzaam was nog geen sprake. De omstandigheid dat de werkneemster, zoals ter zitting is gebleken, op 21 januari 2008 wel weer tegen 65% loonwaarde bij eiseres werkzaam was, had overigens voor eiseres aanleiding kunnen zijn om zich op dat moment tot verweerder te wenden om alsnog een verkorting van de loonsanctieperiode te bewerkstelligen. In relatie tot onderhavig geschil brengt het de rechtbank evenwel niet tot een ander oordeel.

11. Het vorenstaande betekent dat het beroep ongegrond moet worden verklaard.

12. Voor een proceskostenveroordeling of een vergoeding van het griffierecht ziet de rechtbank geen aanleiding.

13. Beslist wordt als volgt.

Beslissing

De rechtbank,

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door mr. drs. M.M.L. Wijnen als voorzitter en mr. E.H.B.M. Potters en mr. G.H. de Heer-Schotman als leden in tegenwoordigheid van mr. P. Landman als griffier en in het openbaar uitgesproken op 9 juli 2009.

Belanghebbenden kunnen tegen deze uitspraak binnen zes weken na de datum van toezending hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep, postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Afschriften verzonden: