Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2009:BJ1659

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
17-06-2009
Datum publicatie
06-07-2009
Zaaknummer
181370 - HA ZA 08-1872
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2012:BV6792, Overig
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Letselschade, strafbaar feit, mishandeling, stelplicht. Hoewel eiser heeft voldaan aan zijn stelplicht ten aanzien van de toedracht van de schermutseling, gaat de rechtbank vooralsnog niet over tot het geven van een bewijsopdracht, omdat voor aansprakelijkheid niet alleen dient vast te staan dat sprake is van onrechtmatig handelen door gedaagde jegens eiser, maar onder meer ook moet vaststaan dat sprake is van schade en dat deze schade het gevolg is van het onrechtmatig handelen (causaal verband). De schade moet bovendien voldoende concreet worden onderbouwd. Vanwege de summiere, weinig concrete en niet voldoende feitelijk onderbouwde stellingen ter zake het bestaan van een nekhernia, het causaal verband met de gestelde mishandeling, de daaraan toe te rekenen beperkingen en de daaruit voortvloeiende schade, komt de rechtbank niet toe aan het benoemen van een (medisch) deskundige om hierover bericht uit te brengen, zoals door de raadsman van eiser ter zitting is voorgesteld. Om proceseconomische redenen wijst de rechtbank de vordering toch (nog) niet af, omdat uit de uitlatingen die eiser zelf ter zitting heeft gedaan volgt, dat hij wellicht toch in staat moet worden geacht de benodigde aanvullingen te geven op hetgeen zijn raadsman in de dagvaarding en ter zitting heeft gesteld. Eiser krijgt nog gelegenheid tot het nemen van een akte.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 181370 / HA ZA 08-1872

Vonnis van 17 juni 2009

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

advocaat mr. P.J.F.X. de Poorter,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

advocaat mr. M. Westphal.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 19 november 2008

- het proces-verbaal van comparitie van 5 maart 2009.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. Het geschil en de beoordeling daarvan

2.1. [eiser] vordert veroordeling van [gedaagde] tot betaling van EUR 50.000,-, vermeerderd met rente en kosten. [eiser] stelt dat hij op 21 september 2003 door [gedaagde] is mishandeld en als gevolg daarvan een nekhernia heeft opgelopen. [eiser] meent dat [gedaagde] daarom schadevergoeding aan hem verschuldigd is. [gedaagde] voert verweer.

2.2. De rechtbank begrijpt dat [eiser] zijn vordering baseert op artikel 6:162 BW. Om aansprakelijkheid op grond van deze bepaling te kunnen aannemen, dient in de eerste plaats sprake te zijn van een door [gedaagde] jegens [eiser] gepleegde onrechtmatige handeling.

2.3. Gelet op de stellingen van partijen staat vast dat op 21 september 2003 tussen hen een schermutseling heeft plaatsgevonden bij de woning van [eiser]. Indien komt vast te staan, zoals [eiser] stelt, dat [gedaagde] de woning van [eiser] is binnengegaan, [eiser] bij diens strot en arm heeft vastgepakt, de woning heeft uitgetrokken en hardhandig op de grond heeft geduwd, dan is sprake van onrechtmatig handelen door [gedaagde]. Deze stelling heeft [eiser] echter niet verder onderbouwd dan door te verwijzen naar het overgelegde proces-verbaal van aangifte. [gedaagde] betwist uitdrukkelijk dat het zo is gegaan als [eiser] stelt. Volgens [gedaagde] was het [eiser] die naar buiten kwam en [gedaagde] aanviel, en heeft [gedaagde] zich enkel verdedigd door [eiser] van zich af te duwen. Naar het oordeel van de rechtbank staat dan ook niet vast dat de schermutseling heeft plaatsgevonden op de door [eiser] gestelde wijze. [eiser] heeft op dit punt wel voldaan aan zijn stelplicht, zodat er in beginsel aanleiding is om [eiser] op te dragen bewijs te leveren van zijn stelling dat [gedaagde] hem bij zijn strot en arm heeft vastgepakt, de woning heeft uitgetrokken en hardhandig op de grond heeft geduwd. De rechtbank zal vooralsnog echter niet overgaan tot het geven van deze bewijsopdracht, om de hierna te geven reden.

2.4. Om aansprakelijkheid op grond van artikel 6:162 BW te kunnen aannemen en een schadevergoeding aan [eiser] toe te kennen dient niet alleen vast te staan dat sprake is van onrechtmatig handelen door [gedaagde] jegens [eiser], maar moet ook aan een aantal andere voorwaarden zijn voldaan. Zo moet met name ook vaststaan dat sprake is van schade en dat deze schade het gevolg is van het onrechtmatig handelen (causaal verband). Om voor een schadevergoeding van EUR 50.000,- in aanmerking te komen zal [eiser] bovendien concreet en onderbouwd moeten aangeven waaruit zijn schade bestaat.

2.5. In de dagvaarding stelt de raadsman van [eiser] kortweg dat [eiser] als gevolg van de mishandeling een nekhernia heeft opgelopen, dat hij daardoor dagelijks pijn ervaart en zijn hoofd niet meer dan 45 graden naar links kan bewegen en dus bijvoorbeeld niet meer kan auto- en motorrijden, zodat zijn schade naar redelijkheid en billijkheid moet worden vastgesteld op een bedrag van EUR 50.000,-. Ter zitting heeft hij hieraan toegevoegd dat de schade bestaat uit psychische schade en schade als gevolg van verlies van arbeidsinkomen, nu [eiser] door het voorval niet meer in staat is te werken.

2.6. [eiser] heeft zijn vordering enkel onderbouwd door te verwijzen naar een beslissing van 11 februari 2008 van de Commissie Schadefonds Geweldsmisdrijven (hierna: de Commissie) waarin aan [eiser] (in bezwaar) een uitkering is toegekend van EUR 550,- aan immateriële schade en van EUR 97,- aan materiële schade. In deze beslissing staat vermeld dat de medisch adviseur van de Commissie uit onderzoek is gebleken dat sprake is van pijn in de nek, in het bijzonder bij bewegen, en van een aantal minder duidelijke tot helemaal niet met het beschreven geweld samenhangende klachten, te weten misselijkheid en duizeligheid, respectievelijk opgezette klieren in de hals. De medisch adviseur heeft aangegeven dat de kans, dat door middel van het beschreven geweld een nekhernia ontstaat, klein is, maar niet uit te sluiten. De medisch adviseur heeft daarom voorgesteld aannemelijk te achten dat causaal verband bestaat. De Commissie heeft dit voorstel overgenomen en aan [eiser] een (geringe) uitkering toegekend. [eiser] meent dat op grond van het medisch advies aan de Commissie de aansprakelijkheid van [gedaagde] voor de schade van [eiser] vaststaat.

2.7. De rechtbank verwerpt dit laatste standpunt van [eiser] en kent aan dit stuk van 11 februari 2008 geen gewicht van betekenis toe bij de beoordeling van het onderhavige geschil. De rechtbank kent niet de naam en het specialisme van deze medisch adviseur, heeft geen kennis kunnen nemen van diens rapport en weet niet op basis van welke stukken of gegevens deze medisch adviseur tot zijn conclusies is gekomen. De medisch adviseur heeft [eiser] niet gezien, zo is door de raadsman van [eiser] ter zitting verklaard. In de beslissing van de Commissie staat niet vermeld welke diagnose de medisch adviseur heeft gesteld en hoe deze medisch adviseur heeft geoordeeld over de beperkingen die [eiser] ondervindt. Bovendien volgt de rechtbank de medisch adviseur niet in zijn conclusie dat het bestaan van een kleine kans dat als gevolg van het beschreven geweld een nekhernia ontstaat, op zichzelf voldoende grond biedt voor het aannemen van causaal verband. De beslissing van de Commissie biedt dan ook geen onderbouwing voor het bestaan van een nekhernia, noch voor het bestaan van causaal verband tussen de nekhernia en het voorval op 21 september 2003. Andere (medische) stukken ter onderbouwing van zijn stellingen heeft [eiser] niet overgelegd. [eiser] heeft ook niet concreet gesteld en feitelijk onderbouwd welke beperkingen hij ondervindt als gevolg van de nekhernia en welke schade hij hierdoor lijdt. De raadsman van [eiser] heeft desgevraagd ter zitting aangegeven niet te kunnen zeggen, ook niet bij benadering, hoe groot het verlies van inkomen van [eiser] is.

2.8. De rechtbank oordeelt dat de summiere stellingen in de dagvaarding, die ook ter zitting door de raadsman van [eiser] niet nader zijn toegelicht of feitelijk zijn onderbouwd, niet tot toewijzing van de vordering kunnen leiden, ook niet als na bewijslevering door [eiser] zou komen vast te staan dat [gedaagde] onrechtmatig jegens [eiser] heeft gehandeld door hem bij zijn strot en arm vast te pakken, de woning uit te trekken en hardhandig op de grond te duwen. Vanwege die summiere, weinig concrete en niet voldoende feitelijk onderbouwde stellingen ter zake het bestaan van een nekhernia, het causaal verband met het voorval op 21 september 2003, de daaraan toe te rekenen beperkingen en de daaruit voortvloeiende schade, komt de rechtbank niet toe aan het benoemen van een (medisch) deskundige om hierover bericht uit te brengen, zoals door de raadsman van [eiser] ter zitting is voorgesteld. Bewijslevering is in zo’n geval niet aan de orde.

2.9. De reden dat de rechtbank op dit moment niet overgaat tot afwijzing van de vorderingen van [eiser], is gelegen in de uitlatingen die door partij [eiser] zelf ter zitting zijn gedaan. Uit de verklaringen van [eiser] ter zitting volgt dat hij is gezien door verschillende behandelend artsen en keuringsartsen. De rapportages van deze artsen, waarover [eiser] mogelijk beschikt of die althans door hem kunnen worden opgevraagd, kunnen wellicht meer duidelijkheid bieden of sprake is van een nekhernia en zo ja, op welk moment of in welke periode deze is ontstaan, in hoeverre [eiser] daarvan beperkingen heeft ondervonden en nog ondervindt, of sprake is van een eindtoestand, en welke beperkingen [eiser] vóór 21 september 2003 reeds ondervond als gevolg van zijn reuma en Bechterew of anderszins. Het zijn overwegingen van proceseconomie die de rechtbank hebben doen besluiten [eiser] nog in de gelegenheid te stellen een akte te nemen waarin hij zich hierover nader kan uitlaten en waarbij hij zo mogelijk nadere stukken in het geding kan brengen, ook ter concretisering van de door hem gevorderde schade. Mocht [eiser] niet in staat blijken zijn stellingen voldoende te concretiseren en onderbouwen, dan ligt zijn vordering voor afwijzing gereed. Indien [eiser] daarentegen wel de benodigde aanvullingen kan geven op het gestelde in de dagvaarding en ter zitting, dan kan een inhoudelijke beoordeling van het geschil plaatsvinden in deze procedure in eerste aanleg.

2.10. De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan.

3. De beslissing

De rechtbank

3.1. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 15 juli 2009 voor het nemen van een akte door [eiser] over hetgeen is vermeld onder 2.9, waarna [gedaagde] in de gelegenheid zal worden gesteld tot het nemen van een antwoordakte.

3.2. houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. O.R.M. van Dam en in het openbaar uitgesproken op 17 juni 2009.