Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2009:BJ1601

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
08-07-2009
Datum publicatie
08-07-2009
Zaaknummer
01/839021-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Ontnemingsvonnis (Promis).

De in de hoofdzaak toegewezen immateriele schade aan benadeelde partijen worden niet als kosten op het genoten wederrechtelijk voordeel in mindering gebracht.

De rechtbank matigt het te ontnemen bedrag in dier voege dat het totaalbedrag van de toegewezen vorderingen van de benadeelde partijen ter zake de immateriele schade in mindering worden gebracht op het vastgestelde wederrechtelijke voordeel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

VONNIS

RECHTBANK ’S-HERTOGENBOSCH

Sector Strafrecht

Parketnummer : 01/839021-07

Datum uitspraak: 08 juli 2009

Vonnis van de rechtbank ’s-Hertogenbosch, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte]

Geboren [geboortedatum] 1954 te [geboorteplaats] ([land])

Verblijvende PI Zuid Oost Eversoord, Ter Peel BB/ZBB te Eversoord

Procesverloop

De rechtbank heeft in de (hoofd)zaak met bovenvermeld parketnummer vonnis gewezen op

2 januari 2008. Dit vonnis is door het Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch vernietigd. Het arrest van genoemd hof d.d. 10 juli 2008 is in verband met het instellen van cassatie niet onherroepelijk.

Het onderhavige vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter openbare terechtzitting van 24 juni 2009.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van de veroordeelde naar voren is gebracht.

De vordering van de officier van justitie strekt tot het opleggen van de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 16.893,44 ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

Het Gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch heeft in de hoofdzaak als strafbare feiten bewezen geacht:

1. Diefstal, voorafgegaan van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken

en afpersing

te Eindhoven, [adres winkel 1] op 19 november 2005 ([winkel 1])

2. Poging tot afpersing te Eindhoven, [adres winkel 1] op 2 december 2006 ([winkel 1])

3. Afpersing te Eindhoven, [adres winkel 1 vestiging 2] op 3 december 2006 ([winkel 1 vestiging 2])

4. Afpersing te Eindhoven op 16 december 2006 ([winkel 2])

5. Afpersing te Eindhoven op 17 december 2006 ([winkel 3]).

De rechtbank verwijst voor de bewezenverklaring en de bewijsmiddelen van de feiten in het bijzonder naar het arrest van het Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch d.d. 10 juli 2008.

Het ontnemingrapport van de politieregio Brabant ziet naast de bovenvermelde bewezen geachte strafbare feiten 1 3, 4 en 5 ook op de overval [winkel 4] waarbij een wederrechtelijk verkregen voordeel is begroot van € 600,- en vermeldt om die reden een wederrechtelijk voordeel van € 17.493,44. De vordering van de officier van justitie ziet op een bedrag groot € 16.893,44. Nu de officier van justitie de overval op [winkel 4] niet heeft meegenomen in de vordering zal ook de rechtbank dit voordeel niet in de beoordeling betrekken.

Ontvankelijkheid van de officier van justitie

Bij het onderzoek ter terechtzitting is niet gebleken van feiten, die aan de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de weg staan.

Beoordeling van de vordering

De rechtbank beziet achtereenvolgens:

1. Het arrest in de hoofdzaak

2. De berekening, te verdelen in:

a. De opbrengst

b. De kosten

c. De berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel

d. De toerekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel

3. De matiging van het te betalen bedrag.

1. Het arrest

De rechtbank gaat voor de bovenvermelde feiten 1, 3, 4 en 5 in de beschouwing en berekening uit van het – niet onherroepelijke – arrest van 10 juli 2008 gewezen tegen veroordeelde en de verklaringen die veroordeelde ter terechtzitting heeft afgelegd.

Op grond van de bewijsmiddelen is de rechtbank van oordeel dat veroordeelde voornoemd voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van de feiten ter zake waarvan betrokkene is veroordeeld. De rechtbank beziet een en ander nader in het onderdeel 2 a van haar vonnis.

2. De berekening

a. De opbrengst

In het – uiterst summiere – Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel per delict (Rapport) wordt onder 5.2 en 5.3 de berekening wederrechtelijk verkregen voordeel respectievelijk de opbrengst weergegeven.1

Feit 1 – diefstal met geweld en afpersing

([winkel 1], [adres winkel 1], Eindhoven, 19 november 2005)

Aangeefster [medewerker 1] geeft een omschrijving van veroordeelde2 en verklaart dat de dader een totaalbedrag van rond de € 3.500 cash geld heeft meegenomen.

De getuige [medewerker 2], een weekend hulp, verklaart onder meer dat veroordeelde het geld dat nog op de tafel lag en door haar, [medewerker 2], in zakjes was gedaan van de tafel pakte en in haar zwarte tas deed. Ook ziet [medewerker 2] dat [medewerker 1] de kassalade van kassa 2 oppakte, de inhoud daarvan in de zwarte tas van veroordeelde gooide3 en vroeg waar de kluissleutel was. [medewerker 2] begreep daaruit dat zij de sleutel van afstortkluis 1 bedoelde.

De getuige [medewerker 3], winkelbediende bij de [winkel 1], verklaart onder meer dat het kassageld, dat in zakjes was gedaan, in de tas van veroordeelde is gedaan. Daarna is [medewerker 1] met veroordeelde naar de kluis gegaan en heeft zij vervolgens veroordeelde de inhoud van een kassa nog gegeven4.

Getuige [medewerker 4], winkelbediende bij [winkel 1], verklaart onder meer dat zij veroordeelde hoorde zeggen dat zij meer geld wilde.5

Gezien bovenstaande verklaringen in onderlinge samenhang bezien met onderstaande feiten acht de rechtbank aannemelijk dat een bedrag groot € 3.500, - door veroordeelde wederrechtelijk is verkregen. Dit bedrag wordt door de verdediging niet betwist.

Feit 3 – afpersing

( [winkel 1 vestiging 2], [adres winkel 1 vestiging 2], Eindhoven, 2 december 2006)

De rechtbank beziet de aangifte van [aangeefster]6 en de verklaring van veroordeelde afgelegd ter terechtzitting van 19 december 2007.7

De rechtbank acht aannemelijk dat veroordeelde € 6.000, - wederrechtelijk heeft verkregen.

Feit 4 – afpersing

( [winkel 2], Eindhoven, 16 december 2006)

De rechtbank beziet de aangifte van [aangever 1] 8in combinatie met de verklaring van veroordeelde afgelegd ter terechtzitting van 19 december 2007.9

De rechtbank acht aannemelijk dat veroordeelde € 965,- wederrechtelijk heeft verkregen.

Feit 5 – afpersing

([winkel 3], Eindhoven, 17 december 2006)

De rechtbank beziet de aangifte [aangever 2] in combinatie met de verklaring van veroordeelde afgelegd ter terechtzitting van 19 december 2007. 11

De rechtbank acht aannemelijk dat veroordeelde € 16.428,44 wederrechtelijk heeft verkregen.

Gelet op het bovenvermelde komt de rechtbank tot de navolgende berekening van de opbrengst:

Feit 1 € 3.500,-

Feit 3 € 6.000,-

Feit 4 € 965,-

Feit 5 € 6.428,44

_________

€ 16.893,44

b. De kosten

In het arrest van het Gerechtshof in de hoofdzaak zijn vorderingen van benadeelde partijen toegewezen. Deze vorderingen hebben alle betrekking op immateriële schade. Door de raadsman is aangevoerd dat het bedrag van de toegewezen vorderingen ingevolgde artikel 36e lid 6 van het Wetboek van Strafrecht in mindering moet worden gebracht op het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel.

De rechtbank overweegt hierover het volgende. In zijn arrest d.d. 11 april 2000, LJN AA5438, heeft de Hoge Raad overwogen:

“De regeling van artikel 36 e lid 6 van het Wetboek van Strafrecht beoogt te voorkomen dat iemand hetzelfde wederrechtelijk verkregen voordeel meermalen zou moeten terugbetalen, zij het aan verschillende (rechts)personen. Dit brengt mee dat bij de toepassing van die regeling slechts in aanmerking komt de in rechte onherroepelijk toegekende vordering van een (rechts)persoon strekkende tot vergoeding van diens schade als gevolg van het feit waarop de ontnemingsvordering (mede) steunt, indien en voor zover tegenover die schade een daarmee corresponderend voordeel voor de veroordeelde staat. Tegenover de immateriële schade die een (rechts)persoon heeft geleden als gevolg van het feit waarop de ontnemingsvordering (mede) steunt, staat niet een zodanig voordeel.”

De rechtbank is van oordeel dat de vorderingen van de benadeelde partijen betreffende immateriële schadevergoeding weliswaar de vermogenspositie van veroordeelde in negatieve zin hebben beïnvloed, maar niet het profijt van veroordeelde uit de gepleegde feiten hebben verminderd. De rechtbank verwerpt derhalve het verweer van de raadsman dat de immateriële schadevergoedingen in mindering moeten worden gebracht op het wederrechtelijk verkregen voordeel. Ook overigens is niet gebleken van kosten die op het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel in mindering dienen te worden gebracht.

c. De berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel

De rechtbank komt tot de volgende berekening:

Geschatte opbrengst € 16.893,44

Kosten € --

___________

Wederrechtelijk verkregen voordeel € 16.893,44

d. De toerekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel

De rechtbank acht het wederrechtelijk verkregen voordeel door veroordeelde aannemelijk en rekent dat bedrag volledig aan voordeelde toe.

3. De matiging van het te betalen bedrag

Ingevolge artikel 36 e lid 4 van het Wetboek van Strafrecht is de rechtbank bevoegd om het te betalen bedrag lager vast te stellen dan het geschatte voordeel. Door de verdediging is een verzoek gedaan om het te betalen bedrag te matigen omdat de huidige en de redelijkerwijs te verwachten toekomstige draagdracht van de veroordeelde niet toereikend zullen zijn om het berekende wederrechtelijk verkregen voordeel te betalen. Ter onderbouwing van dit verzoek zijn aangevoerd: de slechte perspectieven van veroordeelde op de arbeidsmarkt gelet op haar leeftijd, haar documentatie en haar fysieke gesteldheid, alsmede het gebrek aan financiële middelen. Uit de wetsgeschiedenis kan worden afgeleid dat de wetgever een systeem voor ogen stond waarbij het te betalen bedrag in beginsel gelijk zou zijn aan het geschatte voordeel. De rechtbank ziet in de door de verdediging aangevoerde omstandigheden geen reden om het te betalen bedrag te matigen. Het is aannemelijk dat veroordeelde na haar detentie in ieder geval een uitkering zal ontvangen en mogelijk via betaalde arbeid een inkomen zal kunnen genereren. Hierover bestaat thans nog onvoldoende duidelijkheid, mede gelet op het feit dat veroordeelde opnieuw een medische keuring zal dienen te ondergaan na haar detentie. Er zijn voorts geen bijzondere financiële lasten aangevoerd. Het enkele feit dat zij mogelijk afhankelijk zou kunnen zijn van een uitkering is onvoldoende zwaarwegend om veroordeelde te ontslaan van haar verplichting het wederrechtelijk genoten voordeel terug te betalen. Mocht in de toekomst blijken dat terugbetaling tot onoverkomelijke problemen leidt dan kan betrokkene ex artikel 577b van het Wetboek van Strafvordering een verzoek indienen om het te betalen bedrag te verminderen of kwijt te schelden.

Wel zal de rechtbank zal bij de vaststelling van het te betalen bedrag rekening houden met het totaalbedrag van de toegewezen vorderingen van de benadeelde partijen terzake de immateriële schade en dit bedrag daarom € 3.250,00 lager vast stellen dan het geschatte voordeel.

Toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing

De rechtbank:

Stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat op een bedrag van € 16.893,44.

Stelt het te betalen bedrag vast op € 13.643,44.

Legt aan [verdachte] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een geldbedrag ter grootte van € 13.643,44 (zegge: dertienduizend zeshonderddrieenveertig euro en vierenveertig centen), ter ontneming van het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel dat zij door middel van of uit de baten van de feiten ter zake waarvan zij is veroordeeld heeft verkregen.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. K. Visser, voorzitter,

mr. R.M.L. Heemskerk-Pleging en mr. A.M.R. van Ginneken, leden,

in tegenwoordigheid van mr. A.W.A. Kap, griffier,

en is uitgesproken op 08 juli 2009.

1 Rapport p 5

2. Proces-verbaal p 110 ev.

3 Proces-verbaal p 127, 128, 129

4 Proces-verbaal p 131 ev.

5 Proces-verbaal p 136

6 Proces-verbaal p 176 ev.

7 Aanvulling verkort proces-verbaal terechtzitting p 2

8 Proces-verbaal p 214 ev.

9 Aanvulling verkort proces-verbaal terechtzitting p 2

10 Proces-verbaal p 251 ev.

11 Aanvulling verkort proces-verbaal terechtzitting p 2

??

??

??

??

2