Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2009:BJ1010

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
01-07-2009
Datum publicatie
01-07-2009
Zaaknummer
01/845074-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Werkstraf van 200 uur en een gevangenisstraf, waarvan een deel voorwaardelijk, voor het opzettelijk teweeg brengen van een ontploffing, door het gooien van vuurwerk in de richting van een carnavalswagen te Veghel, waardoor een 3-jarig meisje ernstig gewond is geraakt. Geen sprake van levensgevaar voor personen.

De rechtbank is van oordeel dat een dergelijk feit in principe moet worden bestraft met een forse onvoorwaardelijke gevangenisstraf. De rechtbank ziet daar in het concrete geval vanaf vanwege de feitelijke uitvoering van het delict, de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zijn uiteindelijke opstelling naar de ouders van het slachtoffer en het feit dat het delict reeds stevige gevolgen voor verdachte heeft gehad.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

Sector Strafrecht

Parketnummer: 01/845074-09

Datum uitspraak: 01 juli 2009

Vonnis van de rechtbank ’s-Hertogenbosch, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1968,

wonende te [woonplaats], [adres] .

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 17 juni 2009.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 25 mei 2009.

Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting van 17 juni 2009 is gewijzigd is aan verdachte tenlastegelegd dat (een kopie van de vordering tot wijziging is aangehecht):

hij op of omstreeks 22 februari 2009 in de gemeente Veghel, althans in het arrondissement 's-Hertogenbosch, opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht, hebbende hij, verdachte, toen aldaar opzettelijk door middel van een aansteker (zwaar) knalvuurwerk aangestoken en vervolgens gegooid in de richting van een carnavalswagen (die onderdeel uitmaakte van een carnavalsoptocht), waarna een explosie plaatsvond in de nabijheid van eerdergenoemde carnavalswagen, terwijl daarvan levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel, te weten voor [slachtoffer] en/of een of meer andere(n) zich in de nabijheid van die carnavalswagen bevindend(e) perso(o)n(en) te duchten was;

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

De bewijsmiddelen en de beoordeling daarvan.

Vaststaande feiten.

Op 22 februari 2009 te Veghel gooide verdachte een stuk illegaal knalvuurwerk onder een carnavalswagen.1 [slachtoffer] raakte daardoor gewond aan haar gezicht.2 Zij had een wond naast haar neus – die diezelfde dag werd gehecht – en een opgezwollen ooglid rechts.3

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het aan verdachte tenlastegelegde feit wettig en overtuigend kan worden bewezen, met uitzondering van het veroorzaken van levensgevaar.

Het standpunt van de verdediging.

Verdachte heeft het gooien van het illegale stuk vuurwerk en het daarmee veroorzaken van een ontploffing erkend. De verdediging stelt zich op het standpunt dat het veroorzaken van levensgevaar niet kan worden bewezen.

Het oordeel van de rechtbank.

Evenals de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen is dat de ontploffing die door verdachte werd veroorzaakt levensgevaar voor een ander of anderen met zich meebracht. De rechtbank baseert haar oordeel op het proces-verbaal van onderzoek vuurwerk, dat zich in het dossier bevindt.4 Daaruit komt naar voren dat het inbeslaggenomen vuurwerk – dat blijkens een verklaring van verdachte hetzelfde is als het vuurwerk is dat hij onder de carnavalswagen heeft gegooid5 – qua uiterlijke kenmerken en afmetingen overeenkomt met het vuurwerk genoemd onder 12 en 13 van de Bijlage 1a bij de Deskundigenverklaring Knalvuurwerk met lont (NFI versie 5, 19 november 2008).6 In deze Deskundigenverklaring is onder meer vermeld:

‘Knalvuurwerk met lont dat niet voldoet aan de criteria voor de samenstelling en/of de massa van de lading uit bijlage III van de RNEV 2004 zal doorgaans een krachtiger explosie teweegbrengen dan knalvuurwerk dat wel aan deze criteria voldoet. Het letsel bij personen en de schade aan goederen zal hierdoor in het algemeen ernstiger zijn.

Als het knalvuurwerk lichaamscontact maakt bij het tot ontploffing komen, ontstaat hoogstwaarschijnlijk letsel aan de huid en onderliggend weefsel. De ernst van de gevolgen is onder meer afhankelijk van de plaats van het lichaamscontact. Als het lichaamscontact bestaat uit het in de hand houden (…) bestaat de verwonding hoogstwaarschijnlijk uit een verminking van de hand.

(…)

Bij het tot ontploffing komen bestaat verder kans op oogletsel (onder meer afhankelijk van de kracht van de lading) in de nabije omgeving (tot circa tien meter) van de plaats van ontploffing bij het knalvuurwerk genoemd in Bijlagen 1a t/m 1d en 2.

Ook kan gehoorschade opgelopen worden, waarbij de afstand waarop dit gevaar bestaat afhankelijk is van de omstandigheden, zoals reflecties.’

Uit deze deskundigenverklaring blijkt niet dat het door verdachte gegooide vuurwerk levensgevaar voor personen kan veroorzaken. Daarom spreekt de rechtbank verdachte van dit onderdeel van de tenlastelegging vrij.

Gelet op voornoemde rapporten, de aangifte van [moeder slachtoffer] (moeder van het slachtoffer) en de bekennende verklaring van verdachte, acht de rechtbank het overige gedeelte van het tenlastegelegde feit wettig en overtuigend bewezen.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

op 22 februari 2009 in de gemeente Veghel opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht, hebbende hij, verdachte, toen aldaar opzettelijk door middel van een aansteker zwaar knalvuurwerk aangestoken en vervolgens gegooid in de richting van een carnavalswagen (die onderdeel uitmaakte van een carnavalsoptocht), waarna een explosie plaatsvond in de nabijheid van eerdergenoemde carnavalswagen, terwijl daarvan gevaar voor zwaar lichamelijk letsel, te weten voor [slachtoffer] en andere zich in de nabijheid van die carnavalswagen bevindende personen te duchten was;

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De kwalificatie.

Het bewezenverklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit.

De strafbaarheid.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van het feit of van de verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen te zijnen laste bewezen is verklaard.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 9, 10, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 24c, 27, 36f, 157.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

* Gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren met aftrek van voorarrest conform artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

Ter terechtzitting heeft de officier van justitie een voorwaardelijke gevangenisstraf geëist van 8 maanden. Op de bijgevoegde schriftelijke vordering van de officier van justitie staat 6 maanden voorwaardelijke gevangenisstraf vermeld. De rechtbank houdt de officier aan de ter terechtzitting mondeling geëiste straf.

* Toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 7160,05 met de schadevergoedingsmaatregel. Voor het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk verklaring.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging stelt zich op het standpunt dat aan verdachte geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf moet worden opgelegd. Het door verdachte gepleegde feit heeft al tot veel gevolgen voor hem geleid. Het over verdachte uitgebrachte reclasseringsrapport spreekt van een kleine kans op recidive en geeft niet als advies een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. In zaken die volgens de verdediging enigszins vergelijkbaar zijn (zoals zaken betreffende artikel 6 Wegenverkeerswet 1994) worden vaak aanzienlijk lagere straffen opgelegd.

Tevens wijst de verdediging op het feit dat verdachte bij een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zijn baan kwijt raakt en op het feit dat hij inmiddels volledige openheid van zaken heeft gegeven en daarmee verantwoording heeft afgelegd. Hij is op eigen initiatief naar het slachtoffer en haar ouders gegaan om zijn excuses aan te bieden.

De verdediging verzoekt een werkstraf op te leggen met eventueel een voorwaardelijke gevangenisstraf om zodoende de ernst van het strafbare feit tot uitdrukking te brengen.

De vordering van de benadeelde partij is naar het oordeel van de verdediging niet eenvoudig van aard en dient om die reden niet-ontvankelijk te worden verklaard.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Voorts heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals tot uitdrukking komt in het wettelijke strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

In essentie acht de rechtbank bewezen dat verdachte op een geheel onnadenkende wijze op een volstrekt verkeerd moment een stuk illegaal zwaar knalvuurwerk tot ontploffing heeft gebracht, terwijl hij de explosieve kracht daarvan kende door eerder gebruik.

Bij de strafoplegging zal de rechtbank enerzijds in het bijzonder rekening houden met de volgende uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren gekomen omstandigheden ten bezware van verdachte:

- de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals tot uitdrukking komt in het wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor (in meer of mindere mate) soortgelijke feiten worden opgelegd;

- verdachte heeft door zijn gedragingen een zeer groot gevaar voor mensen, waaronder het jonge slachtoffer, in het leven geroepen en heeft zich daar volstrekt niet om bekommerd;

- de zeer jeugdige leeftijd van het slachtoffer, namelijk 3 jaar;

- het door verdachte gepleegde strafbare feit heeft grote onrust veroorzaakt in de plaatselijke gemeenschap.

Bij de strafoplegging zal de rechtbank anderzijds in het bijzonder rekening houden met de volgende uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren gekomen omstandigheden die tot matiging van de straf hebben geleid:

- verdachte heeft er blijk van gegeven dat hij de ernst van het door hem aan het slachtoffer en haar ouders en overige familie aangedane leed inziet;

- verdachte heeft het door hem gepleegde strafbare feit bij de aanvang van het tegen hem ingestelde onderzoek toegegeven en uiteindelijk volledige openheid van zaken gegeven;

- verdachte heeft niet de bedoeling gehad om mensen letsel toe te brengen.

De rechtbank overweegt dat het bewezenverklaarde feit een buitengewoon ernstig strafbaar feit betreft waaruit bovendien kwalijke gevolgen voor een zeer jong slachtoffer zijn voortgevloeid. Er was niet alleen sprake van het in het leven roepen van een gevaar voor zwaar lichamelijk letsel, maar dergelijk letsel is ook daadwerkelijk gevolgd. Het is niet aan de handelingen van verdachte te danken dat het feit geen ernstiger gevolgen voor [slachtoffer] heeft gehad.

Een dergelijk feit moet naar het oordeel van de rechtbank – ook uit generaal preventief oogpunt – in beginsel worden bestraft met een forse onvoorwaardelijke gevangenisstraf. De rechtbank ziet daar in dit concrete geval vanaf vanwege de feitelijke uitvoering van het delict, de persoonlijke omstandigheden van de verdachte (waaronder zijn werksituatie), zijn (uiteindelijke) opstelling naar de ouders van het slachtoffer en in deze procedure en het feit dat het delict reeds stevige gevolgen voor hem heeft gehad.

Met betrekking tot een deel van de op te leggen gevangenisstraf zal de rechtbank bepalen dat dat deel van die straf niet zal worden tenuitvoergelegd mits verdachte zich tot het einde van de hierna vast te stellen proeftijd aan de voorwaarde houdt dat hij zich niet aan een strafbaar feit zal schuldig maken.

Daarnaast zal de rechtbank aan verdachte een aanzienlijke werkstraf opleggen.

De vordering van de benadeelde partij [moeder slachtoffer].

De rechtbank acht toewijsbaar, als rechtstreeks door het bewezen verklaarde feit toegebrachte schade, de volgende onderdelen van de vordering, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot de dag der algehele voldoening:

* € 1500,- voor gederfde inkomsten van [naam bedrijf] (het bedrijf van de moeder van het slachtoffer). De rechtbank verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk voor het overige gedeelte van dit onderdeel van de vordering vanwege de niet-eenvoudige aard ervan.

* € 1000,- voor immateriële schadevergoeding. De rechtbank verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk voor het overige gedeelte van dit onderdeel van de vordering vanwege de niet-eenvoudige aard ervan.

* € 7,30 voor apotheekkosten.

* € 7,- voor taxikosten.

In totaal acht de rechtbank de vordering van de benadeelde partij aldus toewijsbaar tot een bedrag van € 2514,30, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict (22 februari 2009) tot de dag der algehele voldoening.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot de dag der algehele voldoening.

De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in het overige gedeelte van haar vordering, aangezien deze niet van zo eenvoudige aard is dat zij zich leent voor behandeling in het strafgeding.

De benadeelde partij kan deze onderdelen van haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.

Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

DE UITSPRAAK

Verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op het misdrijf:

opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gevaar voor zwaar

lichamelijk letsel voor een ander te duchten is

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straf(fen) en/of maatregel(en).

Gevangenisstraf voor de duur van 360 dagen met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht waarvan 331 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Werkstraf voor de duur van 200 uren subsidiair 100 dagen hechtenis.

Maatregel van schadevergoeding van EUR 2514,30 subsidiair 50 dagen hechtenis.

Legt derhalve aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [moeder slachtoffer] van een bedrag van EUR 2514,30 (zegge: vijfentwintighonderdveertien euro en dertig cent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 22 februari 2009 tot de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 50 dagen hechtenis. De toepassing van deze vervangende hechtenis heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij :

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan de benadeelde partij [moeder slachtoffer], van een bedrag van EUR 2514,30 (zegge: vijfentwintighonderdveertien euro en dertig cent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 22 februari 2009 tot de dag der algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot heden begroot op nihil.

Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Bepaalt dat de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet ontvankelijk is.

Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voorzover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.

Opheffing van het tegen verdachte verleende bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden. Deze voorlopige hechtenis is op 27 maart 2009 reeds geschorst.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. drs. W.A.F. Damen, voorzitter,

mr. R.M.L. Heemskerk-Pleging en mr. R.J. Bokhorst, leden,

in tegenwoordigheid van mr. P.D. van Hees, griffier,

en is uitgesproken op 1 juli 2009.

Mr. Bokhorst is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 17 juni 2009.

2 Een proces-verbaal van de Regiopolitie Brabant Noord, Districtsrecherche De Leijgraaf, met documentcode: 20090021555, verder te noemen: Eindpv., p. 30-35: proces-verbaal van aangifte door [moeder slachtoffer] (moeder van het slachtoffer) en foto’s van [slachtoffer].

3 Eindpv. p. 113, medische verklaring van (arts), oogarts.

4 Eindpv., p. 77-79.

5 Eindpv., p. 24-29: proces-verbaal van verhoor verdachte.

6 Eindpv., p. 81-111.