Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2009:BI9826

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
04-06-2009
Datum publicatie
25-06-2009
Zaaknummer
AWB 07/4401
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2010:BL3349, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Last onder dwangsom voor verwijderen driehoekig gedeelte van bestrating wegens strijdigheid met bestemmingsplan. Door verwijdering van dit gedeelte van de bestrating zou eiser het achterterrein van zijn bedrijf niet meer met alle bedrijfsvoertuigen bereiken. Eiser heeft dit tijdens de hoorzitting ten overstaan van de vaste commissie van advies voor de bezwaarschriften ook aan de orde gesteld. Verweerder heeft dit aspect niet in de belangenafweging betrokken. Er is geen verharding aangebracht die het mogelijk maakt dat het achterterrein op andere wijze met bedrijfsvoertuigen kan worden bereikt. De rechtbank acht onder deze omstandigheden, in aanmerking nemende dat het gebruik van dit achterterrein voor de bedrijfsactiviteiten van eiser is toegestaan, handhavend optreden in zoverre onevenredig in verhouding tot de daarmee te dienen belangen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-HERTOGENBOSCH

Sector bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 07/4401

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 juni 2009

inzake

[eiser],

te [woonplaats],

eiser,

gemachtigde mr. J.A.J.M. van Houtum,

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Cuijk,

verweerder,

gemachtigden mr. F.J.L.M. Claus en mr. L.L. van Dalsen-Kroes.

Aan het geding heeft als partij deelgenomen [partij], te [woonplaats], gemachtigde mr. R.E. Izeboud.

<b>Procesverloop</b>

Bij besluit van 26 juni 2007 heeft verweerder eiser gelast de bestrating op het perceel [adres] te [plaats], kadastraal bekend [kadastergegevens], zoals aangegeven op de bij het besluit gevoegde situatietekening, uiterlijk op 31 augustus 2007 te verwijderen, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 10.000.

Verweerder heeft het door eiser tegen dat besluit gemaakte bezwaar bij besluit van 20 november 2007 ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.

De zaak is behandeld ter zitting van 7 oktober 2008. Aansluitend aan die behandeling is het onderzoek voor mediation geschorst.

Omdat de mediation niet is geslaagd, is de behandeling van de zaak voortgezet ter zitting van 12 maart 2009, waar eiser is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde en [...]. Verweerder is verschenen bij gemachtigde. [partij] is verschenen in persoon, bijgestaan door zijn gemachtigde.

<b>Overwegingen</b>

1. Aan de orde is of verweerder eiser in redelijkheid heeft gelast de bestrating op het perceel [adres] te [plaats], zoals aangegeven op de bij het besluit gevoegde situatietekening, uiterlijk op 31 augustus 2007 te verwijderen, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 10.000.

<u>Standpunten van partijen</u>

2. Verweerder heeft eiser bij brief van 13 maart 2007 bericht dat bij controle is gebleken dat het perceel [adres] te [plaats] opnieuw is bestraat en eveneens dat een cirkelvormig deel van de bestrating, waarvan de verwijdering reeds eerder was gelast, is gehandhaafd. Verweerder stelt zich, kort gezegd, op het standpunt dat die bestrating in strijd is met het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Buitengebied Haps", nu de gronden volgens verweerder niet worden gebruikt ten behoeve van de agrarische bedrijfsuitoefening. Volgens verweerder bestaat er verder geen concreet zicht op legalisatie, aangezien het bestemmingsplan, strekkende tot herziening van de planologische regeling van het totale buitengebied van de gemeente Cuijk, nog in procedure moet worden gebracht. Er zijn volgens verweerder geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan verweerder van handhavend optreden had moeten afzien.

3. Eiser betwist dat de bestrating in strijd is met het bestemmingsplan. Volgens eiser is niet duidelijk of de bestrating buiten de bedrijfsbestemming is gesitueerd. Onwaarschijnlijk is dat de grens van de bedrijfsbestemming schuin over de bestrating loopt. Eiser is van mening dat de legalisatie van het rioolreinigingsbedrijf ook de bestrating omvat. Voorts stelt eiser dat de oorspronkelijke verharding is verwijderd en dat in overleg en op aanwijzing van ambtenaren van verweerders gemeente nieuwe bestrating is gelegd. Eiser verwijst in dat kader naar een schets die in overleg met verweerder is opgesteld. Subsidiair stelt eiser dat, indien de bestrating niet onder de bedrijfsbestemming valt, deze gelegaliseerd kan worden, nu kennelijk bij de legalisatie van het rioolreinigingsbedrijf de begrenzing van het terrein waarop het bedrijf is gevestigd abusievelijk verkeerd is ingetekend. De overschrijding is volgens eiser minimaal. Voorts stelt eiser dat verweerder heeft laten weten dat de begrenzing in het nieuwe bestemmingsplan "Buitengebied" zal worden gecorrigeerd en dat het gedeelte met de bestrating positief zal worden bestemd. Volgens eiser is verweerder de mogelijkheid aan het onderzoeken om vrijstelling te verlenen als bedoeld in artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO). Eiser wijst er op dat, uitgaande van een agrarische bestemming, bestrating tot 100 m2 is toegestaan. Als er sprake is van een overtreding, dient verweerder volgens eiser van handhavend optreden af te zien, omdat legalisatie voor de hand ligt en de gevolgen van handhavend optreden onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen.

4. [partij] is kort gezegd van mening dat de bestrating in strijd is met het bestemmingsplan en stelt, onder verwijzing naar uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRS) van 9 oktober 2002 (LJN: AE8488) en 26 april 2006 (LJN: AW4009) dat de bestrating niet valt onder het overgangsrecht. De bestrating wordt volgens [partij] niet gebruikt ten behoeve van de agrarische bestemming. Volgens [partij] bestaat er geen concreet zicht op legalisatie.

<u>Wettelijk kader en planologisch regime</u>

5. Op grond van artikel 125, eerste lid, van de Gemeentewet, is het gemeentebestuur bevoegd tot de toepassing van bestuursdwang. Ingevolge artikel 125, tweede lid, van deze wet, wordt de bevoegdheid tot toepassing van bestuursdwang uitgeoefend door het college van burgemeester en wethouders, indien de toepassing van bestuursdwang dient tot handhaving van regels welke het gemeentebestuur uitvoert.

Ingevolge artikel 5:21 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt onder bestuursdwang verstaan het door feitelijk handelen door of vanwege een bestuursorgaan optreden tegen hetgeen in strijd met, bij of krachtens enig wettelijk voorschrift gestelde verplichtingen is of wordt gedaan, gehouden of nagelaten.

In artikel 5:32, eerste lid, van de Awb is bepaald dat een bestuursorgaan dat bevoegd is bestuursdwang toe te passen, in plaats daarvan aan de overtreder een last onder dwangsom kan opleggen. Het tweede lid bepaalt dat een last onder dwangsom ertoe strekt de overtreding ongedaan te maken of verdere overtreding dan wel herhaling van de overtreding te voorkomen.

6. Ingevolge het bestemmingsplan "Buitengebied Haps, partiële herziening Rijkevoortseweg [...], Haps" heeft het perceel waarop de bestrating zich bevindt de bestemming "Agrarisch gebied met bijzondere landschappelijke en natuurlijke kenmerken".

Ingevolge artikel 1 van de planvoorschriften van dit bestemmingsplan, zijn op dit bestemmingsplan de relevante voorschriften van het bestemmingsplan "Buitengebied Haps" van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat artikel 5 "Agrarisch gebied met bijzondere landschappelijke en natuurlijke kenmerken" met een aantal in dat artikel genoemde bepalingen wordt aangevuld.

7. Ingevolge artikel 5, eerste lid, van de planvoorschriften van het bestemmingsplan "Buitengebied Haps", na aanvulling overeenkomstig artikel 1 van het bestemmingplan "Buitengebied Haps, partiële herziening Rijkevoortseweg [...], Haps", zijn de op de kaart als "Agrarisch gebied met bijzondere landschappelijke en natuurlijke kenmerken" aangewezen gronden bestemd voor:

a. de uitoefening van het agrarisch bedrijf en de daarbij behorende ontsluitingspaden, wegen en waterlopen, een en ander met uitsluiting van de omschakeling van een bestaand agrarisch bedrijf naar een glastuinbouwbedrijf;

b. aanleg, behoud en herstel van landschappelijke en natuurlijke kenmerken en voorzieningen, waaronder begrepen landschaps- en natuurbouw;

c. landschapselement op de als zodanig aangeduide gronden.

Ingevolge artikel 26, eerste lid, van de planvoorschriften van bestemmingsplan "Buitengebied Haps" is het verboden (…) gronden en bouwwerken te gebruiken, te doen of te laten gebruiken op een wijze of tot een doel, strijdig met de in het plan aan de gronden gegeven bestemming.

<u>Beoordeling door de rechtbank</u>

8. De rechtbank stelt vast dat het bestreden besluit ziet op drie onderdelen, te weten de bestrating van de vloer van een voorheen aanwezige schuilhut in de voormalige dierenweide, de eerdergenoemde bestrating in de vorm van een halve cirkel en een driehoekig deel van de verharding van een pad, zoals aangegeven op de bij het primaire besluit behorende tekening.

9. Tegen het deel van het besluit dat ziet op de bestrating van de vloer van de schuilhut zijn geen gronden ingediend, zodat dit deel van het besluit geen voorwerp van beroep vormt.

10. Niet in geschil is dat zowel de bestrating van de halve cirkel als de verharding van het pad ten dienste staan van het rioolreinigingsbedrijf van eiser. Nu deze bestrating niet is aangelegd ten behoeve van de agrarische bestemming, heeft verweerder terecht gesteld dat de bestrating in strijd is met het bepaalde in het bestemmingsplan, zodat verweerder bevoegd was om hiertegen handhavend op te treden.

11. Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet uitzicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen, dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

12. Ten aanzien van de bestrating van de halve cirkel is niet gesteld of gebleken dat sprake is van een concreet zicht op legalisatie. Evenmin is ten aanzien van de bestrating van de halve cirkel gesteld of gebleken van bijzondere omstandigheden, zodat verweerder naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid de betreffende last onder dwangsom, voor zover deze is gericht tegen de bestrating van de halve cirkel, heeft kunnen opleggen.

13. Ten aanzien van de verharding van het pad, volgt de rechtbank eiser niet in zijn stelling dat er sprake is van een concreet zicht op legalisatie. Immers, de bestemmingsplanherziening waar eiser op wijst is nog niet in een zodanig vergevorderd stadium van besluitvorming dat op basis daarvan de situatie gelegaliseerd kan worden. Volgens vaste rechtspraak kan op basis van deze besluitvorming dan ook niet gesproken worden van een concreet zicht op legalisatie.

14. De rechtbank deelt niet eisers stelling dat verweerder het vertrouwen heeft gewekt dat niet handhavend zou worden opgetreden. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat van de zijde van verweerder dusdanige uitlatingen zijn gedaan dat eiser hieraan het vertrouwen kon ontlenen dat verweerder niet tot handhaving zou overgaan. Eiser is er niet in geslaagd de rechtbank ervan te overtuigen dat de door hem in het geding gebrachte tekening van de bestrating door verweerder en eiser gezamenlijk is opgesteld. Het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt dan ook niet.

15. Bij de rechtbank is de indruk ontstaan dat, indien het driehoekige gedeelte van de verharding van het pad zou worden verwijderd, eiser het achterterrein van zijn bedrijf niet meer met alle bedrijfsvoertuigen kan bereiken. Eiser heeft dit tijdens de hoorzitting ten overstaan van de vaste commissie van advies voor de bezwaarschriften ook aan de orde gesteld. Verweerder heeft dit aspect niet in de belangenafweging betrokken. Uit de ter zitting door verweerder overgelegde luchtfoto kan worden afgeleid dat er geen verharding is aangebracht die het mogelijk maakt dat het achterterrein op andere wijze met bedrijfsvoertuigen kan worden bereikt. De rechtbank acht onder deze omstandigheden, in aanmerking nemende dat het gebruik van dit achterterrein voor de bedrijfsactiviteiten van eiser is toegestaan, handhavend optreden in zoverre onevenredig in verhouding tot de daarmee te dienen belangen. Het bestreden besluit komt, voor zover dit ziet op het driehoekige gedeelte van de bestrating, dan ook voor vernietiging in aanmerking.

16. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is het beroep gegrond. Het bestreden besluit zal, in aanmerking nemende dat één dwangsom is opgelegd, ondanks het in rechtsoverweging 12 gegeven rechtsoordeel geheel worden vernietigd. Verweerder zal worden opgedragen een nieuwe beslissing op het bezwaar te nemen, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

17. De rechtbank heeft in de overwegingen van deze uitspraak beroepsgronden uitdrukkelijk en zonder voorbehoud verworpen. Als eiser niet wil berusten in de verwerping van deze beroepsgronden, is het nodig dat hij tegen deze uitspraak tijdig hoger beroep instelt. Als hij dit nalaat, bestaat namelijk de mogelijkheid dat de bestuursrechter in een eventueel vervolg van deze procedure zal uitgaan van de juistheid van het oordeel van de rechtbank over de in deze uitspraak verworpen beroepsgronden.

18. Nu het beroep gegrond wordt verklaard, acht de rechtbank termen aanwezig verweerder onder toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage wordt het bedrag van de te vergoeden proceskosten begroot op in totaal € 966,00 voor kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand:

• 1 punt voor het indienen van een (aanvullend) beroepschrift;

• 2 punten voor het verschijnen ter zitting;

• waarde per punt € 322,00;

• wegingsfactor 1.

19. De rechtbank ziet voorts aanleiding te bepalen dat aan eiser het door hem betaalde griffierecht dient te worden vergoed.

20. Beslist wordt als volgt.

<b>Beslissing</b>

De rechtbank,

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder een nieuwe beslissing op het bezwaar dient te nemen, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

- veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten, vastgesteld op € 966,00;

- wijst de gemeente Cuijk aan als de rechtspersoon die het bedrag van de proceskosten dient te vergoeden;

- gelast de gemeente Cuijk eiser het door hem betaalde griffierecht, ten bedrage van € 285,00, te vergoeden.

Aldus gedaan door mr. D.J. de Lange, rechter, in tegenwoordigheid van mr. F.A.M.C. Habraken-Hermans als griffier en uitgesproken in het openbaar op 4 juni 2009.

<i>Partijen kunnen tegen deze uitspraak binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag.</i>

Afschriften verzonden: