Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2009:BI9296

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
24-06-2009
Datum publicatie
24-06-2009
Zaaknummer
01.825722.08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Promis-vonnis

Doodslag in Eindhoven door slaan met een hamer op het hoofd van het slachtoffer.

Verweer causaliteit tussen handelen en gevolg verworpen.

Gevangenisstraf van de duur van 8 jaar met aftrek van voorarrest.

Toewijzing van de vordering van de benadeelde partij (nabestaande).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

Sector Strafrecht

Parketnummer: 01/825722-08

Datum uitspraak: 24 juni 2009

Vonnis van de rechtbank ’s-Hertogenbosch, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

I[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1969,

wonende te [woonplaats], [adres],

thans gedetineerd te: P.I. HvB Grave (Unit A + B).

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 25 maart 2009 en 10 juni 2009.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 12 maart 2009.

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

hij op of omstreeks 12 december 2008 te Eindhoven opzettelijk [slachtoffer] van

het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet die [slachtoffer] met

een hamer, althans een stuk gereedschap dat in de Balkanlanden wordt gebruikt

als kapbeitel, hamer en spijkertrekker, in elk geval met een hard en/of zwaar

voorwerp, (met kracht) meermalen, althans eenmaal, op het hoofd geslagen,

tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

[artikel 287 van het Wetboek van Strafrecht]

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

De bewijsmiddelen en de beoordeling daarvan.

Vaststaande feiten.

Op 12 december 2008 heeft verdachte in Eindhoven [slachtoffer] meermalen met een hamer op het hoofd geslagen. Op 26 december 2008 is slachtoffer] overleden1.

Het standpunt van de officier van justitie.

Het slachtoffer is overleden als gevolg van het letsel dat verdachte haar heeft toegebracht. Uit de stukken blijkt dat de medische behandeling is stopgezet omdat verdere behandeling zinloos was. Het slachtoffer was toen al terminaal en een deel van de hersenen was afgestorven. De patholoog heeft vastgesteld dat de dood is ingetreden als gevolg van schedelhersenschade. De beginnende longontsteking heeft hierbij nauwelijks een rol gespeeld. Het overlijden van het slachtoffer kan redelijkerwijs aan verdachte worden toegerekend. Het feit is wettig en overtuigend te bewijzen.

Het standpunt van de verdediging.

Er is onvoldoende causaal verband tussen het handelen van verdachte en het overlijden van het slachtoffer. Tussen het slaan met de hamer en het overlijden zit een periode van 14 dagen. Het slachtoffer is overleden omdat de medische behandeling is stopgezet. Arts [naam arts] verklaart hierover dat de behandeling is stopgezet omdat er geen vooruitzicht was op herstel. Uit de stukken is niet af te leiden wat er met het slachtoffer zou zijn gebeurd als de behandeling niet was stopgezet. Het maakt gezien de tenlastelegging wel uit of het slachtoffer zou zijn overleden of dat ze in coma was geraakt. Het slachtoffer heeft een dag voor haar overlijden medicijnen toegediend gekregen. Mogelijk is ze hieraan overleden. Uit het sectierapport is bovendien op te maken dat de beginnende longontsteking aan het overlijden heeft bijgedragen. Verdachte dient te worden vrijgesproken.

Het oordeel van de rechtbank.

Nadat verdachte het slachtoffer met een hamer op het hoofd heeft geslagen, wordt het slachtoffer door de politie op bed aantroffen met een forse bloedende hoofdwond. De politie constateert dan dat op hersenen gelijkende delen uit haar schedel puilden2. Ambulanceverpleegkundige [naam verpleegkundige] verklaart eveneens dat op het moment van aantreffen van het slachtoffer er hersenen uit haar hoofd puilden3. Intensivist en chirurg [naam arts] van het Elisabeth Ziekenhuis te Tilburg verklaart dat het slachtoffer beademd werd binnengebracht en aansluitend een operatie heeft ondergaan waarbij een aantal fractuurdelen van haar schedel zijn weggehaald. Tevens werden gekneusde delen van de linker grote hersenhelft verwijderd4. Het slachtoffer had op dat moment zwaar hersenletsel. Vanaf 22 december 2008 gaat het slachtoffer neurologisch achteruit. De breinschade blijft voortschrijden. Op een CT-scan is dan te zien dat er sprake is van een gekneusd en beschadigd brein aan de gehele linkerzijde. Op 23 december 2008 wordt aan familieleden van het slachtoffer medegedeeld dat er niets meer voor haar gedaan kan worden. Op 24 december 2008 zijn er aanwijzingen dat verder gaan met de behandeling medisch zinloos is. [Arts] verklaart hierover dat deze prognose geheel is terug te voeren op het hersenletsel. Op 26 december 2008 overlijdt het slachtoffer5.

Bij sectie wordt zeer uitgebreid versterf aangetroffen van grote delen van de na de operatie nog aanwezige linker grote hersenhelft met kenmerken van tenminste één week oud. De letsels en de hersenschade zijn het gevolg geweest van zeer heftig botsend geweld op het hoofd en kunnen goed passen bij het meermalen slaan met een hard voorwerp zoals een hamer. De patholoog concludeert dat [slachtoffer] is overleden aan schedelhersenschade door heftig botsend geweld op het hoofd6.

Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat het overlijden van het slachtoffer een rechtstreeks gevolg is geweest van het forse hersenletsel dat door verdachte is toegebracht. Anders gezegd: het overlijden van het slachtoffer kan redelijkerwijs als gevolg van het tenlastegelegde handelen worden toegerekend aan verdachte. Het feit dat men in het ziekenhuis nog twee weken tevergeefs heeft getracht om haar leven te redden doet hieraan niet af.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

op 12 december 2008 te Eindhoven opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet die [slachtoffer] met een hamer meermalen op het hoofd geslagen, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De kwalificatie.

Het bewezenverklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit.

De strafbaarheid.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van het feit of van de verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen te zijnen laste bewezen is verklaard.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 10, 24c, 27, 36f, 287.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 11 jaar met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht. De officier van justitie heeft bij het formuleren van zijn eis in het bijzonder rekening gehouden met de navolgende omstandigheden. Verdachte is enigszins verminderd toerekeningsvatbaar. Het slachtoffer was volkomen kansloos. Verdachte heeft de hamer onder het bed moeten pakken en enige afstand naar het bed van het slachtoffer moeten overbruggen, hetgeen betekent dat er geen sprake is geweest van een zuiver impulsieve handeling. Het uitgeoefende geweld is fors.

Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij stelt de officier van justitie zich op het standpunt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard omdat de vordering onvoldoende is onderbouwd.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

Primair stelt de verdediging zich op het standpunt dat verdachte dient te worden vrijgesproken. Subsidiair verzoekt de verdediging de rechtbank om de straf aanzienlijk te matigen. Verdachte heeft geen strafblad en is niet eerder gewelddadig geweest tegenover het slachtoffer. Verdachte is verminderd toerekeningsvatbaar. De kans op recidive is volgens de deskundigen klein. De slaapkamer is zo klein dat niet gezegd kan worden dat verdachte tijdens het overbruggen van de ruimte tussen de twee bedden tijd heeft gehad om zich te beraden.

Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij stelt de verdediging zich op het standpunt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard omdat de vordering onvoldoende is onderbouwd.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Voorts heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals tot uitdrukking komt in het wettelijke strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een van de ernstigste misdrijven die het strafrecht kent. Hij heeft [slachtoffer] van het leven beroofd. Hij heeft kennelijk zonder enige aanleiding haar hoofd ingeslagen terwijl zij weerloos en nietsvermoedend op bed lag. Door zijn handelen heeft verdachte de rechtsorde ernstig geschokt en de naasten van het slachtoffer diep en onherstelbaar leed aangedaan. De gevolgen van zijn daad zijn onomkeerbaar. De omstandigheid dat het slachtoffer is aangevallen in haar huiselijke omgeving, bij uitstek een plaats waar zij zich veilig mocht wanen, weegt de rechtbank mee in het nadeel van verdachte. In strafmatigende zin houdt de rechtbank er rekening mee dat

het door verdachte gepleegde strafbare feit zich heeft voorgedaan in een periode van relationele problemen toen verdachte en het slachtoffer samenwoonden. Tevens

weegt de rechtbank mee dat uit omtrent de geestvermogens van verdachte uitgebrachte rapporten door A. Pen van 14 mei 2009 en door J. Goederee van 11 maart 2009 blijkt, dat het door hem gepleegde strafbare feit in enigszins verminderde mate aan hem kan worden toegerekend.

De rechtbank zal een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, nu de rechtbank van oordeel is dat de op te leggen straf de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt.

De rechtbank is van oordeel, dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf welke vrijheidsbeneming meebrengt voor de duur als hierna te melden.

De vordering van de [benadeelde partij].

De rechtbank acht toewijsbaar, als rechtstreeks door het bewezen verklaarde feit toegebrachte schade, de volgende onderdelen van de vordering:

- de factuur van Dela ad EUR 3.208,00 (post 1) en

- de kosten voor de bijzetting van de urn ad EUR 324,35 (post 2).

Het toegewezen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf datum delict tot de dag der algehele voldoening.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf datum delict tot de dag der algehele voldoening.

Aangezien aldus aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat verdachte van de schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde is bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot schadevergoeding.

De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de overige onderdelen van haar vordering, aangezien deze niet van zo eenvoudige aard zijn dat zij zich lenen voor behandeling in het strafgeding.

De benadeelde partij kan deze onderdelen van haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.

Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

DE UITSPRAAK

Verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op het misdrijf:

doodslag

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straf:

Gevangenisstraf voor de duur van 8 jaar met aftrek overeenkomstig artikel 27

Wetboek van Strafrecht

De vordering van de benadeelde partij:

Maatregel van schadevergoeding van EUR 3532,35 subsidiair 45 dagen hechtenis.

Legt derhalve aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten

behoeve van het slachtoffer [naam] van een bedrag van EUR 3.532,35 (zegge:

drieduizend vijfhonderd twee-endertig euro en vijfendertig cent), bij gebreke

van betaling en verhaal te vervangen door 45 dagen hechtenis.

De toepassing van deze vervangende hechtenis heft de hiervoor opgelegde

betalingsverplichting niet op.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij:

Wijst de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt

verdachte mitsdien tot betaling aan de benadeelde partij , van een

bedrag van EUR 3.532,35 (zegge: drieduizend vijfhonderd twee-endertig euro en

vijfendertig cent). Dit bedrag betreft de factuur van Dela (post 1) en de

kosten voor de bijzetting van de urn (post 2).

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot heden

begroot op nihil.

Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te

maken kosten.

Bepaalt dat de benadeelde partij in de vordering terzake de overige opgevoerde

posten niet ontvankelijk is, aangezien dit deel van de vordering niet eenvoudig

van aard is.

Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd

voorzover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot

vergoeding van deze schade.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. K. Visser, voorzitter,

mr. C.B.M. Bruens en mr. W.J. Kolkert, leden,

in tegenwoordigheid van mr. A.W.A. Kap-Knippels, griffier,

en is uitgesproken op 24 juni 2009.

1 PV ter terechtzitting d.d. 10 juni 2009 inhoudende een verklaring van verdachte; akte van overlijden, aktenummer 202214, betreffende [slachtoffer]; verklaring [getuige 1] (pag. 30-31 van het Eindpv regiopolitie Brabant Zuid-Oost, gezamenlijke recherche, dossiernummer PL2233/08-011691, ingekomen 05 maart 2009, aantal doornummerde pag.: 99 met daarbij als bijlagen de stukken van het FTO, verder te noemen: Eindpv.)

2 Eindpv. pag. 20 proces-verbaal van bevindingen [verbalisant 1] en [verbalisant 2].

3 Eindpv. pag. 56 verklaring [getuige].

4 Het verwijderen van een deel van de hersenen staat vermeld in het sectierapport vermeld in noot 5, op pag. 3.

5 Proces-verbaal van verhoor d.d. 11 mei 2009 en d.d. 02 juni 2009 inhoudende verklaringen van [arts], intensivist en chirurg.

6 Deskundigenrapport NFI d.d. 29 mei 2009 pag. 3-4: samenvatting van de resultaten van uit- en inwendige schouwing van het slachtoffer door [arts 2], arts en patholoog.

??

??

7

Parketnummer:

I[verdachte]