Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2009:BI7706

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
26-05-2009
Datum publicatie
12-06-2009
Zaaknummer
AWB 08/1480, AWB 08/1475
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Terugvordering van werkgevers van aan werknemers toegekende en herziene WW-uitkeringen wegens onwerkbaar weer (zie 08/1478 e.v.). Betaling van de uitkeringen heeft plaatsgevonden door tussenkomst van de werkgevers. In beginsel mag Uwv een dergelijke, aan de werknemers onverschuldigd betaalde WW-uitkering terugvorderen van de werkgever.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-HERTOGENBOSCH

Sector bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 08/1480

AWB 08/1475

Uitspraak van de meervoudige kamer van 26 mei 2009

inzake

Nedipart B.V.,

te Asten,

eiseres sub 1,

Nedicom Montagebouw B.V. (voorheen: Nediform B.V.)

te Asten,

eiseres sub 2,

hierna ook te noemen: eiseressen,

gemachtigde mr. W.A. Braams,

tegen

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

te Amsterdam,

verweerder,

gemachtigde W.F. Bergman, werkzaam bij het Uwv-kantoor te Eindhoven.

Procesverloop

Bij afzonderlijke brieven van 24 maart 2005 heeft verweerder zowel aan eiseres sub 1 als aan eiseres sub 2 medegedeeld dat zij een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) wegens weersomstandigheden heeft ontvangen, maar dat zij geen recht had op de volledige WW-uitkering wegens weersomstandigheden.

Bij besluiten van 25 maart 2005 heeft verweerder een bedrag van € 17.868,57 en € 12.148,44 van respectievelijk eiseres sub 1 en eiseres sub 2 teruggevorderd aan te veel betaalde WW-uitkering.

Bij besluiten van 22 juni 2006 heeft verweerder de door eiseressen tegen de brieven van 24 maart 2005 en besluiten van 25 maart 2005 ingediende bezwaren ongegrond verklaard. Tegen deze besluiten hebben eiseressen beroep ingesteld.

Bij uitspraken van 16 oktober 2007, AWB 08/3366 en AWB 06/3367, heeft de rechtbank de beroepen tegen de besluiten van 22 juni 2006 gegrond verklaard en de bestreden besluiten vernietigd. De rechtbank heeft de bezwaren tegen de brieven van 24 maart 2005 niet-ontvankelijk verklaard, de besluiten van 25 maart 2005 herroepen en bepaald dat haar uitspraken in de plaats treden van de vernietigde besluiten. Tegen de uitspraken van de rechtbank is door geen der partijen een rechtsmiddel aangewend.

Bij besluiten van 30 november 2007 heeft verweerder aan eiseres sub 1 en eiseres sub 2 medegedeeld dat zij respectievelijk € 17.868,57 bruto en € 12.148,44 bruto te veel heeft ontvangen. Voorts is medegedeeld dat eiseressen binnenkort een brief krijgen over het bedrag dat zij terug moeten betalen.

De hiertegen door eiseressen gemaakte bezwaren zijn door verweerder bij besluiten van 20 maart 2008 ongegrond verklaard.

Eiseressen hebben tegen deze besluiten beroep ingesteld.

De zaken zijn samen met de beroepszaken van 29 werknemers van eiseressen (onder zaaknummers AWB 08/1478 e.v.), gevoegd en behandeld op de zitting van 16 april 2009, waar eiseressen zich ter zitting hebben laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde alsmede door de heren [vertegenwoordiger 1], [vertegenwoordiger 2] en [vertegenwoordiger 3]. Verweerder is verschenen bij gemachtigde.

Na de behandeling ter zitting heeft de rechtbank de zaken gesplitst in die zin dat in de werknemersberoepen afzonderlijk uitspraak wordt gedaan.

Overwegingen

1. Aan de orde is de vraag of verweerder terecht en op goede gronden van eiseres sub 1 en eiseres sub 2 een bedrag van respectievelijk € 17.868,57 en € 12.148,44 heeft teruggevorderd aan te veel betaalde WW-uitkering.

2. Eiseressen kunnen zich niet met deze terugvordering verenigen omdat aan de terugvordering geen herziening ten grondslag ligt van een uitkering die aan hen is verstrekt. Een expliciete wettelijke basis ontbreekt volgens eiseressen. Eiseressen zijn verder van mening dat verweerder op volstrekt onjuiste gronden tot de conclusie is gekomen dat de werknemers ten onrechte een WW-uitkering hebben geclaimd en dat deze uitkering ten onrechte aan eiseressen betaalbaar zou zijn gesteld. Voorts stellen eiseressen zich op het standpunt dat zij niet in de gelegenheid zijn gesteld om hun zienswijze te geven voordat verweerder zijn besluiten nam. Ook voeren zij aan dat zij geen kennis hebben kunnen nemen van de processen-verbaal waarnaar in het opsporingsonderzoek verwezen wordt en kunnen zij zich niet verenigen met het feit dat de inhoud van de tip en de naam van de tipgever niet bij hen bekend zijn.

3. Ambtshalve toetsend is de rechtbank allereerst van oordeel dat de brieven van 30 november 2007 moeten worden opgevat als besluiten in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Ofschoon in deze besluiten wordt aangekondigd dat eiseressen binnenkort een brief krijgen over het bedrag dat zij moeten terugbetalen, ziet deze aankondiging naar het oordeel van de rechtbank op de invordering en niet op de terugvordering. Zowel verweerder als eiseressen hebben de besluiten ook als terugvorderingsbesluiten opgevat.

4. De rechtbank is voorts van oordeel dat de uitspraken van deze rechtbank van 16 oktober 2007 in algemene zin niet aan een terugvordering van verweerder jegens eiseressen in de weg staan. De rechtbank heeft in deze uitspraken immers niet uitdrukkelijk de mogelijkheid van terugvordering uitgesloten doch slechts overwogen dat de grondslag van het terugvorderingsbesluit is komen te ontvallen nu er geen sprake kan zijn van herziening van enig recht op WW van eiseressen. Daarmee is de mogelijkheid van terugvordering, mits deze voorzien kan worden van een juiste grondslag, opengelaten.

5. Ingevolge artikel 36, eerste lid, van de WW wordt de uitkering die als gevolg van een besluit als bedoeld in de artikelen 22a of 27 onverschuldigd is betaald, alsmede hetgeen anderszins onverschuldigd is betaald, door het Uwv teruggevorderd.

6. In artikel 101, eerste lid, van de WW is bepaald dat het Uwv een uitkeringsreglement werkloosheidsverzekeringen vaststelt. Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder c, van dit artikel bevat het uitkeringsreglement bepalingen omtrent voorschriften in verband met de betaling van de uitkering door tussenkomst van de werkgever, indien tijdens werkloosheid de dienstbetrekking voortduurt.

7. Op grond van het bepaalde in voornoemd artikel heeft het Uwv het Uitkeringsreglement WW 2002 ( Stcrt. 2002, 229) vastgesteld.

8. Ingevolge artikel 2, eerste lid, van het Uitkeringsreglement WW 2002 doet een werknemer die werkloos wordt, aangifte van zijn werkloosheid en dient een schriftelijke aanvraag om uitkering in bij de Centrale organisatie werk en inkomen op een daartoe door de Centrale organisatie werk en inkomen aangewezen adres door middel van een daarvoor beschikbaar gesteld formulier, waarop de voor het beoordelen van de aanvraag gewenste gegevens zijn vermeld en dat door de werknemer volledig is ingevuld en ondertekend.

9. In artikel 7, eerste lid, van dit Uitkeringsreglement WW 2002 is bepaald dat het Uwv kan toestaan dat de aangifte, bedoeld in artikel 2, eerste lid, namens de werknemer door de werkgever wordt gedaan en dat de betaling van de uitkering door tussenkomst van de werkgever plaatsvindt, indien de werknemer, terwijl de dienstbetrekking voortduurt, werkloos is geworden uitsluitend als gevolg van vorst, sneeuwval, hoog water of andere buitengewone natuurlijke omstandigheden.

Ingevolge het vijfde lid van dit artikel kan, indien de werkgever aan wie de in het eerste lid bedoelde toestemming is verleend, een of meer verplichtingen, bedoeld in het tweede, derde en vierde lid niet of niet behoorlijk nakomt, het Uwv besluiten om de door de werkgever als voorschot op de uitkering aan de werknemer gedane betalingen, geheel of gedeeltelijk niet te vergoeden.

Ingevolge het zesde lid van dit artikel kan, indien en voorzover de in het vijfde lid bedoelde betalingen naar het oordeel van het Uwv ten onrechte zijn vergoed in verband met het feit dat door de werkgever niet of niet behoorlijk is voldaan aan één of meer verplichtingen, bedoeld in het tweede, derde en vierde lid, het Uwv besluiten om deze vergoeding geheel of gedeeltelijk terug te vorderen. Deze werkgever is alsdan verplicht binnen een door het Uwv vast te stellen termijn aan deze vordering te voldoen.

10. Vast staat dat aan eiseressen de in artikel 7, eerste lid, van het Uitkeringsreglement WW 2002 bedoelde toestemming is verleend en dat betaling van de uitkeringen wegens weersomstandigheden aan de bij eiseressen in dienst zijnde werknemers door tussenkomst van eiseressen heeft plaatsgevonden.

11. Thans onderbouwt verweerder zijn terugvordering met een beroep op de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 17 mei 2006, te raadplegen op www.rechtspraak.nl onder LJN: AX5819. De rechtbank is van oordeel dat het beroep op deze uitspraak slaagt.

Anders dan in de uitspraak van deze rechtbank van 11 april 2005 in de zaak AWB 03/2876, is de rechtbank thans, om vergelijkbare redenen als de Raad in voornoemde uitspraak heeft verwoord, van oordeel dat ook de besluiten van 30 november 2007 een publiekrechtelijk karakter dragen. Verweerder verlangt immers terugbetaling van een op grond van de WW betaalde uitkering. De betaling van deze uitkering heeft onmiskenbaar een publiekrechtelijk karakter. Gezien de samenhang van de WW-uitkering bij onwerkbaar weer met de loondoorbetaling en mede in aanmerking genomen artikel 7 van het Uitkeringsreglement WW 2002, kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden gezegd dat tussen eiseressen en verweerder iedere door het bestuursrecht beheerste betrekking ontbreekt.

12. Het vorenstaande maakt, naar het oordeel van de rechtbank, dat hier geen sprake is van een situatie als bedoeld in de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 22 september 1993, LJN: ZB5532. Ook al moet vastgesteld worden dat, gelijk in voormelde uitspraak, de werknemers het Uwv hebben gemachtigd de hen toekomende uitkering over te maken aan eiseressen, toch is de rechtbank van oordeel dat, gelet op de in de vorige rechtsoverweging genoemde argumenten, tussen eiseressen en het Uwv een publiekrechtelijke rechtsbetrekking bestaat en dat eiseressen meer zijn dan louter een ‘doorgeefluik’ voor de WW-uitkeringen. Bovendien geldt ook voor het publiekrecht het algemeen rechtsbeginsel dat een zonder rechtsgrond verrichte betaling ongedaan moet worden gemaakt. Dat betekent dat verweerder in een geval als dit in beginsel een aan een werknemer onverschuldigd betaalde WW-uitkering kan terugvorderen van de werkgever.

13. De rechtbank heeft in zijn uitspraak van heden de herzieningen van het recht op WW-uitkering van de werknemers in rechte houdbaar geacht. De grieven die eiseressen in onderhavige zaken naar voren hebben gebracht tegen de herziening, vat de rechtbank op als zijnde gericht tegen de vaststelling dat onverschuldigd is betaald. Eiseressen zijn immers geen partij bij de herzieningsbesluiten en kunnen - gelet op de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep op dit punt, LJN: BD2405 - ook niet als belanghebbenden worden aangemerkt. Nu zij echter geconfronteerd worden met een terugvordering, komt hen naar het oordeel van de rechtbank wel het recht toe inhoudelijk te ageren tegen de vaststelling dat zonder rechtsgrond is betaald. De rechtbank komt evenwel wat betreft de vraag of zonder rechtsgrond is betaald tot eenzelfde conclusie als ten aanzien van de vraag of de WW-uitkering van de werknemers van eiseressen terecht en op goede gronden is herzien. De inhoudelijke overwegingen uit de uitspraak onder zaaknummers AWB 08/1478 e.v. moeten daartoe hier als herhaald en ingelast worden beschouwd. Ook hetgeen de rechtbank in deze uitspraak onder rechtsoverwegingen 6 en 7 met betrekking tot de formele grieven van eiseressen heeft overwogen, dient hier als herhaald en ingelast te worden beschouwd. Gelet hierop, kan worden vastgesteld dat over de periode van 9 december 2002 tot en met 23 februari 2003 aan de werknemers van eiseres sub 1 en eiseres sub 2 te veel WW-uitkering is toegekend, ten bedrage van € 17.868,57 respectievelijk € 12.148,44. Deze betalingen zijn derhalve zonder rechtsgrond verricht en verweerder heeft deze bedragen terecht en op goede gronden teruggevorderd van eiseres sub 1 en eiseres sub 2.

14. De beroepen zullen dan ook ongegrond worden verklaard. De rechtbank ziet geen aanleiding één der partijen te veroordelen in de proceskosten of verweerder op te dragen het griffierecht te vergoeden.

15. Beslist wordt als volgt.

Beslissing

De rechtbank,

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus gedaan door mr. Y.S. Klerk als voorzitter en mr. G.H. de Heer-Schotman en mr. I. Ravenschlag als leden in tegenwoordigheid van mr. B. van den Akker als griffier en in het openbaar uitgesproken op 26 mei 2009.

<i>Belanghebbenden kunnen tegen deze uitspraak binnen zes weken na de datum van toezending hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep, postbus 16002, 3500 DA Utrecht.</i>

Afschriften verzonden: