Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2009:BI7552

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
26-05-2009
Datum publicatie
12-06-2009
Zaaknummer
AWB 08/1478, AWB 08/1479, AWB 08/1481, e.v.
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Herziening werkloosheidsuitkeringen aan groep werknemers wegens onwerkbaar weer. Voor aantal dagen staat vast dat de werknemers meer uren hebben gedeclareerd dan op basis van de feiten gerechtvaardigd was. Terecht heeft verweerder daarom de ingeleverde WW-briefjes niet langer tot uitgangspunt van de berekeningen genomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-HERTOGENBOSCH

Sector bestuursrecht

Zaaknummers:

Uitspraak van de meervoudige kamer van 26 mei 2009

inzake

eisers,

gemachtigde mr. W.A. Braams

tegen

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv),

te Amsterdam,

verweerder,

gemachtigde W.F. Bergman, werkzaam bij het Uwv- kantoor te Eindhoven.

Procesverloop

Bij afzonderlijke besluiten van 29 november 2007 heeft verweerder de aan eisers verstrekte werkloosheidsuitkeringen wegens onwerkbaar weer over de periode van 9 december 2002 tot en met 23 februari 2003 herzien.

De tegen de besluiten van 29 november 2007 door eisers gemaakte bezwaren zijn door verweerder bij separate besluiten van 20 maart 2008 ongegrond verklaard.

Eisers hebben tegen deze besluiten beroep ingesteld.

De zaken zijn samen met AWB 08/1480 en 08/1475 gevoegd en behandeld op de zitting van 16 april 2009, waar eisers niet zijn verschenen. Zij hebben zich ter zitting doen vertegenwoordigen door hun gemachtigde alsmede door de heren [vertegenwoordiger 1],

[vertegenwoordiger 2] en [vertegenwoordiger 3]. Verweerder is verschenen bij gemachtigde.

Na de behandeling ter zitting heeft de rechtbank de zaken gesplitst in die zin dat in de zaken AWB 08/1480 en 08/1475 afzonderlijk uitspraak wordt gedaan.

Overwegingen

1. Aan de orde is de vraag of verweerder terecht en op goede gronden het recht op uitkering van eisers heeft herzien. Bij de beantwoording van deze vraag gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

2. Eisers zijn allen werknemers van Nediform B.V. (thans Nedicom B.V.) of Nedipart B.V. (hierna: de werkgevers). Deze bedrijven verzorgen werkzaamheden op het gebied van dak-en gevelbedekking. Bij brieven van 24 maart 2005 heeft verweerder aan de werkgevers medegedeeld dat de werkgevers een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) ontvingen, maar dat zij geen recht hadden op de volledige WW-uitkering wegens weersomstandigheden. Verweerder heeft vervolgens bij besluiten van 25 maart 2005 een bedrag van € 12.148,44 en € 17.868,57 teruggevorderd van respectievelijk Nediform B.V. en Nedipart B.V.

3. De tegen de brieven van 24 maart 2005 en de besluiten van 25 maart 2005 door de werkgevers gemaakte bezwaren zijn door verweerder bij besluiten van 22 juni 2006 ongegrond verklaard. De werkgevers hebben vervolgens beroep ingesteld. Bij uitspraken van deze rechtbank van 16 oktober 2007, AWB 06/3366 en 06/3367, heeft de rechtbank overwogen dat niet de werkgevers, maar de werknemers recht hebben op een WW-uitkering wegens weersomstandigheden. Dit betekent ook dat er geen sprake kan zijn van herziening van een uitkering van de werkgevers. Eventueel kan verweerder wel het recht op WW-uitkering van de betreffende werknemers herzien indien aan de voorwaarden daarvoor is voldaan.

4. Blijkens de thans bestreden besluiten heeft verweerder, in navolging van de overwegingen van de rechtbank, alsnog het recht op uitkering van de werknemers van Nediform B.V. en Nedipart B.V. herzien. Aan deze herziening liggen dezelfde overwegingen ten grondslag als die op grond waarvan verweerder eerder tot herziening ten aanzien van de werkgevers was overgegaan. Kort gezegd komen deze overwegingen erop neer dat eisers gewerkt hebben op dagen waarvoor zij ook een WW-uitkering hebben aangevraagd wegens onwerkbaar weer.

5. Eisers kunnen zich niet met de bestreden besluiten verenigen en voeren daartoe - kort samengevat - het volgende aan. In de eerste plaats kunnen eisers zich niet verenigen met de bestreden besluiten omdat zij niet in de gelegenheid zijn gesteld om hun zienswijze te geven voordat verweerder zijn primaire besluiten tot herziening nam. Voorts voeren zij aan dat zij geen kennis hebben kunnen nemen van de processen-verbaal waarnaar in het opsporingsonderzoek verwezen wordt. Zij kunnen zich ook niet verenigen met het feit dat de inhoud van de tip en de naam van de tipgever niet bij hen bekend is. Verder zijn eisers het niet eens met de grondslag van de herziening. De basis voor het aantal wegens vorst niet gewerkte uren wordt volgens eisers gevormd door de WW-werkbriefjes. De urenbriefjes/dagrapporten hebben slechts een beperkte functie en kunnen maar tot op zekere hoogte dienen als controle voor het aantal niet gewerkte uren. Voor eisers is het volstrekt onduidelijk hoe verweerder tot zijn herberekening is gekomen. De door eisers gedeclareerde uren sluiten naadloos aan bij de vorstperiodes, zoals die blijken uit de KNMI-overzichten. Ten onrechte stelt verweerder dat nu de werknemers op voormelde dagen gedurende enkele uren wél hebben gewerkt, zij geen recht hadden op een WW-uitkering gedurende de níet gewerkte uren. Verweerder is ten onrechte bij zijn vraagstelling richting de (ex-) werknemers ervan uitgegaan dat deze een dag niet gewerkt moesten hebben om in aanmerking te komen voor de WW-uitkering. Dit heeft de werknemers op het verkeerde been gezet. Indien verweerder zou worden gevolgd in zijn standpunt dat de urenbriefjes als uitgangspunt voor de berekening hebben te gelden, dan heeft verweerder ten onrechte een aantal declaraties aangemerkt als onjuist aangezien op deze urenbriefjes vermeld stond dat sprake was van vorst.

6. Met betrekking tot de formele grief van eisers dat zij niet in de gelegenheid zijn gesteld gehoord te worden alvorens verweerder tot zijn herzieningsbesluiten is gekomen overweegt de rechtbank allereerst het volgende. Ingevolge artikel 4:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het bestuursorgaan bevoegd de toepassing van de artikelen 4:7 en 4:8 achterwege te laten bij een beschikking die strekt tot het vaststellen van een financiële verplichting of aanspraak indien tegen die beschikking bezwaar kan worden gemaakt of administratief beroep kan worden ingesteld én de nadelige gevolgen na bezwaar of administratief beroep volledig ongedaan kunnen worden gemaakt. Naar het oordeel van de rechtbank doet zich in dit geval een situatie als vermeld in artikel 4:12 van de Awb voor, zodat verweerder in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van zijn bevoegdheid om eisers niet in de gelegenheid te stellen hun zienswijze naar voren te brengen. Ten aanzien van eisers grief dat de nadelige gevolgen van het bestreden besluit niet volledig ongedaan kunnen worden gemaakt, is de rechtbank van oordeel dat, nog afgezien van het feit dat de door eisers naar voren gebrachte (immateriële) reputatieschade niet door henzelf geleden is, dergelijke schade niet tot de directe nadelige gevolgen van de bestreden besluiten behoort.

7. De grief van eisers dat de processen-verbaal van de verhoren niet ter beschikking zijn gesteld hebben eisers ter zitting niet langer gehandhaafd. Daarbij is ook gebleken dat eisers in ieder geval over een deel van de processen-verbaal beschikken. Ofschoon de rechtbank niet beschikt over de processen-verbaal, ziet de rechtbank geen reden om daaraan gevolgen te verbinden nu er geen aanleiding bestaat te twijfelen aan de juistheid van de samenvattingen van de verhoren zoals deze zijn terug te vinden in de rapportage van het opsporingsonderzoek. Ten slotte maakt de omstandigheid dat eisers niet bekend zijn met de inhoud van de tip en naam van de tipgever het onderzoek waarop het besluit gebaseerd is nog niet onzorgvuldig.

8. Dit brengt de rechtbank tot de vraag of verweerder terecht het recht op uitkering van eisers heeft herzien.

9. Ingevolge artikel 18, eerste lid, van de WW heeft de werknemer die werkloos is uitsluitend als gevolg van vorst, sneeuwval, hoog water of andere buitengewone natuurlijke omstandigheden recht op uitkering voor de duur van de buitengewone natuurlijke omstandigheid.

10. Uit de tekst van deze bepaling volgt dat alvorens kan worden toegekomen aan de vraag of sprake is van buitengewone omstandigheden in de zin van dat artikel, dient te worden vastgesteld of sprake is van werkloosheid in de zin van de WW. Ingevolge artikel 16 van de WW is sprake van werkloosheid indien de werknemer ten minste vijf of ten minste de helft van zijn arbeidsuren per week heeft verloren alsmede het recht op onverminderde doorbetaling van zijn loon over die uren en die werknemer beschikbaar is om arbeid te aanvaarden.

11. Ingevolge artikel 7:627 van het Burgerlijk Wetboek (BW) is geen loon verschuldigd als de werknemer niet werkt. Op deze hoofdregel wordt in artikel 7:628, eerste lid, van het BW een uitzondering gemaakt in die zin dat de werknemer recht heeft op het naar tijdsruimte vastgestelde loon indien hij de overeengekomen arbeid niet heeft verricht door een oorzaak die in redelijkheid voor rekening van de werkgever behoort te komen. Bij CAO kan ten nadele van de werknemer van deze regel worden afgeweken. Voor zowel Nediform als Nedipart geldt de CAO kleinmetaal die de loondoorbetalingsplicht bij vorst gedeeltelijk uitsluit in die zin dat de werkgever de door het Uwv wegens vorst verleende WW-uitkering aanvult tot het volledige loon.

12. Ingevolge artikel 22a, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW herziet het Uwv een besluit tot toekenning van uitkering of trekt het dat in, indien het niet of niet behoorlijk nakomen van een verplichting op grond van artikel 24, 25 of 26 heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van uitkering.

13. Naar het oordeel van de rechtbank vloeit uit de WW voort dat slechts de uren gedurende welke de werknemer wegens vorst niet in staat was om zijn werkzaamheden uit te voeren voor vergoeding in aanmerking kunnen komen. Daarbij is het niet zo dat alleen wanneer een hele dag niet gewerkt is wegens vorst een vorstuitkering wordt verstrekt. Ook enkele uren kunnen worden vergoed mits deze deugdelijk verantwoord zijn en aan de overige voorwaarden van artikel 16 van de WW is voldaan. Overigens is verweerder, anders dan eisers stellen, bij diens berekening uitgegaan van ditzelfde uitgangspunt.

14. Daarbij wijst de rechtbank op artikel 7, tweede lid, van het Uitkeringsreglement 2002. Hierin is bepaald dat de werkgever, aan wie is toegestaan aangifte te doen van werkloosheid als bedoeld in het eerste lid, een administratie houdt van de dagen waarop en de uren gedurende welke de werknemer of werknemers, namens wie hij genoemde aangifte heeft gedaan, uitsluitend als gevolg van de in het eerste lid genoemde omstandigheden niet hebben gewerkt, overeenkomstig de door het Uwv aan deze administratie gestelde eisen.

15. De rechtbank stelt vast dat in dit geval de werkgevers namens eisers aangifte hebben gedaan van de werkloosheid wegens vorst. Dit hebben zij gedaan door middel van het door het Uwv verstrekte formulier ‘aanmelding werkloosheid-weersomstandigheden’. Door middel van dit formulier, dat zowel door de werkgever als door de werknemer ondertekend wordt, machtigt de werknemer het Uwv de hem toekomende uitkering over te maken aan zijn werkgever. Vervolgens dienen ten behoeve van de berekening van de uitkering wekelijkse, door het Uwv verstrekte, werkbriefjes door de werknemer te worden ingevuld, waarbij het aantal uren gedurende welke wegens weersomstandigheden niet gewerkt is vermeld moet worden. De werkbriefjes worden vervolgens door de werkgever aan het Uwv doorgestuurd.

16. De rechtbank is van oordeel dat ten aanzien van eisers voldoende aannemelijk is geworden dat zij meer uren hebben gedeclareerd dan waarop zij feitelijk recht hadden. Daartoe wijst de rechtbank in de eerste plaats op de verklaring van de heer [directeur], als directeur werkzaam bij de werkgevers, van 14 juni 2006. De heer [directeur] heeft verklaard dat uit een door hem ingesteld intern onderzoek is gebleken dat er op 6 en 7 januari 2003 geen volledige dag gedeclareerd had mogen worden maar wel een aantal uren. Desgevraagd heeft de heer [directeur] ter zitting verklaard dat er op deze dagen wel onwerkbare uren zijn geweest, maar dat niet meer valt na te gaan hoeveel dit er precies zijn geweest.

Eisers hebben ten aanzien van deze dagen allemaal opgegeven geen werkzaamheden te hebben verricht wegens vorst en zij hebben derhalve voor beide dagen ten onrechte een volledige werkdag vorstverlet gedeclareerd.

17. Ook ten aanzien van 20 december 2002 stelt de rechtbank vast dat voor deze dag door eisers, met uitzondering van de heer [eiser 1] die op deze dag verlof had, een volledige onwerkbare dag is gedeclareerd. In het dossier zijn echter concrete aanwijzingen te vinden dat er wel degelijk gedurende tenminste een aantal uren is gewerkt. In dit verband wijst de rechtbank op de verklaring van de heer [eiser 11] in de opsporingsrapportage, waarin hij heeft aangegeven dat hij zeker weet dat hij die dag heeft gewerkt omdat hij die dag een kerstpakket heeft gekregen en enkele uren eerder naar huis mocht. Ook wijst de rechtbank op het werkbriefje van de heer [eiser 19] die op 20 december 2002 als werkzaamheden heeft aangegeven ‘buitengevel monteren, rommel opruimen, eerder weg kerstvakantie’. Ook de heer [...] heeft voor deze dag aangegeven: “Eerder huis wegens kerstborrel”. Naar het oordeel van de rechtbank verdraagt zich het eerder weggaan van het werk wegens kerstvakantie of borrel niet met het declareren van een volledige dag vorstverlet.

18. Nu in ieder geval voor bovengenoemde dagen al vaststaat dat door eisers meer uren zijn gedeclareerd dan op basis van de feiten gerechtvaardigd was, heeft verweerder terecht de ingeleverde WW-werkbriefjes niet langer tot uitgangspunt van de berekeningen genomen. Verweerder heeft vervolgens een aan de hand van de door de werkgever gehanteerde (interne) werkbriefjes gefundeerde schatting gemaakt van het aantal wegens vorst onwerkbare uren. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder dit op deze wijze mogen doen. Indien en voor zover deze werkwijze met zich brengt dat de vastgestelde omvang van het aantal vorstverleturen niet geheel in overeenstemming is met de werkelijkheid, komt dat voor risico van eisers nu zij, noch hun werkgevers, daarvan een ander verifieerbaar overzicht hebben bijgehouden. Van verweerder kan in dit verband niet worden verlangd dat hij een vergelijking maakt van de interne werkbriefjes met de ‘blackbox’-gegevens van het dienstvoertuig. Immers, uit laatstgenoemde gegevens kan wel worden afgeleid hoeveel kilometer en op welke tijdstippen met het voertuig gereden is, maar niet door wie en op welke uren wegens vorst niet is gewerkt. Voorts brengt de enkele vermelding ‘vorst’ op sommige werkbriefjes, al dan niet in combinatie met vermelding van werkzaamheden, voor verweerder nog geen verplichting met zich om in dat geval een of meerdere uren als vorsturen te declareren. Het is aan eisers om een duidelijke vermelding te geven van het precieze aantal uren dat zij vanwege vorst niet hebben kunnen werken.

19. Dit brengt de rechtbank tot de conclusie dat de herzieningen stand houden en dat de beroepen ongegrond moeten worden verklaard. De rechtbank ziet geen aanleiding één der partijen te veroordelen in de proceskosten of verweerder op te dragen het griffierecht te vergoeden.

20. Beslist wordt als volgt.

Beslissing

De rechtbank,

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus gedaan door mr. Y.S. Klerk als voorzitter en mr. G.H. de Heer-Schotman en mr. I. Ravenschlag als leden in tegenwoordigheid van mr. B. van den Akker als griffier en uitgesproken in het openbaar op 26 mei 2009.

<i>Belanghebbenden kunnen tegen deze uitspraak binnen zes weken na de datum van toezending hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep, postbus 16002, 3500 DA Utrecht.</i>

Afschriften verzonden: