Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2009:BI7481

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
12-06-2009
Datum publicatie
12-06-2009
Zaaknummer
01/845450-07
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2010:BL1325, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Promis-vonnis

Aanrijding in Den Dungen met dodelijke afloop. Het slachtoffer reed op een bromfiets.

Begrip oversteekplaats voor (brom)fietsers wordt uitgelegd.

Na reconstructie/schouw acht de rechtbank bewezen dat verdachte tussen 150 en 170 kilometer per uur heeft gereden.

Opgelegd is een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren met aftrek van voorarrest, een rijontzegging van 7 jaren met aftrek en een schadevergoedingsverplichting van EUR 11.208,55.

Wetsverwijzingen
Wegenverkeerswet 1994
Wegenverkeerswet 1994 6
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWR 2009/63
VR 2011/7
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

Sector Strafrecht

Parketnummer: 01/845450-07

Datum uitspraak: 12 juni 2009

Vonnis van de rechtbank ’s-Hertogenbosch, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte]

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

wonende te [woonplaats], aan de [adres]

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 15 juli 2008, 21 augustus 2008, 3 december 2008, 21 januari 2009, 20 april 2009 en 29 mei 2009.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 3 juni 2008.

Nadat de tenlastelegging voor het laatst op de terechtzitting van 29 mei 2009 is gewijzigd is aan verdachte tenlastegelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 16 augustus 2007 te Den Dungen, gemeente

Sint-Michielsgestel, in elk geval in het arrondissement 's-Hertogenbosch, als

verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig

(personenauto), daarmede rijdende over de weg, De Beusingsedijk, zich zodanig

heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft

plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk,

onvoorzichtig en/of onoplettend, te handelen als volgt:

verdachte heeft - rijdende over de Beusingsedijk - met een snelheid van

ten minste tussen de 150 en 170 kilometer per uur, in elk geval met een

aanmerkelijk hogere dan de ter plaatse geldende maximumsnelheid van

80 kilometer per uur en/of met een, gelet op de verkeerssituatie te hoge snelheid,

en/of gekomen ter hoogte van een verkeersbord J37 van het Reglement

Verkeersregels en Verkeerstekens, en/of gekomen nabij een oversteekplaats voor fietsers en bromfietsers,

niet, althans onvoldoende, vaart geminderd en/of niet, althans niet tijdig

afgeremd en/of zijn voertuig niet tijdig tot stilstand gebracht binnen een

afstand waarover hij de weg kon overzien en/of waarover deze vrij was,

en/of is (vervolgens) met het door hem bestuurde motorrijtuig in botsing

gekomen met een - gezien zijn, verdachtes rijrichting - van rechts naar links

overstekende bromfietser en/of (vervolgens) met een in de rechterberm staande

boom,

waardoor of mede waardoor een ander (te weten [slachtoffer], zijnde de

genoemde bromfietser) werd gedood en/of een ander of anderen (te weten [medepassagier 1] en/of [medepassagier 2], zijnde inzittende(n) in zijn, verdachtes,

motorrijtuig) zwaar lichamelijk letsel althans zodanig letsel werd(en)

toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening

van de normale bezigheden is ontstaan,

terwijl het feit is veroorzaakt of mede is veroorzaakt doordat hij de

krachtens de wet vastgestelde maximumsnelheid in ernstige mate heeft

overschreden;

(artikel 6 Wegenverkeerswet)

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 16 augustus 2007 te Den Dungen, gemeente

Sint-Michielsgestel, in elk geval in het arrondissement 's-Hertogenbosch, als

verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig

(personenauto), daarmede rijdende over de weg, De Beusingsedijk, heeft

gehandeld als volgt:

verdachte heeft - rijdende over de Beusingsedijk - met een snelheid van

ten minste tussen de 150 en 170 kilometer per uur, in elk geval met

een aanmerkelijk hogere dan de ter plaatse

geldende maximumsnelheid van 80 kilometer per uur en/of met een, gelet op de

verkeerssituatie te hoge snelheid,

en/of gekomen ter hoogte van een verkeersbord J37 van het Reglement

Verkeersregels en Verkeerstekens en/of gekomen nabij een oversteekplaats

voor fietsers en bromfietsers,

niet, althans onvoldoende, vaart geminderd en/of niet, althans niet tijdig

afgeremd en/of zijn voertuig niet tijdig tot stilstand gebracht binnen een

afstand waarover hij de weg kon overzien en/of waarover deze vrij was,

en/of is (vervolgens) met het door hem bestuurde motorrijtuig in botsing

gekomen met een - gezien zijn, verdachtes rijrichting - van rechts naar links

overstekende bromfietser en/of (vervolgens) met een in de rechterberm staande

boom,

door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt,

althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd,

althans kon worden gehinderd;

(artikel 5 Wegenverkeerswet)

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;

De formele voorvragen

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Ten slotte zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

De bewijsmiddelen en de beoordeling daarvan

Vaststaande feiten

Op 16 augustus 2007 vond er op de Beusingsedijk te Den Dungen een aanrijding plaats tussen een auto, bestuurd door verdachte, en een bromfietser, [slachtoffer]. Vanuit de positie van verdachte bezien reed [slachtoffer] vanaf het rechtsgelegen fietspad via een oversteekplaats voor (brom)fietsers de Beusingsedijk op. Verdachte kon niet meer voldoende vaart minderen of voldoende remmen, waarna een aanrijding tussen de auto en de bromfiets plaatsvond. Na deze aanrijding kwam de auto tot stilstand tegen een boom in de rechterberm. Bromfietser [slachtoffer] kwam als gevolg van de aanrijding om het leven. Door het ongeval ontstond er bij één van de inzittenden van de auto, [medepassagier 2], een gebroken neus, arm, ribben en oogkas.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het primair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat verdachte ten minste 150 tot 170 kilometer per uur heeft gereden. Volgens de officier van justitie heeft verdachte roekeloos gereden.

Het standpunt van de verdediging

Uit de deskundigenverslagen valt volgens de verdediging af te leiden dat verdachte op de Beusingsedijk heeft gereden met een snelheid van 133 kilometer per uur. Een hogere snelheid kan volgens de verdediging niet bewezen worden verklaard.

Voorts heeft de raadsman aangevoerd dat [slachtoffer] een voorrangsfout heeft gemaakt door de Beusingsedijk op te rijden zonder voorrang te verlenen aan verdachte. Uit de verklaringen van verdachte en zijn zoon [medepassagier 2] valt af te leiden dat [slachtoffer] al rijdend vanaf het fietspad de oversteek naar de Beusingsedijk heeft gemaakt. Dit staat op gespannen voet met de vermijdbaarheidsanalyse, die als uitgangspunt hanteert dat [slachtoffer] eerst stil stond voordat hij de oversteek maakte. Indien men echter aanneemt dat [slachtoffer] niet heeft stil gestaan, betekent dit dat [slachtoffer] eerder op de botsplaats was. Hieruit volgt eveneens dat er minder tijd was voor verdachte om te reageren op de ontstane verkeerssituatie. Er zat zo weinig tijd tussen het moment dat [slachtoffer] arriveerde op de botsplaats en het moment dat verdachte daar arriveerde, dat een aanrijding ook zou hebben plaatsgevonden als verdachte aanmerkelijk langzamer had gereden dan 133 kilometer per uur. Tevens heeft de raadsman aangevoerd dat de in de tenlastelegging vermelde oversteekplaats voor fietsers en bromfietsers ter plaatse niet als zodanig kenbaar was gemaakt. De verdediging bepleit op grond van het vorenstaande vrijspraak.

Het oordeel van de rechtbank

Was er sprake van een oversteekplaats voor (brom)fietsers?

Naar het oordeel van de rechtbank moet het begrip ‘oversteekplaats’ in feitelijke zin gelezen en geduid worden. Gelet op de situatie ter plaatse, waarbij door middel van een tegelpad in de berm een verbinding is gecreëerd tussen het fietspad en de Beusingsdijk om (brom)fietsers over te kunnen laten steken, duidt de rechtbank dit tegelpad aan als een oversteekplaats in feitelijke zin.

De gereden snelheid en het verkeersgedrag van verdachte

Volgens de verdediging kan niet worden bewezen verklaard dat verdachte voorafgaand aan het ongeval harder heeft gereden dan 133 km/u. De rechtbank overweegt hieromtrent het volgende. Door het Nederlands Forensisch Instituut zijn er diverse onderzoeken verricht met betrekking tot de snelheidsbepaling van de auto van verdachte (de BMW), voorafgaand aan het tenlastegelegde. Er vond onder meer onderzoek plaats naar de banden, velgen en het storingsgeheugen van de elektronica van de BMW.2 Voorts werden er rij- en remproeven verricht, die vervolgens werden vergeleken met de resultaten van het voornoemde onderzoek naar het storingsgeheugen van de BMW.3 De finale conclusie van deskundige ir. Spek luidt dat het geheel van de bij het onderhavige verkeersongeval ontstane sporen, digitaal en fysiek, slechts verklaarbaar zijn als de snelheid van de BMW, direct voorafgaande aan de botsing met de bromfiets, tussen de 150 km/u en 170 km/u lag.4 De slotsom van het deskundigenbericht van J.L.M. Meuwissen, als contradeskundige benoemd, luidt dat hij zich grotendeels kan vinden in het rapport van ir. Spek en dat hij geen opmerkingen heeft over de door Spek verrichte onderzoeken en rij- en remproeven.5 Tijdens de schouw/reconstructie zijn er voorts rijproeven verricht met een vergelijkbare BMW. Startpositie bij de rijproeven was de linkervoorsorteerstrook op de N279, waarna er zo snel mogelijk werd geaccelereerd en gereden naar de plaats van het ongeval op de Beusingsedijk. Met een lasergun werd vervolgens de snelheid van de BMW gemeten. Afhankelijk van de motor- en schakelinstellingen werden snelheden behaald en gemeten die varieerden van 158 km/u tot 185 km/u.6 Hieruit leidt de rechtbank af dat de conclusie van deskundige Spek, inhoudende dat verdachte tussen de 150 km/u en 170 km/u reed, in de praktijk haalbaar was. De rechtbank acht op basis van het vorenstaande dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte met een snelheid van tussen de 150 km/u en 170 km/u over de Beusingsedijk heeft gereden.

Ten slotte acht de rechtbank ten aanzien van het verkeersgedrag van verdachte de verklaringen van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] van belang. Getuige [getuige 1] verklaarde bij de rechter-commissaris dat hij over de Zuid-Willemsvaart van Den Bosch richting Veghel reed en linksaf wilde voorsorteren bij het stoplicht bij de afslag Berlicum. Vervolgens zag hij dat een BMW rechts langs hem schoot. De BMW ging vóór [getuige 1] op de linkervoorsorteerstrook staan. Nadat het stoplicht groen werd zag [getuige 1] dat de BMW in volle vaart wegreed. Hij zag dat de BMW ontzettend hard optrok en met hoge snelheid over de Beusingsdijk wegreed.7 Getuige [getuige 2] zag eveneens dat de BMW bij het stoplicht wegreed. Zij verklaarde dat de BMW vol gas en spinnend of driftend in de bocht de Beusingsedijk opreed.8 Naar het oordeel van de rechtbank bieden deze getuigenverklaringen ondersteuning voor de stelling dat verdachte zeer hard optrok en met hoge snelheid over de Beusingsedijk reed.

Voorrangsfout?

De raadsman heeft voorts aangevoerd dat een ongeval ook zou hebben plaatsgevonden indien verdachte aanmerkelijk langzamer zou hebben gereden. De rechtbank verwerpt dit verweer op grond van het navolgende. Naar aanleiding van het onderhavige ongeval is er een vermijdbaarheidsanalyse opgesteld.9 De conclusie hiervan luidt dat bromfietser [slachtoffer] veilig had kunnen oversteken indien de BMW de maximumsnelheid niet of in geringe mate had overschreden (88 km/u), omdat de BMW dan later bij de botsplaats zou zijn aangekomen.10 Deze conclusie geldt ook voor het geval waarbij de bromfietser niet zou hebben stilgestaan voordat hij de oversteek maakte, maar al rijdend de Beusingsedijk opreed. Algemene ervaringsregels leren immers dat in zo’n geval de bromfietser slechts eerder de overkant van de Beusingsedijk dan nu het geval was. Ongeacht de beantwoording van de vraag of [slachtoffer] voorrang had moeten verlenen, blijkt uit de vermijdbaarheidsanalyse dat het fatale verkeersongeval is veroorzaakt door de snelheidsoverschrijding van verdachte. Ten overvloede merkt de rechtbank hierbij op dat [slachtoffer] op geen enkele wijze rekening kon en hoefde te houden met de extreme snelheidsoverschrijding door verdachte.

Slotsom

Verdachte heeft in zeer ernstige mate de maximumsnelheid op de Beusingsedijk overschreden, waardoor er een verkeersongeval plaatsvond waarbij één persoon werd gedood en aan één persoon, [medepassagier 2], lichamelijk letsel werd toegebracht. De rechtbank is van oordeel dat het letsel van laatstgenoemde11 als zwaar aangemerkt kan worden. De rechtbank is, gelet op het vorenstaande, van oordeel dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair tenlastegelegde, overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet. Het verkeersgedrag van verdachte valt volgens de rechtbank in juridische zin te duiden als roekeloos, de zwaarste schuldgradatie. De rechtbank zal het feit bewezen verklaren zoals hierna vermeld.

De bewezenverklaring

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte:

(primair)

op 16 augustus 2007 te Den Dungen, gemeente Sint-Michielsgestel, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmee rijdende over de weg, de Beusingsedijk, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, te handelen als volgt:

verdachte heeft - rijdende over de Beusingsedijk - met een snelheid van tussen de 150 en 170 kilometer per uur,

en gekomen nabij een oversteekplaats voor fietsers en bromfietsers,

niet voldoende vaart geminderd en niet tijdig afgeremd en zijn voertuig niet tijdig tot stilstand gebracht binnen een afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was,

en is vervolgens met het door hem bestuurde motorrijtuig in botsing gekomen met een - gezien zijn, verdachtes rijrichting - van rechts naar links overstekende bromfietser en vervolgens met een in de rechterberm staande boom,

waardoor een ander (te weten [slachtoffer], zijnde de genoemde bromfietser) werd gedood en een ander (te weten [medepassagier 2], zijnde inzittende in zijn, verdachtes,

motorrijtuig) zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht,

terwijl het feit is veroorzaakt of mede is veroorzaakt doordat hij de krachtens de wet vastgestelde maximumsnelheid in ernstige mate heeft overschreden.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De kwalificatie

Het bewezenverklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit.

De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van het feit of van de verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen te zijnen laste bewezen is verklaard.

Toepasselijke wetsartikelen

De beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 10, 24c, 36f, 57.

Wegenverkeerswet 1994 art. 6, 175, 179.

Oplegging van straffen en een maatregel

De eis van de officier van justitie

Bij het bepalen van de eis heeft de officier van justitie onder meer rekening gehouden met de bijzondere ernst van het feit. Volgens de officier van justitie bevindt het feit zich op het grensgebied met doodslag. Voorts heeft de officier van justitie rekening gehouden de recidive van verdachte op verkeersgebied. Ook heeft de officier van justitie de gevolgen voor de nabestaanden van het slachtoffer [slachtoffer] naar voren gebracht, net als de omstandigheid dat verdachte met zijn roekeloze weggedrag zijn beide zonen in gevaar heeft gebracht. De proceshouding van verdachte, waarbij hij zijn eigen belang voorop heeft gesteld en geen verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn daden, acht de officier van justitie eveneens strafverzwarend. De officier van justitie eist daarom een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van tien jaren. Voorts vordert de officier van justitie de gevangenneming van verdachte, vanwege het recidivegevaar en vanwege de omstandigheid dat het mogelijk nog geruime tijd duurt voordat de zaak onherroepelijk is geworden. Ten slotte vordert de officier van justitie de toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel.

Het standpunt van de verdediging

In zijn pleidooi heeft de raadsman aangevoerd dat verdachte eveneens nadelige gevolgen ondervindt van het verkeersongeval. Voorts heeft raadsman erop gewezen dat verdachte een eigen bedrijf heeft. Langdurige afwezigheid van verdachte zou het einde van deze onderneming betekenen. Ook kan verdachte qua bedrijfsuitoefening niet gedurende een lange periode zonder rijbewijs functioneren. De raadsman verzoekt een straf op te leggen die nog perspectief biedt aan verdachte en zijn onderneming. Tot slot merkt de raadsman op dat de aanrijding ook de nodige materiële schade bij verdachte heeft veroorzaakt, omdat de verzekeraar heeft geweigerd de schade te vergoeden. De raadsman heeft verzocht om de vordering gevangenneming van officier van justitie af te wijzen, omdat de recidivegrond ontbreekt.

Het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de strafoplegging

Algemeen

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Voorts heeft de rechtbank rekening gehouden met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals onder meer naar voren gekomen in het rapport van D.F.J. Hoekstra, arts-gedragsdeskundige.

Strafverzwarend

In de eerste plaats overweegt de rechtbank dat het bewezenverklaarde feit bijzonder ernstig is en onomkeerbare gevolgen heeft. Verdachte heeft de maximumsnelheid in extreme mate overschreden op een weg die zich daar volstrekt niet voor leende. Ook bij verdachte zelf was dit inzicht aanwezig, hij verklaarde bij de politie immers over de Beusingsedijk “dat deze weg gevaarlijk was”.12 Toch heeft verdachte het leven van zijn zoons en van andere verkeersdeelnemers op het spel gezet door levensgevaarlijk verkeersgedrag te vertonen. Door het ongeval wat hierdoor plaatsvond is [slachtoffer] op nog jonge leeftijd om het leven gekomen. Deze gebeurtenis heeft, zo hebben de nabestaanden aangegeven, hen leed berokkend dat “met geen pen te beschrijven valt en niet te bevatten is voor buitenstaanders.”13 Het grote verlies en het eindeloze verdriet van de nabestaanden valt volgens de rechtbank rechtstreeks aan verdachte toe te rekenen. Dit klemt des te meer doordat verdachte weinig blijk heeft gegeven van medeleven met de nabestaanden of verantwoordelijkheidsgevoel voor het overlijden van [slachtoffer]. Verdachte stelde zich van meet af aan op het standpunt dat hem geen enkel verwijt viel te maken, terwijl verdachte zich had moeten realiseren dat zijn laakbare verkeersgedrag aan het fatale verkeersongeval ten grondslag lag.

Voorts acht de rechtbank het van belang dat verdachte twee keer eerder met justitie in aanraking is geweest vanwege strafbaar verkeersgedrag. In 2004 werd verdachte door de politierechter veroordeeld vanwege rijden onder invloed. In 2005 werd verdachte door het gerechtshof veroordeeld vanwege een forse snelheidsoverschrijding, aan hem werd toen onder meer een gedeeltelijk voorwaardelijke rijontzegging opgelegd. Kort na het verstrijken van de proeftijd hiervan heeft verdachte het bewezenverklaarde feit gepleegd. De straffen die in 2004 en 2005 aan verdachte zijn opgelegd hebben kennelijk weinig indruk op hem gemaakt en hebben hem er niet van weerhouden om opnieuw een verkeersdelict te plegen.

Slotsom

Vanwege de ernst van het bewezenverklaarde feit en de onherstelbare gevolgen hiervan, in het licht van de hierboven geschetste strafverzwarende omstandigheden, acht de rechtbank alleen een langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend. Ook een langdurige ontzegging van de rijbevoegdheid, zowel om de ernst van het gepleegde feit te benadrukken als om het verkeer voor een aanzienlijke periode te beschermen tegen het verkeersgedrag van verdachte, is volgens de rechtbank passend en geboden. Alles afwegende zal de rechtbank verdachte veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van zeven jaren.

Het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij

De rechtbank acht de vordering in haar geheel toewijsbaar, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot en met de dag van de algehele voldoening.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, omdat de rechtbank het wenselijk acht dat de staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert.

Aangezien aldus aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat verdachte van de schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde is bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot schadevergoeding.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil. Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Ten aanzien van de vordering gevangenneming

Met betrekking tot de vordering gevangenneming van de officier van justitie is separaat een beslissing genomen. De stukken hieromtrent zijn aan het dossier toegevoegd.

DE UITSPRAAK

De rechtbank verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

De rechtbank verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op het misdrijf:

overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl de schuld bestaat in roekeloosheid en het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood, terwijl het feit is veroorzaakt of mede is veroorzaakt doordat de schuldige een krachtens de Wegenverkeerswet vastgestelde maximumsnelheid in ernstige mate heeft overschreden

en

overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl de schuld bestaat in roekeloosheid en het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht, terwijl het feit is veroorzaakt of mede is veroorzaakt doordat de schuldige een krachtens de Wegenverkeerswet vastgestelde maximumsnelheid in ernstige mate heeft overschreden.

De rechtbank verklaart verdachte hiervoor strafbaar en legt de volgende straffen en maatregel op:

* Gevangenisstraf voor de duur van 5 jaar met aftrek van voorarrest.

* Ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen (bromfietsen daaronder

begrepen) voor de duur van 7 jaar met aftrek overeenkomstig artikel 179 lid 6

Wegenverkeerswet 1994.

* Maatregel van schadevergoeding van € 11.208,55 subsidiair 86 dagen hechtenis

De rechtbank legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van de nabestaanden [slachtoffer] van een bedrag van € 11.208,55, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 86 dagen hechtenis, vermeerderd met wettelijke rente zoals hierna vermeld.

De toepassing van deze vervangende hechtenis heft de hiervoor genoemde betalingsverplichting niet op.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij:

De rechtbank wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte tot betaling aan de nabestaanden [slachtoffer], van een bedrag van € 11.208,55, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 16 augustus 2007 tot en met de dag van de gehele afdoening.

De rechtbank veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil. De rechtbank veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. F.P.E. Wiemans, voorzitter,

mr. A.F. van Hoorn en mr. P.J.H. Van Dellen, leden,

in tegenwoordigheid van mr. A.K.J. Kooij, griffier,

en is uitgesproken op 12 juni 2009.

mr. Van Hoorn is buiten staat dit vonnis te ondertekenen.

1 Dossier van de regiopolitie Brabant-Noord, kenmerk PL2123/07-017352, proces-verbaal bevindingen, p. 22 e.v., proces-verbaal van bevindingen, p. 43 e.v., proces-verbaal identificatie, p. 47. Voorts verklaring van verdachte ter terechtzitting, d.d. 15 juli 2008 en de verklaring van getuige [medepassagier 2] ter terechtzitting, d.d. 15 juli 2008.

2 Deskundigenrapporten NFI door ir. A.C.E. Spek, d.d. 7 februari 2008, 5 augustus 2008 en 7 april 2009.

3 Idem.

4 Deskundigenrapport NFI door ir. A.C.E. Spek, d.d. 7 april 2009, p. 22.

5 Deskundigenrapport J.L.M. Meuwissen.

6 Proces-verbaal van de Verkeersongevallenanalyse n.a.v. de reconstructie van 20 april 2009. Het proces-verbaal is opgesteld en ondertekend op 4 mei 2009.

7 Verklaring [getuige 1] bij de rechter-commissaris, d.d. 22 oktober 2008.

8 Verklaring [getuige 2] bij de rechter-commissaris, d.d. 22 oktober 2008.

9 Proces-verbaal verkeersongevalsanalyse bijlage III, vermijdbaarheidsanalyse.

10 Proces-verbaal verkeersongevalsanalyse bijlage III, vermijdbaarheidsanalyse.

11 Onder het kopje vaststaande feiten (gebroken neus, arm, ribben en oogkas).

12 Voornoemd politiedossier, proces-verbaal verhoor verdachte, p. 67 e.v.

13 Voegingsformulier benadeelde partij.

??

??

12

Parketnummer:

[verdachte]