Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2009:BI6811

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
09-06-2009
Datum publicatie
09-06-2009
Zaaknummer
01/821637-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een geldboete van Eur 20.000,- waarvan Eur 10.000,- voorwaardelijk voor overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 32 van de Arbeidsomstandighedenwet 1998, begaan door een rechtspersoon.

Niet aannemelijk is geworden dat verdachte onvoldoende voorlichting en informatie ten aanzien van de veiligheid op de arbeidsplaats heeft belegd in haar bedrijfsvoering. De rechtbank acht bewezen dat verdachte onvoldoende toezicht heeft gehouden op de arbeidsplaats waardoor een onveilige arbeidssituatie voor haar (ingeleende) werknemers is ontstaan en blijven ontstaan. Mede hierdoor heeft een arbeidsongeval kunnen plaatsvinden. Het betreft een ongeval met dodelijke afloop.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

Sector Strafrecht

Parketnummer: 01/821637-07

Datum uitspraak: 09 juni 2009

Vonnis van de rechtbank ’s-Hertogenbosch, meervoudige economische kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

gevestigd te [vestigingsplaats ], [adres].

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 26 mei 2009.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 11 juli 2008.

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

primair:

zij in of omstreeks de maand januari 2007, in elk geval op of omstreeks 31 januari 2007, te Veldhoven, in elk geval in Nederland, als werkgeefster in de zin van artikel 1 van de Arbeidsomstandighedenwet, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, handelingen heeft verricht of nagelaten in strijd met voormelde wet en/of de daarop berustende bepalingen,

immers heeft/hebben zij en/of haar mededader(s) toen daar

op een nieuwbouwlocatie aan de Knegselseweg (Kempen Campus, gebouw F), zijnde een arbeidsplaats als bedoeld in artikel 1 lid 3 onder g van de Arbeidsomstandighedenwet, door één of meer van haar werknemers in de zin van artikel 1 van de Arbeidsomstandighedenwet en/of werknemers in de zin van dat artikel van haar mededader(s), te weten

-[slachtoffer 1], en/of

-[slachtoffer 2], en/of

-[slachtoffer 3]

arbeid doen/laten verrichten, bestaande uit het plaatsen en/of stellen van wanden en/of het beplaten van die wanden (met gipsplaten) en/of steigerbouwwerkzaamheden,

terwijl niet was/werd voldaan aan

(a)

het bepaalde in artikel 8 van de Arbeidsomstandighedenwet, namelijk

-was/waren/werd(en) die werknemer(s) niet doeltreffend voorgelicht over de te verrichten werkzaamheden en/of daaraan verbonden risico's en/of maatregelen die erop gericht waren deze risico's te beperken of te voorkomen,

en/of

-was/waren/werd(en) die werknemer(s) niet (afdoende) op de hoogte gesteld van het doel en/of de werking van de (met het oog op het valgevaar op die plaats) aangebrachte beveiligingen en/of (veiligheids)voorzieningen en/of de wijze waarop (op een veilige en/of juiste manier) van deze beveiligingen en/of (veiligheids)voorzieningen gebruik diende te worden gemaakt,

en/of

-werd door haar en/of haar mededader(s) niet (afdoende) toegezien op naleving van de aan die werknemers (met het oog op het valgevaar op die plaats) gegeven instructies en/of voorschriften,

en/of

-werd er door haar en/of door haar mededader(s) niet (afdoende) op toegezien dat door die werknemers veilig en/of juist gebruik werd gemaakt van de (met het oog op het valgevaar op die plaats aangebrachte) hekwerken en/of leuningen en/of andere dergelijke beveiligingen en/of (veiligheids)voorzieningen,

en/of

(b)

het bepaalde in artikel 3.16 van het Arbeidsomstandighedenbesluit, namelijk was/werd op die arbeidsplaats (waar valgevaar bestond) en/of bij het verrichten van die arbeid (waarbij valgevaar bestond) niet een veilige steiger en/of stelling en/of bordes en/of werkvloer aangebracht en/of was/werd het valgevaar niet (afdoende) tegengegaan door het aanbrengen van doelmatige hekwerken en/of leuningen en/of andere dergelijke voorzieningen,

en/of

(c)

het bepaalde in artikel 3.2 van het Arbeidsomstandighedenbesluit, namelijk werd door haar en/of haar mededader(s) niet regelmatig gecontroleerd of de (met het oog op het valgevaar) op die arbeidsplaats ter bescherming van die werknemer(s) aanwezige voorzieningen en genomen maatregelen nog adequaat functioneerden,

en/of

(d)

het bepaalde in artikel 2.35 van het Arbeidsomstandighedenbesluit, namelijk werd door haar en/of haar mededader(s), terwijl zij bij de totstandbrenging van een bouwwerk arbeid de(e)d(en) verrichten, bij de uitvoering van haar/hun verplichtingen op grond van de artikelen 3, 5, 8 en 19, eerste lid, van de Arbeidsomstandighedenwet, geen en/of onvoldoende doeltreffende maatregelen genomen ter bescherming van de veiligheid en/of de gezondheid van die werknemer(s)

terwijl daardoor, naar zij en/of haar mededader(s) wist(en) of redelijkerwijs moest(en) weten, levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid van één of meer van die werknemers ontstond of te verwachten was;

[Arbeidsomstandighedenwet art. 32]

Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

zij in of omstreeks de maand januari 2007, in elk geval op of omstreeks 31 januari 2007, te Veldhoven, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, hoogst, in elk geval aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of nalatig en/of onoplettend en/of onnadenkend en/of ondeskundig heeft nagelaten om,

terwijl toen en daar op een nieuwbouwlocatie aan de Knegselseweg (Kempen Campus, gebouw F) door één of meer van haar werknemers en/of één of meer van de werknemers van haar mededader(s), in elk geval in haar opdracht en/of in opdracht van haar mededader(s), door [slachtoffer 1] werkzaamheden werd(en) verricht, namelijk het plaatsen en/of stellen van wanden en/of het beplaten van die wanden (met gipsplaten) en/of steigerbouwwerkzaamheden,

die werkzaamheden zodanig in te richten en/of zodanige maatregelen te nemen dat de veiligheid en/of gezondheid van die werknemer(s), in elk geval van die [slachtoffer 1], bij de uitvoering van die werkzaamheden (zoveel mogelijk) was gewaarborgd en/of bevorderd en/of bewaakt,

immers heeft/hebben zij en/of haar mededader(s) toen en daar

(a)

op de plaats waar die werkzaamheden dienden te worden verricht (en waar valgevaar bestond) en/of bij het verrichten van die werkzaamheden (waarbij valgevaar bestond) niet een veilige steiger en/of stelling en/of bordes en/of werkvloer en/of doelmatige hekwerken en/of leuningen en/of andere dergelijke (veiligheids)voorzieningen aangebracht,

en/of

(b)

die werknemers, in elk geval die [slachtoffer 1], niet (afdoende) gewezen op het op die plaats aanwezige en/of aan het verrichten van die werkzaamheden verbonden valgevaar en/of niet doeltreffend voorgelicht over dit valgevaar en/of over maatregelen die dienden te worden genomen om dit valgevaar (zoveel mogelijk) tegen te gaan en/of over het veilige en/of juiste gebruik van de (met het oog op dit valgevaar op die plaats) aangebrachte hekwerken en/of leuningen en/of (veiligheids)voorzieningen,

en/of

(c)

er niet (afdoende) op toegezien dat die werknemers, in elk geval die [slachtoffer 1], zich aan de (met het oog op dat valgevaar op die plaats) gegeven aanwijzingen en/of instructies en/of voorschriften hield(en) en/of een veilig en/of juist gebruik maakte(n) van de (met het oog op dat valgevaar op die plaats aangebrachte) hekwerken en/of leuningen en/of

(veiligheids)voorzieningen en/of op een veilige manier werkte(n),

in elk geval onvoldoende (deugdelijke) maatregelen genomen om het op die plaats en/of bij het verrichten van die werkzaamheden bestaande valgevaar tegen te gaan,

waardoor, of mede waardoor, het aan haar schuld en/of die van haar mededader(s) te wijten is dat die [slachtoffer 1] bij het verrichten van die werkzaamheden is gevallen, waardoor deze is overleden;

[Sr art. 307]

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

De bewijsmotivering.

Vaststaande feiten.

Op 31 januari 2007 heeft een arbeidsongeval plaatsgevonden op de nieuwbouw locatie van “Kempen Campus” aan de Knegselseweg te Veldhoven1. Het bouwwerk werd mede uitgevoerd door [verdachte] die het werk verrichtte in opdracht van de [hoofdaannemer]. [verdachte] had drie werknemers uit Duitsland ingeleend om op die arbeidsplaats bepaalde werkzaamheden in haar opdracht te verrichten. Het latere slachtoffer [slachtoffer 1] was een van deze werknemers. De andere twee waren [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2]2.

Het ongeval vond plaats in gebouw F op de eerste verdieping, in een zogenaamde vide, een open ruimte vanaf de begane grond naar de eerste verdieping met een opening in de vloer van die eerste verdieping. De omvang van de vide was 6,4 meter bij 3,5 meter. Het hoogteverschil tussen de vloer van de eerste verdieping en de begane grond bedroeg ongeveer 4,8 meter.

De drie Duitse werknemers waren bezig met het aanbrengen van gipsplaten op een staalskeletwand in de vide. Zij maakten hierbij gebruik van een rolsteiger die vanaf de vloer van de begane grond omhoog reikte in de vide. In twee eerdere vides in gebouw F hadden deze werknemers op soortgelijke wijze met de rolsteiger hun werkzaamheden uitgevoerd3.

Voorafgaand aan de werkzaamheden waren rond de vide, bij de vloerrand op de eerste verdieping, rondom houten leuningen aangebracht. Nadat de steiger was geplaatst is het leuningwerk aan de korte kant van de vide door de drie Duitse werknemers verwijderd.

[slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] verrichtten hun werkzaamheden in de vide staande op de steiger ter hoogte van de eerste verdieping. Zij monteerden van daaraf de gipsplaten tegen een wand. [slachtoffer 1] stond op de eerste verdieping, pakte telkens een gipsplaat van een daar staande kar, sneed de plaat op maat en gaf deze aan zijn collega’s4. Tijdens die werkzaamheden omstreeks 12.40 uur is het slachtoffer [slachtoffer 1] vanaf de eerste verdieping over de rand in de vide gevallen en terecht gekomen op de betonnen vloer van de begane grond5. Hij is aan zijn verwondingen overleden6. Op de plaats waar het slachtoffer naar beneden viel was ten tijde van het ongeval geen leuning7.

Op de bouwplaats was op de dag van het ongeval de [uitvoerder] aanwezig als aanspreekpunt in dienst van [verdachte]. Deze had enkele dagen eerder aan de Duitse werknemers de opdracht gegeven om de wanden te zetten, stuurde werknemers aan en hield mede toezicht op de veiligheid ter plaatse8.

Namens de [hoofdaannemer] was onder meer de [toezichthouder] aanwezig die vrijwel dagelijks contact had met [de uitvoerder] en mede toezicht hield op de veiligheid9.

[verdachte] wist dat er door valgevaar op de arbeidsplaats levensgevaar of gevaar voor ernstige schade aan de gezondheid van haar werknemers te duchten was10.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie acht het primair tenlastegelegde bewezen.

Verdachte heeft nagelaten afdoende veiligheidsmaatregelen te treffen. De werknemers van verdachte hebben het aangebrachte leuningwerk verwijderd ten behoeve van hun werkzaamheden. Dit was onveilig in verband met valgevaar. Verdachte had erop moeten toezien dat de betreffende werknemers aangelijnd waren of dat er een vangnet gehangen werd of dat de vide geheel afgedekt werd met een vlonder. Op die manier had het ongeval mogelijk voorkomen kunnen worden. Aan de betreffende werknemers is niet voldoende veiligheidsvoorlichting gegeven. Daarnaast heeft verdachte onvoldoende toezicht gehouden op de werkzaamheden van de betreffende werknemers. Zij heeft immers in het bijzonder in onvoldoende mate controle uitgeoefend op het algemene voorschrift van de hoofdaannemer dat de leuningen rondom de vides niet verwijderd mochten worden. De hoofdaannemer had dit voorschrift opgenomen in verband met de mogelijkheid van valgevaar.

De eerste twee gedachtestreepjes onder a) in de tenlastelegging zijn onvoldoende wettig en overtuigend bewezen. De overige gedachtestreepjes onder a) en de verwijten genoemd onder b), c) en d) zijn wettig en overtuigend bewezen. Verdachte is verantwoordelijk voor een veilige uitvoering van de werkzaamheden door haar werknemers.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging is op grond van hetgeen zij heeft verwoord in haar pleitnota van mening dat verdachte geen schuld treft, in het bijzonder niet in de zin zoals door de officier van justitie is tenlastegelegd.

Ten aanzien van primair.

Ten aanzien van de eerste twee gedachtestreepjes onder a) concludeert de verdediging dat de bij verschillende gelegenheden gegeven instructies doeltreffend en afdoende waren. Bovendien waren de bewuste werknemers bekend met werken op hoogte. Zij waren ruimschoots bekend met de daarbij behorende risico’s.

Ten aanzien van het derde en vierde gedachtestreepje onder a) concludeert de verdediging dat het toezicht op de bouwplaats inhoudelijk naar behoren was en frequent en gestructureerd plaats vond en derhalve afdoende was in de zin van artikel 8 van de Arbeidsomstandighedenwet.

Aldus is de verdediging van mening dat verdachte moet worden vrijgesproken van het tenlastegelegde onder onderdeel a).

Ten aanzien van onderdeel b) concludeert de verdediging ook tot vrijspraak.

Ter plaatse was immers een veilige voorziening aangebracht, namelijk het leuningwerk rondom de vide. Deze veilige voorziening is echter in strijd met de herhaalde malen gegeven instructies verwijderd door de werknemers voor wier beveiliging zij waren aangebracht.

Ten aanzien van onderdeel c) concludeert de verdediging eveneens tot vrijspraak.

In de situatie waarop artikel 3.2 van het Arbeidsomstandighedenbesluit ziet zijn voorzieningen aanwezig en zijn maatregelen genomen. De werkgever moet controleren of deze nog adequaat functioneren. In het onderhavige geval was de voorziening niet meer aanwezig en was de maatregel ongedaan gemaakt door juist die werknemers, mede ter wier bescherming deze was aangebracht en/of getroffen. Van het al of niet adequaat functioneren in de zin van dit artikel was daarom geen sprake.

Voor het geval de rechtbank hier anders over denkt, wijst de verdediging op wat zij heeft bepleit ten aanzien van onderdeel a) het derde en vierde gedachtestreepje met betrekking tot het toezicht, in het kader van artikel 3.2 van het Arbeidsomstandighedenbesluit te lezen als ‘controle’. Er werd regelmatig gecontroleerd of de veiligheid ter plaatse nog in orde was en in acht werd genomen door de werknemers.

Ten aanzien van onderdeel d) concludeert de verdediging tevens tot vrijspraak.

De verdediging verwijst naar wat zij bij onderdeel b) al heeft beschreven. Daarbij verwijst artikel 2.35 van het Arbeidsomstandighedenbesluit naar de artikelen 3, 5, 8 en 16 van de Arbeidsomstandighedenwet. In die artikelen zijn diverse verplichtingen van de werkgever opgenomen. Met het oog op artikel 3, 1e lid sub b van de Arbeidsomstandighedenwet merkt de verdediging op dat in dit geval het plaatsen van een vaste vloer bij de vides feitelijk geen optie is gebleken, zodat verdachte op dit punt niets valt te verwijten. Artikel 5 van de Arbeidsomstandighedenwet betreft de evaluatie en inventarisatie van risico’s. Verdachte heeft het gevaar te vallen van hoogte onderkend in de RIE. Het VGM plan van verdachte is vervolgens getoetst door de hoofdaannemer en akkoord bevonden.

Ten aanzien van subsidiair.

Onder primair heeft de verdediging al bepleit dat verdachte geen schuld valt te verwijten ter zake van de dood van de heer [slachtoffer 1]. De verdediging is van mening dat verdachte ook ten aanzien van het subsidiair tenlastegelegde moet worden vrijgesproken.

Het oordeel van de rechtbank.

Ten aanzien van primair onder a) eerste en tweede gedachtestreepje.

Ter terechtzitting is door verdachte gemotiveerd bestreden dat zij in haar voorlichtingsverplichting tekort zou zijn geschoten. Uit de getuigenverklaringen in het dossier is het tegendeel niet gebleken. De rechtbank mist derhalve de overtuiging dat verdachte op deze punten tekort is geschoten en spreekt haar vrij van deze onderdelen.

Ten aanzien van primair onder b) en onder d).

De rechtbank stelt vast dat de hoofdaannemer, [naam hoofdaannemer], leuningen rondom de vides heeft geplaatst teneinde het valgevaar tegen te gaan. De rechtbank gaat ervan uit dat die leuningen voldoende waren om valgevaar te voorkomen. Andere maatregelen waren gelet op de werkzaamheden die werden uitgevoerd niet noodzakelijk. Bovendien stuitte het volledig afdichten van de vide op transportproblemen. Het mogelijk aanlijnen van de werknemers kon extra gevaar bij het uitvoeren van de werkzaamheden met zich brengen. Uit het feit dat de werknemers uit eigen beweging de leuning aan de korte kant van de vide hebben weggenomen kan niet volgen dat het aanbrengen van de leuningen ter voorkoming van valgevaar bij die vide niet afdoende was.

Uit het vorenstaande bekomt de rechtbank niet de overtuiging dat het primair tenlastegelegde onder b) en d) kan worden bewezen en spreekt verdachte ook hiervan vrij.

Ten aanzien van primair onder a) derde en vierde gedachtestreepje en onder c).

De rechtbank is anders dan de verdediging van oordeel dat verdachte in onvoldoende mate toezicht heeft gehouden op de manier van werken met betrekking tot de veiligheid van de drie Duitse werknemers.

Uit een memo van 13 september 2007 met als onderwerp V&G-deelplan onderaannemers blijkt het navolgende:

‘[verdachte] heeft een eigen V&G-deelplan opgesteld voor het betreffende project. Hierin waren de risico’s van het door verdachte uit te voeren werk en te treffen maatregelen voldoende weergegeven.

Met [verdachte] is door [de hoofdaannemer] een startgesprek gehouden waarin boven weergegeven punten aan de orde zijn gekomen. Tijdens de startbespreking is daarnaast een instructieve video getoond, waarin het onderwerp veiligheid een belangrijke plaats inneemt. In de video wordt expliciet vermeld dat aangebrachte beveiligingen in stand dienen te worden gehouden.

[verdachte] is VCA versie 2004 gecertificeerd.’11

Verdachte neemt in elk geval de verantwoordelijkheid voor de veiligheid van haar werknemers op de werkplek. Volgens de vertegenwoordiger van verdachte hielden de [projectleider] en de uitvoerder/voorman [naam uitvoerder] toezicht op de veiligheid namens [verdachte]12.

Uit een memo van [de projectleider] aan [medewerker verdachte] van 10 juli 2007 blijkt het navolgende:

Op het werk Kempen Campus te Veldhoven is door [de projectleider] geen werkplekinspectie uitgevoerd. De betreffende bouwlocatie was zo goed voorzien van veiligheidsvoorzieningen dat hij geen toegevoegde waarde zag in het uitvoeren van een werkplekinspectie. Tijdens werkbezoeken heeft hij zijn bevindingen hieromtrent niet hoeven bijstellen.13

Het toezicht op de veiligheid heeft [de projectleider], de projectleider voor verdachte, aan de uitvoerder van verdachte gelaten. De uitvoerder voor verdachte was aanvankelijk [uitvoerder 1] en later diens vervanger [huidige uitvoerder]14.

[uitvoerder] verklaart tegenover de verbalisant van de Arbeidsinspectie dat hij op 31 januari 2007 nog bij de vide is geweest en aan de Duitse werknemers heeft gevraagd waar zij de gipskartonplaten wilden hebben. Hij is toen op de eerste verdieping van gebouw F geweest, maar heeft niet gezien hoe de drie Duitsers aan het werk waren. Naar zijn oordeel konden de Duitsers zelfstandig werken en hadden zij geen controle nodig15.

Bij de rechter-commissaris heeft [uitvoerder] onder meer verklaard dat hij bij de eerste vide met [medewerker h[medewerker 1 ho[werknemer 1 hoofdaannemer] is gaan kijken of de werkplek veilig was. Bij de tweede vide is hij niet specifiek gaan kijken of de werkplek veilig was. Bij de derde vide waar het ongeval zich heeft voorgedaan heeft hij de middag voor het ongeval de situatie gezien. Op de dag van het ongeval is hij een half uur à drie kwartier voor het ongeval bij de werkplek bij de derde vide geweest om [slachtoffer 1] een goede reis te wensen. Hij heeft toen twee personen op de steiger zien werken en [slachtoffer 1] was bij de vide bezig met het snijden van gipskartonplaten16.

Uit de verklaringen van de werknemers van [de hoofdaannemer], te weten [werknemer 1 hoofdaannemer]17, [werknemer 2 hoofdaannemer]18 en [werknemer 3 hoofdaannemer]19, volgt dat rondom de vide een leuning was aangebracht.

Uit de verklaring van [slachtoffer 2] blijkt dat de drie Duitse werknemers samen de leuning aan de kopse kant van de vide weg hebben gehaald om de rolsteiger te kunnen opbouwen. Hierdoor ontstond mogelijk valgevaar voor in ieder geval deze drie werknemers van verdachte20.

De rechtbank acht aannemelijk dat de leuningen aan de kopse kant van de vide in de ochtend van 31 januari 2007 zijn verwijderd en dat hierdoor op die locatie valgevaar is ontstaan.

Noch uit de inhoud van het procesdossier noch uit het verhandelde ter terechtzitting blijkt dat op 31 januari 2007 door verdachte toezicht op en controle van de betreffende werknemers heeft plaatsgevonden ten aanzien van het conform de voorschriften van de hoofdaannemer in stand houden van de aangebracht leuning als randbeveiliging. [de uitvoerder] is weliswaar ter plaatse geweest nadat de werknemers waren begonnen met het aanbrengen van gipsplaten maar hij heeft op geen enkel moment de veiligheid gecontroleerd. Het maken van een praatje of het maken van afspraken over de plaats waar gipsplaten neergezet moeten worden is daartoe volstrekt onvoldoende. Uit de verklaring van [de uitvoerder] volgt dat na een controle bij de eerste vides geen gericht toezicht door verdachte meer heeft plaatsgehad.

Dit klemt eens te meer nu uit de verklaring van [werknemer 3 hoofdaannemer] blijkt dat hij de Duitse werknemers de dag voor het ongeval er op heeft moeten wijzen dat ze de kopse kant van de vide weer moesten afzetten21.

Gelet op het vorenstaande acht de rechtbank wat onder a) derde en vierde gedachtestreepje en onder c) is tenlastegelegd wettig en overtuigend bewezen.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

ten aanzien van feit 1:

op 31 januari 2007, te Veldhoven, als werkgeefster in de zin van artikel 1 van de Arbeidsomstandighedenwet, handelingen heeft nagelaten in strijd met voormelde wet en de daarop berustende bepalingen, immers heeft zij toen daar

op een nieuwbouwlocatie aan de Knegselseweg (Kempen Campus, gebouw F), zijnde een arbeidsplaats als bedoeld in artikel 1 lid 3 onder g van de Arbeidsomstandighedenwet, door haar werknemers in de zin van artikel 1 van de Arbeidsomstandighedenwet, te weten

-[slachtoffer 1], en

-[slachtoffer 2], en

-[slachtoffer 3]

arbeid doen/laten verrichten, bestaande uit het plaatsen en/of stellen van wanden en/of het beplaten van die wanden (met gipsplaten), terwijl niet was/werd voldaan aan

(a)

het bepaalde in artikel 8 van de Arbeidsomstandighedenwet, namelijk

-werd door haar niet (afdoende) toegezien op de naleving van de aan die werknemers (met het oog op het valgevaar op die plaats) gegeven instructies en/of voorschriften,

en

-werd er door haar niet (afdoende) op toegezien dat door die werknemers veilig en/of juist gebruik werd gemaakt van de (met het oog op het valgevaar op die plaats aangebrachte) leuningen,

en

(c)

het bepaalde in artikel 3.2 van het Arbeidsomstandighedenbesluit, namelijk werd door haar niet regelmatig gecontroleerd of de (met het oog op het valgevaar) op die arbeidsplaats ter bescherming van die werknemers aanwezige voorzieningen en genomen maatregelen nog adequaat functioneerden,

terwijl daardoor, naar zij wist, levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid van die werknemers ontstond of te verwachten was.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De kwalificatie.

Het bewezenverklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit.

De strafbaarheid.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van het feit of van de verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen te haren laste bewezen is verklaard.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

artikel 14a, 14b, 14c, 23, 24, 51 en 91 van het Wetboek van Strafrecht

artikel 1, 2, 6 en 87 van de Wet op de economische delicten

artikel 1, 32 en 66 van de Arbeidsomstandighedenwet 1998.

De strafmotivering.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie vordert:

* een geldboete van € 30.000,- waarvan € 15.000,- voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar;

* niet-ontvankelijkverklaring van de civiele vordering omdat deze niet eenvoudig van aard is.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

Primair heeft de verdediging vrijspraak bepleit.

Subsidiair heeft de verdediging de rechtbank verzocht rekening te houden met de bedrijfseconomische omstandigheden van verdachte, de economische crisis waarin ook de bouwwereld zich bevindt en het feit dat verdachte nog niet eerder tot straf is veroordeeld. Voorts heeft verdachte serieus ingespeeld op het voorkomen van een dergelijk ongeval in de toekomst. Verdachte eist dat de bedrijven die werknemers aan verdachte ter beschikking stellen ervoor tekenen dat zij die werknemers de juiste voorlichting geven en slechts werknemers sturen met de juiste diploma’s ten aanzien van veiligheid op de werkplek. Met de nabestaanden van het slachtoffer wordt de schade op een goede wijze afgewikkeld.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede op de bedrijfseconomische omstandigheden van verdachte. Voorts heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals tot uitdrukking komt in het wettelijke strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

In strafverzwarende zin weegt de rechtbank mee dat verdachte mede door haar nalaten het feitelijk toezicht op de bouwplaats afdoende te organiseren een onveilige situatie voor haar werknemers heeft laten ontstaan. Dat deze onveilige situatie gevaarlijk en in dit geval zelfs levensbedreigend was, blijkt uit het gegeven dat [slachtoffer 1] is overleden tengevolge van diens val van bijna vijf meter hoogte.

In strafmatigende zin weegt de rechtbank mee dat verdachte in haar bedrijfsvoering aandacht besteedt aan de veiligheid van haar werknemers. Daarnaast is het ongeval bij de werknemers van verdachte bijzonder hard aangekomen en heeft zij ter terechtzitting de bereidheid getoond de nabestaanden schadeloos te stellen.

De rechtbank zal een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, nu de rechtbank tot een andere bewezenverklaring komt en de rechtbank van oordeel is dat de op te leggen straf de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt.

Met betrekking tot een deel van de op te leggen geldboete zal de rechtbank bepalen dat dit deel van die straf niet zal worden tenuitvoergelegd mits verdachte zich tot het einde van de hierna vast te stellen proeftijd aan de voorwaarde houdt dat zij zich niet aan een strafbaar feit zal schuldig maken. De rechtbank wil met een en ander enerzijds de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit tot uitdrukking brengen en anderzijds door invloed uit te oefenen op het gedrag van de verdachte het door verdachte opnieuw plegen van een strafbaar feit tegengaan.

De vordering van de benadeelde partij de nabestaanden van [slachtoffer 1].

De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering, aangezien deze zodanig ingewikkeld is dat deze zich niet leent voor behandeling in het strafgeding. De rechtbank doelt daarbij mede op de kwestie van mogelijke medeschuld van het slachtoffer en de berekening van de inkomstenderving.

De rechtbank zal, nu de vordering niet wordt toegewezen, de benadeelde partij veroordelen in de kosten. Deze kosten worden tot op heden begroot op nihil.

De benadeelde partij kan haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven;

verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt haar daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op het misdrijf:

Ten aanzien van primair:

overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 32 van de Arbeidsomstandighedenwet 1998, begaan door een rechtspersoon.

De rechtbank verklaart verdachte hiervoor strafbaar en legt op de volgende straf.

Ten aanzien van primair:

Geldboete van € 20.000,00 waarvan € 10.000,00 voorwaardelijk met een proeftijd

van 2 jaren.

Ten aanzien van primair:

Niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij, nabestaanden van [slachtoffer 1], in de vordering.

De rechtbank veroordeelt de benadeelde partij in de kosten van de verdachte tot op heden begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. J.G. Vos, voorzitter,

mr. M.L.W.M. Viering en mr. M. Lammers, leden,

in tegenwoordigheid van M.J.H. Rijnbeek, griffier,

en is uitgesproken op 9 juni 2009.

1 zie Bijlage 16 van het proces-verbaal van de Arbeidsinspectie bekend onder nummer en afgesloten op [hierna verder proces-verbaal genoemd]

2 zie de verklaring van de vertegenwoordiger van verdachte ter terechtzitting van 26 mei 2009

3 zie het proces-verbaal, bevindingen op bladzijde 8

4 zie Bijlage 11 van het proces-verbaal (verhoor [slachtoffer 3]) blad 1 en de verklaring van [slachtoffer 2] bij de rechter-commissaris op 16 januari 2009

5 zie het proces-verbaal, bevindingen op bladzijde 8

6 zie Bijlage 17 van het proces-verbaal

7 zie de verklaring van [slachtoffer 2] bij de rechter-commissaris op 16 januari 2009 en Bijlage 6 van het proces-verbaal (verhoor [werknemer 2 hoofdaannemer])

8 zie verklaring van [de uitvoerder] bij de rechter-commissaris op 11 november 2008

9 zie de verklaring van [medewerker h[medewerker 1 ho[werknemer 1 hoofdaannemer] bij de rechter-commissaris op 11 november 2008

10 zie de verklaring van de vertegenwoordiger van verdachte ter terechtzitting van 26 mei 2009

11 zie Bijlage 13 van het proces-verbaal, blad 85

12 zie de verklaring van de vertegenwoordiger van verdachte ter terechtzitting van 26 mei 2009

13 zie Bijlage 14 van het proces-verbaal, blad 85

14 zie de verklaring van [de projectleider] bij de rechter-commissaris op 11 november 2008

15 zie Bijlage 7 van het proces-verbaal (verhoor [uitvoerder])

16 zie de verklaring van [uitvoerder] bij de rechter-commissaris op 11 november 2008

17 zie de verklaring van [werknemer 1 hoofdaannemer] bij de rechter-commissaris op 11 november 2008

18 zie Bijlage 6 van het proces-verbaal (verhoor [werknemer 2 hoofdaannemer])

19 zie Bijlage 4 van het proces-verbaal (verhoor [werknemer 3 hoofdaannemer])

20 zie de verklaring van [slachtoffer 2] bij de rechter-commissaris op 16 januari 2009

21 zie Bijlage 4 van het proces-verbaal (verhoor [werknemer 3 hoofdaannemer])