Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2009:BI5327

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
07-05-2009
Datum publicatie
28-05-2009
Zaaknummer
AWB 08-1518
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank is, in navolging van de uitspraak van de rechtbank Assen van 2 januari 2008 (LJN: BC1755), van oordeel dat de werkgever van de advisering van diens bedrijfsarts mag uitgaan, tenzij er omstandigheden zijn om te twijfelen aan de juistheid en/of consistentie van dat advies. De rechtbank oordeelt dat er voor de werkgever geen objectieve aanleiding was te veronderstellen dat het advies van haar bedrijfsarts niet deugdelijk was.

De rechtbank oordeelt ook overigens dat de werkgever met de verrichte re-integratie-inspanningen heeft gedaan wat redelijkerwijs kon worden verlangd. Er was geen grond voor het opleggen van een loonsanctie van 52 weken. Het bestreden besluit is in strijd met de artikelen 25 en 65 van de Wet WIA. De rechtbank voorziet zelf in de zaak door het primaire besluit te herroepen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-HERTOGENBOSCH

Sector bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 08/1518

Uitspraak van de meervoudige kamer van 7 mei 2009

inzake

Stichting Openbare Basisscholen Helmond,

te Helmond,

eiseres,

gemachtigde mr. H.J. Brouwer,

tegen

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv),

te Amsterdam,

verweerder,

gemachtigde mr. A. Jansen-van Winden,

kantoor te Eindhoven.

Procesverloop

Bij besluit van 4 oktober 2007 heeft verweerder de loondoorbetalingsverplichting van eiseres ten aanzien van [werknemer] (hierna: de werknemer) met 52 weken verlengd wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen.

Het hiertegen door eiseres gemaakte bezwaar is door verweerder bij besluit van 20 maart 2008 ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.

De zaak is behandeld op de zitting van 21 april 2009, waar namens eiseres zijn verschenen haar gemachtigde en [algemeen directeur], algemeen directeur van eiseres, [personeelsfunctionaris], personeelsfunctionaris van eiseres, en H.J.T.M. van Heesch, senior bedrijfsarts. Verweerder is verschenen bij gemachtigde.

Overwegingen

1. In deze zaak dient de vraag te worden beantwoord of verweerder terecht en op goede gronden de loondoorbetalingverplichting van eiseres ten aanzien van de werknemer heeft verlengd met 52 weken wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen.

2. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

3. De werknemer is op 1 februari 1981 bij de rechtsvoorganger van eiseres in dienst getreden als onderwijzer en remedial teacher. Sinds 1998 verrichtte zij de functie van intern begeleider, laatstelijk gedurende drie dagen per week. De werknemer heeft zich vanaf 2000 meerdere malen gedurende korte of langere perioden ziek gemeld vanwege verschillende medische redenen. De werknemer is op 20 september 2005 uitgevallen wegens buikklachten. Op 28 oktober 2005 heeft de door eiseres ingeschakelde bedrijfsarts een probleemanalyse opgemaakt. Op 11 januari 2006 is een plan van aanpak gemaakt, gericht op werkhervatting in het eigen werk. Uit het plan van aanpak blijkt dat de werknemer met ingang van 18 november 2005 op arbeidstherapeutische basis 3 maal 2 uur per week is gaan werken en dat dit met ingang van 8 december 2005 is uitgebreid naar 3 maal 4 uur per week. In februari 2006 is de werknemer wegens psychische klachten volledig uitgevallen. De bedrijfsarts achtte de werknemer vanaf die datum volledig arbeidsongeschikt. Maandelijks vonden gesprekken plaats tussen de werknemer en de bedrijfsarts. Daarnaast vonden maandelijks gesprekken plaats tussen de werkgever en de bedrijfsarts, waarbij de bedrijfsarts ten aanzien van de werknemer mededeelde dat zij nog volledig arbeidsongeschikt was. Tevens vonden geregeld verzuimgesprekken plaats tussen de werkgever en de werknemer. De werknemer volgde een therapeutische behandeling bij een psychotherapeut en een therapie trauma- en verliesverwerking bij een alternatieve therapeut. Op 22 augustus 2006 hebben eiseres en de werknemer een eerstejaarsevaluatie van het plan van aanpak opgesteld. Hieruit blijkt dat bij de werknemer geen duurzaam benutbare mogelijkheden aanwezig werden geacht. Tevens is besproken dat terugkeer naar het eigen werk of naar de eigen organisatie niet meer tot de mogelijkheden behoorde. Op 24 augustus 2006 is de werknemer aangemeld bij de Diensten Vervangingsfonds/Participatiefonds. De re-integratiedeskundige van deze organisatie heeft op 14 september 2006 een gesprek gehad met de heer [algemeen directeur] en mevrouw [personeelsfunctionaris], beiden voornoemd. In september en oktober 2006 was de werknemer ziek, waardoor pas op 22 november 2006 en 6 december 2006 gesprekken plaatsvonden tussen de werknemer en de re-integratiedeskundige. Tijdens deze gesprekken is nagegaan of re-integratie richting een andere werkgever tot de mogelijkheden behoorde. Op 18 december 2006 heeft de re-integratiedeskundige een probleemanalyse opgesteld. Op 27 februari 2007 heeft de werknemer aan de werkgever medegedeeld te willen meewerken aan een gehele of gedeeltelijke werkhervatting bij een andere werkgever. Op 26 maart 2007 heeft er een bijstelling van het plan van aanpak plaatsgevonden omdat werkhervatting in de eigen functie niet realistisch bleek en is als bijgesteld einddoel gekozen voor gehele of gedeeltelijke werkhervatting bij een andere werkgever. In april 2007 is een re-integratie-traject opgestart bij Randstad HR Solutions. De bedrijfsarts heeft op 18 april 2007 een functionele mogelijkhedenlijst van de werknemer opgesteld.

Eiseres heeft op 23 mei 2007 verzocht om verlenging van de loondoorbetalingsverplichting met een periode van 13 weken. Verweerder heeft de werknemer en eiseres op 18 juli 2007 bericht dat de werknemer recht heeft op loonbetaling tot 17 december 2007 en tot die tijd geen uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) kan krijgen. Uit de eindevaluatie van het plan van aanpak WIA van 28 augustus 2007 blijkt dat de werknemer in de toekomst wel kan werken maar dat er in de eigen organisatie van eiseres geen passend werk is. Het dienstverband van eiseres met de werknemer is op 20 december 2007 beëindigd.

De werknemer heeft op 30 augustus 2007 op het formulier ‘Oordeel van werknemer WIA’ met enige nuanceringen aangegeven dat zij het eens is met de probleemanalyse en actueel oordeel van de arbodienst en de medische informatie alsmede het plan van aanpak en de eerstejaars- en eindevaluatie. Op 30 augustus 2007 heeft de werknemer tevens een Wet WIA-uitkering aangevraagd.

Op 2 oktober 2007 heeft een arbeidsdeskundige van verweerder geconcludeerd dat het re-integratieresultaat en de re-integratie-inspanningen van de werkgever onvoldoende zijn. De werkgever heeft geen deugdelijke grond voor het afzien van voldoende re-integratie-inspanningen. Er is verlenging van de loondoorbetalingverplichting aan de orde, met een maximum van 52 weken. Bij besluit van 4 oktober 2007 is aan eiseres medegedeeld dat de periode waarin de werknemer tijdens ziekte recht heeft op loon is verlengd tot 15 december 2008.

4. Aan het bestreden besluit ligt het standpunt van verweerder ten grondslag dat de re-integratie-inspanningen van eiseres onvoldoende zijn geweest. De bedrijfsarts heeft ten onrechte in de periode van februari 2006 tot augustus 2006 volledige arbeidsongeschiktheid aangenomen. Bovendien is de STECR-richtlijn ten onrechte niet gevolgd en is het niet uitgesloten dat al eerder met een traject richting werk bij een andere werkgever (het tweedespoortraject) had kunnen worden gestart. Voorts heeft eiseres vanaf augustus 2006 tot maart 2007 de regie voor het tweedespoortraject te veel bij de werknemer gelegd. Om deze redenen is het tweedespoortraject te laat gestart. Nu er geen deugdelijke grond is voor dit verzuim, is de loonsanctie volgens verweerder op juiste gronden opgelegd.

5. Eiseres voert, kort gezegd, aan dat zij geen aanleiding heeft gehad te twijfelen aan het oordeel van de bedrijfsarts over de arbeidsongeschiktheid van de werknemer in de periode februari 2006 tot augustus 2006. Gelet op de complexiteit van het ziektebeeld en de volledige uitval van de werknemer in februari 2006 na een mislukte werkhervatting, is eiseres niet gebleken dat er re-integratiemogelijkheden waren. Eiseres mocht derhalve uitgaan van het oordeel van de bedrijfsarts. Ten aanzien van het eventueel niet naleven van STERC-richtlijn stelt eiseres dat niet duidelijk is welke richtlijn verweerder concreet bedoelt. Voor zover al is afgeweken van een richtlijn, is dit gemotiveerd gebeurd vanwege de diversiteit aan klachten van de werknemer. Eiseres betwist dat de regie van de re-integratie te veel bij de werknemer zou zijn gelegd in de periode van augustus 2006 tot maart 2007. Gelet op de adviezen van de deskundigen, de eigen ervaringen van eiseres met de werknemer en het onderzoek van de re-integratiedeskundige heeft eiseres geen druk op de werknemer willen leggen, om de terugkomst van de werknemer niet te vertragen. Eiseres stelt zich op het standpunt dat zij wel degelijk haar verantwoordelijkheid in de re-integratie heeft genomen en om die reden ook een re-integratiedeskundige van het Vervangingsfonds heeft geconsulteerd en Randstad HR solutions heeft ingeschakeld voor de realisatie van re-integratie in het tweede spoor. Niet valt in te zien waarom eiseres niet heeft kunnen en mogen afgaan op de visie van de bedrijfsarts en andere deskundigen.

6. De rechtbank overweegt het navolgende.

7. Ingevolge artikel 65 van de Wet WIA beoordeelt het Uwv bij de aanvraag voor een uitkering op grond van de Wet WIA, of de werkgever en de verzekerde in redelijkheid hebben kunnen komen tot de reïntegratie-inspanningen, die zijn verricht.

8. Artikel 25 van de Wet WIA luidt, voor zover van belang:

1. De werkgever jegens wie de verzekerde, bij ongeschiktheid tot het verrichten van arbeid wegens ziekte, recht heeft op loon als bedoeld in artikel 629 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek dan wel aanspraak heeft op bezoldiging op grond van artikel 76a, eerste lid, van de Ziektewet houdt aantekening van het verloop van de ziekte en de reïntegratie van de verzekerde.

2. De werkgever, bedoeld in het eerste lid, stelt binnen een bij ministeriële regeling nader te bepalen termijn, in overeenstemming met de verzekerde een plan van aanpak op. De afspraken die in het plan van aanpak zijn gemaakt worden door werkgever en verzekerde nageleefd. Het plan van aanpak wordt periodiek geëvalueerd.

3. Uiterlijk vijftien weken voor het verstrijken van de wachttijd stelt de werkgever, bedoeld in het eerste lid, in overleg met de verzekerde een reïntegratieverslag op en verstrekt hiervan een afschrift aan de verzekerde.

(…)

5. Bij de uitvoering van het eerste tot en met het vierde lid laat de werkgever zich bijstaan door een persoon als bedoeld in artikel 14, eerste lid, van de Arbeidsomstandighedenwet die belast is met de bijstand, bedoeld in artikel 14, eerste lid, onderdeel b, van die wet of door een arbodienst.

(…)

7. Bij ministeriële regeling kunnen regels met betrekking tot het eerste tot en met zesde lid worden gesteld.

(…)

9. Indien bij de behandeling van de aanvraag, bedoeld in artikel 64 en de beoordeling, bedoeld in artikel 65 blijkt dat de werkgever zonder deugdelijke grond zijn verplichtingen op grond van het eerste, tweede, derde, vierde of vijfde lid dan wel de krachtens het zevende lid gestelde regels niet of niet volledig nakomt of onvoldoende reïntegratie-inspanningen heeft verricht, verlengt het Uwv het tijdvak gedurende welke de verzekerde jegens die werkgever recht heeft op loon op grond van artikel 629 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek dan wel aanspraak op bezoldiging op grond van artikel 76a, eerste lid, van de Ziektewet, opdat de werkgever zijn tekortkoming ten aanzien van de bedoelde verplichtingen of reïntegratie-inspanningen kan herstellen. Het tijdvak bedoeld in de eerste zin, is ten hoogste 52 weken.

(…)

14. Het tijdvak, bedoeld in het negende lid, eindigt zes weken nadat het Uwv heeft vastgesteld dat de werkgever zijn tekortkoming ten aanzien van de in het negende lid bedoelde verplichtingen of reïntegratie-inspanningen heeft hersteld, maar niet later dan na 52 weken. Indien het Uwv de beschikking omtrent de toepassing van het negende lid of de beschikking waarin wordt vastgesteld dat een tekortkoming is hersteld te laat geeft, eindigt het tijdvak zoveel eerder als de beschikking later is afgegeven.

(…)

16. Bij ministeriële regeling kunnen voor de toepassing van het negende tot en met het vijftiende lid nadere regels worden gesteld.

9. In de ministeriële Regeling procesgang eerste en tweede ziektejaar (regeling van 25 maart 2002, Stcrt. 2002, 60, zoals laatstelijk gewijzigd bij regeling van 16 december 2005, Stcrt. 2005, 249) is nader uitwerking gegeven aan artikel 25, eerste, tweede, en derde lid, van de Wet WIA.

10. In de Beleidsregels beoordelingskader poortwachter (besluit van 3 december 2002, Stcrt. 2002, 236, zoals laatstelijk gewijzigd bij besluit van 17 oktober 2006, Stcrt. 2006, 224) is bepaald dat het Uwv bij de beoordeling van de reïntegratie-inspanningen als bedoeld in artikel 65 van de Wet WIA, het beoordelingskader hanteert, zoals vastgelegd in de bijlage bij dit besluit.

11. Allereerst steunt het oordeel van verweerder dat eiseres onvoldoende re-integratieverplichtingen heeft verricht, op de vaststelling door verweerder dat de door eiseres ingeschakelde bedrijfsarts ten onrechte tot het oordeel is gekomen dat de werknemer geen benutbare mogelijkheden had om het werk, ook niet in aangepaste vorm, te hervatten. Verweerder acht eiseres volledig aansprakelijk voor het volgens verweerder onjuiste oordeel van de bedrijfsarts.

12. De rechtbank is, in navolging van de uitspraak van de rechtbank Assen van 2 januari 2008 (LJN: BC1755), van oordeel dat de werkgever van de advisering van diens bedrijfsarts mag uitgaan, tenzij er omstandigheden zijn om te twijfelen aan de juistheid en/of consistentie van dat advies. Verweerders betoog dat er op neerkomt dat de werkgever een volledige risicoaansprakelijkheid heeft voor het – eventuele – falen van zijn bedrijfsarts, volgt de rechtbank niet. Verweerder heeft gewezen op de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 29 april 2003 (LJN: AF8586) aangaande de wettelijke verplichting een werknemer tijdig ziek te melden. De rechtbank sluit aan bij de overwegingen van de rechtbank Assen, in de uitspraak van 2 januari 2008, inhoudende dat in de uitspraak van de CRvB van 29 april 2003 als uitgangspunt is weergegeven dat het inschakelen van een arbodienst de werkgever niet ontslaat van zijn verantwoordelijkheid voor het naleven van zijn wettelijke verplichtingen. Hieruit blijkt niet dat de werkgever een risicoaansprakelijkheid heeft voor een medisch foutief oordeel van zijn bedrijfsarts. Zoals ook in de beleidsregels beoordelingskader poortwachter tot uitdrukking komt, gaat het in onderhavig geval om een medische beoordeling die tot het domein van de bedrijfsarts behoort. Hierbij wijst de rechtbank er nog op dat de bedrijfsarts, gelet op de privacy van de werknemer, wel zijn conclusies over de functionele beperkingen van de werknemer en diens mogelijkheden met de werkgever dient te delen, maar niet daarbij ook inzage in het achterliggende medische dossier mag geven.

13. De rechtbank oordeelt dat er voor eiseres geen objectieve aanleiding was te veronderstellen dat het advies van haar bedrijfsarts niet deugdelijk was. Uit de gedingstukken blijkt dat de werknemer in februari 2006 na een mislukte werkhervatting uitviel met een complex van zowel lichamelijke als psychische beperkingen. Voor die psychische beperkingen onderging de werknemer (intensieve) therapie. Er was regelmatig contact tussen eiseres en de werknemer, tussen de werknemer en de bedrijfsarts en tussen eiseres en de bedrijfsarts. De bedrijfsarts gaf maandelijks aan eiseres te kennen dat geen benutbare mogelijkheden bij de werknemer aanwezig werden geacht. Eiseres is derhalve steeds bevestigd in de op basis van de advisering van de bedrijfsarts reële aanname dat er geen mogelijkheden voor werknemer waren om te re-integreren. Ook uit het rapport van verweerders arbeidsdeskundige van 2 oktober 2007 blijkt dat deze oordeelt dat eiseres voor wat betreft het advies van de bedrijfsarts over de periode van februari tot augustus 2006 te goeder trouw heeft gehandeld.

14. Het verwijt van verweerder dat de richtlijn STECR ten onrechte niet is gevolgd, is volgens de rechtbank onvoldoende onderbouwd. Verweerder heeft niet concreet aangegeven om welke richtlijn het gaat en evenmin op welke concrete punten is afgeweken. Het enkele niet naleven van een richtlijn kan op zichzelf geen reden zijn om een loonsanctie aan de werkgever op te leggen. Bovendien overweegt de rechtbank dat ook hier geldt dat eiseres in beginsel mag afgaan op het deskundig medisch oordeel van haar bedrijfsarts en er tevens van mag uitgaan dat dit oordeel tot stand is gekomen met inachtneming van alle toepasselijke richtlijnen. Dus, zelfs indien in dit geval een concrete richtlijn niet door de bedrijfsarts zou zijn nageleefd, valt niet in te zien welk concreet verwijt daarvan aan eiseres zou kunnen worden gemaakt. Naar het oordeel van de rechtbank leidt dit gegeven niet tot omstandigheden waardoor eiseres zou moeten twijfelen aan de juistheid en/of consistentie van het advies van de bedrijfsarts.

15. Het vorenstaande brengt de rechtbank dan ook tot het oordeel dat verweerder ten onrechte heeft geconcludeerd dat eiseres door het volgens verweerder onjuiste medische oordeel van de bedrijfsarts te volgen, onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht in de periode van februari 2006 tot augustus 2006. Het besluit berust in zoverre dan ook niet op een deugdelijke grondslag.

16. Ten aanzien van het standpunt van verweerder dat eiseres vanaf augustus 2006 tot maart 2007 de regie voor het tweedespoortraject te veel bij de werknemer heeft gelegd, overweegt de rechtbank het volgende. Eiseres heeft in augustus 2006, vanwege de stagnatie van de re-integratie van de werknemer, een re-integratiedeskundige van het Vervangingsfonds ingeschakeld. Vanwege ziekte van de werknemer in september en oktober 2006, kon de re-integratiedeskundige het onderzoek pas in december 2006 afronden. Uit de door die re-integratiedeskundige op 18 december 2006 opgemaakte probleemanalyse kan worden afgeleid dat vanwege een forse disbalans bij de werknemer re-integratie-activiteiten toen nog niet aan de orde waren. Volgens de therapeut van de werknemer was re-integratie op zijn vroegst pas in mei 2007 aan de orde. Vanaf april 2007 is Randstad HR Solutions ingeschakeld en vervolgens heeft eiseres op 23 mei 2007 verzocht om verlenging van de loondoorbetalingverplichting met dertien weken, om de werknemer extra tijd te geven voor de re-integratie in het kader van het tweedespoortraject via Randstad. De rechtbank oordeelt dat eiseres met voornoemde re-integratie-inspanningen heeft gedaan wat redelijkerwijs van haar kon worden verlangd.

17. De rechtbank oordeelt op grond van het vorenoverwogene dat er geen grond is voor een loonsanctie van 52 weken. Het bestreden besluit, waarbij desalniettemin een dergelijke loonsanctie in bezwaar is gehandhaafd, is dan ook in strijd met de artikelen 25 en 65 van de Wet WIA.

18. Het beroep zal gegrond worden verklaard en het bestreden besluit zal worden vernietigd.

19. De rechtbank ziet tevens aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht zelf in de zaak te voorzien door het primaire besluit van 4 oktober 2007 te herroepen en te bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.

20. De rechtbank acht termen aanwezig verweerder te veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage begroot op in totaal € 644,00 voor kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand:

• 1 punt voor het indienen van een (aanvullend) beroepschrift;

• 1 punt voor het verschijnen ter zitting;

• waarde per punt € 322,00;

• wegingsfactor 1.

21. Tevens zal de rechtbank bepalen dat door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan eiseres het door haar gestorte griffierecht ad € 288,00 dient te worden vergoed.

22. Beslist wordt als volgt.

Beslissing

De rechtbank,

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- herroept het primaire besluit van 4 oktober 2007;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

- gelast het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan eiseres te vergoeden het door haar gestorte griffierecht ad € 288,00;

- veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten vastgesteld op € 644,00;

- wijst het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan als de rechtspersoon die het bedrag van de proceskosten dient te vergoeden.

Aldus gedaan door mr. G.H. de Heer-Schotman, mr. E.H.B.M. Potters en mr. A. Horst als rechters in tegenwoordigheid van R.G. van der Korput als griffier en in het openbaar uitgesproken op 7 mei 2009.

De griffier is buiten staat deze uitspraak te ondertekenen.

Belanghebbenden kunnen tegen deze uitspraak binnen zes weken na de datum van toezending hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep, postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Afschriften verzonden: