Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2009:BI0918

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
15-04-2009
Datum publicatie
15-04-2009
Zaaknummer
01/849038-08
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2010:BO4267, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bewezenverklaring moord. Feit wettig en overtuigend bewezen op grond van onder meer camerabeelden, belastende verklaringen van de medeverdachte en technisch bewijs, waaronder DNA-sporen van verdachte op de plaats van het delict. Voorts zijn er DNA-sporen van het slachtoffer geconstateerd op een broek, aangetroffen in de woning van verdachte, en op een op aanwijzing van medeverdachte bij de snelweg aangetroffen mes.

De voorbedachte raad leidt de rechtbank af uit de omstandigheid dat verdachte ruim elf minuten bij een benzinepomp met een mes op verdachte heeft staan wachten. Na aankomst van het slachtoffer loopt verdachte vrijwel meteen naar het slachtoffer en steekt hem met een mes. Het gedrag van verdachte voorafgaand aan het doden van het slachtoffer was kalm en er waren momenten waarop verdachte zich had kunnen bezinnen.

Verwerping betrouwbaarheidsverweer en verwerping verweer complottheorie.

Verdachte heeft niet willen meewerken aan een onderzoek door een psycholoog en/of psychiater. Gelet op eerdere veroordelingen voor geweldsdelicten, waaronder een veroordeling in 2007, acht de rechtbank de aanwezigheid van een agressieproblematiek en daarmee de kans op recidive reëel. Bij het bepalen van de duur van de straf is nadrukkelijk rekening gehouden met de noodzaak tot beveiliging van de maatschappij tegen verdachte.

Opgelegd is een gevangenisstraf van 22 jaar met aftrek voorarrest en toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 348
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NBSTRAF 2009/174
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

Sector Strafrecht

Parketnummer: 01/849038-08

Datum uitspraak: 15 april 2009

Vonnis van de rechtbank ’s-Hertogenbosch, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1980,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

thans gedetineerd te: P.I. Breda - HvB De Boschpoort.

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 1 april 2009.

Op de zittingen van 28 april 2008, 23 juli 2008, 6 oktober 2008, 16 december 2008 en 16 februari 2009 heeft telkens (m.u.v. 16 december 2008) een onderzoek ter terechtzitting in een andere samenstelling plaatsgevonden.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 3 april 2008.

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij/zij op of omstreeks 23 januari 2008 te 's-Hertogenbosch tezamen en in

vereniging met (een) ander(en), althans alleen, opzettelijk en met

voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben

verdachte en/of één of meer van zijn/haar mededader(s) met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, een mes, althans een scherp voorwerp, in de hals en/of de slokdarm en/of de (rechter)halsader van die [slachtoffer] gestoken, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

De bewijsmiddelen.

De door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen zijn:

1. Een dossier van de politie Brabant-Noord, met kenmerk PL2116/08-010845-4e afgesloten d.d. 16 april 2008. Map 1 niet doorlopend genummerd, map 2 genummerd pag. 247 tot en met 597 en map 3 genummerd 598 tot en met 945. Dit dossier bevat een verzameling wettig opgemaakte processen-verbaal die in de onderhavige zaak in het kader van het opsporingsonderzoek zijn opgemaakt alsmede (eventueel) andere bescheiden.

2. een deskundigenrapport met zaaknummer 2008.01.23.042 van het Nederlands Forensisch Instituut, H.A. Tromp, arts en patholoog, d.d. 6 november 2008 (hierna bewijsmiddel 2);

3. een rapport met zaaknummer 2008.01.23.042 van het Nederlands Forensisch Instituut, H.A. Tromp, arts en patholoog, d.d. 2 juni 2008 (hierna bewijsmiddel 3);

4. een deskundigenrapport met zaaknummer 2008.01.23.042 (aanvraag 3) van het Nederlands Forensisch Instituut, ing. M.J.W. Pouwels, d.d. 1 april 2008 (hierna bewijsmiddel 4);

5. een deskundigenrapport met zaaknummer 2008.01.23.042 (aanvraag 5) van het Nederlands Forensisch Instituut, dr. I.E.P.M. Blom, d.d. 3 juli 2008 (hierna bewijsmiddel 5);

6. een aanvullend proces-verbaal met nummer PL2116/08-010845 van de regiopolitie Brabant Noord d.d. 3 oktober 2008 (hierna bewijsmiddel 6);

7. een aanvullend proces-verbaal met nummer PL2216/08-010845-5e van regiopolitie Brabant Noord d.d. 23 april 2008 (hierna bewijsmiddel 7).

De beoordeling van de bewijsmiddelen.

A. Waar, wanneer en hoe is [slachtoffer] om het leven gekomen?

Vaststaande feiten.

Vast staat dat zich op woensdag 23 januari 2008 tegen 02.39 uur in de centrale hal van de serviceflat De Pettelaer aan de (adres) in ’s-Hertogenbosch een hevig bloedende man bevindt. Deze man belt daar aan, vraagt om hulp, zegt dat hij doodgaat en overlijdt daar.1 De man is [slachtoffer], alias (bijnaam), geboren op (geboortedatum).2 [slachtoffer] is overleden door steekletsel in de hals. Zijn slokdarm en rechterhalsader zijn doorsneden, waarschijnlijk van links naar rechts en enigszins van boven naar beneden.3 Op het terrein van het direct naast serviceflat De Pettelaer gelegen Shell-tankstation bevindt zich op dat moment een onafgesloten grijze Honda, die op zijn naam staat. Bloedsporen lopen vanaf de hal van de flat over het tankstationterrein. De eerste bloeddruppels liggen ter hoogte van een vuilcontainer die daar tussen de wasstraat en twee aanhangwagens staat.4 Dit bloed kan afkomstig zijn van [slachtoffer]; de kans dat het DNA-profiel van een willekeurig gekozen persoon overeen komt met het profiel dat daaruit is verkregen, is kleiner dan een op een miljard.5

Op grond hiervan acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat [slachtoffer] op 23 januari 2008 in ’s-Hertogenbosch is overleden, dat dit overlijden het gevolg is van steekletsels in de hals en dat die letsels op het tankstationterrein ongeveer ter hoogte van de vuilcontainer zijn toegebracht.

B. Wie heeft [slachtoffer] om het leven gebracht?

B.1. Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd dat verdachte [verdachte] het slachtoffer [slachtoffer] om het leven heeft gebracht door hem met een mes in zijn hals te steken.

De officier van justitie acht dit wettig en overtuigend bewezen op grond van de camerabeelden, de belastende verklaringen van [medeverdachte], welke verklaringen steun vinden in de resultaten van het technisch/DNA-onderzoek aan onder meer het bij de wasstraat aangetroffen bierblikje, de sigarettenpeuk, de in de woning van verdachte aangetroffen broek met witte bies en het op aanwijzing van [medeverdachte] aangetroffen mes.

Voorts acht de officier van justitie de belastende verklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] voor het bewijs relevant.

B.2. Standpunt van de verdediging

Door en namens de verdachte is gesteld dat verdachte [verdachte] niet degene is geweest die het slachtoffer heeft gedood. Verdachte is die bewuste nacht niet op het benzinestation aan de Gestelseweg te ’s-Hertogenbosch geweest. Verdachte voelde zich ziek en lag thuis te slapen. Verdachte dient dan ook te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde.

[medeverdachte] verklaart op essentiële punten strijdig met ander bewijs. Kennelijk heeft zij er belang bij een ander uit de wind te houden. De verklaring van [medeverdachte] is onbetrouwbaar en wordt in onvoldoende mate ondersteund door andere bewijsmiddelen, nu de aangetroffen sporen, te weten de broek, de sigarettenpeuk en het bierblikje, onvoldoende zeggen over de betrokkenheid van verdachte.

Het bierblikje en de peuk met het DNA van verdachte zijn tijdens het door verdachte uitlaten van de hond op 22 januari 2008 ’s middags bij de wasstraat van het benzinestation terechtgekomen, dan wel - bewust of onbewust - door [medeverdachte] of een derde ter plaatse achtergelaten.

Verdachte ontkent dat de in zijn kast aangetroffen broek van hem is. Niet valt uit te sluiten dat een ander, bijvoorbeeld [medeverdachte], buiten medeweten van verdachte de broek met het bloed van het slachtoffer in de kast van verdachte heeft gelegd.

Ter zitting heeft verdachte nog aangegeven dat hij vermoedt dat of de vader van [medeverdachte] of [betrokkene 1] bij de steekpartij betrokken is.

Voorts is aangevoerd dat de verklaring van [getuige 1] niet bruikbaar is voor het bewijs, nu deze getuige op 2 februari 2008 heeft verklaard dat hij verdachte twee weken daarvoor heeft ontmoet en dat verdachte hem toen vertelde dat hij iemand had neergestoken. Twee weken daarvoor was vóór 23 januari 2008, de dag van [slachtoffer] overlijden.

B.3. Het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [verdachte] degene is geweest die [slachtoffer] om het leven heeft gebracht en overweegt daartoe het volgende.

B.3.1. Vaststaande feiten.

Op 23 januari 2008 parkeert een donkerkleurige BMW om 02.23 uur ter hoogte van de wasstraat van het Shell-tankstation te ’s-Hertogenbosch. De bestuurder blijft zitten. Een man met donker haar, een donkere jas tot op de heup, een zwarte trainingsbroek met witte streep en witte sportschoenen loopt tot twee keer toe van de hoek van de wasstraat naar de BMW en terug. [slachtoffer] komt om 02.34 uur in zijn Honda aangereden en stapt uit. Hij loopt naar het bijrijdersportier van de BMW en buigt voorover. [slachtoffer] staat met de rug naar de wasstraat. Wederom komt de man uit de hoek van de wasstraat. Hij rent op [slachtoffer] af. De man heeft iets dat op de beelden een lichtschijnsel te zien geeft in zijn rechterhand. De man volgt [slachtoffer] wanneer hij, eerst achteruit, langs de BMW en de gestalde aanhangwagens wegloopt. [slachtoffer] loopt uiteindelijk voor langs het tankstation weg, terwijl de man die in de hoek bij de wasstraat stond, aan de bijrijderskant voorin in de BMW stapt. De BMW rijdt om 02.35 uur weg.6

Op een cd-hoes die aan de bijrijderszijde in de BMW zat en op de bijrijderszitting van de BMW, zit bloed. Dat kan afkomstig zijn van het slachtoffer; de kans dat een willekeurig gekozen persoon matcht met dit profiel, is kleiner dan een op een miljard.7

Personeel van het tankstation ruimt zwerfvuil, waaronder drankblikjes, dagelijks op. Op 22 januari 2008 is ’s middags en voor het laatst rond 20.30 uur opgeruimd en het is dan schoon.8 Bij de ingang van de wasstraat staat later echter een geopend blikje Heineken bier. Er liggen ook filterpeuken en een shagpeuk.9 Op het aangetroffen bierblikje zit DNA van een man dat matcht met het DNA van verdachte [verdachte]; de kans dat een willekeurig gekozen persoon matcht met dit profiel, is kleiner dan een op een miljard. Op het bierblikje zit tevens een geringe hoeveelheid celmateriaal dat afkomstig kan zijn van de medeverdachte [medeverdachte]. Op een van de aangetroffen sigarettenpeuken zit gemengd DNA van een man en een vrouw. Het DNA-mengprofiel op de sigarettenpeuk matcht met het DNA van verdachte [verdachte] en medeverdachte[medeverdachte]. De kans dat een willekeurig gekozen persoon (man/vrouw) matcht met dit profiel, is ongeveer een op 91.000. 10 11

In de loopkast in de kamer van verdachte [verdachte] ligt op een legplank een blauwzwarte trainingsbroek met een witte bies aan weerszijden van de pijpen.12 Op deze broek zit op drie plaatsen bloed. Van één bloedspoor is wegens onvolledigheid van het DNA-profiel geen frequentie berekend. De andere twee bloedsporen kunnen afkomstig zijn van het slachtoffer [slachtoffer] (een geringe hoeveelheid celmateriaal van een onbekende man kan niet worden uitgesloten); de kans dat een willekeurig gekozen persoon matcht met deze andere twee profielen, is telkens kleiner dan een op een miljard.

Naast het DNA-profiel dat matcht met het DNA-profiel van het slachtoffer [slachtoffer] zijn in de profielen van het DNA van de twee bemonsteringen respectievelijk zes en vijf additionele zwak aanwezige DNA-kenmerken zichtbaar. Deze DNA-kenmerken matchen met het DNA-profiel van het celmateriaal in de bemonstering van het bij de wasstraat aangetroffen blikje Heineken bier. Dit betekent dat deze twee bemonsteringen van de in de woning van verdachte aangetroffen trainingsbroek een geringe hoeveelheid celmateriaal bevatten, dat afkomstig kan zijn van verdachte [verdachte].13

Op aanwijzing van medeverdachte [medeverdachte] wordt in een gat van een talud bij de afslag Waalwijk op de A2 een mes aangetroffen.14 Dat zou het steekwapen kunnen zijn waarmee het slachtoffer is omgebracht.15 Op het mes zit bloed met een onvolledig DNA-profiel en dat matcht met het DNA van het slachtoffer [slachtoffer]; de kans dat een willekeurig gekozen persoon matcht met dit profiel, is kleiner dan een op een miljard.16

B.3.2 Verklaring [medeverdachte] en ondersteunend bewijs.

[medeverdachte] heeft bij de politie een aantal voor verdachte belastende verklaringen afgelegd, die onder meer het navolgende inhouden.

Op 23 januari 2008 omstreeks 01.59 uur is er telefonisch contact geweest tussen [slachtoffer] en [medeverdachte]. [medeverdachte] wil niet afspreken maar [verdachte] gebaart om dit wel te doen. [medeverdachte] heeft toen ingestemd en zij hebben afgesproken bij het Shell-station aan de Gestelseweg te ’s-Hertogenbosch. [verdachte] stelt voor om mee te rijden naar [slachtoffer]. [medeverdachte] is die nacht de bestuurster van de BMW. Verdachte [verdachte] rijdt met haar mee en stapt bij het Shell-tankstation eerder uit met een (tweede) blikje Heineken bier dat [medeverdachte] heeft gekocht. Hij wil eerder uitstappen voor het geval dat [slachtoffer] lastig zou worden. [verdachte] bevindt zich bij het tankstation. Hij komt nog twee keer naar haar auto toe en rookt een sigaret waar zij eerder van rookte. [medeverdachte] staat op het terrein van het benzinestation in haar auto te wachten op [slachtoffer]. [slachtoffer] arriveert met zijn auto. [slachtoffer] loopt naar de rechterzijkant van de auto van [medeverdachte]. Hij moest een beetje voorover bukken. Op dat moment ziet [medeverdachte] verdachte [verdachte] achter [slachtoffer] opdoemen. Zij hoort [slachtoffer] roepen: ‘[verdachte], niet doen’. Vervolgens ziet ze [slachtoffer] wegrennen. [verdachte] rent nog een paar passen achter hem aan, maar komt vervolgens weer terug. Daarna is [verdachte] bij [medeverdachte] in de auto gestapt en is [medeverdachte] weggereden. Tijdens het rijden ziet ze een mes met vegen. Bij de afslag Waalwijk in een bocht heeft [verdachte] het mes weggegooid. Enige tijd voor het incident had [slachtoffer] verdachte [verdachte] via de telefoon uitgescholden voor hoerenloper en zielig ventje. [verdachte] heeft toen met de telefoon van [medeverdachte] naar [slachtoffer] gebeld. Hij kreeg toen eerst een andere man aan de telefoon.17

Dit wordt bevestigd door de verklaring van [getuige 3], die op 23 januari 2008 tussen 00.00 en 02.00 uur een persoon aan de telefoon heeft gekregen. Deze persoon heeft met [slachtoffer] gesproken. Hij hoorde [slachtoffer] tegen die persoon zeggen dat hij een hoerenloper was. Daarna heeft [medeverdachte] nog naar [slachtoffer] gebeld. [slachtoffer] heeft hem ook nog verteld dat de persoon die belde de nieuwe vriend van [medeverdachte] was.18

[getuige 1] heeft op 2 februari 2008 bij de politie verklaard dat ongeveer twee weken geleden, hij dacht op een donderdag, [verdachte] tegen hem heeft verteld dat ze hem zochten omdat hij iemand had neergestoken.19 [getuige 2] heeft op 1 februari 2008 (abusievelijk vermeld in proces-verbaal: 2 februari 2008) van [getuige 1] gehoord dat [verdachte] hem heeft verteld dat hij iemand had neergestoken.20

De verdediging heeft aangevoerd dat aan de verklaring van [getuige 1] geen waarde mag worden gehecht, nu twee weken voor het afleggen van zijn verklaring de steekpartij nog niet had plaatsgevonden. De rechtbank volgt de zienswijze van de verdediging niet. Getuige [getuige 1] heeft op 2 februari 2008 verklaard dat [verdachte] dit verhaal ongeveer 2 weken geleden heeft verteld. Van 23 januari 2008 tot en met 2 februari 2008 betreft een periode van elf dagen. Ongeveer twee weken geleden sluit, naar het oordeel van de rechtbank, een periode van elf dagen niet uit.

B.3.3. Verwerping betrouwbaarheidsverweer

De rechtbank verwerpt het verweer dat de verklaringen van medeverdachte [medeverdachte] als onbetrouwbaar terzijde moeten worden geschoven. De rechtbank vindt de verklaringen van medeverdachte [medeverdachte] betrouwbaar waar het gaat om de rol van verdachte [verdachte], omdat deze verklaringen steun vinden in de andere, hiervoor aangehaalde bewijsmiddelen, met name de camerabeelden, het aantreffen van het mes op aanwijzing van medeverdachte [medeverdachte], het technische bewijs en de resultaten van het DNA-onderzoek met betrekking tot het blikje bier, de sigarettenpeuk, de broek en het mes.

Bovendien vinden de verklaringen van [medeverdachte] voor zover ze betrekking hebben op het gedrag na het steekincident steun in de verkeersregistratie (die aantoont dat de BMW om 03.05 uur op de A59 tussen Waalwijk en Drunen richting ’s-Hertogenbosch reed)21 en in de mastgegevens (die aantonen dat de bij medeverdachte [medeverdachte] in gebruik zijnde GSM om 02.42 uur uitpeilt in een gebied waartoe ook de afslag behoort en het mes is gevonden en dat die GSM om 03.05 uur uitpeilt bij de A59 in Waalwijk).22

Medeverdachte [medeverdachte] is op 17 juni 2008 als getuige door de rechter-commissaris gehoord in de strafzaak van verdachte [verdachte] en haar eigen strafzaak.

Getuige [medeverdachte] heeft zich tijdens dit verhoor beroepen op haar verschoningsrecht. De rechtbank is van oordeel dat de in eerste instantie bij de politie afgelegde belastende verklaringen van [medeverdachte] voor het bewijs mogen worden gebruikt. Dat [medeverdachte] zich later bij de rechter-commissaris heeft beroepen op haar verschoningsrecht staat hier niet aan in de weg, nu de inhoud van die verklaringen in ruime mate wordt bevestigd door andere sterke bewijsmiddelen.

B.3.4. Verwerping verweer complottheorie

De rechtbank verwerpt het verweer van verdachte en zijn raadsman dat er sprake is van een complot tegen verdachte [verdachte].

Een complot is allereerst op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt. Verdachte [verdachte] stelt dat hij erin wordt geluisd, maar hij weigert zijn standpunt toe te lichten. Eerst ter zitting van 1 april 2009 heeft verdachte de vader van [medeverdachte] en [betrokkene 1] als mogelijke daders genoemd. Verdachte heeft echter volstaan met het noemen van deze personen, doch heeft zijn stelling niet onderbouwd met voor deze personen belastende feiten of omstandigheden.

Een complot is ook niet aannemelijk geworden. Zo blijkt niet dat een ander het blikje bier bij de wasstraat heeft neergezet, waarop naar alle waarschijnlijkheid het DNA van verdachte [verdachte] zit dan wel dat iemand het daar heen heeft getrapt. Zoals onder B.3.1 is overwogen, is er op die avond schoongemaakt bij de wasstraat. Uit de bekeken camerabeelden volgt ook niet dat zoiets voorafgaand aan het steekincident plaatsvond.23

Uit het dossier blijkt bovendien niet dat een ander bij deze zaak betrokken was, terwijl door politie en openbaar ministerie wel onderzoek is gedaan naar anderen (de rechtbank denkt hierbij aan [betrokkene 2] en [betrokkene 1]) is gedaan. In verband met [betrokkene 1] merkt de rechtbank ten overvloede nog op dat de bij hem in gebruik zijnde mobiele telefoon op 23 januari 2008 na middernacht en ook ten tijde van het steekincident uitpeilt in Rosmalen en – hetgeen ook geldt voor de hele voorafgaande dag – niet nabij de plaats delict.24

Verdachte [verdachte] verklaart voorts op essentiële punten tegenstrijdig en daarmee ongeloofwaardig over de complottheorie. Zo verklaart verdachte [verdachte] eerst dat hij niet eerder bij het tankstation is geweest, maar later dat hij er wel is geweest toen hij de hond uitliet.25 Op dat standpunt komt hij vervolgens terug, maar – na confrontatie met de sigarettenpeuk – zegt hij er toch wel te zijn geweest, meldend dat hij ook wel vaker bier dronk als hij de hond uitliet.26 Zoals hiervoor al werd besproken, insinueert hij echter in datzelfde verhoor ook dat iemand het blikje uit zijn huis heeft gehaald en daar heeft neergezet.27 Ook stelt (of insinueert) hij dat medeverdachte [medeverdachte] met de van hem verkregen huissleutel de kleding in zijn kamer heeft neergelegd, maar zij zou ook gedurende de drie dagen na het incident steeds bij hem zijn gebleven.

Verdachte heeft bij de politie en ter terechtzitting aangevoerd dat de bij hem in de loopkast aangetroffen broek niet van hem is en hem ook niet past.

De rechtbank stelt vast dat de maat van de bij verdachte aangetroffen broek XL is.28

De broek is in de kast van de kamer van verdachte aangetroffen. Verdachte heeft verklaard dat hij normaal gesproken broeken met de maat XL of XXL draagt.29 Bovendien constateert verbalisant [verbalisant] op 19 september 2008 bij een passessie dat het postuur van verdachte [verdachte] op dat moment, in vergelijking met zijn postuur tijdens de door hem verrichte verhoren eind januari 2008, behoorlijk in omvang is toegenomen. 30

Naar het oordeel van de rechtbank is niet vast komen te staan dat de in de woning van verdachte aangetroffen broek met bloedsporen van het slachtoffer verdachte [verdachte] in het geheel niet paste ten tijde van het plegen van het feit.

De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting verzocht het onderzoek te heropenen voor een passessie ter zitting, indien de rechtbank bij de beraadslaging van oordeel is dat de in de woning van verdachte aangetroffen broek verdachte ten tijde van het plegen van het ten laste gelegde zou kunnen passen.

De rechtbank wijst dit verzoek af. Zij ziet geen reden het onderzoek te heropenen. De rechtbank is van oordeel dat het onderzoek, ook voor wat betreft de broek, volledig is geweest.

Ten overvloede merkt de rechtbank nog op dat het nut van het passen van kleding ter zitting, ruim veertien maanden na dato niet groot is. Het punt van belang is immers de maat van verdachte ten tijde van het plegen van het feit en niet de maat van verdachte veertien maanden later.

C. Is er sprake van voorbedachte raad?

C.1. Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd dat verdachte [verdachte] het slachtoffer met voorbedachten rade om het leven heeft gebracht.

[medeverdachte] heeft op verzoek van [verdachte] met [slachtoffer] afgesproken. Hij is met haar naar het tankstation gereden. Verdachte is in de buurt van het tankstation uitgestapt. Uit de beschikbare camerabeelden blijkt dat hij zich verdekt heeft opgesteld op het moment dat [slachtoffer] met zijn auto naderde. Kort daarop is verdachte naar [slachtoffer] gelopen en heeft hem in één vloeiende beweging de fatale steekverwonding toegebracht. Aan de messteek ging geen woordenwisseling of handgemeen vooraf. Vanaf het moment dat verdachte voor de laatste maal de wasstraat verliet tot aan het moment dat hij die [slachtoffer] kennelijk de messteek toebracht, verstreken niet meer dan drie tot vijf seconden. Het mes moet hij al bij zich hebben gehad. Uit het samenstel van deze feiten en omstandigheden spreekt, aldus de officier van justitie, de voorbedachte raad.

C.2. Standpunt van de verdediging

Door en namens verdachte is tot vrijspraak van het ten laste gelegde bepleit, nu verdachte elke betrokkenheid ontkent.

C.3. Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [verdachte] met voorbedachten rade (slachtoffer) om het leven heeft gebracht en overweegt daartoe het volgende.

Onduidelijk is waar het mes waarmee [slachtoffer] is omgebracht precies vandaan komt. Aangezien bij de wasstraat op 22 januari 2008 rond 20.30 uur is opgeruimd en het daar toen schoon was,31 uit de camerabeelden en ook anderszins niet blijkt dat het mes er nadien is neergelegd32 en uit de camerabeelden van het incident niet blijkt dat het van een andere betrokkene afkomt,33 moet verdachte [verdachte] het daar naartoe hebben gebracht. Verdachte [verdachte] wist dat medeverdachte [medeverdachte] met [slachtoffer] had afgesproken bij het tankstation.34 Hij was rustig.35 Verdachte [verdachte] loopt ook tot tweemaal toe, kennelijk beheerst, van de wasstraat naar de BMW en terug. Ruim elf minuten verstrijken vanaf het moment dat verdachte [verdachte] voor het eerst zichtbaar is en het moment waarop hij een halve minuut na diens aankomst het terrein – een significant aantal meters – overloopt en kennelijk doelbewust op [slachtoffer] afrent.36 Er is na [verdachtes] aankomst niets provocerends gebeurd.37 [slachtoffer] zegt nog tegen verdachte [verdachte]: ‘niet doen’.38 De eerste bloeddruppels liggen ter hoogte van een vuilcontainer die daar tussen de wasstraat en twee aanhangwagens staat.39

Uit het voorgaande leidt de rechtbank af dat het gedrag van verdachte voorafgaand aan het doden van [slachtoffer] kalm is geweest. Tevens leidt de rechtbank uit het voorgaande af dat er momenten zijn geweest waarop verdachte zich had kunnen bezinnen. Daarbij heeft de rechtbank het oog op de momenten waarop verdachte zich naar het tankstation begeeft, daar wacht en daar op en neer loopt, alsmede op het tijdsbestek waarin hij richting [slachtoffer] loopt, hetgeen erin uitmondt dat hij hem moet hebben horen zeggen ‘[verdachte], niet doen’.

Op grond van voornoemde feiten en omstandigheden – in onderling verband en samenhang bezien – is de rechtbank van oordeel dat verdachte voldoende tijd heeft gehad om zich te beraden op het te nemen of genomen besluit en er voor hem gelegenheid heeft bestaan om over de betekenis of de gevolgen van zijn voorgenomen daad na te denken en zich daarvan rekenschap te geven.

D. Plegen of medeplegen?

D.1. Standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot vrijspraak van medeplegen.

D.2. Het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank heeft niet uit wettig bewijs de overtuiging dat verdachte [verdachte] tezamen en in vereniging met een ander of anderen heeft gehandeld. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verdachte ten aanzien van medeplegen moet worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

Uit het dossier komt slechts medeverdachte [medeverdachte] als potentiële medepleegster naar voren. Verdachte [verdachte] is de enige die een uitvoeringshandeling heeft verricht. De handelingen van [medeverdachte] hebben de aanval weliswaar mogelijk gemaakt maar niet is gebleken dat zij op de hoogte was van de exacte plannen van [verdachte] en evenmin is komen vast te staan dat zij wist of redelijkerwijs kon weten dat [verdachte] zich bij het naar buiten gaan had bewapend met een mes. Niet blijkt van een voldoende sterk verband tussen het door verdachte [verdachte] opgevatte plan en de handelingen van medeverdachte [medeverdachte] om haar als medepleger van moord aan te merken.

Onvoldoende is daarom komen vast te staan dat verdachte [verdachte] in bewuste en nauwe samenwerking met een of meer anderen heeft gehandeld. Verdachte [verdachte] kan en moet worden aangemerkt als degene die de moord op [slachtoffer] heeft gepleegd.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte

op 23 januari 2008 te ’s-Hertogenbosch opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg een mes in de hals en de slokdarm en de rechterhalsader van die [slachtoffer] gestoken, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De kwalificatie.

Het bewezen verklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit.

De strafbaarheid.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van het feit of van de verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen te zijnen laste bewezen is verklaard.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 10, 24c, 27, 36f, 63, 289.

Oplegging van straf en maatregel.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft een gevangenisstraf van 22 jaar met aftrek conform artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht gevorderd. Voorts heeft de officier van justitie toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] gevorderd, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Bij het bepalen van zijn eis heeft de officier van justitie - kort gezegd - rekening gehouden met de navolgende omstandigheden. De ernst en de laf- en wreedheid van het feit. Het verdriet en het gemis voor de nabestaanden. De houding van verdachte, waarbij hij op geen enkel moment spijt heeft betuigd en de ernstige recidive op het gebied van geweldsdelicten.

Het herhalingsgevaar moet, aldus de officier van justitie, groot worden geacht.

Onder die omstandigheden moet verdachte bijzondere lang uit de maatschappij worden geweerd. De officier van justitie heeft bij het bepalen van zijn eis rekening gehouden met het feit dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging is van mening dat verdachte dient te worden vrijgesproken.

Subsidiair heeft de verdediging zich niet uitgelaten over een eventuele strafoplegging.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Voorts heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals tot uitdrukking komt in het wettelijke strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Bij de strafoplegging zal de rechtbank in het bijzonder rekening houden met de volgende uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren gekomen omstandigheden ten bezware van verdachte.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan moord. Op 23 januari 2008 heeft hij [slachtoffer] op het terrein van een tankstation opgewacht en op koelbloedige en lafhartige wijze met een mes in zijn nek gestoken, waarbij onder meer de halsader is geraakt. Het hevig bloedende slachtoffer is na de steekpartij naar een nabijgelegen flat gevlucht, waarbij hij tevergeefs hulp heeft gezocht. In de hal van het flatgebouw is het slachtoffer dood gebloed of gestikt in zijn eigen bloed. Het slachtoffer is in de hal van de flat op een gruwelijke wijze aan het einde van zijn leven gekomen. Verdachte geeft op geen enkele manier blijk van gevoelens van medeleven of spijt.

De verdachte heeft op brute wijze het 35-jarige slachtoffer het meest fundamentele recht, te weten het recht op leven, ontnomen. Deze gewelddadige dood heeft een diepe wond geslagen in het leven van de nabestaanden van het slachtoffer en onherstelbaar groot leed veroorzaakt. De twee kinderen van het slachtoffer zullen zonder hun vader verder moeten leven. Uit de schriftelijke slachtofferverklaring van de moeder van het slachtoffer blijkt dat het verlies van haar zoon een diepe impact op haar leven en het leven van haar kleinkinderen heeft gehad.

Uit het uittreksel uit het documentatieregister d.d. 3 maart 2009 betreffende verdachte blijkt dat hij in het verleden meerdere keren voor geweldsdelicten is veroordeeld, waaronder nog in 2005 en 2007 tot forse gevangenisstraffen. Op 1 oktober 2007 is verdachte onherroepelijk veroordeeld door het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch tot een gevangenisstraf van 3 jaar voor een poging tot doodslag. Nog geen half jaar na deze veroordeling gaat verdachte wederom in de fout en pleegt hij de bewezen verklaarde moord.

Verdachte is voor onderzoek in het Pieter Baan Centrum opgenomen. Uit het rapport van het Pieter Baan Centrum d.d. 9 juli 2008 blijkt dat verdachte consequent heeft geweigerd aan een onderzoek naar zijn geestvermogens mee te werken. De deskundigen zijn, gelet op deze weigering, niet in staat te rapporteren omtrent een eventuele psychische stoornis dan wel de toerekeningsvatbaarheid.

Door het niet meewerken aan een onderzoek naar de geestvermogens door verdachte heeft de rechtbank geen zicht kunnen krijgen op eventuele achterliggende problematiek.

Mede gezien de eerdere veroordelingen voor ernstige geweldsdelicten acht de rechtbank de aanwezigheid van een agressieproblematiek bij verdachte reëel. De rechtbank acht de kans dat verdachte opnieuw een ernstig geweldsdelict zal plegen dan ook groot. Daarbij merkt de rechtbank nog op dat hij eerder een anti-agressietherapie heeft ondergaan - evident zonder afdoende resultaat - en dat hij de ernst van zijn agressieprobleem - verdachte spreekt ter zitting van temperament – volstrekt niet inziet.

De rechtbank is van oordeel, dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. De rechtbank heeft bij het bepalen van de straf naast de vergelding voor het ernstige delict nadrukkelijk ook rekening gehouden met de noodzaak tot beveiliging van de maatschappij tegen de verdachte en is van oordeel dat een lange gevangenisstraf is gerechtvaardigd.

De vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij].

De rechtbank acht de vordering in haar geheel toewijsbaar, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan tot de dag der algehele voldoening.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de staat schadevergoeding aan de benadeelde bevordert, vermeerderd met genoemde wettelijke rente.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij, tot op heden begroot op nihil.

Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Motivering van de hoofdelijkheid.

De rechtbank stelt vast dat verdachte dit strafbare feit samen met een ander - in de vorm van medeplichtigheid van die ander - heeft gepleegd. Nu verdachte en zijn medeplichtige samen een onrechtmatige daad hebben gepleegd, zijn zij jegens de benadeelde hoofdelijk aansprakelijk voor de totale schade.

Verzoek opheffing van de voorlopige hechtenis.

De raadsman van verdachte heeft de rechtbank verzocht de voorlopige hechtenis op te heffen.

De rechtbank wijst dit verzoek gelet op het hiervoor overwogene af.

Ten aanzien van het beslag.

In het dossier bevindt zich een lijst van in beslag genomen voorwerpen.

De officier van justitie heeft ter zitting aangegeven dat het beslag is afgedaan en dat de rechtbank daar geen beslissing meer over hoeft te geven. De verdediging heeft zich daar niet tegen verzet.

DE UITSPRAAK

Verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op het misdrijf:

Moord

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straf en maatregel.

Gevangenisstraf voor de duur van 22 jaar met aftrek overeenkomstig artikel 27

Wetboek van Strafrecht.

Wijst af het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis.

Maatregel van schadevergoeding van € 3.603,34 subsidiair 46 dagen hechtenis.

Legt derhalve aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat, ten

behoeve van de benadeelde [benadeelde partij], van een bedrag van € 3.603,34

(zegge: drieduizend zeshonderddrie euro en vierendertig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan, zijnde 30 januari 2008, tot de dag van algehele voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 46 dagen hechtenis.

Verdachte is niet gehouden tot betaling voor zover dit bedrag door

zijn medeplichtige is betaald.

De toepassing van deze vervangende hechtenis heft de hiervoor opgelegde

betalingsverplichting niet op.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]:

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte tot

betaling aan de benadeelde partij [benadeelde partij] van een bedrag van

€ 3.603,34 (zegge: drieduizend zeshonderddrie euro en vierendertig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan, zijnde 30 januari 2008, tot de dag van algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden

begroot op nihil.

Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te

maken kosten.

Verdachte is niet gehouden tot betaling voor zover dit bedrag door zijn medeplichtige is betaald.

Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd

voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot

vergoeding van deze schade.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. N.M. Spelt, voorzitter,

mr. drs. W.A.F. Damen en mr. F. van Laanen, leden,

in tegenwoordigheid van L. Scholl, griffier,

en is uitgesproken op 15 april 2009.

1 proces-verbaal bevindingen politie (map 1, pag. 42-43), verklaring [getuige 4] (map 3, pag. 598-599), verklaring [getuige 5] (map 3, pag. 703).

2 proces-verbaal bevindingen politie (map 1, pag. 52-53).

3 rapport patholoog-anatoom d.d. 6 november 2008 (bewijsmiddel 2, pag. 2-4).

4 proces-verbaal bevindingen politie (map 1, pag. 42-43), proces-verbaal technisch sporenonderzoek (map 1, bijlage 2, pag. 1, 4-5).

5 rapport NFI d.d. 1 april 2008 (bewijsmiddel 4, pag. 2, 4-6).

6 proces-verbaal videocamerabeelden (map 2, pag. 258-261, 270-273).

7 rapport NFI d.d. 1 april 2008 (bewijsmiddel 4, pag. 2, 4-6) sporenonderzoek BMW

(dossier 1, map 1, bijlage 7, pag. 1-2).

8 proces-verbaal bevindingen politie (map 2, pag. 249, 266-267), verklaring [getuige 6]

(map 3, pag. 698-699) en verklaring [getuige 7] (map 3, pag. 713).

9 technisch sporenonderzoek (map 1, bijlage 2, pag. 2, 4, 7).

10 rapport NFI d.d. 1 februari 2008 (map 1, bijlage 12b, pag. 2-4, 6-7).

11 rapport NFI d.d. 1 april 2008 (bewijsmiddel 4, pag. 1-2, 5-7).

12 proces-verbaal doorzoeking (map1, bijlage 6, pag. 1-2).

13 rapport NFI d.d. 1 februari 2008 (map 1, bijlage 12b, pag. 2, 4, 5-6).

14 proces-verbaal aantreffen mes (map 1, bijlage 10, pag. 1-2).

15 brief H.A. Tromp d.d. 2 juni 2008 (bewijsmiddel 3, pag. 1-2).

16 rapport NFI d.d. 28 april 2008 (bewijsmiddel 5, pag. 1, 3-4).

17 verklaringen [medeverdachte] d.d. 1, 7, 8 en 22 februari 2008, alleen voor zover in het vonnis is weergegeven.

18 verklaring [getuige 3] (map 2, pag. 295, 297-298).

19 verklaring (getuige) (map 3, pag. 678).

20 verklaring [getuige 2] (map 3, pag. 674).

21 Verkeersregistratie (map 2, pag. 394).

22 Proces-verbaal printgegevens (map 2, pag. 575-576).

23 proces-verbaal politie uitkijken camerabeelden (map 2, pag. 266-267).

24 proces-verbaal printgegevens (map 3, pag. 572, 589).

25 verklaring verdachte (map 1, pag. 23).

26 verklaring verdachte (map 2, pag. 48), verklaring verdachte [verdachte] 21 april 2008, vanaf

13.32 uur (bewijsmiddel 7, pag. 3).

27 verklaring verdachte (bewijsmiddel 7, pag. 3).

28 proces-verbaal bevindingen politie (bewijsmiddel 6, pag. 2).

29 verklaring verdachte d.d. 21 april 2008 vanaf 13.32 uur (bewijsmiddel 7, pag. 2).

30 relaas verbalisant [verbalisant] (bewijsmiddel 6, pag. 7).

31 proces-verbaal bevindingen politie (map 2, pag. 249, 266-267), verklaring [getuige 6] (map 3, pag. 698-699) en verklaring [getuige 7] (map 3, pag. 713).

32 proces-verbaal uitkijken camerabeelden (map 2, 266-267).

33 proces-verbaal videocamerabeelden (map 2, 270-273).

34 verklaring [medeverdachte] d.d. 1 februari 2008 (map 1, pag. 39 laatste alinea, pag. 40 eerste alinea) verklaring [medeverdachte] d.d. 7 februari 2008 (map 1, pag. 61, regel 31-37),

verklaring [medeverdachte] d.d. 20 februari 2008 (map 1, pag. 77, regel 17-2323).

35 verklaring [medeverdachte] d.d. 8 februari 2008 (map 1, pag. 67, regel 8 tot en met 10).

36 proces-verbaal videocamerabeelden (map 2, pag. 258-261 en map 2, pag. 270-273).

37 proces-verbaal videocamerabeelden (map 2, februari 2008, pag. 258-261 en map 2,

pag. 270-273)verklaring [medeverdachte] d.d. 1 (map 1, pag. 41 laatste alinea, pag. 42 regel

1 tot en met 15, verklaring [medeverdachte] d.d. 22 februari 2008 (map 1, pag. 97,

regel 20-23).

38 verklaring [medeverdachte] d.d. 1 februari 2008 (map 1, pag. 41 regel 9-10), verklaring

[medeverdachte] d.d. 22 februari 2008 (map 1, pag. 97, regel 32-33).

39 proces-verbaal bevindingen politie (map 1, pag. 42-43), proces-verbaal technisch

sporenonderzoek (map 1, bijlage 2, pag. 1, 4-5).