Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2009:BI0747

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
14-04-2009
Datum publicatie
14-04-2009
Zaaknummer
01/849167-06
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2012:BW1048, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte is veroordeeld voor oplichting. Door zijn bedrieglijke manier van presenteren en voorstelling van zaken heeft hij een viertal personen financieel benadeeld. De rechtbank legt, rekening houdend met een overschrijding van de redelijke termijn in de zin van artikel 6 van het EVRM, een werkstraf van 228 uur met aftrek van voorarrest en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden op.

In verband met het faillissement van verdachte kunnen de betreffende benadeelde partijen die zich in het strafproces hebben gevoegd ingevolge artikel 26 van de Fw in de vordering tot schadevergoeding niet ontvangen worden nu de vorderingen vóór het faillissement is ontstaan; dergelijke vorderingen kunnen uitsluitend ter verificatie bij de curator worden ingediend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

Sector Strafrecht

Parketnummer: 01/849167-06

Datum uitspraak: 14 april 2009

Verkort vonnis van de rechtbank ’s-Hertogenbosch, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1961,

wonende te [woonplaats], [adres] .

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 31 maart 2009.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 24 februari 2009.

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

1.

hij (handelend onder de naam [bedrijf verdachte]) op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode vanaf 01 maart 2004 tot en met 02 mei 2005 te Cuijk en/of Grave en/of Veldhoven, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels [slachtoffer 1] heeft bewogen tot de afgifte van een of meer geldbedrag(en) (inlegbedragen) van circa 30.000,- euro en/of 29.975,- euro en/of 25.000,- euro en/of 55.731,- euro, althans een hoeveelheid geld, in elk geval van enig goed, hebbende hij, verdachte, en/of (een of meer van) zijn mededader(s), alstoen aldaar (telkens) met vorenomschreven oogmerk -zakelijk weergegeven- opzettelijk valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid

- zich gepresenteerd als vermogensbeheerder en/of verzekeringsman en/of belegger en/of

- een of meer (niet bestaande) beleggingsprodukt(en) (met betrekking tot kapitaalstortingen bij het financieel dienstbedrijf [bedrijf verdachte] te Amsterdam) op mondelinge en/of schriftelijke wijze onder de aandacht gebracht (daarbij wijzend op het belang van een snelle reactie in verband met het risico op het mislopen van een voordeel en/of een hoog rendement) en/of

- een of meer aanbieding(en) en/of (informatie)brief/-brieven opgesteld en/of afgegeven en/of verzonden, waarin wordt vermeld,

* dat het een of meer beleggingsprodukt(en) betreft met betrekking tot '[bedrijf 1verdachte] Kapitaalstorting' en/of

* dat het een borgstellingskrediet [bedrijven verdachte] betreft en/of

* dat bij een kapitaalstorting van 30.000,- euro de rente voor een periode van 3 jaar 7,75% en/of de uitkering 1027,04 euro per maand (36x) bedraagt en/of

* dat bij een kapitaalstorting van 25.000,- euro de rente voor een periode van 3 jaar 5,50% en/of de uitkering 809,03 euro per maand (36x) bedraagt en/of

* dat de risico nihil is,

waardoor die eerder genoemde [slachtoffer 1] (telkens) werd bewogen tot afgifte(n) van een of meer eerder genoemde geldbedragen (inlegbedragen);

(dossier DOC 1)

art 326 jo 47 Sr

2. [bedrijf verdachte] op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode vanaf 01 februari 2003 tot en met 04 mei 2005 te Cuijk en/of Grave en/of Mill en/of Boxmeer en/of Overasselt, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels

a.) [slachtoffer 2] (dossier DOC 2) en/of

b.) [slachtoffer 3] (dossier DOC 6) en/of

c.) [slachtoffer 4] (dossier DOC 7) en/of

d.) [slachtoffer 5] (dossier DOC 8),

heeft bewogen tot de afgifte van een of meer geldbedrag(en) van (in totaal) circa (respectievelijk)

a.) 15.460,15 euro en/of 66.901,77 euro en/of

b.) 17.676,50 euro en/of 149.677,74 euro en/of

c.) 11.000,- euro en/of

d.) 17.773,10 euro ,

althans een hoeveelheid geld, in elk geval van enig goed, hebbende hij, verdachte, en/of (een of meer van) zijn mededader(s), alstoen aldaar (telkens) met vorenomschreven oogmerk -zakelijk weergegeven- opzettelijk valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid

- zich gepresenteerd door middel van een visitekaartje, waarop staat vermeld [alias verdachte] en/of

- zich gepresenteerd als Drs. en/of Mr. en/of accountant en/of F.B. (Federatie Belastingadviseur) en/of economisch jurist en/of fiscaal jurist en/of als troubleshooter voor grote bedrijven en/of

- zich gepresenteerd als zeer gekwalificeerd en/of kundig op het gebied van onder meer geldzaken en/of boekhoudkunde en/of financiële/fiscale zaken en/of als iemand met verschillende diploma's en/of

- zich gepresenteerd als eigenaar van het onroerend goed van restaurantketen [bedrijf 2 verdachte] te Nijmegen en/of [bedrijf verdachte] te Nijmegen en/of

- een of meer advies/adviezen gegeven de bestaande/huidige bedrijfsstructuur/rechtsvorm om te zetten naar een vennootschap naar Amerikaans model (de zogenaamde Incorporate (Inc.)) en/of om te zetten in een Trust-structuur en/of

- in een of meer gesprek(ken) en/of brief/brieven aangegeven, dat voor oprichtingskosten van Inc. geen honorarium/provisie in rekening zal worden gebracht en/of dat hij, verdachte, zijn te krijgen provisie zal overmaken (aan de betaler) en/of dat voor de omzetting de kostprijs berekend zal worden en/of dat het verschil tussen de feitelijke kosten en de in rekening gebrachte oprichtingskosten door hem, verdachte, bijbetaald zou worden (gelet op de goede onderlinge relatie en/of samenwerking) en/of

- de bedrijfstructuur/rechtsvorm van een of meer bedrijf/bedrijven omgezet en/of om laten zetten naar een Amerikaans model (de zogenaamde Inc.) en/of

- een of meer verzekering(en) afgesloten en/of af laten sluiten op basis van een of meer onjuiste gegeven(s) en/of

- een of meer goed(eren) en/of dienst(en) aangenomen en/of afgenomen (welke nooit zijn betaald door hem, verdachte),

waardoor die eerder genoemde [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5], (telkens) werd(en) bewogen tot afgifte(n) van een of meer eerder genoemde geldbedragen en/of goed(eren) en/of dienst(en);

(dossier DOC 2, 6, 7, 8)

art 326 jo 47 Sr

3. [bedrijf verdachte] op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode vanaf 01 september 2004 tot en met 28 juni 2005 te Cuijk en/of Grave en/of Leemdam en/of Grubbenvorst, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels [slachtoffer 6] heeft bewogen tot de afgifte van een geldbedrag van (in totaal) circa 2.000,- euro, althans een hoeveelheid geld, in elk geval van enig goed, hebbende hij, verdachte, en/of (een of meer van) zijn mededader(s), alstoen aldaar (telkens) met vorenomschreven oogmerk -zakelijk weergegeven- opzettelijk valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid

- zich gepresenteerd door middel van een visitekaartje, waarop staat vermeld [alias verdachte] en/of

- zich gepresenteerd als Drs. en/of Mr. en/of accountant met verschillende diploma's en/of fiscaal jurist en/of

- zich gepresenteerd als zeer gekwalificeerd en/of kundig op het gebied van onder meer financiële/fiscale zaken en/of als iemand met verschillende diploma's en/of

- zich laten inhuren voor het opstellen van een financiële constructie en/of een financieel plan en/of

- een factuur opgemaakt en/of verzonden betreffende 'Juridische zaken',

waardoor die eerder genoemde [slachtoffer 6] (telkens) werd bewogen tot afgifte(n) van een of meer eerder genoemde geldbedragen;

(dossier DOC 3)

art 326 jo 47 Sr

4. [bedrijf verdachte] op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode vanaf 01 september 2004 tot en met 28 juni 2005 te Cuijk en/of Mill en/of Boxmeer, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsel[slachtoffer 7] heeft bewogen tot de afgifte van een geldbedrag van (in totaal) circa 40.000,- euro, althans een hoeveelheid geld, in elk geval van enig goed, hebbende hij, verdachte, en/of (een of meer van) zijn mededader(s), alstoen aldaar (telkens) met vorenomschreven oogmerk -zakelijk weergegeven- opzettelijk valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid

- zich gepresenteerd door middel van een visitekaartje, waarop staat vermeld [alias verdachte] en/of

- zich gepresenteerd als Drs. en/of Mr. en/of accountant met verschillende diploma's en/of fiscaal jurist en/of

- zich gepresenteerd als zeer gekwalificeerd en/of kundig op het gebied van onder meer financiële/fiscale zaken en/of als iemand met verschillende diploma's en/of

- een overeenkomst van onderhandse geldlening opgesteld en/of aangeboden, waarin wordt vermeld

*dat het een geldlening van 40.000,- euro betreft tegen een kredietvergoeding van 10% per jaar over de hoofdsom voor de duur van 3 jaar en/of

*dat de aflossing inclusief de rente zal geschieden tegen 36 gelijke maandelijkse termijn van 1.444,44 euro ingaande op 1 mei 2005 en/of

- in een gesprek aangegeven, dat de geldlening gebruikt zal worden voor het opzetten van een trainingscentrum (voor klanten),

waardoor die eerder genoemd[slachtoffer 7] (telkens) werd bewogen tot afgifte(n) van een of meer eerder genoemde geldbedragen;

(dossier DOC 3)

art 326 jo 47 Sr

Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:[bedrijf verdachte] op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode vanaf 01 september 2004 tot en met 28 juni 2005 te Cuijk en/of Mill en/of Boxmeer, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk een geldbedrag van (in totaal) circa 40.000,- , althans een hoeveelheid geld, in elk geval enig goed, geheel of ten dele

toebehorende aan [slachtoffer 7] in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welk(e) goed(eren) verdachte anders dan door misdrijf, te weten door middel van een overeenkomst van onderhandse geldlening, onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

art. 321 Wetboek van Strafrecht

Ter terechtzitting zullen onderstaande strafbare feiten ter kennis van de rechter worden gebracht. De rechter kan aldus bij het bepalen van de straf ook met die feiten rekening houden. Doet de rechter dit, dan kunnen die feiten als strafrechtelijk afgedaan worden beschouwd;

a. - medeplegen en/of doen plegen van opzettelijk onjuiste opgaven doen en/of onjuiste inlichtingen verschaffen en/of onjuiste bewijsstukken overleggen ter verkrijging van een kentekenbewijs, in de periode van 27 april 2005 tot en met 19 mei 2005 te Cuijk (art. 51 jo 176 WVW) (Dossier DOC 5);

b. - medeplegen en/of doen plegen van valsheid in geschrifte, in de periode van 27 april 2005 tot en met 19 mei 2005 te Cuijk (art. 225 Sr)(Dossier DOC 5);

c. - plegen van zonder daartoe gerechtigd te zijn voeren van een titel, in de periode van 01 februari 2003 tot en met 28 juni 2005 te Cuijk (art. 435 lid 3 Sr)

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Vrijspraken.

Partiële vrijspraak t.a.v. feit 2

Onderdeel a, bedrag van 66.901,77 euro (benadeelde [slachtoffer 2])

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte benadeelde [slachtoffer 2] ook ten aanzien van dat bedrag heeft opgelicht. [slachtoffer 2] is volgens zijn aangifte tot de afgifte van voornoemd bedrag bewogen mede doordat verdachte zich heeft gepresenteerd als drs. en zijn brieven ondertekende met de titel drs., waardoor [slachtoffer 2] cliënt bij hem werd. Vervolgens heeft verdachte volgens aangever voor hem en zijn echtgenote verzekeringen afgesloten gebaseerd op veel te hoge salarisgegevens, en hebben verdachtes activiteiten geleid tot betalingsverplichtingen aan verzekeringsmaatschappijen, de Kamer van Koophandel, naheffingsaanslagen van de belastingdienst, tot een bedrag van in totaal 34.682,09 euro. Daarnaast heeft aangever nog betalingen uit anderen hoofde aan verdachte gedaan tot een totaalbedrag van 66.901,77 euro.

De rechtbank is met de verdediging van oordeel dat verdachte van dit onderdeel van feit 2 onder a dient te worden vrijgesproken.

Van de in de tenlastelegging opgenomen oplichtingsmiddelen kan naar het oordeel van de rechtbank ten aanzien van dit onderdeel alleen wettig en overtuigend bewezen worden dat verdachte zich heeft gepresenteerd als drs.

Nu verdachte de hierboven weergegeven handelwijze ontkent en de aangifte op dit onderdeel niet wordt ondersteund door overige bewijsmiddelen, acht de rechtbank dit deel van de tenlastelegging niet wettig en overtuigend bewezen en dient verdachte van dit onderdeel te worden vrijgesproken.

Onderdeel b, bedrag van 149.677,74 euro (benadeelde [slachtoffer 3])

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte benadeelde [slachtoffer 3] ook ten aanzien van dit bedrag heeft opgelicht. [slachtoffer 3] is volgens haar aangifte met verdachte in zee gegaan mede doordat verdachte zich, met overlegging van zijn visitekaartje, heeft gepresenteerd als drs. en bezitter van aanzienlijk onroerend goed. Gedurende de tijd dat verdachte haar boekhouding verzorgde heeft zij voor een totaalbedrag van 149.677,74 euro goederen en diensten aan verdachte geleverd, welk bedrag verdachte niet heeft betaald.

De rechtbank is met de verdediging van oordeel dat verdachte van dit onderdeel van feit 2 onder b dient te worden vrijgesproken.

Nu verdachte de hierboven omschreven handelwijze ontkent en de aangifte op dit onderdeel niet voldoende wordt ondersteund door overige bewijsmiddelen, acht de rechtbank dit deel van de tenlastelegging niet wettig en overtuigend bewezen en dient verdachte van dit onderdeel te worden vrijgesproken.

Onderdeel c (benadeelde [slachtoffer 4]).

De rechtbank stelt vast dat [slachtoffer 4] op 19 en 22 april 2004 bedragen van in totaal 11.000,00 euro ten behoeve van verdachte heeft overgemaakt, waarvoor een Inc.(-structuur) voor het bedrijf van [slachtoffer 4] zou worden opgericht. De Inc.(-structuur) is niet opgericht.

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [slachtoffer 4] hierbij heeft opgelicht. Volgens de officier van justitie is [slachtoffer 4] tot de afgifte van voornoemd bedrag bewogen, doordat verdachte zich heeft gepresenteerd als drs. en heeft gedaan alsof een notaris voornoemde prijs voor het oprichten van de Inc.(-structuur) heeft vastgesteld.

De rechtbank is met de verdediging van oordeel dat verdachte van dit onderdeel van feit 2 dient te worden vrijgesproken.

[slachtoffer 4] liet volgens zijn aangifte de gehele administratie van zijn bedrijf door verdachte uitvoeren, niet alleen doordat verdachte zich aan hem presenteerde als drs. en economisch jurist, maar ook doordat hij had gehoord dat verdachte een goede accountant was en doordat verdachte hem helemaal had ingepakt tijdens hun eerste gesprek. Op advies van verdachte werd besloten [bedrijf slachtoffer 4] onder te brengen in een trust en verdachte liet weten dat hij een prijs van 12.500 euro voor het oprichten van de Inc. had gekregen.

Volgens verdachte heeft hij geen Inc. opgericht doordat hij kort daarna failliet is verklaard.

Van de in de tenlastelegging opgenomen oplichtingsmiddelen kan naar het oordeel van de rechtbank alleen wettig en overtuigend bewezen worden dat verdachte zich heeft gepresenteerd als drs. en economisch jurist.

Ten aanzien van het onderdeel in de tenlastelegging inhoudende o.a. dat verdachte geen provisie of honorarium in rekening zou brengen enz. overweegt de rechtbank nog in het bijzonder dat dit onderdeel van de tenlastelegging geen steun vindt in de aangifte en ook niet in de overige bewijsmiddelen.

De rechtbank acht gelet op de inhoud van de aangifte zoals hierboven is weergegeven niet wettig en overtuigend bewezen dat [slachtoffer 4] door de enkele omstandigheid dat verdachte zich presenteerde als drs. en economisch jurist is overgegaan tot de betaling van een bedrag van 11.000 euro aan verdachte.

Vrijspraak t.a.v. feit 3.

[slachtoffer 6] stelt in zijn aangifte dat hij is opgelicht door verdachte. Verdachte zou voor hem een financieel plan opstellen. [slachtoffer 6] moest hem hiervoor een voorschot van 2.000,00 euro betalen. Er is echter nooit iets van gekomen.

Volgens de raadsman van verdachte is er geen enkel bewijs voor de stelling dat verdachte zich zou hebben laten inhuren voor het opstellen van een financieel plan. Verdachte heeft werkzaamheden verricht om de moeder van [slachtoffer 6] te ondersteunen in een geschil met haar werkgever.

De factuur d.d. 9 september 2004 (bijlage 1 bij de aangifte) is op verzoek van [slachtoffer 6] gesteld op naam van [bedrijf slachtoffer 6]. en betreft juridische adviezen. Op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting is de rechtbank van oordeel dat de verklaring van [slachtoffer 6] onvoldoende wordt ondersteund door overige bewijsmiddelen en voorts dat de (impliciete) stelling namens verdachte dat ten laste van [bedrijf slachtoffer 6] een bedrag van 2.000 euro is betaald aan verdachte voor het verlenen van juridische adviezen aan de moeder van [slachtoffer 6], niet voldoende wordt weerlegd door de voorhanden zijnde bewijsmiddelen.

De rechtbank acht derhalve niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan verdachte is tenlastegelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Vrijspraak t.a.v. feit 4 primair en subsidiair.

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan verdachte onder feit 4 primair en subsidiair is tenlastegelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Naar het oordeel van de rechtbank is bij gebreke aan wettige bewijsmiddelen niet komen vast te staan dat verdachte zich aan aangever [slachtoffer 7] valselijk heeft gepresenteerd als accountant en/of fiscaal jurist met de daarbij behorende academische titulatuur, als zeer gekwalificeerd of kundig persoon op het gebied van onder meer financiële/fiscale zaken of als iemand met verschillende diploma’s.

Bovendien heeft verdachte weliswaar met aangever op 22 maart 2005 een overeenkomst van onderhandse geldlening afgesloten, maar op grond van de inhoud van het dossier kan niet worden bewezen dat de voorwaarden waaronder deze geldlening is aangegaan, en de opmerkingen van verdachte dat deze geldlening zou worden gebruikt voor het opstellen van een trainingscentrum door verdachte, valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid zijn gedaan. De rechtbank merkt hierbij nog op dat aangever zelfs nog bij de opening van het trainingscentrum van verdachte is geweest. Naar het oordeel van de rechtbank kan het onder feit 4 primair tenlastegelegde derhalve niet wettig en overtuigend worden bewezen.

Naar het oordeel van de rechtbank is evenmin wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het geleende geld zich wederrechtelijk heeft toegeëigend en aldus heeft verduisterd. Uit de inhoud van de wettige bewijsmiddelen is niet komen vast te staan dat verdachte niet de bedoeling heeft gehad het door hem geleende geld terug te betalen aan aangever en laat het dossier de mogelijkheid open dat verdachte voornemens was het geleende geld terug te betalen, doch dat verdachte wegens zijn faillissement en dat van [bedrijf verdachte] in mei 2005 hiertoe niet meer in staat is geweest.

De bewijsmotiveringen.

Algemeen.

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat niet verdachte, doch zijn echtgenote drijver is van de eenmanszaak [bedrijf verdachte], en dat verdachte aldus niet heeft gehandeld onder de naam [bedrijf verdachte]. De raadsman heeft op grond hiervan in alle aan verdachte tenlastegelegde feiten vrijspraak bepleit.

De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt het navolgende.

Naar het oordeel van de rechtbank kan op grond van de verschillende aangiftes, de door verdachte geschreven brieven en het verhandelde ter terechtzitting feitelijk worden vastgesteld dat verdachte heeft gehandeld onder de naam [bedrijf verdachte]. Dat volgens het uittreksel van de Kamer van Koophandel genoemde eenmanszaak juridisch op naam van de echtgenote van verdachte staat, doet aan dit oordeel niet af.

Ten aanzien van feit 1.

De rechtbank stelt het navolgende vast.

Op 2 april 2004 verkocht verdachte, handelend onder de naam van de eenmanszaak [bedrijf verdachte] (hierna: [bedrijf verdachte]) aan aangeefster [slachtoffer 1] een beleggingsproduct ter waarde van 30.000 euro. Op 25 september 2004 verkocht verdachte wederom een beleggingsproduct aan genoemde [slachtoffer 1], ditmaal ter waarde van 25.000 euro. Het betrof telkens een kapitaalstorting bij financieel dienstbedrijf [bedrijf 1 verdachte] te Amsterdam, die steeds werd omschreven als borgstellingskrediet [bedrijven verdachte]. In de overeenkomsten werd (respectievelijk) opgenomen dat bij een kapitaalstorting van 30.000 euro de rente voor een periode van 3 jaar 7,75% en de uitkering 1.027,08 euro per maand (36x) zou bedragen en dat bij een kapitaalstorting van 25.000 euro de rente voor een periode van 3 jaar 5,50% en de uitkering 809,03 euro per maand (36x) zou bedragen. [slachtoffer 1] zou na 3 jaren het inlegkapitaal terug ontvangen en vanaf genoemde data maandelijks renteuitkeringen ontvangen.

Genoemde beleggingsproducten zijn nimmer bij of via genoemd financieel dienstverleningsbedrijf [bedrijf 1 verdachte] te Amsterdam afgesloten. [bedrijf 1 verdachte] voert ook geen eigen producten. [slachtoffer 1] kreeg van verdachte (telkens) weinig tijd om te beslissen. Uit de aanbieding van 2 april 2004 volgde dat zij snel moest beslissen, teneinde te kunnen profiteren van de aanbieding. Uiteindelijk heeft [slachtoffer 1] op 5 april 2004 een bedrag van 29.975 euro en op 28 september 2004 een (totaal)bedrag van 25.756 euro overgeboekt. Na aandringen van [slachtoffer 1] zijn door verdachte uiteindelijk aan haar bedragen van in totaal 12.044,72 euro betaald.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij aanvankelijk, in ieder geval met betrekking tot de aanbieding van 2 april 2004, voornemens was om het door [slachtoffer 1] ingelegde geldbedrag met tussenkomst van [bedrijf 1 verdachte] onder te brengen bij [bedrijf derde] en dat hij pas na ontvangst van het geld besloot dit zelf te houden. Ten aanzien van het inlegbedrag dat betrekking heeft op de aanbieding van verdachte van 25 september 2004 heeft verdachte verklaard dat hij vooraf reeds wist dat hij het geldbedrag zelf zou houden, zulks ter financiering van de expansie van zijn eenmanszaak [bedrijf verdachte].

De rechtbank acht volstrekt onaannemelijk dat verdachte daadwerkelijk het voornemen heeft gehad de gelden – al dan niet met tussenkomst van [bedrijf derde] – onder te brengen bij [bedrijf derde].

De rechtbank overweegt hiertoe dat op geen enkele wijze is gebleken van contacten tussen verdachte enerzijds en [bedrijf 1 verdachte] of [bedrijf derde] anderzijds, aangaande de door verdachte gedane aanbiedingen. Verdachte heeft hieromtrent ook niets medegedeeld aan [slachtoffer 1].

Naar het oordeel van de rechtbank kan uit het voorgaande in combinatie met de omstandigheid dat verdachte het geld reeds op 5 april 2004 heeft ontvangen en van meet af aan de overeengekomen betalingen niet heeft verricht, afgeleid worden dat verdachte wel degelijk reeds vooraf de bedoeling had ook het geldbedrag van de eerste aanbieding zelf te houden.

Verdachte heeft aldus tweemaal een niet bestaand beleggingsproduct verkocht aan [slachtoffer 1], terwijl hij vooraf wist dat hij de ingebrachte geldbedragen zelf zou houden. Naar het oordeel is de oplichting van [slachtoffer 1] hiermee wettig en overtuigend bewezen.

Ten aanzien van feit 2.

Onderdeel a, bedrag van 15.460,15 euro (benadeelde [slachtoffer 2])

De rechtbank stelt het navolgende vast.

Verdachte, handelend onder de naam [bedrijf verdachte] en zich presenterende als drs., adviseerde [slachtoffer 2] drie zogenaamde Inc.’s op te richten. Verdachte heeft bij de oprichting gefungeerd als intermediair en [slachtoffer 2] voor de oprichting een bedrag van in totaal 15.460,15 euro in rekening gebracht. Verdachte heeft hierbij in een brief d.d. 20 februari 2004 aangegeven dat hij geen honorarium in rekening zou brengen, en dat hij het hem toekomende provisiebedrag van 100 euro per Inc. zou afstaan en overmaken aan [slachtoffer 2] in verband met de prettige samenwerking. Vervolgens is gebleken dat het aan verdachte zelf hiervoor in rekening gebrachte bedrag in totaal slechts 6.670,54 euro beliep.

Verdachte heeft ter zitting verklaard dat het door hem aan [slachtoffer 2] in rekening gebrachte bedrag van 15.460,15 euro een netto bedrag betreft, zijnde de door hem gehanteerde commerciële kostprijs voor de drie Inc.’s, waarbovenop normaalgesproken nog de beloning voor zijn diensten komt, welke hij in verband met de goede relatie heeft laten vallen. Dit moet volgens verdachte geheel los worden gezien van het hem feitelijk in rekening gebrachte bedrag van 6.670,54 euro.

De rechtbank volgt verdachte hierin niet. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte aldus handelend bewust de indruk willen wekken dat de aan hem in rekening gebrachte kostprijs zonder opslagen aan [slachtoffer 2] in rekening werden gebracht. De rechtbank ziet zich in dit oordeel mede gesteund door de getuigenverklaring van de voorzitter van voormalige [bedrijf getuige], van wie verdachte de Inc.’s had betrokken. [getuige] heeft verklaard dat verdachte hem had voorgesteld op de factuur een hoger bedrag te vermelden dan het daadwerkelijk door verdachte aan de Stichting Bedrijfsbehoud verschuldigde bedrag, op welk voorstel [getuige] naar zijn zeggen niet is ingegaan. Verdachte heeft ter terechtzitting aangegeven niet meer te weten waarom hij dit voorstel had gedaan. De rechtbank houdt het er voor, gelet op voornoemde uitlatingen aan [slachtoffer 2], dat verdachte heeft gezocht naar mogelijkheden jegens [slachtoffer 2] te doen blijken van zijn beweerdelijke kostprijs.

Op grond van het vorenstaande acht de rechtbank – anders dan de verdediging – wettig en overtuigend bewezen dat [slachtoffer 2] tot betaling van voornoemd bedrag is overgegaan doordat verdachte zich presenteerde als drs. en doordat hij heeft gehandeld als hiervoor is weergegeven.

Onderdeel b bedrag van 17.676,50 euro (benadeelde [slachtoffer 3]).

Verdachte, handelende onder de naam [bedrijf verdachte]. en zich presenterende als Drs. en als eigenaar van restaurantketen [bedrijf verdachte] en hotel [bedrijf verdachte], adviseerde [slachtoffer 3] twee zogenaamde Inc.’s op te richten. Verdachte heeft bij de oprichting gefungeerd als intermediair en heeft [slachtoffer 3] voor de oprichting een bedrag van in totaal 17.676,50 euro in rekening gebracht.

Verdachte heeft hierbij aangegeven dat [slachtoffer 3] geen provisie aan hem verschuldigd was met betrekking tot het oprichten van de Inc.’s in verband met de goede relatie die zij hadden. Volgens verdachte kostte het oprichten een bedrag van circa 20.000,- euro maar zou hij het verschil tussen die 20.000 euro en 17.767,50 euro zelf betalen.

Verdachte heeft in vergelijkbare zin verklaard als ten aanzien van [slachtoffer 2]. In dit geval bedroeg het bij verdachte in rekening gebrachte bedrag 6.362,93 euro.

De rechtbank acht op grond van het vorenstaande, en op vergelijkbare gronden zoals hiervoor is weergegeven ten aanzien van [slachtoffer 2], wettig en overtuigend bewezen dat verdachte, [slachtoffer 3] heeft opgelicht.

Onderdeel d bedrag van 17.773,10 euro ( benadeelde [slachtoffer 5]).

Verdachte, handelende onder de naam [bedrijf verdachte], en zich presenterende als Mr.Drs. adviseerde [slachtoffer 5] vier zogenaamde Inc.’s op te richten. Verdachte heeft bij de oprichting gefungeerd als intermediair en heeft [slachtoffer 5] voor de oprichting een bedrag van in totaal 17.773,10 euro in rekening gebracht. Verdachte heeft hierbij aangegeven dat hij alleen de kostprijs van het oprichten zou doorberekenen. Hij vond de toekomst van het bedrijf belangrijk en zou daarom de Inc.’s belangeloos oprichten.

Verdachte heeft in vergelijkbare zin verklaard als ten aanzien van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3]. In dit geval bedroeg het bij verdachte in rekening gebrachte bedrag 9.567,10 euro.

De rechtbank acht op grond van het vorenstaande, en op vergelijkbare gronden zoals hierboven is weergegeven ten aanzien van [slachtoffer 2], wettig en overtuigend bewezen dat verdachte, [slachtoffer 5] heeft opgelicht.

De bewezenverklaring.

De rechtbank acht, op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen, dat

1. [bedrijf verdachte]) in de periode vanaf 01 maart 2004 tot en met 02 mei 2005 in Nederland, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door listige kunstgrepen [slachtoffer 1] heeft bewogen tot de afgifte van geldbedragen (inlegbedragen) van 30.000,- euro en 25.000,- euro, hebbende hij, verdachte, alstoen aldaar met vorenomschreven oogmerk –zakelijk weergegeven - opzettelijk valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid

- niet bestaande beleggingsprodukten (met betrekking tot kapitaalstortingen bij het financieel dienstbedrijf [bedrijf 1 verdachte] te Amsterdam) op mondelinge en schriftelijke wijze onder de aandacht gebracht (daarbij wijzend op het belang van een snelle reactie in verband met het risico op het mislopen van een voordeel en/of een hoog rendement) en

- informatiebrieven opgesteld en afgegeven en/of verzonden, waarin wordt vermeld

* '[bedrijf] Kapitaalstorting' en

* dat het een borgstellingskrediet [bedrijven verdachte] betreft en

* dat bij een kapitaalstorting van 30.000,- euro de rente voor een periode van 3 jaar 7,75% en/of de uitkering 1027,08 euro per maand (36x) bedraagt en

* dat bij een kapitaalstorting van 25.000,- euro de rente voor een periode van 3 jaar 5,50% en/of de uitkering 809,03 euro per maand (36x) bedraagt en

* dat het risico nihil is,

waardoor die eerder genoemde [slachtoffer 1] werd bewogen tot afgifte van genoemde geldbedragen (inlegbedragen);

2. [bedrijf verdachte]) in periode vanaf 1 februari 2003 tot en met 04 mei 2005 in Nederland, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels

a.) [slachtoffer 2] en

b.) [slachtoffer 3] en

d.) [slachtoffer 5],

heeft bewogen tot de afgifte van een of meer geldbedragen van in totaal circa (respectievelijk)

a.) 15.460,15 euro en

b.) 17.676,50 euro en

d.) 17.773,10 euro,

hebbende hij, verdachte, alstoen aldaar met vorenomschreven oogmerk – zakelijk weergegeven - opzettelijk valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid

- zich gepresenteerd door middel van een visitekaartje, waarop staat vermeld [alias verdachte] en/of

- zich gepresenteerd als Drs. en/of Mr. en/of F.B. (Federatie Belastingadviseur) en/of

- zich gepresenteerd als eigenaar van het onroerend goed van restaurantkente [bedrijf 2 verdachte] te Nijmegen en [bedrijf verdachte] [bedrijf verdachte]] te Nijmegen en/of

- een of meer advies/adviezen gegeven de bestaande/huidige bedrijfsstructuur/rechtsvorm om te zetten naar een vennootschap naar Amerikaans model (de zogenaamde Incorporate (Inc.)) en/of om te zetten in een Trust-structuur en/of

- in gesprekken en/of brieven aangegeven, dat voor oprichtingskosten van Inc. geen honorarium/provisie in rekening zal worden gebracht en/of dat hij, verdachte, zijn te krijgen provisie zal overmaken aan de betaler en/of dat voor de omzetting de kostprijs berekend zal worden en/of dat het verschil tussen de feitelijke kosten en de in rekening gebrachte oprichtingskosten door hem, verdachte, bijbetaald zou worden (gelet op de goede onderlinge relatie en/of samenwerking) en/of

- de bedrijfstructuur/rechtsvorm van bedrijven omgezet en/of om laten zetten naar een Amerikaans model (de zogenaamde Inc.),

waardoor die eerder genoemde [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] en [slachtoffer 5] werden bewogen tot afgifte van genoemde geldbedragen.

De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De kwalificatie.

Het bewezenverklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.

De strafbaarheid.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van de feiten of van de verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen te zijnen laste bewezen is verklaard.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen 9, 10, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 27, 57 en 326 van het Wetboek van Strafrecht.

DE OVERWEGINGEN DIE TOT DE BESLISSING HEBBEN GELEID

De eis van de officier van justitie.

T.a.v. feit 1, feit 2, feit 3 en feit 4 primair:

De officier van justitie heeft gevorderd een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

T.a.v. de civiele vorderingen:

- gedeeltelijke toewijzing van de civiele vordering van benadeelde partij [slachtoffer 1] tot een bedrag van 43.686,28 euro;

- gedeeltelijke toewijzing van de civiele vordering van benadeelde partij [slachtoffer 2] tot een bedrag van 8.789,61; niet ontvankelijk verklaring van deze benadeelde partij in het overige deel van haar vordering;

- gedeeltelijke toewijzing van de civiele vordering van benadeelde partij [slachtoffer 3] tot een bedrag van 160.991,31 (11.313,57 + 149.677,74); niet ontvankelijk verklaring van deze benadeelde partij in het overige deel van haar vordering;

- gehele toewijzing van de civiele vordering van benadeelde partij [slachtoffer 4] tot een bedrag van 11.000 euro;

- gedeeltelijke toewijzing van de civiele vordering van benadeelde partij [slachtoffer 7] tot een bedrag van 51.999,84 (36 x 1.444,44); niet ontvankelijk verklaring van deze benadeelde partij in het overige deel van haar vordering,

met daarbij telkens oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ingevolge artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht.

De officier van justitie heeft zich ter terechtzitting niet uitgelaten over de civiele vordering van benadeelde partij [benadeelde partij 8].

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht (bijlage 1).

De op te leggen straffen.

Bij de beslissing over de straffen die aan verdachte dienen te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Voorts heeft de rechtbank rekening houden met de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals tot uitdrukking komt in het wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Hierbij heeft de rechtbank nog in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft zich gedurende een langere periode schuldig gemaakt aan oplichting. De rechtbank neemt het verdachte bijzonder kwalijk dat hij door zijn bedrieglijke manier van presenteren en voorstelling van zaken het vertrouwen van de slachtoffers in hem ernstig misbruikt heeft waardoor zij grote financiële schade hebben geleden. De verdachte heeft kennelijk uit louter financieel gewin gehandeld en heeft zich daarbij niets aangetrokken van de belangen van de slachtoffers. Uit het handelen van verdachte spreekt een grote minachting voor het bezit van anderen.

De rechtbank zal een lichtere straf opleggen dan die welke de officier van justitie heeft geëist, omdat de rechtbank verdachte van feit 2 (deels), feit 3 en feit 4 primair en subsidiair zal vrijspreken en de rechtbank voorts van oordeel is dat de op te leggen straf de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank naast de maximale werkstraf een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden passend en geboden.

De rechtbank constateert dat de redelijke termijn in de zin van artikel 6 van het EVRM met ongeveer 4 maanden is overschreden. Met inachtneming van het bepaalde in het arrest van de Hoge Raad van 19 december 2008, LJN: BD0191, zal de rechtbank in het onderhavige geval de duur van de bovengenoemde werkstraf met 5% verminderen. De rechtbank zal derhalve aan verdachte naast genoemde voorwaardelijke gevangenisstraf, een werkstraf voor de duur van 228 subsidiair 114 dagen vervangende hechtenis opleggen.

Met betrekking tot de op te leggen gevangenisstraf zal de rechtbank aldus bepalen dat deze straf niet zal worden tenuitvoergelegd mits verdachte zich tot het einde van de hierna vast te stellen proeftijd aan de voorwaarde houdt dat hij zich niet aan een strafbaar feit zal schuldig maken. De rechtbank wil met een en ander enerzijds de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten tot uitdrukking brengen en anderzijds door invloed uit te oefenen op het gedrag van de verdachte het door verdachte opnieuw plegen van een strafbaar feit tegengaan.

De civiele vorderingen.

De vorderingen van de benadeelde partijen [slachtoffer 1] (t.a.v. feit 1), [slachtoffer 2] en J.W.C. van der Venne (beiden t.a.v. feit 2).

De benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft een civiele vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding van een bedrag van 43.702,12 euro.

De benadeelde partij [slachtoffer 2] heeft een civiele vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding van een bedrag van 81.812,12 euro.

De benadeelde partij [slachtoffer 3] heeft een civiele vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding van een bedrag van 272.474,24 euro.

De rechtbank overweegt ten aanzien van genoemde vorderingen als volgt.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat de verdachte bij vonnis van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 4 mei 2005 in staat van faillissement is verklaard. Door de faillietverklaring verliest de gefailleerde de beschikking en het beheer over zijn tot het faillissement behorende vermogen (‘de boedel’). Dit heeft ook gevolgen voor civiele procedures over dat vermogen, aangezien de Faillissementswet, met het oog op de paritas creditorum – de gelijkheid van schuldeisers – , een exclusieve regeling bevat voor gerechtelijke procedures tegen een gefailleerde, die strekken tot het verrichten van betalingen ten laste van de failliete boedel.

Vast staat dat de vorderingsrechten van de benadeelde partijen, die hun grond vinden in verdachtes onrechtmatig handelen jegens de benadeelde partijen, vóór de datum van het faillissement van de verdachte zijn ontstaan. De vorderingsrechten van de benadeelde partijen dienen derhalve tot boedelschuld bestempeld te worden.

Een rechtsvordering is aanhangig (in de zin van de artikelen 27-29 Fw) vanaf het moment dat een rechter bij de vordering betrokken is. Voor de civiele vordering in het strafproces betekent dit dat de vordering aanhangig is vanaf de dag waarop het voegingsformulier, inhoudende de opgave van de vordering en de gronden waarop deze berust (artikel 51b, lid 1, Sv), wordt ingediend bij de officier van justitie, dan wel vanaf de dag waarop bedoeld formulier ter terechtzitting door de strafrechter wordt ingediend (artikel 51b, lid 2, Sv).

De situatie doet zich voor dat het faillissement van verdachte reeds was uitgesproken vóór de onderhavige vorderingen van de benadeelde partijen aanhangig werden gemaakt door voeging in het strafproces en derhalve in artikel 26 van de Faillissementswet van toepassing.

Dit artikel luidt sedert 1 december 2005:

“Rechtsvorderingen, die voldoening ener verbintenis uit de boedel ten doel hebben, kunnen gedurende het faillissement ook tegen de gefailleerde op geen andere wijze ingesteld worden dan door aanmelding ter verificatie.”

Op de voet van artikel 26 Fw kunnen rechtsvorderingen, die strekken tot het verrichten van betalingen ten laste van de failliete boedel, op geen andere wijze worden ingesteld dan door die vorderingen ter verificatie aan te melden bij de curator in het faillissement. Dit brengt mee dat een eiser die zijn vordering op andere wijze instelt, daarin niet ontvangen kan worden.

Op het grond van hetgeen hiervoor is overwogen zal de rechtbank genoemde benadeelde partijen in hun vorderingen niet ontvankelijk verklaren.

De rechtbank ziet in de omstandigheden van het geval aanleiding omtrent de kosten van de procedures te beslissen als na te melden.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 4] (t.a.v. feit 2).

De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering, aangezien de verdachte wordt vrijgesproken van het onderdeel van het tenlastegelegde feit waarop de vordering van de benadeelde partij betrekking heeft. De rechtbank zal de benadeelde partij veroordelen in de kosten van de verdachte als bedoeld in artikel 592a van het Wetboek van Strafvordering. Deze kosten worden begroot op nihil.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 7] (t.a.v. feit 4 primair en subsidiair).

De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering, aangezien de verdachte wordt vrijgesproken voor het feit waarop de vordering van de benadeelde partij betrekking heeft. De rechtbank zal de benadeelde partij veroordelen in de kosten van de verdachte als bedoeld in artikel 592a van het Wetboek van Strafvordering. Deze kosten worden begroot op nihil.

De vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 8].

De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering, aangezien de vordering niet valt te herleiden tot een tenlastegelegd feit en aldus in zoverre geen sprake is van rechtstreeks door het bewezenverklaarde feit toegebrachte schade.

De rechtbank zal de benadeelde partij veroordelen in de kosten. Deze kosten worden tot op heden begroot op nihil.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte onder feit 3 en feit 4 is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven;

verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij;

Het bewezenverklaarde levert op de misdrijven:

T.a.v. feit 1:

oplichting, meermalen gepleegd

T.a.v. feit 2:

oplichting, meermalen gepleegd

De rechtbank verklaart verdachte hiervoor strafbaar en legt op de volgende straffen:

T.a.v. feit 1, feit 2:

Werkstraf voor de duur van 228 uren subsidiair 114 dagen hechtenis met aftrek

overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht

De rechtbank waardeert een in verzekering doorgebrachte dag op 2 uur te

verrichten arbeid.

Gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van

2 jaren

T.a.v. feit 1:

Niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij [slachtoffer 1] in haar vordering.

Compenseert de kosten van partijen aldus, dat elke partij de eigen kosten draagt.

T.a.v. feit 2:

Niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij [slachtoffer 2] in haar vordering.

Compenseert de kosten van partijen aldus, dat elke partij de eigen kosten draagt.

Niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij J.W.C. van der Venne in haar vordering.

Compenseert de kosten van partijen aldus, dat elke partij de eigen kosten draagt.

Niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij [slachtoffer 4] in haar vordering.

Veroordeelt de benadeelde partij in de kosten van de verdachte tot op heden begroot op nihil.

T.a.v. feit 4 primair, feit 4 subsidiair:

Niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij [slachtoffer 7] in haar vordering.

Veroordeelt de benadeelde partij in de kosten van de verdachte tot op heden begroot op nihil.

Niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij [slachtoffer 8] in haar vordering.

Veroordeelt de benadeelde partij in de kosten van de verdachte tot op heden begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. J.M.P. Willemse, voorzitter,

mr. E.M.J. Raeijmaekers en mr. M.Th. van Vliet, leden,

in tegenwoordigheid van mr. I.J.M. Weemers, griffier,

en is uitgesproken op 14 april 2009.

18

Parketnummer: 01/849167-06

[verdachte]