Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2009:BI0687

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
18-03-2009
Datum publicatie
10-04-2009
Zaaknummer
183024 HA ZA 08-2119
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Incident onbevoegdverklaring vordering tot betaling van advocatendeclaraties. De bevoegdheid van de civiele rechter wordt pas bepaald door het verweer dat in de procedure wordt gevoerd of aangekondigd. Mogelijkheden voor aanhouding totdat een begrotingsprocedure bij de Raad van Toezicht is gevoerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 183024 / HA ZA 08-2119

Vonnis in incident van 18 maart 2009

in de zaak van

de naamloze vennootschap

BANNING N.V.,

gevestigd te 's-Hertogenbosch,

eiseres in de hoofdzaak,

verweerster in het incident,

advocaat mr. R.J.G.J. van Warmerdam,

tegen

1. [gedaagde sub 1],

wonende te '[woonplaats],

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

SPRANCKELAER INFRA B.V.,

gevestigd te Reuver,

gedaagden in de hoofdzaak,

eisers in het incident,

advocaat mr. D.M. Lamers.

Partijen zullen hierna Banning en [gedaagden] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de akte wijziging van eis, waarbij Banning haar vordering tegen de oorspronkelijke gedaagde sub II SFV Vastgoed B.V. heeft ingetrokken

- de incidentele conclusie tot onbevoegdverklaring

- de incidentele conclusie van antwoord.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2. De feiten

2.1. Banning exploiteert een advocatenkantoor, dat werkzaamheden voor [gedaagden] heeft verricht. Banning heeft daartoe een aantal declaraties naar [gedaagden] verstuurd, die niet zijn betaald.

2.2. Volgens Banning heeft [gedaagden] niet gereageerd op sommaties. Volgens [gedaagden] heeft zij bij e-mails gereageerd en verzocht om specificaties van de declaraties, maar volgens Banning zijn de door [gedaagden] geproduceerde e-mails gefingeerd. Duidelijk is in ieder geval dat Banning deze e-mails niet kan hebben ontvangen omdat de adressering onjuist was.

2.3. Banning verkreeg op 30 september 2008 verlof om beslag te leggen, met bepaling dat de eis in de hoofdzaak moet worden ingesteld binnen 14 dagen na het eerstgelegde beslag. Op 6 oktober 2008 werd conservatoir beslag gelegd op diverse onroerende zaken van [gedaagden].

2.4. [gedaagden] reageerde bij brief van 13 oktober 2008 op de beslaglegging. Hij verwees naar zijn eerdere verzoeken om een specificatie en beklaagde zich over het uitblijven van een reactie daarop. Hij verzocht om een specificatie van een inmiddels verstuurde nieuwe declaratie, waarvan de hoogte hem absurd voor kwam. Hij kondigde aan dat hij ingeval van een niet bevredigende oplossing/afhandeling een begrotingsprocedure bij de Orde van Advocaten zou opstarten.

2.5. Banning zond bij fax van 16 oktober 2008 specificaties van haar declaraties. Zij ontkende dat eerder om specificaties was gevraagd. Diezelfde dag stuurde [gedaagden] een e-mail naar Banning waarbij hij de eerdere e-mails toezond. [gedaagden] kondigde aan dat hij per ommegaande zou reageren op de inhoud van de specificaties.

2.6. Op 17 oktober 2008 werd de dagvaarding in de onderhavige zaak uitgebracht.

3. Het geschil in het incident

3.1. Banning vordert in de hoofdzaak betaling van haar declaraties. In het incident vordert [gedaagden] dat de rechtbank zich onbevoegd verklaart, omdat de Raad van Toezicht van de Orde van Advocaten bij uitsluiting bevoegd is te oordelen over een geschil omtrent de declaraties van een advocatenkantoor.

3.2. Banning stelt zich primair op het standpunt dat de incidentele vordering moet worden afgewezen, omdat [gedaagden] niet, althans niet uitsluitend, althans niet tijdig en daarnaast niet onderbouwd over de hoogte van de declaraties geklaagd. Subsidiair meent Banning dat de rechtbank in ieder geval bevoegd is om kennis te nemen van de vordering voor zover die erkende declaraties betreft. Meer subsidiair voert Banning aan dat [gedaagden] in de kosten van deze procedure moet worden veroordeeld, omdat het aan [gedaagden] te wijten is dat niet (tevens) een begrotingsprocedure is gestart.

3.3. Banning voert daartoe het volgende aan.

De declaraties van Banning zijn altijd voorzien van een urenspecificatie. [gedaagden] hebben die declaraties ontvangen en enkele ervan voldaan, zonder het stellen van vragen of het plaatsen van opmerkingen. Op 2 juli 2008 heeft [gedaagden] toegezegd alle op dat moment uitstaande declaraties te betalen, zodat Banning in ieder geval ontvankelijk is ter zake de declaraties tot en met die datum.

De sommaties hadden onder meer ten doel te achterhalen waarom [gedaagden] niet betaalde, zodat Banning kon bepalen welke procedure zij moest volgen. Banning kon op dat moment geen begrotingsprocedure aanhangig maken, omdat [gedaagden] nog niet over de hoogte van de declaraties had geklaagd. Het pas na de beslaglegging reageren was te laat.

De brief van 13 oktober 2008 bevat ook klachten die geen betrekking hebben op de hoogte van de declaraties, zodat het Banning vrij stond zich tot de burgerlijke rechter te wenden.

Na ontvangst van de door [gedaagden] in zijn brief van 13 oktober 2008 verzochte specificaties had [gedaagden] moeten aangeven waarom hij het niet met de declaraties eens was. [gedaagden] wist dat Banning de hoofdzaak aanhangig moest maken binnen de door de voorzieningenrechter in zijn beslagverlof gestelde periode. Indien [gedaagden] dat zou hebben gedaan, had Banning binnen die termijn een begrotingsprocedure bij de Raad van Toezicht kunnen starten. Nu [gedaagden] niets meer van zich liet horen, heeft Banning daaruit afgeleid - en mocht zij ook gerechtvaardigd afleiden - dat [gedaagden] alsnog instemde met de declaraties. Pas in zijn incidentele conclusie geeft [gedaagden] aan dat hij nog steeds van mening is dat de declaraties te hoog zijn, hetgeen onrechtmatig is jegens Banning. Als [gedaagden], zoals hij in zijn brief van 13 oktober 2008 aankondigt, de declaraties ter begroting aan de Raad van Toezicht zou hebben voorgelegd, had Banning na het aanbrengen van de dagvaarding om aanhouding van de procedure kunnen verzoeken voor de duur van de begrotingsprocedure.

4. De beoordeling in het incident

4.1. De civiele rechter is niet bevoegd kennis te nemen van een vordering tot betaling van declaraties van een advocaat of advocatenkantoor, indien de cliënt uitsluitend verweer voert tegen de hoogte van de declaratie. De civiele rechter is alleen bevoegd indien de cliënt (ook) andere soorten verweer voert. In dat geval dient de civiele rechter - in ieder geval indien sprake is van verstrekkende weren die tot volledige afwijzing van de vordering zouden kunnen leiden - eerst op die andere weren te beslissen en vervolgens zijn beslissing aan te houden totdat een begrotingsprocedure bij de Raad van Toezicht is gevoerd. Behoudens bijzondere omstandigheden is aanhouding niet aan de orde indien uitsluitend verweer tegen de hoogte van de declaratie wordt gevoerd. In dat geval dient de civiele rechter zich onbevoegd te verklaren.

4.2. Bijzonder aan de competentieregeling voor advocatendeclaraties is dat de bevoegdheid van de civiele rechter pas wordt bepaald door het verweer dat in de procedure wordt gevoerd dan wel (indien de incidentele conclusie zoals in het onderhavige geval niet gecombineerd wordt met de conclusie van antwoord in de hoofdzaak) door het verweer dat in de incidentele conclusie wordt aangekondigd. De advocaat die betaling van zijn declaraties wil afdwingen, kan bij zijn keuze voor de te volgen procedure alleen afgaan op het verweer dat door de cliënt is gevoerd tijdens contacten voorafgaand aan de procedure. Indien de cliënt voorafgaand aan de procedure de hoogte van de declaratie nooit heeft betwist, heeft de advocaat geen andere keuze dan het starten van een procedure voor de civiele rechter. Indien de cliënt vervolgens in die procedure alsnog (uitsluitend) verweer voert tegen de hoogte van de declaratie, dient de civiele rechter zich onbevoegd te verklaren en dient de advocaat alsnog een begrotingsprocedure bij de Raad van Toezicht te starten. In dat geval kan de cliënt worden veroordeeld in de onnodig door hem veroorzaakte kosten van de procedure voor de civiele rechter, mits de advocaat voorafgaand aan de procedure voldoende pogingen heeft ondernomen om de redenen van het uitblijven van betaling te achterhalen.

4.3. De rechtbank stelt vast dat [gedaagden] in zijn incidentele conclusie uitsluitend verweer tegen de hoogte van de declaratie aankondigt. De in zijn brief van 13 oktober 2008 opgenomen klachten over het uitblijven van een reactie op zijn verzoeken om specificaties kunnen niet worden aangemerkt als een verweer tegen de declaraties van Banning. Bovendien kondigt [gedaagden] in zijn incidentele conclusie niet aan dat hij voornemens is een verweer te voeren dat is gebaseerd op deze klachten. Dat betekent dat de rechtbank zich in beginsel onbevoegd dient te verklaren.

4.4. De gelegde beslagen zijn geen reden om van dit uitgangspunt af te wijken. Banning wist sinds de brief van [gedaagden] van 13 oktober 2008 dat [gedaagden] de hoogte van de declaraties betwistte. Nadat Banning de door [gedaagden] gevraagde urenspecificaties had verschaft, heeft zij slechts één dag gewacht alvorens de dagvaarding te laten uitbrengen. Die termijn was te kort om in redelijkheid te mogen aannemen dat [gedaagden] zijn verweer tegen de hoogte van de declaraties niet handhaafde. Dat geldt temeer nu de bij het beslagverlof gestelde termijn voor het instellen van de eis in de hoofdzaak op 17 oktober 2008 nog niet was verstreken, en Banning bovendien bij de voorzieningenrechter om verlenging van die termijn had kunnen verzoeken.

4.5. De door Banning gestelde erkenning door [gedaagden] van de verschuldigdheid van de declaraties tot en met 2 juli 2008 is evenmin reden om van voormeld uitgangspunt af te wijken. De bevoegdheid van de civiele rechter wordt uitsluitend bepaald door het verweer dat door [gedaagden] wordt gevoerd. [gedaagden] betwist de hoogte van alle declaraties van Banning, ook van de declaraties tot en met 2 juli 2008.

4.6. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de incidentele vordering moet worden toegewezen.

4.7. Banning zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van het incident worden veroordeeld. De rechtbank ziet geen reden om [gedaagden] in de proceskosten te veroordelen, omdat het op de datum van dagvaarding bij Banning bekend was dat [gedaagden] de hoogte van de declaraties betwistte.

5. De beslissing

De rechtbank

in het incident

5.1. verklaart zich onbevoegd van de vordering in de hoofdzaak kennis te nemen,

5.2. veroordeelt Banning in de kosten van het incident, aan de zijde van [gedaagden] tot op heden begroot op EUR 452,00.

Dit vonnis is gewezen door mr. B.C.W. Geurtsen-van Eeden en in het openbaar uitgesproken op 18 maart 2009.