Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2009:BI0161

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
03-04-2009
Datum publicatie
06-04-2009
Zaaknummer
603497
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ontbinding arbeidsovereenkomst van een oud bestuurder, van een stichting, die tevens beleidsmedewerker was.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2009-0300
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ‘s-HERTOGENBOSCH

sector kanton, locatie Helmond

zaaknummer : 603497

EJ verz. : 09-16

uitspraak : 3 april 2009

in de zaak van:

de stichting …..,

gevestigd en kantoorhoudende te Helmond,

verzoekster,

gemachtigde: mr. F.J.J.M. Janssen,

Postbus 47, 5490 AA Sint-Oedenrode,

t e g e n :

X.,

wonende te …. (België),

verweerder,

gemachtigde: mr. S.M. Jurg-Smith,

Postbus 835, 3700 AV Zeist,

heeft de kantonrechter te Helmond op de voet van het bepaalde in artikel 7:685 BW de na-volgende beschikking gegeven.

Partijen worden hierna aangeduid als “De Stichting” en “X”.

1. De procedure

Bij verzoekschrift, ingekomen ter griffie van de rechtbank, sector kanton, locatie Helmond, op 26 januari 2009, heeft De Stichting verzocht om de arbeidsovereenkomst met X te ont-binden. Zijdens X is een verweerschrift ingediend.

De mondelinge behandeling heeft, na een door X verzocht en verkregen uitstel, plaatsgevon-den op 18 maart 2009, bij welke gelegenheid partijen de zaak hebben doen bepleiten door hun gemachtigden voornoemd. De gemachtigde van de Stichting heeft daartoe pleitnotities gehanteerd.

Na gevoerd debat is de beschikking bepaald op heden.

2. Inleiding

2.1. Tussen partijen bestaat een arbeidsovereenkomst. X, geboren 18 juni 1965, is sedert 1 januari 2004 in dienst van De Stichting, laatstelijk als beleidsmedewerker tegen een bruto salaris (exclusief vakantiegeld en eindejaarsuitkering) van € 3.475,20 per maand.

2.2. De Stichting grondt het verzoek op de stelling dat er gewichtige redenen zijn om de arbeidsovereenkomst te ontbinden, bestaande in veranderingen in de omstandigheden, welke van dien aard zijn dat de arbeidsovereenkomst billijkheidshalve dadelijk of na korte tijd be-hoort te eindigen.

2.3. Ter toelichting op deze stellingname heeft de Stichting, kort weergegeven, het vol-gende aangevoerd.

De Stichting is het bevoegd gezag van één islamitische basisschool te Helmond en, tot 1 au-gustus 2007, van een islamitische basisschool te Roermond. Bij brief van 21 november 2006 heeft de burgemeester van de gemeente Roemond aan de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) melding gemaakt van signalen die erop wijzen dat er sprake zou zijn van strafbare feiten bij de school in Roermond. Naar aanleiding van deze signalen hebben de Auditdienst van het Ministerie van OCW en de Inspectie van het Onderwijs een onderzoek uitgevoerd naar de beide scholen. In dit kader is een oriënterend onderzoek uitgevoerd en een vervolgonderzoek waarvan de resultaten in een rapport van 18 juli 2007 zijn opgenomen. Daarnaast heeft de Inspectie van het Onderwijs een incidenteel onderzoek ingesteld naar de gevoelens van onveiligheid bij personeel en ouders en naar de mate waarin uitvoering wordt gegeven aan de Wet medezeggenschap scholen, waarvan de resultaten in een rapport van 6 februari 2008 zijn opgenomen.

X is met ingang van 2002 als secretaris aangesteld in het bestuur van de Stichting. Hij heeft deze functie van 2002 tot en met maart 2006 bekleed. In die periode, januari 2004, is hij te-vens als beleidsmedewerker in dienst gekomen bij de Stichting. Volgens de bevindingen van de Auditdienst en de Inspectie, en volgens de Staatssecretaris van OCW in haar schrijven van 6 november 2007 is in deze functie van beleidsmedewerker feitelijk sprake van een bezol-digd bestuurslidmaatschap. Uit het rapport blijkt dat X feitelijk niet werkzaam was als be-leidsmedewerker maar dat hij uitsluitend bestuurstaken verrichtte.

Op een aantal fronten is door het Ministerie van OCW en de Inspectie van het Onderwijs wanbeheer door het bestuur geconstateerd. Het bestuur bestond destijds uit drie personen: de voorzitter, de heer A de penningmeester, de heer B. en de secretaris in de persoon van X. X was in zijn functie als secretaris verantwoordelijk voor onder andere rechtspositionele aange-legenheden, huisvesting, financiële randvoorwaarden, subsidievoorwaarden en contacten met externe betrokkenen. Vanuit zijn functie als beleidsmedewerker was X voor deze zelfde ta-ken verantwoordelijk. Feitelijk verrichtte X zijn bestuurswerkzaamheden vanuit zijn functie van beleidsmedewerker.

De in de rapportages geconstateerde onrechtmatigheden en het wanbeheer strekte zich uit over de navolgende onderwerpen:

A. Het onrechtmatig benoemen van 14 personen, voornamelijk in de periode 2004-2006.

Voor een nadere onderbouwing van de geconstateerde feiten verwijst de kantonrechter naar het rapport van een incidenteel onderzoek (productie 2 bij het verzoekschrift).

Gezien de portefeuilleverdeling binnen het bestuur concludeert de Stichting dat X verant-woordelijk was voor de benoemingen: hij heeft de benoemingen voorbereid, afspraken ge-maakt met de betrokken personen, een en ander met het administratiekantoor afgestemd en uiteindelijk besloten de personen in dienst te nemen.

B. Het bekostigen van het leerlingenvervoer.

Vanaf 2000 wordt het leerlingenvervoer naar gym- en zwemlessen uitgevoerd door de Stich-ting Leerlingenvervoer Zuid-Nederland. X is voorzitter van deze stichting. Er zijn twee bus-sen aangeschaft ten behoeve van het vervoer, met geld dat geleend is van de Stichting. Elk jaar kostte het vervoer de twee scholen € 12.500,00 per school. In 2006 zijn de lening en de kosten met elkaar verrekend, waarbij ook het onderhoud voor rekening van de scholen kwam. In 2006 moest de Stichting een bedrag van € 70.000,00 aan de stichting betalen.

Door de Inspectie en Auditdienst is geconstateerd dat de gemeente Roermond zelf het ver-voer van leerlingen verzorgt en financiert. Dit betekent dat de Stichting vergoedingen heeft betaald aan de stichting Leerlingenvervoer Zuid-Nederland voor onder meer het vervoer van leerlingen van de school in Roermond, terwijl er in Roermond nagenoeg geen kosten waren. Deze besteding van bekostigingsgelden is in strijd met artikel 148 WPO en 182 WPO.

Gezien de portefeuilleverdeling binnen het bestuur valt ook deze activiteit onder de verant-woordelijkheid van X. Als voorzitter van de stichting Leerlingenvervoer Zuid Nederland had X in dit geval echter ook nog een ander belang.

C. Sociale veiligheid

In september 2007 is er door de Inspectie van het Onderwijs een onderzoek uitgevoerd naar de sociale veiligheid op basisschool Salah Eddin El Ayyoubi te Helmond, vallend onder de verantwoordelijkheid van de Stichting. De aanleiding voor dit onderzoek waren signalen eind 2006 en begin 2007 van personeelleden en ouders die duiden op intimidatie en bedrei-ging van de zijde van bestuursleden. Daarnaast waren er klachten over het functioneren van de medezeggenschap. Uitkomst van dit onderzoek is dat het optreden van bestuursleden door een deel van het personeel als intimiderend en bedreigend werd ervaren. Daarnaast is gecon-stateerd dat er lange tijd geen sprake was van een functionerende MR of GMR conform de Wet Medezeggenschap Onderwijs en later de Wet Medezeggenschap Scholen.

D. Ziekmelding 16 maart 2007.

Met ingang van 16 maart 2007 heeft X zich ziek gemeld. Via de arbodienst heeft de Stichting op 21 maart 2008 vernomen dat X met ingang van 10 maart 2008 weer in staat zou zijn zijn werkzaamheden te hervatten. De Stichting heeft echter geconstateerd dat X, in strijd met de verplichtingen voortkomend uit de door hem en de Stichting gesloten arbeidsovereenkomst en in het bijzonder de verplichtingen neergelegd in het Besluit Ziekte en Arbeidsongeschikt-heid voor onderwijspersoneel primair en voortgezet onderwijs, zijn werkzaamheden niet heeft hervat, noch contact heeft opgenomen met de Stichting om afspraken te maken over een eventuele werkhervatting.

Daarnaast heeft X nagelaten het bestuur van de de Stichting op de hoogte te stellen van zijn verhuizing naar België.

Voor de Stichting is de arbeidsverhouding met X dermate onder druk komen staan en is het vertrouwen in X dusdanig geschaad dat zij geen mogelijkheid meer ziet voor een voortzet-ting van het dienstverband. De Stichting is van oordeel dat sprake is van een gewichtige re-den die een verandering in de omstandigheden als bedoeld in artikel 7:685 BW met zich meebrengt. Deze verandering van omstandigheden is van dien aard dat het dienstverband met X op korte termijn dient te eindigen. Gelet op de aanleiding daartoe, bestaat geen grond om daarbij aan X nog enige vergoeding toe te kennen.

2.4. X heeft tegen het verzoek verweer gevoerd overeenkomstig de inhoud van het na-mens hem ingediende verweerschrift. X is primair van oordeel dat het verzoek behoort te worden afgewezen. Subsidiair verzoekt hij bij ontbinding van de arbeidsovereenkomst aan hem, ten laste van de Stichting, een vergoeding toe te kennen met toepassing van een correc-tiefactor gelijk aan 2.

3. De beoordeling

3.1. Niet gebleken is dat het onderhavige verzoek verband houdt met een in deze relevant verbod tot opzegging van de arbeidsovereenkomst. Weliswaar is komen vast te staan dat X op dit moment arbeidsongeschikt is, maar in die arbeidsongeschiktheid is niet de reden voor het onderhavige verzoek gelegen. Dat vindt zijn grondslag in de aangevoerde feiten omtrent de wijze waarop X zijn functie heeft uitgeoefend. Onder die omstandigheid hoeft het verbod van artikel 7:670, lid 1 BW niet aan een ontbinding in de weg te staan.

3.2 De kantonrechter stelt voorop dat vast staat dat X, nadat hij als bezoldigd beleidsme-dewerker in dienst is getreden, zijn taken als bestuurder is blijven uitoefenen. Hoewel uit de beantwoording van Kamervragen op 30 juni 2004 blijkt dat er op zich geen bezwaar is tegen bezoldiging van bestuursleden, laat zich de vraag stellen in hoeverre concrete bezoldiging van bestuursleden zich verdraagt met de statuten van de Stichting. In de onderhavige zaak is sprake van een klein bestuur met slechts twee scholen, dat naast twee directeuren ook nog eens een grote hoeveelheid beleidsmedewerkers in dienst had. Het valt te betwijfelen of het op dat moment realistisch was om bekostiging te besteden aan de benoeming van twee be-stuursleden, beiden met een dienstverband met een omvang van 1,2 FTE.

3.3 De kantonrechter als zal bij de bespreking van het verzoek de hierboven gekozen volgorde A tot en met D aanhouden.

A. Onrechtmatige benoemingen van personeelsleden.

3.3.1. De kantonrechter heeft kennisgenomen van het rapport van een incidenteel onder-zoek (productie 2 bij het verzoekschrift).

Het rapport vermeldt dat over de onderzochte periode van 2002 tot en met 2006 bij veertien personen vragen rijzen ten aanzien van de omvang van het dienstverband in relatie tot de ver-richte werkzaamheden en of er feitelijk sprake is geweest van een dienstverband. Het gaat daarbij om twee directeuren, negen beleidsmedewerkers, twee schoonmakers en een admini-stratief medewerker. Het onderzoek heeft uiteindelijk geleid tot een tweetal conclusies die staan vermeld op pagina 37 en 38 van het rapport. Ten aanzien van de vragen die waren

gerezen omtrent de dienstverbanden, wordt het volgende geconcludeerd:

“Auditdienst en inspectie hebben vastgesteld dat op meerdere momenten naast de twee directeuren van de scholen zes of meer personen in dienst waren als beleidsmedewerker, c.q. bezoldigd bestuur-der. Het grote aantal personen dat dit betreft, de hoge betrekkingsomvang van vaak 48 uren en de vaak hoge schalen (onder andere de schalen 14 en 15) waarin deze personen werden ingeschaald, staan in geen enkele verhouding tot de werkzaamheden die passen bij een bestuur met twee relatief kleine basisscholen.

De aanstelling van deze personen heeft ertoe geleid dat langdurig en systematisch middelen onttrok-ken zijn aan de scholen die bedoeld waren voor inzet van voldoende onderwijzend en onderwijson-dersteunend personeel en voor het scheppen van adequate materiele voorzieningen.”

In de beschikking van 30 januari 2008 in de zaak 166248 / EX RK 07-262, gepubliceerd op rechtspraak.nl onder LJNBC3002, is de sector civiel van deze rechtbank onder r.o. 4.7. tot en met 4.16.1 uitvoerig ingegaan op de door het toenmalig bestuur van de Stichting aangestelde personen. Deze beschikking is door het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch bekrachtigd (vide beschikking van 22 oktober 2008, gepubliceerd op rechtspraak.nl, LJN BG2138). In gemelde beschikking komt de rechtbank ten aanzien van dit onderdeel tot de navolgende conclusie:

"Het vorenstaande leidt de rechtbank tot de conclusie dat in een aantal gevallen het opgevoerde dienstverband niet aansluit bij de daadwerkelijk verrichte werkzaamheden. Dat betekent dat er door de Staat ter beschikking gestelde financiële middelen zijn aangewend om werknemers te betalen die daarvoor geen, althans volstrekt onvoldoende,werkzaamheden hebben verricht. Zulks is in strijd met de wet (WPO). Bovendien moet dit worden aangemerkt als financieel wanbeheer. Zoals onder 4.4. reeds is overwogen, kunnen deze omstandigheden echter pas grond opleveren voor ontslag, indien op het moment waarop de gewraakte handelingen door het bestuur werden verricht in redelijkheid geen verschil van mening kan bestaan over de onrechtmatigheid daarvan.

In een aantal gevallen is een dergelijk verschil van mening in het algemeen in redelijkheid wellicht mogelijk, gelet op de adviserende rol die professionele administratiekantoren hebben gespeeld bij de wijze waarop de dienstverbanden zijn vormgegeven (achteraf de werkzaamheden administratief on-derbrengen in één arbeidsovereenkomst) tegen de achtergrond van de ingewikkelde wetgeving. Ech-ter, naar het oordeel van de rechtbank kan in redelijkheid niet worden getwijfeld aan de onrechtma-tigheid van het handelen van het bestuur waar het de dienstverbanden van de schoonmakers betreft. Immers, het gaat om twee (ex)echtgenotes van bestuursleden, onder wie [gedaagde sub 1]. In die ge-vallen moet het bestuur hebben geweten dat er geen, althans aanzienlijk minder werkzaamheden door de schoonmakers waren verricht dan het aantal uren dat achteraf in de arbeidsovereenkomsten werd opgenomen en waarvoor opdracht werd gegeven deze uit te betalen. Bovendien komen hierdoor de andere in het rapport genoemde gevallen in een bedenkelijk licht te staan. Dit wordt nog versterkt door de omvang en samenhang van al die gevallen. Naar het oordeel van de rechtbank is sprake van handelen dat als evident strijdig met de wet is aan te merken."

Door X is niet bestreden de door de Stichting gestelde portefeuilleverdeling binnen het toenmalig bestuur van de stichting. Uit die portefeuilleverdeling vloeit voort dat X verant-woordelijk was voor de benoemingen. X heeft de benoemingen voorbereid, afspraken ge-maakt met betrokkenen, een en ander afgestemd met het administratiekantoor en uiteindelijk beslist de desbetreffende personen in dienst te nemen.

X stelt dat hij te allen tijde in overleg met het voltallige bestuur heeft gehandeld. Zijn mede-bestuursleden moesten alles accorderen. Het is niet juist als zou hij op eigen houtje hebben gehandeld. Naar het oordeel van de kantonrechter staat echter in voldoende mate vast dat X als bestuurder van de Stichting in strijd met de wet heeft gehandeld op een beleidsterrein waarop hij, zo hij al niet een beslissende stem had, tevens als bezoldigd beleidsmedewerker het bestuur ten minste van advies had behoren te dienen.

B. Het bekostigen van het leerlingenvervoer

3.3.2. Door X is niet betwist de stelling van de Stichting dat hij voorzitter is van de Stich-ting Leerlingenvervoer Zuid-Nederland. Vanaf 2000 wordt het leerlingenvervoer naar gym- en zwemlessen uitgevoerd door deze stichting. Door de Inspectie en Auditdienst is geconsta-teerd dat de gemeente Roermond zelf het vervoer verzorgde en financierde. De Stichting heeft aan de stichting gelden betaald, terwijl er in Roermond geen of nagenoeg geen kosten waren. Deze besteding van bekostigingsgelden is in strijd met artikel 148 WPO en 182 WPO.

X heeft verwezen naar hetgeen is gesteld onder punt 7.2.5 van het verweerschrift in de hier-boven aangehaalde procedure 166248 / EX RK 07-262. Het onder 7.2.5 opgenomen onder-deel van het verweer bevat een exposé met betrekking tot variabele brandstofkosten en een nuancering van de uitgevoerde berekening welke ten grondslag ligt aan de terugvordering van de Staatssecretaris. Wat er van dit verweer ook zij, het laat onverlet dat bekostigingsgel-den op een met Wet op het primair onderwijs strijdige wijze zijn aangewend. Anders gefor-muleerd: de Stichting heeft betalingen verricht voor diensten welke niet zijn verricht door de stichting Leerlingenvervoer Zuid-Nederland, omdat het vervoer van leerlingen door de ge-meente Roermond is verzorgd en ook is gefinancierd. Bovendien heeft de Stichting een le-ning verstrekt voor de aanschaf van een tweetal bussen ten behoeve van het vervoer door de stichting Leerlingenvervoer Zuid-Nederland en komen de kosten van het onderhoud voor re-kening van de scholen.

Naar het oordeel van de kantonrechter heeft X hierbij een weinig zuivere (dubbel) rol ge-speeld. Als bestuurder van de Stichting en als voorzitter van de Stichting Leerlingenvervoer Zuid-Nederland zijn bekostigingsgelden aangewend op een wijze welke niet anders kan wor-den gekwalificeerd als in strijd met de wet.

C. en D. Sociale veiligheid en rechtspositionele aangelegenheden.

3.3.3 De door de Stichting onder C en D aan de orde gestelde onderwerpen zijn weliswaar ernstig van aard, doch zijn van een geheel andere orde dan de hierboven aan de orde gestelde onrechtmatigheden en het handelen in strijd met de wet. Zelfs indien het verweer van X op deze punten gevolgd zou worden, doet dat niets af aan hetgeen hiervoor ten aanzien van de punten sub A. en sub B. is overwogen. De kantonrechter zal daar verder niet uitgebreid op ingaan, omdat deze argumenten niet van doorslaggevend belang zijn voor de te nemen be-slissing.

3.4. Als gevolg van het in strijd met de wet handelen door het voormalig bestuur, waar-onder X, wordt de Stichting thans geconfronteerd met een beslissing van de Staatssecretaris van OCW om een bedrag van € 905.023,34 van de uitgekeerde bekostiging terug te vorderen. Dat heeft geleid tot een forse aantasting van de vermogenspositie van de Stichting. Nu vast staat dat het X is geweest die op deze punten zowel vanuit zijn positie als bestuurder als van-uit zijn functie van bezoldigd beleidsmedewerker in belangrijke mate verantwoordelijkheden heeft gedragen, is de kantonrechter van oordeel dat voldoende is gebleken dat zijn positie als werknemer van de de Stichting onhoudbaar is geworden.

3.5. De Stichting heeft geconstateerd dat de handelwijze van X de bedrijfsvoering ernstig in gevaar heeft gebracht en in het verlengde daarvan ook de kwaliteit van het onderwijs. Bo-vendien heeft de handelwijze van X de goede naam van de school en van de Stichting aange-tast hetgeen gevolgen heeft voor het aantal aanmeldingen van nieuwe leerlingen en de moge-lijkheden tot het verkrijgen van nieuw personeel.

3.6. Naar het oordeel van de kantonrechter kan van de Stichting niet worden gevergd de arbeidsovereenkomst met X voort te zetten. Er is sprake van een dusdanige verandering in de omstandigheden dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen dadelijk of op korte termijn be-hoort te eindigen. De kantonrechter zal de arbeidsovereenkomst ontbinden met ingang van 15 april 2009.

3.7 Gelet op hetgeen is gebleken ten aanzien van de wijze waarop X zijn taken heeft op-gevat en de gevolgen die dat voor de Stichting heeft gehad, bestaan geen gronden om hierbij nog enige vergoeding aan X toe te kennen. De opgetreden verandering in de omstandigheden is in overwegende mate aan X toe te rekenen. Aan de Stichting kan worden tegengeworpen dat medebestuurders het allemaal hebben laten gebeuren, maar dat neemt de eigen verant-woordelijkheid van X niet weg, te minder nu de verwijten hoofdzakelijk worden gemaakt op de beleidsterreinen waarvoor hij verantwoordelijkheid droeg.

Zijdens X is nog opgemerkt dat de Stichting onzorgvuldig zou hebben gehandeld door ge-ruime tijd te wachten met het indienen van het onderhavige verzoekschrift. Dat doet echter aan het voorgaande niet af. De Stichting heeft immers eerst de beslissing van de procedure in hoger beroep bij het Gerechtshof afgewacht alvorens de beëindiging van het dienstverband met X na te streven. X heeft hier enkel baat bij gehad, omdat zijn aanspraak op loon vanwege de langere termijn waarop het verzoek is ingediend in beginsel ook langer heeft voortbe-staan.

3.8. Het voorgaande leidt dan ook tot de navolgende beslissing. X dient te worden ver-wezen in de kosten van deze procedure.

4. De beslissing

De kantonrechter:

ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen per 15 april 2009;

veroordeelt X in de proceskosten tot aan deze beslissing aan de zijde van de Stichting be-groot op € 788,00, waaronder een bedrag van € 500,-- als bijdrage salaris gemachtigde.

Aldus gegeven te Helmond en in het openbaar uitgesproken op 3 april 2009 door

mr. R.J.M. Cremers, kantonrechter in tegenwoordigheid van de griffier.