Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2009:BH9839

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
31-03-2009
Datum publicatie
02-04-2009
Zaaknummer
609513
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Voorwaardelijk verzoek om ontbinding van de arbeidsovereenkomst afgewezen. Verzoek is okp 26 februari 2009 ter griffie van de rechtbank ontvangen. Geen veranderingen in de omstandigheden die van dien aard zijn dat de arbeidsovereenkomst direct of na korte tijd behoort te eindigen. Voor werknemer was reeds bij het CWI ontslag aangevraagd en verkregen. Werkgever heeft tegen 1 april opgezegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2009-0265
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ‘s-HERTOGENBOSCH

Sector Kanton, lokatie ‘s-Hertogenbosch

Zaaknummer : 609513

EJ verz. : 09-938

Uitspraak : 31 maart 2009

HK

in de zaak van:

[verzoeker],

wonende te Vlijmen,

verzoeker,

gemachtigde: mr. J.J.M. Cliteur, advocaat te ‘s-Hertogenbosch,

t e g e n :

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Koninklijke Sanders B.V.,

gevestigd te Vlijmen,

verweerster,

gemachtigde: mr. J.J.F. van de Voort, advocaat te ‘s-Hertogenbosch.

Partijen worden hierna aangeduid als “[verzoeker]” en “[verweerster]”.

1. De procedure

Bij verzoekschrift, ingekomen ter griffie van de rechtbank, sector kanton, locatie

's-Hertogenbosch, op 26 februari 2009, heeft [verzoeker] verzocht om de arbeidsovereenkomst met [verweerster] voorwaardelijk, namelijk voor het geval deze niet reeds eerder is geëindigd, te ontbinden.

Zijdens [verweerster] is een verweerschrift ingediend, tevens houdende een zelfstandig verzoek.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 19 maart 2009, bij welke gelegenheid partijen de zaak hebben doen bepleiten door hun gemachtigden voornoemd.

Na gevoerd debat is de beschikking bepaald op heden.

2. Inleiding

2.1. Tussen partijen staat als gesteld en erkend dan wel niet (voldoende) betwist, mede op grond van de overgelegde en in zoverre niet bestreden bescheiden, het volgende vast.

2.1.1. [verzoeker] is op 1 september 1978 in dienst getreden van [verweerster], en was laatstelijk werkzaam als linefeeder tegen een bruto salaris van € 1.907,28 per maand, inclusief vakantiegeld. [verzoeker] is thans 46 jaar oud.

2.1.2. [verzoeker] is op 6 december 2003 volledig arbeidsongeschikt uitgevallen voor zijn eigen werk als vorkheftruckchauffeur/logistiek medewerker. Hij ontving een WAO-uitkering conform de klasse 80-100%. Na een herbeoordeling in april 2005 werd [verzoeker] door het UWV nog altijd arbeidsongeschikt geacht voor zijn eigen werk, maar wel geschikt voor passend werk, nu zijn arbeidsongeschiktheid was afgenomen tot minder dan 15%. Met ingang van 1 mei 2006 heeft [verweerster] [verzoeker] als linefeeder tewerk gesteld. [verzoeker] is op 3 juli 2007 opnieuw uitgevallen. [verweerster] heeft zich in de periode daarna, op basis van de aan haar gegeven adviezen door de bedrijfsarts, op het standpunt gesteld dat [verzoeker] wel tot werken in staat was. Nadat [verzoeker] door [verweerster] bij brief van 12 september 2007 tot werkhervatting was opgeroepen en [verzoeker] op deze oproep niet reageerde, is [verzoeker] op 19 september 2007 op staande voet ontslagen.

De kantonrechter heeft bij vonnis van 22 mei 2008 het aan [verzoeker] gegeven ontslag op staande voet nietig verklaard, nu het aan [verzoeker] vanwege psychische problematiek

-die is vastgesteld na het ontslag op staande voet en waarvan [verweerster] niet op de hoogte was- niet kan worden verweten dat hij zijn werkzaamheden op 17 september 2007 niet heeft hervat. [verzoeker] heeft tegen deze beslissing appel ingesteld voor wat betreft de afwijzing van de vordering tot doorbetaling van het salaris.

2.1.3. Bij beslissing van 16 december 2008 heeft het CWI aan [verweerster] de toestemming verleend om de arbeidsovereenkomst met [verzoeker] op te zeggen, nu [verzoeker] langer dan twee jaar ziek is geweest en herstel voorlopig niet valt te verwachten.

2.1.4. Bij brief van 19 december 2008 is door [verweerster] de arbeidsovereenkomst met [verzoeker] opgezegd tegen 1 april 2009.

2.2. [verzoeker] grondt het verzoek op de stelling dat er gewichtige redenen zijn om de arbeidsovereenkomst, voor het geval deze blijkt nog niet te zijn geëindigd, te ontbinden, bestaande in omstandigheden welke van dien aard zijn dat de arbeidsovereenkomst (in dat geval) billijkheidshalve dadelijk of na korte tijd behoort te eindigen. De voorwaardelijkheid vloeit voort uit de omstandigheid dat [verweerster] in de appelprocedure die betrekking heeft op het ontslag op staande voet dat [verzoeker] ten deel is gevallen op 19 september 2007 zich op het standpunt zal stellen dat dat ontslag op staande voet terecht aan [verzoeker] is gegeven.

2.3. Ter toelichting op deze stellingname heeft [verzoeker], kort weergegeven, het volgende aangevoerd.

Het belang van [verzoeker] in het kort vóór 1 april 2009 ingediende verzoekschrift tot ontbinding is gelegen in de omstandigheid dat [verzoeker] een nieuwe procedure in twee instanties wordt bespaard en zo op korte termijn duidelijkheid kan verkrijgen over de visie van de kantonrechter op een vergoeding naar billijkheid bij beëindiging van de arbeidsovereenkomst.

Omstandigheden die meewegen bij een beoordeling van de vergoeding naar billijkheid zijn het omvangrijke dienstverband van [verzoeker], de manier waarop door [verweerster] na de afschatting van [verzoeker] in 2005 is omgegaan met het verlangen van [verzoeker] om weer aan het werk te gaan en de wijze waarop door [verweerster] is omgegaan met het beperkingenpatroon van [verzoeker] op een preventiespreekuur op 15 mei 2007. [verweerster] accepteerde de klachten van [verzoeker] niet, heeft de salarisbetaling stopgezet en heeft [verzoeker] uiteindelijk op staande voet ontslagen. Thans staat vast dat [verzoeker] - in de visie van het UWV vanaf augustus 2007, maar feitelijk al lang daarvoor - fysiek maar vooral psychisch ongeschikt was tot het verrichten van werkzaamheden. Kort gezegd, [verzoeker] voelt zich sedert zijn afschatting in 2005 door [verweerster] buitengewoon onheus bejegend en meent dat [verweerster] zich niet als goed werkgever heeft gedragen, hetwelk bij een beoordeling van de vergoeding naar billijkheid een rol dient te spelen bij de omvang van de correctiefactor in de kantonrechtersformule. Daarnaast staat vast dat op grond van de medische conditie van [verzoeker], zijn positie op de arbeidsmarkt vrijwel uitzichtloos is.

2.4. [verweerster] heeft tegen het verzoek, kort weergegeven, het navolgende tot verweer aangevoerd.

Het is aan [verzoeker] om te stellen en te bewijzen dat er sprake is van veranderingen in de omstandigheden welke van dien aard zijn dat de arbeidsovereenkomst billijkheidshalve dadelijk of na korte tijd behoort te eindigen. [verzoeker] stelt zulks in het geheel niet. Het belang dat [verzoeker] aanvoert, namelijk het bespaard blijven van een kennelijk onredelijk ontslagprocedure, wordt hem ingeval van ontbinding niet “bespaard”, maar wordt daarmee juridisch onmogelijk. Dit is geen verandering van omstandigheden in de zin van artikel 7:685 lid 8 BW.

Verder betwist [verweerster] gemotiveerd dat zij niet als een goed werkgever jegens [verzoeker] heeft gehandeld. [verweerster] heeft destijds de arbeidsongeschiktheidsuitkering van [verzoeker] op grond van haar arbeidsvoorwaarden aangevuld, heeft passende arbeid gecreëerd en ter beschikking gesteld ondanks het ontbreken van een verplichting daartoe, heeft nimmer rauwelijks maatregelen genomen, maar zich steeds verlaten op deskundigen en heeft meermaals aangeboden om de schulden van [verzoeker] kwijt te schelden en aanvullende vergoedingen te betalen. Kortom, [verweerster] ziet niet in op welke wijze [verzoeker] door haar onheus bejegend is.

[verweerster] verzoekt primair de door [verzoeker] verzochte voorwaardelijke ontbinding af te wijzen, en subsidiair, voor zover geoordeeld wordt dat er sprake is van veranderingen in de omstandigheden die rechtvaardigen dat de arbeidsovereenkomst nog vóór 1 april 2009 ontbonden dient te worden, de voorwaardelijke ontbinding uit te spreken zonder enige aan [verzoeker] toe te kennen vergoeding.

3. De beoordeling

3.1. Voorop moet worden gesteld dat een werknemer ingevolge artikel 7:685 BW “te allen tijde” om ontbinding van de arbeidsovereenkomst kan verzoeken. Het feit dat reeds vaststaat dat het dienstverband uiterlijk 1 april 2009 zal eindigen staat aan de ontvankelijkheid van het verzoek dan ook niet in de weg.

3.2. Niet gebleken is voorts dat het onderhavige verzoek verband houdt met een in deze relevant verbod tot opzegging van de arbeidsovereenkomst. Weliswaar is komen vast te staan dat [verzoeker] op dit moment arbeidsongeschikt is, maar niet die ziekte, maar het feit dat [verweerster] in het kader van de opzegging van de arbeidsovereenkomst geen vergoeding aan [verzoeker] heeft aangeboden, vormt de reden om te verzoeken de arbeidsovereenkomst te ontbinden. Onder die omstandigheid hoeft het verbod van artikel 7:670, lid 1 BW evenmin aan een ontbinding in de weg te staan.

3.3. Dat neemt niet weg dat voor ontbinding slechts plaats is na verandering van omstandigheden van dien aard dat de arbeidsovereenkomst billijkheidshalve direct of na korte termijn behoort te eindigen. Daarvan is de kantonrechter niet gebleken. Dat voor [verzoeker] een ontslagvergunning is aangevraagd en verkregen en dat [verweerster] de arbeidsovereenkomst met [verzoeker] tegen 1 april 2009 heeft opgezegd zonder aan [verzoeker] een vergoeding aan te bieden zodat vaststaat dat de arbeidsovereenkomst tegen voornoemde datum eindigt, is weliswaar een verandering van omstandigheden, maar zonder bijkomende omstandigheden niet van dien aard dat daarom de arbeidsovereenkomst vóór

1 april 2009 zou dienen te eindigen.

3.4. Hoewel de kantonrechter de wens van [verzoeker] om snel duidelijkheid te krijgen over een eventueel toe te kennen vergoeding niet onbegrijpelijk vindt, valt zo’n wens niet aan te merken als een verandering van omstandigheden die - op zichzelf beschouwd - ontbinding rechtvaardigt.

3.5. Getuige het verzoekschrift, alsmede de datum van indiening daarvan en het verhandelde ter zitting, streeft [verzoeker] ook niet naar een beëindiging van het dienstverband vóór

1 april 2009, maar stelt hij zich op het standpunt dat het hem gegeven ontslag per

1 april 2009 zonder vergoeding kennelijk onredelijk is gelet op de gevolgen voor [verzoeker]. Voor die beoordeling is echter de procedure ex artikel 7:681 BW bedoeld, waarbij het zogenaamde "gevolgencriterium" van artikel 7:681 lid 2 onder b BW een belangrijke rol speelt. Deze procedure is, onder andere gelet op de (ruimere) mogelijkheid voor debat, eventuele bewijslevering en vatbaarheid voor hoger beroep, met meer waarborgen omgeven dan onderhavige 7:865 BW procedure.

Dat een kennelijk onredelijk ontslagprocedure in de zin van artikel 7:681 BW in casu de meest geëigende weg is, blijkt reeds uit het feit dat de kantonrechter in onderhavige procedure thans nog onvoldoende zicht heeft op de (door [verzoeker] gestelde en door [verweerster] betwiste) feiten en omstandigheden die van belang zijn om aan de hand van risicosfeer en verwijtbaarheid te komen tot een afdoende gewogen beslissing op de vraag òf aan [verzoeker] een vergoeding dient te worden toegekend, en zo ja de hoogte daarvan. In dit verband wordt als voorbeeld verwezen naar de appelprocedures die thans nog lopen ten aanzien van het ontslag op staande voet en de loondoorbetaling van [verzoeker], waarin het gerechtshof (ondermeer) nog een oordeel gaat geven over de in onderhavig verzoek door [verweerster] gemotiveerd betwiste verwijten die [verzoeker] heeft geuit over de wijze waarop door [verweerster] na de afschatting van [verzoeker] in 2005 met hem is omgegaan en de eventuele gevolgen van de verzekeringsgeneeskundige verklaring de dato 19 februari 2009 waarin in het kader van een “amber toets” de eerste arbeidsongeschiktheidsdag van [verzoeker] arbitrair is vastgesteld op 18 augustus 2007.

3.6. Daarenboven ligt, bij in achtneming van de regel dat [verzoeker] een zekere termijn moet worden geboden voor intrekking indien de kantonrechter zou besluiten geen dan wel een lagere dan verzochte vergoeding toe te kennen, ontbinding vóór 1 april 2009 niet in de rede, te meer nu in laatstgenoemd geval dan vervolgens het zelfstandig verzoek van [verweerster] ter beoordeling voorligt.

3.7. Slotsom is, dat het voorwaardelijk verzoek van [verzoeker] dient te worden afgewezen.

3.8. Door afwijzing van het verzoek van [verzoeker], waarmee het primaire verweer van [verweerster] wordt gevolgd, komt de beoordeling van het zelfstandig verzoek van [verweerster] niet meer aan de orde.

3.9. De proceskosten zullen worden gecompenseerd als na te melden.

3.10. Aldus wordt beslist als volgt.

4. De beslissing

De kantonrechter:

wijst het voorwaardelijke verzoek van [verzoeker] af;

compenseert de proceskosten tussen partijen in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Aldus gegeven en in het openbaar uitgesproken op 31 maart 2009 door mr. J.G.M. van Meel, kantonrechter te 's-Hertogenbosch, in tegenwoordigheid van de griffier.

Zaaknummer: 609513 blad 5

beschikking