Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2009:BH9703

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
26-03-2009
Datum publicatie
02-04-2009
Zaaknummer
581256
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Verstek
Inhoudsindicatie

EEX-Vo (Brussel I), artikel 3:37 lid 3 BW, WCK, Weigering EET-waarmerking

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2009, 79
JBPR 2009/35 met annotatie van mw. mr. dr. M. Freudenthal
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ‘s-HERTOGENBOSCH

Sector Kanton, locatie Eindhoven

In de zaak van:

de besloten vennootschap Lage Landen Financial Services BV,

gevestigd te Eindhoven,

eiseres,

gemachtigde: GGN Brabant, gerechtsdeurwaarders te Tilburg,

t e g e n :

[gedaagde],

zonder bekende woon- en/of verblijfplaats binnen het Koninkrijk der Nederlanden, wonende in België, [adres],

gedaagde,

niet verschenen,

heeft de kantonrechter te Eindhoven, in navolging op het tussenvonnis van 16 oktober 2008 en op het tussenvonnis van 12 februari 2009 het navolgende vonnis gewezen.

1. De procedure

1.1. De kantonrechter heeft acht geslagen op de volgende processtukken:

- de akte van 26 februari 2009 en de daaraan gehechte drie producties.

1.2. Aan gedaagde is abusievelijk op 26 februari 2009 een rolbericht gestuurd, dit naast de – terechte - toezending van de beide eerdere vonnissen in deze zaak. Nu gedaagde niet is verschenen dienen aan hem geen rolberichten te worden toegezonden. Niettemin heeft gedaagde geen reden gezien om of naar aanleiding van de tussenvonnissen of naar aanleiding van het rolbericht alsnog te verschijnen en het verstek te zuiveren.

1.3. Partijen zullen hierna “Lage Landen” en “[gedaagde]” worden genoemd.

1.4. De uitspraak is bepaald op heden.

2. De verdere beoordeling

2.1. De kantonrechter volhardt bij zijn tussenvonnissen van 16 oktober 2008 en 12 februari 2009, zij het met als aanvulling op rechtsoverweging 2.5. van laatstgenoemd vonnis dat het adres van [gedaagde] ten tijde van het sluiten van de overeenkomst met Lage Landen was [adres] [plaatsnaam], gemeente Woensdrecht, en derhalve dit adres gelegen is in het Nederlandse deel van de kern [plaatsnaam].

2.2. Lage Landen heeft bij akte van 26 februari 2009 betoogd dat de aan [gedaagde] gestuurde eerste ingebrekestelling, als overgelegd als productie 3 en gericht aan het hierboven genoemd adres in [plaatsnaam], retour is gekomen met - zoals de kantonrechter zelf heeft opgemerkt - de aantekening “ vertrokken/onbewoond”. Lage Landen merkt op dat [gedaagde] nimmer, en dit in strijd met artikel 7 van de algemene voorwaarden, een adreswijziging heeft gestuurd. Lage Landen heeft vervolgens wederom een ingebrekestelling verstuurd (productie 4). De door 2 geïncasseerde bedragen werden, aldus Lage Landen verwijzend naar het als productie 5 overgelegde overzicht, meteen gestorneerd.

2.3. Op basis van de verschafte informatie kan niet worden vastgesteld dat enige ingebrekestelling [gedaagde] heeft bereikt, zij het dat dit – mede gezien genoemd artikel 7 van de algemene voorwaarden – op de voet van artikel 3:37 lid 3 BW in beginsel aan [gedaagde] zelf kan worden toegerekend.

2.4. Voorts heeft Lage Landen erop gewezen dat vervroegde opeisbaarheid van het krediet (ook) mogelijk is als de kredietnemer Nederland metterwoon heeft verlaten. [gedaagde] is op 30 augustus 2007 uit de gemeentelijke basisadministratie uitgeschreven in verband met vertrek uit Nederland

2.5. De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat vervroegde opeising – of – in de formulering van Lage Landen als in onderdeel 2 van de dagvaarding benut – ‘opzegging’ van het krediet wegens het metterwoon Nederland hebben verlaten, is toegestaan in artikel 33 lid 1 sub c onder 2 WCK. Hiertoe is geen nadere formaliteit of ingebrekestelling vereist. Dat [gedaagde] Nederland metterwoon heeft verlaten blijkt uit de aanhef van de dagvaarding, alsook uit het als onderdeel van de dagvaarding overgelegde uittreksel van “Raadpleging Rijksregister”, waaruit blijkt dat [gedaagde] zich op 4 augustus heeft ingeschreven op zijn huidig adres in Antwerpen, België. Lage Landen kan zich op deze opeisingsgrond derhalve beroepen zonder dat artikel 130 lid 3 Rv van toepassing moet worden geacht.

2.6. Uit het voorgaande blijkt dat Lage Landen het krediet kon opeisen. De vordering van Lage Landen kan worden toegewezen nu zij, mede vanwege de door Lage Landen zelve als aangebrachte beperking, de kantonrechter na uitvoering van de vereiste ambtshalve toetsingen - ook ten aanzien van de gevorderde contractuele vertragingsrente aan artikel 4 van het Besluit Kredietvergoeding - onrechtmatig noch ongegrond voorkomt, behalve ten aanzien van de dag tot welke de contractuele rente verschuldigd is.

Nu niet is onderbouwd waarom – in afwijking van artikel 6:44 BW - aanspraak zou bestaan op rente tot de dag der algehele voldoening, zal de contractuele rente over de hoofdsom worden toegewezen tot de dag der voldoening.

2.7. [gedaagde] zal, nu de hierna te bespreken weigering van EET-waarmerking niet van betekenis is voor de proceskostenveroordeling, als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten van Lage Landen. Nu Lage Landen de bij twee tussenvonnissen verzochte informatie terstond bij dagvaarding in het geding had dienen te brengen teneinde de kantonrechter aanstonds in staat te stellen zijn ambtshalve taak op grond van de EEX-Vo en de WCK uit te voeren, zal ter zake proceskosten aan Lage Landen slechts één punt in het kader van het gehanteerde Liquidatietarief worden toegekend.

2.8. De gevorderde uitvoerbaar bij voorraadverklaring zal eveneens worden toegewezen.

2.9. De verzochte EET-waarmerking zal worden geweigerd op de gronden als genoemd in rechtsoverweging 3.4. van het tussenvonnis van 16 oktober 2008, nu uit het voorgaande blijkt dat [gedaagde] als consument de krediettransactie met Lage Landen heeft gesloten en de kantonrechter derhalve niet bevoegd is de waarmerking af te geven.

De beslissing:

De kantonrechter:

veroordeelt [gedaagde] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan Lage Landen te betalen een bedrag van € 2.639,09 te vermeerderen met de variabele contractuele vertragingsrente ad – op het moment van dagvaarden - 13,00 % per jaar, voor zover dit percentage het ingevolge de Wet op het Consumentenkrediet maximaal toegestane percentage niet te boven gaat, vanaf 28 juli 2008 over dit bedrag tot de dag der voldoening;

veroordeelt [gedaagde] in de kosten van het geding, aan de zijde van Lage Landen tot op heden begroot op € 561,11, waarvan € 386,11 wegens verschotten (zijnde tweemaal kosten van dagvaarding en griffierecht) en € 175,= wegens salaris gemachtigde, niet met BTW belast;

verklaart dit vonnis in zo verre uitvoerbaar bij voorraad;

weigert de verzochte EET-waarmerking.

Gewezen door mr. R.R.M. de Moor, kantonrechter, en op donderdag 26 maart 2009 uitgesproken ter openbare terechtzitting in tegenwoordigheid van de griffier.