Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2009:BH9676

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
12-02-2009
Datum publicatie
02-04-2009
Zaaknummer
581256
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Verstek
Inhoudsindicatie

Vervolg op LJN BH9604. Bevoegdheid van de Nederlandse rechter op grond van artikel 17 Vo-EG nr. 44/2001 (Brussel I). Geldlening, WCK.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBPR 2009/35 met annotatie van mw. mr. dr. M. Freudenthal
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ‘s-HERTOGENBOSCH

Sector Kanton, locatie Eindhoven

In de zaak van:

de besloten vennootschap Lage Landen Financial Services BV,

gevestigd te Eindhoven,

eiseres,

gemachtigde: GGN Brabant, gerechtsdeurwaarders te Tilburg,

t e g e n :

[gedaagde],

zonder bekende woon- en/of verblijfplaats binnen het Koninkrijk der Nederlanden, wonende in België, [adres],

gedaagde,

niet verschenen,

heeft de kantonrechter te Eindhoven, in navolging op het tussenvonnis van 16 oktober 2008, het navolgende vonnis gewezen.

1. De procedure

1.1. De kantonrechter heeft acht geslagen op de volgende processtukken:

* de akte van 27 november 2008 zijdens eiseres, met daarbij twee producties.

1.2. De uitspraak is thans bepaald op heden.

1.3. Partijen zullen hierna “Lage Landen” en “[gedaagde]” worden genoemd.

2. Het verdere geschil en de beoordeling

2.1. De kantonrechter volhardt bij zijn tussenvonnis van 16 oktober 2008.

2.2. Lage Landen heeft bij akte een afschrift van de overeenkomst inzake productfinanciering particulieren van 20 november 2006 overgelegd. Uit dit afschrift blijkt, zo stelt Lage Landen, dat [gedaagde] ten tijde van het sluiten van de overeenkomst woonachtig was in Nederland. Voorts overlegt Lage Landen een afschrift van de toepasselijke Algemene Voorwaarden, waarin – aldus Lage Landen – artikel 18 een bepaling bevat over toepasselijk recht en rechterlijke bevoegdheid.

Bevoegdheid

2.3. Artikel 17 van de Verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, de zogenaamde Brussel I –Vo (hierna te noemen EEX-Vo) bepaalt dat van afdeling 4 slechts kan worden afgeweken indien, zo bepaalt lid 3: “…waarbij een consument en zijn wederpartij die op het tijdstip waarop de overeenkomst wordt gesloten woonplaats of hun gewone verblijfplaats in dezelfde lidstaat hebben, de gerechten van die lidstaat bevoegd verklaren, tenzij het recht van dit lidstaat dergelijke overeenkomsten verbiedt”.

2.4. Lage Landen heeft bij haar akte de overeenkomst tussen haar en [gedaagde], wonende te [plaatsnaam] Nederland overgelegd. Bij de overeenkomst is een kopie van de identiteitskaart van [gedaagde] gevoegd.

De op de overeenkomst van toepassing zijnde Algemene Voorwaarden zijn overgelegd als productie 2 bij de akte. Artikel 18: Geschillen bevat in de eerste alinea een rechtskeuze voor Nederlands recht. Het artikel bepaalt verder in de tweede alinea dat: “Alle geschillen die voortvloeien of verband houden met (financierings)overeenkomsten tussen De Lage Landen en Kredietnemer zullen worden voorgelegd aan de burgerlijke rechter in Nederland die bevoegd (onleesbaar, ktr) (…) van kennis te nemen”

2.5. Uit de overgelegde overeenkomst blijkt volgens de kantonrechter dat ten tijde van het sluiten van de onderhavige overeenkomst in november 2006, Lage Landen in Nederland te Eindhoven is gevestigd en dat [gedaagde], met de Belgische nationaliteit, woonplaats had in Nederland en wel te [plaatsnaam]. De van toepassing zijnde persoonsgegevens van de identiteitskaart van [gedaagde] komen overeen met de overeenkomst.

De kantonrechter acht zich dan ook bevoegd het onderhavige geschil te beoordelen, nu het een in Nederland gesloten geldleningovereenkomst betreft waarbij ten tijde van het sluiten van de overeenkomst zowel de consument en de kredietgever beiden hun woonplaats in Nederland hadden. Aldus is voldaan aan artikel 17 lid 3 EEX-Vo (zie onderdeel 2.3.).

Nu ‘slechts’ in algemene zin voor geschilbeslechting de Nederlandse rechter is aangewezen die – naar de kantonrechter begrijpt - “bevoegd is hiervan kennis te nemen” is artikel 108 lid 2 Rv immers niet geschonden. Er wordt juist geen andere rechter aangewezen dan de (naar Nederlands recht) relatief bevoegde rechter. Ten slotte verbiedt Nederland het aangaan van een geldleningovereenkomst als de onderhavige niet.

2.6. Op de onderhavige overeenkomst is –zoals Lage Landen zelf terecht heeft aangegeven - de WCK van toepassing. Ten behoeve van de ambtshalve toets van de kantonrechter in dergelijke zaken, zie overweging 3.3. van het tussenvonnis, heeft Lage Landen een afschrift van de geldleningovereenkomst en de daarbij horende Algemene Voorwaarden overgelegd.

De Algemene Voorwaarden bevat in artikel 12, eerste aandachtstreepje, een vervroegd opeisingsbeding dat in overeenstemming is met artikel 33 lid c, onder 1 WCK. De kantonrechter kan en dient dit ambtshalve vast te stellen.

Echter heeft Lage Landen nog niet – mogelijk omdat daar niet expliciet naar is gevraagd - de ingebrekestelling die op grond van het bepaalde in artikel 34, aanhef en sub b WCK, vooraf dient te gaan aan het in rekening brengen van de vertragingsvergoeding, en die op grond van het bepaalde in artikel 33, aanhef en sub c onder 1 WCK vooraf dient te gaan aan de algehele opeising, over te leggen. Daarnaast dient Lage Landen – voor het geval de ingebrekestelling niet voorhanden is of ondeugdelijk wordt bevonden – volledigheidshalve ook een overzicht van verschenen termijnen tot datum dagvaarding en gedane betalingen tot die datum over te leggen.

2.7. De zaak zal wederom worden verwezen naar de rol voor akte zijdens Lage Landen voor het in geding brengen van de bedoelde ingebrekestelling en bedoeld overzicht.

2.8. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

3. De beslissing

De kantonrechter:

verwijst de zaal naar de rol van donderdag 26 februari 2009 voor akte overlegging producties als bedoeld in onderdeel 2.7.;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Gewezen door mr. R.R.M. de Moor, kantonrechter, en op donderdag, 12 februari 2009 uitgesproken ter openbare terechtzitting in tegenwoordigheid van de griffier.