Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2009:BH8260

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
19-03-2009
Datum publicatie
27-03-2009
Zaaknummer
AWB 08-179
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Geografische beperking (rijden alleen in Nederland) verbonden aan vrachtwagenrijbewijs. Overgangsrecht uit Bijlage bij Regeling eisen geschiktheid 2000.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-HERTOGENBOSCH

Sector bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 08/179

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 maart 2009

inzake

[eiser]

te [plaats],

eiser,

tegen

de Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen,

te Rijswijk,

verweerder

gemachtigde mr. M.C.A. van den Hill-van Vliet.

Procesverloop

Eiser heeft op 19 april 2007 bij verweerder een aanvraag ter registratie van een Verklaring van geschiktheid voor een rijbewijs ingediend.

Bij besluit van 25 juli 2007 heeft verweerder aan eiser meegedeeld dat op basis van artikel 103 van het Reglement rijbewijzen, juncto paragraaf 3.2.1.b. van de Bijlage bij Regeling eisen geschiktheid 2000 (hierna: de Regeling) hem een Verklaring van geschiktheid voor een rijbewijs met de categorieën C/CE/D/DE wordt geweigerd.

Tegen dit besluit heeft eiser bij schrijven van 23 augustus 2007 bij verweerder bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 6 december 2007 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard, het bestreden besluit van 25 juli 2007 in stand gelaten en het verzoek om vergoeding van de gemaakte kosten afgewezen.

Eiser heeft tegen dit besluit bij brief van 14 januari 2008 beroep ingesteld.

Op 6 februari 2008 heeft eiser de gronden van het beroep nader onderbouwd.

Bij besluit van 22 januari 2008 heeft verweerder vervolgens meegedeeld dat uit de bij verweerder bekende gegevens blijkt dat bij eiser sprake is van een functiebeperking van het linkeroog. Gelet hierop en uitgaande van de daarna door eiser met goed gevolg afgeronde rijtest, is verweerder alsnog tot de beslissing gekomen dat eiser geschikt is voor het besturen van motorrijtuigen van de categorieën B, C, E bij B, E bij C met de volgende beperkingen van de rijbevoegdheid:

voor de categorieën B, E bij B geldt de code: 01.06 (bril of contactlenzen).

voor de categorieën C, E bij C gelden de codes: 05.02 NL (alleen rijden binnen Nederland) en 01.06 (bril of contactlenzen).

Verweerder heeft bij schrijven van 18 maart 2008 een verweerschrift overgelegd.

Het beroep is behandeld ter zitting van 27 januari 2009 waar eiser in persoon is verschenen en verweerder bij zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Bij het besluit van 22 januari 2008 heeft verweerder onder andere, onder wijziging van het bestreden besluit op dat punt, alsnog een Verklaring van geschiktheid afgegeven aan eiser voor het besturen van een vrachtwagen met aanhanger, echter met de beperking dat alleen rijden binnen Nederland is toegestaan (code 05.02 NL; eiser kan daardoor een zogeheten geografisch beperkt vrachtwagenrijbewijs krijgen).

2. Ingevolge artikel 6:18, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) brengt het aanhangig zijn van een beroep geen verandering in de bestaande bevoegdheid tot intrekking of wijziging van een besluit. Indien een bestuursorgaan een besluit heeft genomen als zojuist bedoeld, wordt op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb het beroep geacht mede te zijn gericht tegen het nieuwe besluit, tenzij dat besluit aan het beroep geheel tegemoet komt.

3. Gelet op het feit dat een geografische beperking aan de Verklaring van geschiktheid voor het besturen van vrachtwagens is verbonden, dient te worden vastgesteld dat verweerder met het besluit van 22 januari 2008 niet geheel tegemoet is gekomen aan het beroep van eiser. Dit beroep moet derhalve geacht worden mede te zijn gericht tegen dat besluit.

4. Ter zitting heeft eiser aangegeven dat het onderhavige geschil zich toespitst op de vraag, of verweerder terecht en op goede gronden het standpunt heeft ingenomen evengenoemde geografische beperking aan de Verklaring van geschiktheid te verbinden. De rechtbank zal zich bij haar beoordeling tot dit punt beperken.

5. Verweerder heeft aan het besluit - kort weergegeven - ten grondslag gelegd dat uit het keuringsrapport van oogarts Koetsier, die eiser op 30 mei 2007 heeft onderzocht, blijkt dat de visus van het rechteroog met correctie 1,00 bedraagt. Tevens blijkt dat de visus van het linkeroog na correctie 0,05 is. Nu de visus van het linkeroog na correctie slechts 0,05 bedraagt, voldoet eiser niet aan het gestelde in paragraaf 3.2.1. onder b, van de Bijlage bij de Regeling.

Personen die vóór 1 juli 1996 geschikt zijn verklaard voor een rijbewijs van groep 2 mogen ook na die datum worden beoordeeld volgens de normen die werden toegepast in de tijd toen zij geschikt zijn verklaard. Betrokkene heeft aannemelijk gemaakt dat hij in 1962 geschikt is verklaard voor de rijbewijzen van groep 2. Volgens verweerder dient eiser derhalve, gelet op de overgangsregeling die in paragraaf 3.2.1. onder b., van de Bijlage bij de Regeling is opgenomen, wat betreft de onderhavige Verklaring van geschiktheid te worden beoordeeld naar de normen die destijds golden.

Verweerder heeft de richtlijnen die in 1962 golden evenwel niet kunnen achterhalen. De Gezondheidsraad heeft in 1966 een rapport opgesteld waarin richtlijnen omtrent de visus zijn opgenomen. In dit rapport is een bescherming van bestaande rechten opgenomen. Gelet op de onderzoeksresultaten van de oogarts Koetsier voldoet eiser niet aan de richtlijnen die in 1966 golden voor de aanvraag van verlenging van rijbewijzen van groep 2. Nu niet aannemelijk is dat de richtlijnen vóór 1966 minder streng zijn geweest, wordt aannemelijk geacht dat eiser evenmin voldoet aan de richtlijnen die in 1962 golden. Gelet hierop is eiser voorheen in strijd met de geldende richtlijnen en wettelijke voorschriften geschikt bevonden voor rijbewijzen van groep 2. Verweerder kan rechtens niet gehouden worden om thans een eerder in strijd met wettelijke voorschriften gevolgde gedragslijn te herhalen. De eisen ten aanzien van de visus vinden hun basis in de relevante Europese Richtlijn (91/439/EEG, bijlage III, van 29 juli 1991). Nu de Regeling een algemeen verbindend voorschrift betreft, vloeit hieruit een beperking voort van de af te wegen belangen.

6. Eiser stelt - kort samengevat - dat de beslissing van verweerder is gebaseerd op de aanname dat hij in 1962 niet zou hebben voldaan aan de richtlijnen waaraan hij toen is getoetst. Verweerder heeft aangegeven dat hij de toen geldende regels niet heeft kunnen achterhalen. Dat eiser niet aan genoemde richtlijnen zou hebben voldaan, kan derhalve niet als bewezen worden beschouwd. Het staat derhalve geenszins vast dat de destijds door verweerder gevolgde richtlijn in strijd met de wettelijke voorschriften is geweest. Het argument van verweerder dat hij rechtens niet gehouden kan worden om een eerder in strijd met wettelijke voorschriften gevolgde gedragslijn te herhalen, houdt derhalve geen stand.

Eiser heeft tevens verwezen naar een onderzoek van de Europese Commissie naar de eisen waaraan het gezichtsvermogen van bestuurders zou moeten voldoen. Er is een rapport uitgebracht, gepubliceerd in mei 2005, onder de titel “New Standards for the visual functions of drivers”. Eiser verzoekt de rechtbank al de door hem in dit verband overgelegde informatie mee te wegen in de beslissing.

7. Het wettelijk kader is als volgt.

8. Artikel 97, eerste lid, van het Reglement rijbewijzen luidt als volgt:

Verklaringen van geschiktheid worden op aanvraag en tegen betaling van het daarvoor vastgestelde tarief door het CBR in het rijbewijzenregister geregistreerd ten behoeve van een ieder die voldoet aan de bij ministeriële regeling vastgestelde eisen met betrekking tot de lichamelijke en geestelijke geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen. Het CBR doet van deze registratie mededeling aan de aanvrager.

9. Artikel 103 van het Reglement rijbewijzen luidt als volgt:

1. Indien de aanvrager naar het oordeel van het CBR voldoet aan de bij ministeriële regeling vastgestelde eisen ten aanzien van de lichamelijke en geestelijke geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen van de rijbewijscategorie of rijbewijscategorieën waarop de aanvraag betrekking heeft, registreert het in het rijbewijzenregister ten behoeve van de aanvrager voor die categorie of categorieën een verklaring van geschiktheid.

2. (..).

3. (..).

4.

5. Indien de aanvrager naar het oordeel van het CBR aan de bij ministeriële regeling vastgestelde eisen met betrekking tot de lichamelijke en geestelijke geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen van de rijbewijscategorie of rijbewijscategorieën waarop de aanvraag betrekking heeft, slechts voldoet indien hij het motorrijtuig bestuurt binnen een geografisch beperkt gebied, registreert het CBR dat gebied in het rijbewijzenregister door middel van een bij ministeriële regeling vastgestelde codering.

6. (..).

10. Artikel 1 van de Regeling luidt als volgt:

In deze Regeling wordt verstaan onder:

a. (..);

b. groep 2: bestuurders van motorrijtuigen van de categorieën C, C + E, D en D + E.

11. Artikel 2 van de Regeling luidt:

De eisen met betrekking tot de lichamelijke en geestelijke geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen worden vastgesteld overeenkomstig de bij deze regeling behorende bijlage.

12. De Bijlage bij de Regeling luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

Hoofdstuk 3. Stoornissen van het gezichtsorgaan

3.1. Inleiding

In dit hoofdstuk worden de eisen aan de geschiktheid gegeven voor het gezichtsorgaan.

3.2. Gezichtsvermogen

De hierna gegeven normen voor gecorrigeerde visus, brekingsafwijkingen (bril, contactlenzen), gezichtsvelden enzovoort gelden met inachtneming van het gestelde in paragraaf 3.3 t/m 3.6.

3.2.1. Gecorrigeerde visus

a. (..).

b. groep 2: De visus van het beste oog dient, eventueel gecorrigeerd, ten minste 0,8 te bedragen en van het minder goede oog, eventueel gecorrigeerd, ten minste 0,5. Indien de waarden 0,8 en 0,5 met een optische correctie worden bereikt, dient de ongecorrigeerde visus van ieder oog niet minder dan 0,05 te bedragen.

Personen die vóór 1 juli 1996 geschikt zijn verklaard voor een rijbewijs van groep 2, mogen ook na die datum worden beoordeeld volgens de normen die werden toegepast in de tijd toen zij geschikt zijn verklaard.

3.4. Verlies van een oog

Ongeschiktheid voor het besturen van een motorrijtuig treedt op bij plotseling verlies van (het gebruik van) één oog, dus ook bij storende diplopie waarbij afdekken van één oog noodzakelijk is. De betrokkene kan na een aanpassingsperiode van ten minste drie maanden weer geschikt worden verklaard voor rijbewijzen van groep 1.

In uitzonderingsgevallen (zie artikel 19 van het Reglement rijbewijzen) kan een persoon na genoemde aanpassingsperiode, na keuring en mede op grond van een rijtest afgenomen door een deskundige van het CBR (zie paragraaf 3.5), weer geschikt worden verklaard voor een geografisch beperkt rijbewijs van groep 2.

13. De rechtbank overweegt dienaangaande als volgt.

14. Het geschil heeft betrekking op een Verklaring van geschiktheid voor groep 2 (zware vrachtwagens, al dan niet met een aanhangwagen).

Vaststaat dat de visus van eiser (gezichtsscherpte van het linkeroog) niet voldoet aan hetgeen is bepaald in paragraaf 3.2.1. onder b, van de Bijlage bij de Regeling.

15. De rechtbank stelt voorts vast dat de Bijlage bij de Regeling als algemeen verbindend voorschrift moet worden aangemerkt en dat het verweerder niet vrij staat hiervan af te wijken. De uitkomst van de meting van de visus van eiser door oogarts Koetsier is bepalend voor de beantwoording van de vraag of voldaan is aan paragraaf 3.2.1. onder b., eerste volzin, van de Bijlage bij de Regeling. Het afleggen van een rijtest kan in dat verband, nu de visus van eiser onvoldoende is, gelet op artikel 103, eerste lid, van het Reglement rijbewijzen niet leiden tot afgifte van de door eiser gewenste Verklaring van geschiktheid zonder geografische beperking. Verweerder kan rechtens niet worden gehouden een eerder - wellicht ook ten aanzien van eiser - in strijd met de wettelijke voorschriften gevolgde gedragslijn te herhalen.

Ook kan het betoog van eiser dat hij jarenlang zonder schade heeft gereden, niet leiden tot het door hem gewenste resultaat. Evengenoemd artikel 103, eerste lid, gelezen in samenhang met paragraaf 3.2.1. onder b, van de Bijlage bij de Regeling, biedt immers geen ruimte voor de afgifte van een Verklaring van geschiktheid op die grond. De rechtbank wijst in dit verband ook op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 4 juli 2007, www.rechtspraak.nl, LJN: BA8715.

16. Gelet op het bepaalde in paragraaf 3.2.1. onder b, tweede volzin, van deze Bijlage mogen personen die vóór 1 juli 1996 geschikt zijn verklaard voor een rijbewijs van groep 2 evenwel ook na die datum worden beoordeeld volgens de eerdere normen.

17. Eiser - geboren op 22 juni 1944 - is in 1962 geschikt bevonden voor het besturen van motorrijtuigen onder andere van de onderhavige categorie. Verweerder heeft de in 1962 relevante normen echter niet kunnen achterhalen. Ook eiser heeft deze niet overgelegd.

Verweerder gaat er blijkens het bestreden besluit vanuit dat in 1962 de richtlijnen golden zoals opgenomen in het rapport van de Gezondheidsraad van 1966 en hij heeft betoogd dat deze richtlijnen de eerst gepubliceerde richtlijnen zijn.

Ingevolge deze richtlijnen gelden voor personen die reeds in het bezit zijn van een rijbewijs van de categorie CE de volgende eisen: de visus van beide ogen tezamen dient 0,5 te bedragen waarbij het slechtste oog minimaal 0,1 bedraagt.

Tot begin jaren tachtig werd voor normen ten aanzien van de visus aangesloten bij de richtlijnen van de Gezondheidsraad (ABRvS 20 juli 2005, LJN: AT9658).

18. Ter zitting heeft verweerder ten slotte nog aangegeven dat vóór 1966 van belang was artikel 110 van het Wegenverkeersreglement en dat op die basis het oordeel van de betrokken oogarts omtrent de rijvaardigheid van een aanvrager beslissend werd geacht.

19. 17. De rechtbank stelt vast dat op grond van artikel 110 van het Wegenverkeersreglement (Stb. 1950, K 377) een aan het CBR verbonden geneeskundige bevoegd was te vorderen, dat de aanvrager van een verklaring van geschiktheid zich, op eigen kosten, onderwerpt aan een onderzoek door één of meer door hem aangewezen geneeskundigen. Ingevolge het tweede lid van dit artikel 110 mocht dit onderzoek - indien de aanvrager de leeftijd van 60 jaren had bereikt - slechts betreffen de punten waaromtrent in de verklaring (bijlage model 152 voorzijde) en in het geneeskundig verslag (bijlage model 152 achterzijde) vragen zijn gesteld. De rechtbank constateert dat op de achterzijde van model 152 (Stb. 1950, K 377, blz. 274) onder andere de volgende vraag, ter beantwoording door de geneeskundige, werd gesteld:

“Zoudt gij U veilig voelen als passagier van een motorrijtuig waarvan de zojuist door U onderzochte aanvrager, afgezien van zijn technische rijvaardigheid, als bestuurder optreedt?”

Ten slotte diende die geneeskundige te verklaren of de aanvrager niet/wel in staat kon worden geacht tot het besturen van motorrijtuigen in het algemeen.

20. De rechtbank is op basis van het vorenstaande van oordeel dat de vóór 1966 geldende regeling aldus moet worden opgevat dat toen concrete, objectieve eisen ten aanzien van de visus ontbraken. De subjectieve conclusie van de betrokken (oog)arts met betrekking tot de rijvaardigheid van een persoon werd destijds doorslaggevend geacht. Naar het oordeel van de rechtbank dient deze subjectieve conclusie als de norm te worden aangemerkt die destijds werd toegepast als bedoeld in de laatste volzin van paragraaf 3.2.1. onder b, van de Bijlage bij de Regeling.

21. Op grond van vorenstaande overwegingen is de rechtbank tot het oordeel gekomen, dat het bestreden besluit van 22 januari 2008 wat betreft de aan de onderhavige Verklaring van geschiktheid verbonden geografische beperking ten onrechte is gebaseerd op de richtlijnen uit 1966 en in zoverre wegens een motiveringsgebrek niet in rechte stand kan houden.

22. Aan een beoordeling van de overige grieven van eiser komt de rechtbank thans niet toe.

Ter voorlichting van eiser merkt de rechtbank nog op dat het vorenstaande niet uitsluit dat verweerder bij het nemen van een nieuw besluit opnieuw niet tot het door eiser gewenste resultaat komt.

23. Onder de gegeven omstandigheden ziet de rechtbank aanleiding te bepalen dat verweerder het door eiser gestorte griffierecht dient te vergoeden. Voor een veroordeling in de proceskosten is hier geen plaats.

24. Beslist wordt als volgt.

Beslissing

De rechtbank,

- verklaart het beroep gegrond wat betreft de aan de Verklaring van geschiktheid ten behoeve van de categorieën C, E bij C verbonden code 05.02NL (alleen rijden binnen Nederland);

- vernietigt het bestreden besluit van 22 januari 2008 in zoverre;

- bepaalt dat verweerder een nieuw besluit op het bezwaar van eiser dient te nemen;

- gelast verweerder aan eiser terug te betalen het door eiser gestorte griffierecht ad € 143,--.

Aldus gedaan door mr. A.A.H. Schifferstein als rechter in tegenwoordigheid van mr. J.F.M. Emons als griffier en in het openbaar uitgesproken op 19 maart 2009.

Partijen kunnen tegen deze uitspraak binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag.

Afschriften verzonden: