Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2009:BH7647

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
17-03-2009
Datum publicatie
25-03-2009
Zaaknummer
AWB 08-1666 en AWB 08-3187
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:CRVB:2010:BN7056
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Betrokkene heeft recht op een uitkering ingevolge de Ziektewet. Het Uwv heeft ingevolge artikel 26, eerste lid, van de Wet WIA een plan van aanpak voor betrokkene opgesteld. Vervolgens heeft het Uwv ingevolge artikel 30a, derde lid, van de Wet Suwi, een re-integratieplan laten opstellen door een re-integratiebedrijf.

De rechtbank is van oordeel dat het plan van aanpak kan worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. In het plan van aanpak zijn de uit de wet voortvloeiende rechten en verplichtingen bindend voor partijen vastgesteld. Zo moet eiser zich beschikbaar stellen voor re-integratieactiviteiten, moet hij actief en gemotiveerd meewerken aan de re-integratie en is hij verplicht vier keer per maand aantoonbaar te solliciteren.

Anders oordeelt de rechtbank ten aanzien van het re-integratieplan. De rechtbank volgt verweerder niet in diens oordeel dat ieder re-integratieplan kan worden aangemerkt als een besluit omdat daarin een nadere concretisering plaatsvindt van de in het plan van aanpak gemaakte afspraken met betrekking tot de re-integratie. Naar het oordeel van de rechtbank dient bij elk re-integratieplan te worden nagegaan of daarin verplichtingen en rechten van de uitkeringsgerechtigde zijn vermeld die niet reeds in het plan van aanpak zijn vermeld. In dit verband verwijst de rechtbank naar artikel 30a, vierde lid, van de Wet Suwi. In onderhavig re-integratieplan is weliswaar een nadere uitwerking opgenomen van hetgeen in het plan van aanpak staat vermeld. Zo worden de mogelijkheden van eiser op de arbeidsmarkt nader besproken en wordt nader uiteengezet op welke wijze de re-integratie zal verlopen en binnen welk tijdsbestek. In dit re-integratieplan staan echter geen (nieuwe) zelfstandige rechten of verplichtingen van partijen vermeld. Derhalve is geen sprake van een besluit als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-HERTOGENBOSCH

Sector bestuursrecht

Zaaknummers: AWB 08/1666 en AWB 08/3187

Uitspraak van de meervoudige kamer van 17 maart 2009

inzake

[eiser],

te [plaats],

eiser,

tegen

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv),

te Amsterdam,

verweerder,

gemachtigde mr. B. Drossaert, werkzaam bij het Uwv-kantoor te Eindhoven.

Procesverloop

Bij brief van 7 februari 2008 heeft verweerder aan eiser een plan van aanpak inzake eisers re-integratie, door verweerders arbeidsdeskundige opgesteld op 5 februari 2008, doen toekomen.

Het hiertegen door eiser gemaakte bezwaar is door verweerder bij besluit van 7 mei 2008 ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld. Dit beroep is bij de rechtbank bekend onder nummer AWB 08/1666.

Bij brief van 16 mei 2008 heeft verweerder eiser meegedeeld akkoord te gaan met het voor eiser op 18 februari 2008 door re-integratieburo Alexander Calder opgestelde re-integratieplan.

Het hiertegen door eiser gemaakt bezwaar is door verweerder bij besluit van 5 september 2008 ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld. Dit beroep is bij de rechtbank bekend onder nummer AWB 08/3187.

Beide beroepen zijn gevoegd behandeld op de zitting van 4 februari 2009, waar eiser niet is verschenen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en/of omstandigheden.

2. Eiser had een arbeidsovereenkomst met Van den Borne B.V. in de periode van 15 november 2006 tot 16 juli 2007. Voor het einde van dit dienstverband had hij zich ziek gemeld in verband met rugklachten ten gevolge van een motorongeval op 19 december 2006. Na de beëindiging van het dienstverband op 16 juli 2007 heeft eiser zich gemeld bij verweerder voor een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW). Sindsdien ontvangt hij een ZW-uitkering.

Naar aanleiding van een medisch onderzoek op 10 oktober 2007 heeft de verzekeringsarts van verweerder geconcludeerd dat bij eiser sprake is van chronische, aspecifieke lage rugpijn en dat eiser onvoldoende belastbaar is voor de laatst door hem verrichte werkzaamheden. Volgens de verzekeringsarts moet worden ingezet op terugkeer in passend werk, te weten rugsparend werk: niet zwaar tillen/dragen, niet langdurig of hoogfrequent buigen en vertredingsmogelijkheden.

De arbeidsdeskundige heeft vervolgens, na een gesprek met eiser, op 5 februari 2008 een plan van aanpak opgesteld. In dit plan van aanpak staat vermeld dat de arbeidsdeskundige van mening is dat eiser in relatief licht productie-, assemblage- en montagewerk moet kunnen re-integreren, er vanuit gaande dat hij geen zwaar fysiek werk hoeft te verrichten. Omdat eiser geen computervaardigheden heeft, acht de arbeidsdeskundige administratief werk niet voor de hand liggend. Verder staat vermeld dat re-integratiebedrijf Alexander Calder zal worden ingeschakeld. Onder het kopje afspraken staat vermeld dat eiser beschikbaar moet zijn voor re-integratieactiviteiten van Alexander Calder, dat betrokkene actief en gemotiveerd moet meewerken aan re-integratie en dat hij verplicht vier keer per maand aantoonbaar moet solliciteren.

Het re-integratiebedrijf Alexander Calder heeft op 18 februari 2008 voor eiser een re-integratieplan opgesteld, welk plan mede door eiser is ondertekend. In dit re-integratieplan zijn algemene gegevens van eiser opgenomen. Verder zijn mededelingen gedaan over de mogelijkheden van eiser op de arbeidsmarkt, over de wijze van realisering van de plaatsing en over de planning. Verweerder heeft bij brief van 16 mei 2008 aan eiser en bij brief van 29 mei 2008 aan Alexander Calder medegedeeld akkoord te gaan met het re-integratieplan.

In het kader van de bezwaarprocedure tegen het plan van aanpak heeft de bezwaarverzekeringsarts op basis van haar onderzoek, dat heeft bestaan uit dossierstudie, een medisch onderzoek van eiser op 4 april 2008 en het opvragen van medische informatie bij de behandelaars van eiser, geconcludeerd dat er geen (nieuwe) medische gegevens zijn die aanleiding geven om gemotiveerd af te wijken van de door de primaire verzekeringsarts aangegeven arbeidsbeperkingen. Daartoe heeft de bezwaarverzekeringsarts in haar rapport van 29 april 2008 overwogen dat sprake is van in 2006 vastgestelde discopathie L1-2 zonder ossale afwijking en van rugklachten die erg verdacht zijn voor discogeen/HNP patroon. Dit alles bij een extreme dysbalans tussen spieren die voor de rugbalans zorgen en de spieren die getraind zijn bij bodybuilding. Eiser moet dus in de rugbelasting worden beperkt. De bezwaarverzekeringsarts heeft deze reeds door de verzekeringsarts aangegeven beperkingen weergegeven in een functionele mogelijkhedenlijst.

In het kader van de bezwaarprocedure tegen het re-integratieplan heeft de bezwaarverzekeringsarts opnieuw de voorgaande conclusie getrokken.

3. Verweerder heeft zich in de bestreden besluiten op het standpunt gesteld dat hij geen aanleiding ziet om eiser niet in staat te achten deel te nemen aan het re-integratietraject, zowel ten tijde van het plan van aanpak als ten tijde van het re-integratieplan.

4. Eiser kan zich niet verenigen met de bestreden besluiten. Hij voert aan dat het erg slecht met hem gaat, zowel lichamelijk als geestelijk. Hij kan niet deelnemen aan het re-integratietraject door aanhoudende rugpijn. Eiser krijgt zwaardere medicijnen voor zijn rugpijn en hij neemt medicijnen voor zijn psychische klachten. Er is een MRI gemaakt waaruit is gebleken dat er iets mis is. Eiser krijgt nu injectietherapie en een revalidatietraject. De bezwaarverzekeringsarts heeft zonder enig onderzoek een functionele mogelijkhedenlijst opgesteld. Tevens is onvoldoende medische informatie opgevraagd over zijn toestand.

5. De rechtbank overweegt als volgt.

6. Ingevolge artikel 26, eerste lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), zoals dit artikel luidde tot 1 januari 2008, is op het Uwv, in afwijking van artikel 25, ten aanzien van de verzekerde die op grond van artikel 29, tweede lid, onderdelen a, b, c of d, van de Ziektewet recht heeft op ziekengeld, artikel 25, tweede tot en met zestiende lid, niet van toepassing en is artikel 25, eerste lid, van overeenkomstige toepassing. Het Uwv stelt, binnen een bij ministeriële regeling nader te bepalen termijn, in overleg met die verzekerde, een plan van aanpak op. Het plan van aanpak wordt periodiek geëvalueerd. Artikel 30a, derde en vierde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werknemersverzekeringen (Wet Suwi) is van overeenkomstige toepassing, waarbij voor “de reïntegratievisie” telkens wordt gelezen: het plan van aanpak.

7. In artikel 25, eerste lid, van de Wet WIA is bepaald dat de werkgever jegens wie de verzekerde, bij ongeschiktheid tot het verrichten van arbeid wegens ziekte, recht heeft op loon als bedoeld in artikel 629 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek dan wel aanspraak heeft op bezoldiging op grond van artikel 76a, eerste lid, van de Ziektewet, aantekening houdt van het verloop van de ziekte en de reïntegratie van de verzekerde.

8. Ingevolge artikel 30a, derde lid, van de Wet Suwi, laat het Uwv indien de reïntegratievisie daartoe aanleiding geeft ten behoeve van de uitkeringsgerechtigde, bedoeld in het eerste lid, een plan gericht op behoud en verkrijging van mogelijkheden tot het verrichten van arbeid en inschakeling in arbeid opstellen door een reïntegratiebedrijf. Het reïntegratieplan wordt in samenspraak met de uitkeringsgerechtigde opgesteld.

Ingevolge het vierde lid van dit artikel worden in het reïntegratieplan verplichtingen en rechten van de uitkeringsgerechtigde vermeld voorzover die niet in de reïntegratievisie zijn vermeld.

9. De rechtbank stelt vast dat verweerder in overeenstemming met voornoemde artikelen een plan van aanpak op 5 februari 2008 heeft opgesteld. De rechtbank merkt in dit verband op dat verweerder in de stukken regelmatig de term re-integratievisie gebruikt, daar waar kennelijk bedoeld wordt plan van aanpak. Om misverstanden te voorkomen, geeft de rechtbank verweerder in overweging voortaan consistenter de term plan van aanpak te gebruiken. Vervolgens is een re-integratieplan door het re-integratiebedrijf opgesteld, dat is goedgekeurd door verweerder bij brief van 16 mei 2008 en met ingang van die datum in werking is getreden.

10. De rechtbank ziet zich allereerst, ambtshalve, voor de vraag gesteld of het plan van aanpak van 5 februari 2008 en het re-integratieplan van 16 mei 2008 besluiten zijn en of verweerder eiser terecht heeft ontvangen in zijn bezwaren hiertegen.

11. Krachtens artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt onder een besluit verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.

12. Onder rechtshandeling wordt verstaan een door een bestuursorgaan verrichte handeling die op rechtsgevolg is gericht.

Van rechtsgevolg is sprake indien er een verandering optreedt in de bestaande rechten of verplichtingen van een of meer rechtssubjecten of wanneer verandering optreedt in de juridische status van een persoon of object of wanneer een rechtssubject in het leven wordt geroepen dan wel wanneer het bestaan van zekere rechten, verplichtingen, bevoegdheden of status bindend wordt vastgesteld.

13. De rechtbank zoekt voor beantwoording van de vraag of het plan van aanpak en het re-integratieplan kunnen worden aangemerkt als besluiten, aansluiting bij de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 10 december 2008 (gepubliceerd op www.rechtspraak.nl, onder LJN: BG8911). In deze uitspraak heeft de Raad geoordeeld dat een re-integratievisie als bedoeld in artikel 30a, eerste lid, van de Wet Suwi een besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb in zoverre daarin de uitwerking van de uit de wet voortvloeiende rechten en verplichtingen van betrokkene is vastgelegd.

14. De rechtbank is van oordeel dat het plan van aanpak kan worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. In het plan van aanpak zijn de uit de wet voortvloeiende rechten en verplichtingen bindend voor partijen vastgesteld. Zo moet eiser zich beschikbaar stellen voor re-integratieactiviteiten van Alexander Calder, moet hij actief en gemotiveerd meewerken aan de re-integratie en is hij verplicht vier keer per maand aantoonbaar te solliciteren.

Verweerder heeft eiser terecht ontvangen in zijn bezwaar tegen dit besluit.

15. Anders oordeelt de rechtbank ten aanzien van het re-integratieplan. De rechtbank volgt verweerder niet in diens oordeel dat ieder re-integratieplan kan worden aangemerkt als een besluit omdat daarin een nadere concretisering plaatsvindt van de in het plan van aanpak gemaakte afspraken met betrekking tot de re-integratie. Naar het oordeel van de rechtbank dient bij elk re-integratieplan te worden nagegaan of daarin verplichtingen en rechten van de uitkeringsgerechtigde zijn vermeld die niet reeds in het plan van aanpak zijn vermeld. In dit verband verwijst de rechtbank naar artikel 30a, vierde lid, van de Wet Suwi.

16. In onderhavig re-integratieplan is weliswaar een nadere uitwerking opgenomen van hetgeen in het plan van aanpak staat vermeld. Zo worden de mogelijkheden van eiser op de arbeidsmarkt nader besproken en wordt nader uiteengezet op welke wijze de re-integratie zal verlopen en binnen welk tijdsbestek. In dit re-integratieplan staan echter geen (nieuwe) zelfstandige rechten of verplichtingen van partijen vermeld. Derhalve is geen sprake van een besluit als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb. Dit houdt tevens in dat voor eiser ingevolge artikel 8:1, eerste lid, van de Awb in samenhang met artikel 7:1, eerste lid, van de Awb geen bezwaar openstond tegen het re-integratieplan. Verweerder had het bezwaar van eiser tegen dit plan daarom niet-ontvankelijk moeten verklaren. Nu verweerder dat niet heeft gedaan, is het beroep gegrond en dient het besluit van 5 september 2008 (weliswaar op andere gronden dan door eiser is aangevoerd) te worden vernietigd. Aangezien verweerder met inachtneming van deze uitspraak geen ander besluit kan nemen dan het gemaakte bezwaar alsnog niet-ontvankelijk te verklaren, ziet de rechtbank aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf in de zaak te voorzien en het bezwaar van eiser alsnog niet-ontvankelijk te verklaren.

17. Hoewel het beroep van eiser in de zaak 08/3187 gegrond wordt verklaard, acht de rechtbank geen termen aanwezig verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten, omdat geen sprake is van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

18. Wel ziet de rechtbank aanleiding te bepalen dat door het Uwv aan eiser het door hem gestorte griffierecht in zaak AWB 08/3187 ten bedrage van € 39,00 wordt vergoed.

19. Met betrekking tot de inhoudelijke beoordeling van de zaak met nummer AWB 08/1666, oordeelt de rechtbank dat het beroep van eiser gericht tegen het besluit van 7 mei 2008 ongegrond moet worden verklaard. De grieven die eiser heeft aangevoerd in deze zaak zijn medisch van aard. De rechtbank oordeelt dat de door de verzekeringsarts en bezwaarverzekeringsarts verrichte medische onderzoeken voldoende zorgvuldig waren en dat de medische beperkingen van eiser juist zijn vastgesteld. Eiser heeft zijn stelling dat hij meer beperkt was dan door verweerder is aangenomen niet nader met medische stukken onderbouwd. Het plan van aanpak kan naar het oordeel van de rechtbank stand houden.

20. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling of voor vergoeding van het griffierecht in de zaak 08/1666.

21. Beslist wordt als volgt.

Beslissing

De rechtbank,

- verklaart het beroep in de zaak AWB 08/1666 ongegrond;

- verklaart het beroep in de zaak AWB 08/3187 gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit van 5 september 2008;

- verklaart het door eiser gemaakte bezwaar tegen verweerders brief van 16 mei 2008 niet-ontvankelijk;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

- gelast het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan eiser te vergoeden het door hem gestorte griffierecht in zaak AWB 08/3187 ter hoogte van € 39,00.

Aldus gedaan door mr. G.H. de Heer-Schotman als voorzitter en mr. Y.S. Klerk en mr. A. Horst als leden en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. P.D.H. Selhorst als griffier op 17 maart 2009.

Belanghebbenden kunnen tegen deze uitspraak binnen zes weken na de datum van toezending hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep, postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Afschriften verzonden: