Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2009:BH6966

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
26-02-2009
Datum publicatie
20-03-2009
Zaaknummer
AWB 07-3556
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2010:BQ0392, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Leges. De Tarieventabel van de legesverordening Bernheze 2006 is verbindend. Niet is gebleken dat verweerder de opbrengstlimiet, die is opgenomen in artikel 229b van de Gemeentewet, heeft overschreden. Verweerder heeft verder op controleerbare wijze inzicht gegeven in de mate van kostendekkendheid van de leges. Tenslotte is niet aannemelijk geworden dat in verweerders gemeente sprake is van een buitenproportioneel tarief. Daar komt nog bij dat in de tariefstelling van verweerders gemeente wel degelijk sprake is van een daadwerkelijke degressie. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingblad 2009/656
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ‘S-HERTOGENBOSCH

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 07/3556

Uitspraakdatum: 26 februari 2009

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

de Stichting [stichting], te [plaats], eiseres,

gemachtigde mr. drs. [gemachtigde eiseres]

en

de heffingsambtenaar van de gemeente [gemeente], [heffingsambtenaar], verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

Verweerder heeft aan eiseres ter zake van het in behandeling nemen van een aanvraag om een bouwvergunning voor het oprichten van een co-vergistingsinstallatie aan de [perceel] bij aanslag met dagtekening 28 september 2006, onder nummer [nummer], een aanslag leges opgelegd ten bedrage van € 42.000,00.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 12 september 2007 de aanslag verlaagd tot een bedrag van € 11.605,54.

Eiseres heeft tegen deze uitspraak bij brief van 24 oktober 2007, ter griffie ontvangen op 25 oktober 2007, beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 januari 2009. Eiseres heeft zich ter zitting laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Verweerder is ter zitting verschenen, daarbij bijgestaan door zijn gemachtigde [gemachtige verweerder].

2. Feiten

Op 27 juli 2006 heeft eiseres een aanvraag ingediend voor een bouwvergunning voor het oprichten van een co-vergistingsinstallatie op het perceel [perceel]. Verweerder heeft in eerste instantie de bouwkosten begroot op € 2.400.000,00. Deze bouwkosten waren gebaseerd op de totale geschatte projectkosten, inclusief procestechnische bedrijfsinstallaties, en op basis daarvan is de bij de aanslag van 28 september 2006 in rekening gebrachte leges berekend op een bedrag van € 42.000,00. Eiseres heeft in bezwaar aangegeven, onder verwijzing naar de nadien bekend geworden aannemingssom, uit te gaan van een bedrag aan bouwkosten van € 604.000,00.

Verweerder heeft in de bestreden uitspraak een herberekening gemaakt en de bouwkosten gesteld op € 666.171,00. De bij de aanslag in rekening gebrachte leges, uitgaande van die bouwkosten, zijn herberekend en verlaagd tot € 11.605,00. Verweerder heeft zich daarbij gebaseerd op een raming van de bouwkosten aan de hand van het normblad NEN 2631. Bij de herberekening zijn op grond van norm 2631 de kosten voor de bedrijfsinstallaties buiten beschouwing gelaten.

3. Geschil

De rechtbank stelt allereerst vast dat niet in geschil is tussen partijen dat verweerder bij de uitspraak op bezwaar de bouwkosten terecht heeft gesteld op € 666.171,00, nu eiseres in beroep heeft aangegeven zich neer te leggen bij de raming van de bouwkosten door verweerder.

Het geschil tussen partijen betreft de vraag of verweerder, op grond van deze bouwkosten, eiseres een te hoog bedrag aan leges heeft opgelegd, meer in het bijzonder de vraag of de Tarieventabel 2006 (hierna: de Tarieventabel), behorend bij de Verordening op de heffing en invordering van leges {gemeente] 2006 (hierna: de Verordening), al dan niet verbindend is op het punt van het tarief voor het in behandeling nemen van een bouwaanvraag.

Eiseres stelt zich op het standpunt dat de Tarieventabel onverbindend is allereerst vanwege strijd met artikel 229b van de Gemeentewet. Volgens eiseres is niet gebleken dat de opbrengstnorm, zoals bedoeld in voormeld artikel, niet is overschreden. Verweerder heeft weliswaar in de uitspraak op bezwaar gewezen op een beleidsnotitie van 21 december 2006, waaruit kennelijk blijkt dat de geraamde baten niet uitgaan boven de geraamde kosten, maar deze beleidsnotitie is door verweerder niet aan eiseres verstrekt.

Eiseres stelt zich voorts op het standpunt dat de tariefstelling, zoals opgenomen in de Tarieventabel behorende bij de Verordening van de gemeente [gemeente], met betrekking tot de bouwleges onverbindend is, aangezien sprake is een absoluut en relatief hoog bedrag aan bouwleges, zonder dat blijkt van een redelijke verhouding van door verweerders gemeente gemaakte kosten voor de behandeling van de aanvraag van de onderhavige bouwvergunning. Evenmin is sprake van een degressief tarief. Bovendien zijn in vergelijking met de kosten die zijn gemoeid met de aanvragen van bijvoorbeeld aanlegvergunningen, bestemmingswijzingen, herziening bestemmingsplan of sloopvergunningen waarvoor eerder meer dan minder werkzaamheden hoeven te worden verricht, de kosten voor het in behandeling nemen van de aanvraag van een bouwvergunning onevenredig hoog. Hierdoor wordt een willekeurige en onredelijke belasting geheven, en heeft verweerder in strijd gehandeld met artikel 3:4 van de Awb, aldus eiseres. Eiseres heeft ter ondersteuning van haar standpunt verwezen naar de uitspraken van het Gerechtshof Arnhem van 8 februari 2006 (03/01679, LJN: AV8597, gepubliceerd op rechtspraak.nl), van de Rechtbank Middelburg van 20 april 2007 (nr. 06/1164., LJN: BB5449) en van de Rechtbank Zutphen van 23 april 2007 (nr. 05/757, LJN: BB5435).

Verweerder stelt, onder meer onder verwijzing naar de uitspraken van het Gerechtshof Amsterdam van 23 maart 2007 (nr. 05/00384, LJN: BB4227) en van het Gerechtshof Leeuwarden van 15 augustus 2003 (nr. 1069/02, LJN: AI1299), dat het bij het vaststellen van de hoogte van de tarieven voor van gemeentewege verstrekte diensten niet gaat om de kostendekkendheid per dienst of groepen van diensten, maar om de kostendekking van alle in de verordening opgenomen diensten. Voorts is uit een in 2006 uitgevoerd onderzoek in verweerders gemeente gebleken dat er geen sprake is van een totale kostendekkendheid van de totale legesverordening in die zin dat de jaarlijkse baten niet uitkomen boven de lasten ter zake als bedoeld in artikel 229b, eerste lid, van de Gemeentewet. Daar komt nog bij dat het vaststellen van de tarieven alsook de wijze waarop de tariefstructuur wordt vormgegeven behoort tot de autonome bevoegdheid van de gemeenteraad. Verweerder stelt verder dat, anders dan eiseres meent, in artikel 5.2.1. van de Legestabel wel degelijk sprake is van een degressief tarief. Volgens verweerder is derhalve de onderhavige legesnota terecht en tot het juiste bedrag opgelegd.

In reactie op het verweerschrift, en als ter zitting nader toegelicht, heeft eiseres haar eerder ingenomen standpunt gehandhaafd en daaraan toegevoegd dat verweerder niet, ook niet in zijn verweerschrift, heeft voldaan aan de op hem rustende bewijslast. Verweerder heeft het in zijn verweerschrift genoemde onderzoek dat in 2006 in de gemeente [gemeente] zou zijn uitgevoerd naar de kostendekkendheid van de leges niet aan eiseres verstrekt. Evenmin heeft verweerder inzicht gegeven welke uitgaven zij in welke mate door elk van de heffingen beoogt te dekken.

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken.

4. Beoordeling van het geschil

Artikel 229, eerste lid, aanhef en onder b, van de Gemeentewet bepaalt dat rechten kunnen worden geheven ter zake van het genot van door of vanwege het gemeentebestuur verstrekte diensten.

Ingevolge artikel 229b, eerste lid, van de Gemeentewet worden in verordeningen op grond waarvan dergelijke rechten worden geheven, de tarieven zodanig vastgesteld dat de geraamde baten van de rechten niet uitgaan boven de geraamde lasten ter zake.

De heffing van de onderhavige leges heeft plaatsgevonden op basis van de voor het jaar 2006 geldende tarieventabel, behorende bij de ‘Verordening op de heffing en invordering van leges [gemeente] 2006’, vastgesteld door de raad van de gemeente [gemeente] op 22 december 2005. De Verordening is op 30 december 2005 bekend gemaakt in het huis-aan-huis blad “[huis-aan-huis blad]”.

Ingevolge artikel 2 van de op artikel 229, eerste lid, aanhef en onder b, van de Gemeentewet berustende Legesverordening 2006 worden onder de naam ‘leges’ rechten geheven ter zake van het genot van door of vanwege het gemeentebestuur verstrekte diensten, genoemd in deze verordening en de daarbij behorende tarieventabel.

Ingevolge hoofdstuk 5 (Bouwvergunningen), onderdeel 5.1 (bouwkosten) van de bij de Verordening behorende Tarieventabel 2006 wordt onder bouwkosten in dit hoofdstuk verstaan de aannemingssom (exclusief omzetbelasting) als bedoeld in paragraaf 1, eerste lid, van de Uniforme administratieve voorwaarden voor uitvoering van werken 1989 (UAV 1989), voor het uit te voeren werk, of voor zover deze ontbreekt, een raming van de bouwkosten (exclusief omzetbelasting) als bedoeld in het normblad NEN 2631, uitgave 1979, of zoals dit normblad laatstelijk is vervangen of gewijzigd.

In hoofdstuk 5, onderdeel 5.2 en 5.2.1, van de Tarieventabel is aangegeven dat voor het in behandeling nemen van de aanvraag tot het verkrijgen van een reguliere bouwvergunning als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel p, van de Woningwet, het tarief ter zake wordt berekend aan de hand van (een viertal) schijven. Elke schijf betreft een bepaald gedeelte van de vastgestelde bouwkosten.

De rechtbank stelt voorop dat de gemeentelijke wetgever in beginsel vrij is bij het vaststellen van de legestarieven voor de onderscheiden groepen van diensten. Het behoort dan ook tot de bevoegdheid van die wetgever om, indien hij dat gewenst acht, diensten van een bepaalde soort te onderwerpen aan een tarief dat slechts in geringe mate verband houdt met de hoogte van de aan de betreffende diensten voor de gemeente verbonden lasten, of sommige diensten zelfs in het geheel niet in de legesheffing te betrekken. Dit brengt mee dat het bestaan van verschillen tussen de kostendekkingspercentages voor de in de Tarieventabel opgenomen diensten op zichzelf niet kunnen leiden tot onverbindendheid van die tabel. Bij de tariefstelling geldt voor de gemeentelijke wetgever slechts de beperking dat voor alle in een legesverordening geregelde rechten tezamen, de geraamde baten de geraamde gemeentelijke lasten ter zake niet mogen overtreffen (Zie hiervoor: Hoge Raad 4 februari 2005, nr. 38 860, BNB 2005/112, LJN: AP1951 en Hoge Raad 4 februari 2005, nr. 40 072, BNB 2005/113, LJN: AQ7390). Niet is gebleken is dat verweerder de opbrengstlimiet, die is opgenomen in artikel 229b van de Gemeentewet en welke geldt voor het totaal van de in de Verordening en de Tarieventabel geregelde rechten, heeft overschreden. Hieruit volgt dat de redelijkheid van het legestarief niet kan worden beoordeeld aan de hand van de per individuele dienst of groep van diensten te maken kosten. Anders dan eiseres kennelijk van mening is, gelet op haar stelling ter zitting dat de heffing bouwleges onredelijk hoog is, nu er nauwelijks kosten zijn verbonden aan het in behandeling nemen van een bouwaanvraag, is in beginsel niet van belang hoe in een afzonderlijk geval de hoogte van de heffing voor een bepaalde dienst enerzijds, en de omvang van die dienst en de daarmee gemoeide kosten anderzijds, zich tot elkaar verhouden (Hoge Raad 18 september 1991, nr. 27 457, BNB 1991/351, LJN: ZC4704).

Verweerder heeft in zijn verweerschrift aangegeven, en ter zitting nader toegelicht, dat de gemeente [gemeente] in 2006 een onderzoek heeft uitgevoerd naar de kostendekkendheid van de leges. Uit dat onderzoek is gebleken dat de kostendekkendheid van de totale legesverordening in 2005 93,1% bedroeg. Naar aanleiding van dit onderzoek is de gemeente [gemeente] een traject gestart om zo binnen drie jaar de groei naar 100% kostendekkendheid te realiseren. Hieruit blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat daarvan kennelijk op dat moment nog geen sprake was. Weliswaar heeft verweerder ter zitting toegelicht dat voor het jaar 2005 de tarieven ter zake van bouwvergunningen in de gemeente [gemeente] meer dan kostendekkend waren en dat dit ook blijkt uit de desbetreffende stukken die openbaar en voor een ieder toegankelijk zijn, doch deze omstandigheid leidt, in het licht van hetgeen hiervoor reeds is overwogen, als zodanig niet tot de onverbindendheid van de tarieven. De stelling van eiseres dat verweerder haar vanwege de op hem rustende bewijslast tijdig, tenminste voorafgaand aan de behandeling ter zitting, het in 2006 uitgevoerde onderzoek naar de kostendekkendheid van de leges had dienen te verstrekken wordt niet gevolgd. Verweerder heeft immers ter zitting toegelicht dat deze beleidsnotitie kostendekkendheid van retributies, welke door de gemeenteraad van de gemeente [gemeente] is vastgesteld op 21 december 2006, ter openbare inzage is gelegd. Het had derhalve op de weg van eiseres gelegen om desgewenst kennis te nemen van deze openbare stukken en eiseres had haar stellingname inzake de betwisting de mate van kostendekkenheid van de leges nader kunnen en ook dienen te onderbouwen. Nu eiseres dit heeft nagelaten gaat de rechtbank aan de grief van eiseres voorbij.

De rechtbank is van oordeel dat met de door verweerder in zijn verweerschrift en ter zitting gegeven toelichting aannemelijk is gemaakt, dat is voldaan aan de eis dat op controleerbare wijze moet zijn vastgelegd welke uitgaven de gemeente in welke mate door de onderhavige heffing beoogt te dekken. De rechtbank vindt geen aanleiding daaraan te twijfelen en eiseres heeft het tegendeel niet aannemelijk gemaakt. Daarmee staat voor dit geding vast dat zowel wat betreft het totaal van de in de Verordening geregelde leges sprake was van een verliessituatie. Naar het oordeel van de rechtbank kan niet op de enkele grond dat het dekkingspercentage van de overige in de Verordening geregelde heffingen mogelijk lager is geweest, worden geconcludeerd dat de Verordening op het onderdeel bouwvergunningen leidt tot een willekeurige en onredelijke heffing. Daarvan zou immers eerst sprake kunnen zijn indien op de bouwvergunningen een meer dan bescheiden winst zou worden gemaakt om de verliezen op de andere heffingen in de Verordening goed te maken (vergelijk Hoge Raad 4 februari 2005, nr. 38.860, BNB 2005/112, LJN: AP1951)

Eiseres heeft nog gesteld dat sprake is van een aanzienlijk bedrag aan bouwkosten en leges, die zijn berekend naar een vrijwel proportioneel tarief, waardoor een willekeurige en onredelijke belasting wordt geheven. Ten aanzien van die stelling overweegt de rechtbank dat het aan de gemeentelijke regelgever is de (toegestane) belastingverordeningen vast te stellen en dat in het onderhavige geval de Tarieventabel, als product van die regelgevende bevoegdheid, niet ter toetsing van de administratieve rechter staat. Feiten en omstandigheden op grond waarvan moet worden geoordeeld dat op voorhand duidelijk moet zijn geweest dat de Raad van de gemeente [gemeente] de hem toekomende bevoegdheid gebruikte voor iets anders dan de wetgever in formele zin voor ogen had bij het vaststellen van de Gemeentewet, zijn gesteld noch aannemelijk geworden. In casu is gesteld noch gebleken dat de kosten en de opbrengsten niet met elkaar in evenwicht zijn (vergelijk Hoge Raad 8 oktober 2004, nr. 37.631, BNB 2005/22, LJN: AR3495). Daar komt nog bij, dat anders dan kennelijk eiseres veronderstelt, in de tariefstelling van verweerders gemeente wel degelijk sprake is van een daadwerkelijke degressie. Immers, uit artikel 5.2. en 5.2.1 van de Tarieventabel kan worden afgeleid dat de leges in een glijdende schaal dalen van een vast bedrag van € 50,50 (bij bouwkosten van minder dan € 2.500,00) tot 2,25% (bij bouwkosten tussen € 2.500,00 en € 15.000,00), waarna tot 2% (bij bouwkosten tussen € 15.000,00 en € 500.000,00, waarna de daling zich voortzet tot 1,75% van de bouwkosten die uitstijgen boven de € 500.000,00. Derhalve is, anders dan in de uitspraken van de rechtbanken Middelburg en Zutphen en het gerechtshof Arnhem waarnaar eiseres in beroep heeft verwezen, sprake van daadwerkelijke degressie in de tariefstelling.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de bestreden uitspraak op bezwaar in stand kan blijven. De aanslag is terecht opgelegd, en niet tot een te hoog bedrag. Het beroep dient derhalve ongegrond te worden verklaard.

5. Proceskosten en griffierecht

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De rechtbank acht evenmin termen aanwezig om te bepalen dat door verweerder het griffierecht aan eiseres dient te worden vergoed.

6. Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door mr. P.H.C.M. Schoemaker als rechter in tegenwoordigheid van drs. H.A.J.A. van de Laar als griffier en in het openbaar uitgesproken op 26 februari 2009.

Afschrift aangetekend

verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ te ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Partijen kunnen ook beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Dit is echter alleen mogelijk indien de wederpartij daarmee schriftelijk instemt.