Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2009:BH6376

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
18-03-2009
Datum publicatie
18-03-2009
Zaaknummer
187892 / KG ZA 09-81
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Het niet op dit moment al incasseren door de gemeente van een verbeurde dwangsom ter zake van op grond van het bestemmingsplan illegale activiteiten (het houden van meer dan duizend huisdieren) is gelet op alle omstandigheden van het geval niet onrechtmatig jegens eiser.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2009, 193
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 187892 / KG ZA 09-81

Vonnis in kort geding van 18 maart 2009

in de zaak van

[naam ],

wonende te [woonplaats],

eiser,

advocaat mr. R. Janssen te Helmond,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE LAARBEEK,

zetelend te Beek en Donk,

gedaagde,

advocaat mr. J.A.M. van Heijningen te ’s-Hertogenbosch.

Partijen zullen hierna [eiser] en de Gemeente genoemd worden.

De procedure

Na dagvaarding is een behandeling ter terechtzitting gevolgd, alwaar de raadslieden van partijen de respectievelijke standpunten hebben toegelicht, mede aan de hand van pleitnota’s. Na gevoerd debat hebben partijen vonnis gevraagd.

De feitelijke achtergrond

Nadat [eiser] had geconstateerd dat de stichting Stichting Dierenthuis (verder: Dierenthuis) in strijd met het vigerende bestemmingsplan activiteiten is gaan ontplooien die hem in zijn woongenot belemmerden, heeft hij medio 2007, evenals een aantal andere belanghebbenden, het College van Burgemeester en Wethouders van de Gemeente verzocht om handhavend op te treden tegen Dierenthuis.

Dierenthuis, gevestigd aan de Bakelseweg 27 te Aarle-Rixtel [gemeente Laarbeek], houdt een opvangtehuis in stand voor oude, zieke en kansarme honden en katten die elders geen opvang meer kunnen krijgen. Veelal zijn de honden en katten afkomstig van dierenasiels. In januari 2009 bestond de bezetting volgens Dierenthuis uit ongeveer 50 honden en 1000 (duizend) katten. Op het betrokken perceel is een groot hekwerk geplaatst, zodat de dieren in beginsel vrij kunnen rondlopen. Naast de twee vaste bewoners bestaat het werkverband uit ongeveer 30 vrijwilligers.

De Gemeente heeft op 11 oktober 2007 het voornemen kenbaar gemaakt tot het opleggen van een dwangsom aan Dierenthuis, teneinde Dierenthuis te bewegen aan de illegale activiteiten een einde te maken. Nadat Dierenthuis hiertegen op 24 oktober 2007 een zienswijze had ingediend heeft de Gemeente op 20 december 2007 een dwangsombesluit genomen. Bij dit besluit heeft de Gemeente gelast (i) het met het bestemmingsplan “Buitengebied” strijdige gebruik van de opstallen en de gronden op het perceel Bakelseweg 27 te Aarle-Rixtel binnen dertien weken na verzenddatum van dat besluit te beëindigen en beëindigd te houden, hetgeen betekent dat geen honden en katten meer aanwezig mogen zijn in de bebouwing en op de (overige) gronden van het perceel, en (ii) het hekwerk nabij de bedrijfsruimte op het achterterrein van het perceel te verwijderen en verwijderd te houden binnen acht weken na de verzending van dat besluit.

Daarbij heeft de Gemeente aangegeven dat, indien Dierenthuis niet volledig voldoet aan genoemde last, Dierenthuis een dwangsom verbeurt van € 75.000,00 ineens.

Tegen voornoemd dwangsombesluit heeft Dierenthuis op 31 januari 2008 een bezwaarschrift ingediend, alsmede bij deze rechtbank een verzoek om ten aanzien van het besluit van de Gemeente van 20 december 2007 een voorlopige voorziening te treffen als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Op 10 april 2008 heeft de voorzieningenrechter het verzoekschrift tot het treffen van een voorlopige voorziening afgewezen. De Gemeente heeft op 13 mei 2008 een besluit op bezwaar genomen, waarbij de bezwaren van Dierenthuis ongegrond zijn verklaard.

Dierenthuis is van laatstgenoemd besluit bij deze rechtbank in beroep gekomen. De Gemeente heeft op verzoek van deze rechtbank de begunstigingstermijn verlengd. De rechtbank ’s-Hertogenbosch heeft bij beslissing van 4 december 2008 het beroep tegen het besluit ongegrond verklaard en de begunstigingstermijn verlengd.

Tegen deze uitspraak is door Dierenthuis op 12 december 2008 hoger beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Daarbij heeft Dierenthuis de voorzitter tevens verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Naar aanleiding daarvan heeft de Gemeente bij besluit van 16 december 2008 de begunstigingstermijn verlengd tot tien dagen na de datum waarop de voorzitter uitspraak zal hebben gedaan. Die uitspraak is gedaan op 19 januari 2009, zodat de begunstigingstermijn op 29 januari 2009 is geëindigd. De voorzitter heeft het verzoek afgewezen. De voorzitter overweegt daarbij tevens dat Dierenthuis inmiddels meer dan een jaar de tijd heeft gehad om aan de last van de Gemeente te voldoen. In het beroep ten gronde is nog geen uitspraak gedaan.

De Commissaris van de Koningin in de provincie Noord-Brabant, mevrouw Maij-Weggen, heeft in december 2008 een Commissie van goede diensten ingesteld, die op zoek gaat naar een houdbare oplossing voor de situatie die is ontstaan ronde locatie van Dierenthuis. Inmiddels is de commissie met drie leden compleet en is met de aanvang van haar werkzaamheden begonnen. De raadsman van [eiser] is daartoe ook voor een gesprek uitgenodigd.

Het geschil

[eiser] vordert in dit kort geding samengevat - de Gemeente te veroordelen:

A. tot het (daadwerkelijk gaan) innen van verbeurde dwangsommen bij Dierenthuis, op straffe van verbeurte van een dwangsom van EUR 500,00 voor iedere dag dat de Gemeente hiermee in gebreke blijft;

B. tot betaling aan [eiser] van een voorschot ter zake schadevergoeding van EUR 1.113,00;

een en nader met veroordeling van de Gemeente in de kosten van het geding.

[eiser] legt, naar de rechter begrijpt, aan zijn vordering - kort weergegeven - ten grondslag dat de Gemeente jegens hem onrechtmatig handelt door onder de omstandigheden van het geval het daadwerkelijk innen van de dwangsom, die thans na 29 januari 2009 door Dierenthuis is verbeurd, achterwege te laten. Daardoor lijdt hij schade omdat er nu geen eind komt aan de situatie van stank- en lawaaioverlast, alsmede door overlast van bezoekers en sympathisanten van Dierenthuis, die hem negatief bejegenen. In elk geval wordt dat eind steeds verder weggeschoven omdat, naar [eiser] veronderstelt, er uiteindelijk pas echt een einde komt aan de overlast als de Gemeente bestuursdwang toepast, aangezien de sympathisanten van Dierenthuis de financiële middelen aan Dierenthuis zullen verschaffen om de dwangsom te betalen. Omdat bestuursdwang thans slechts mogelijk zal zijn als het hele dwangsomtraject doorlopen is, is het van belang dat de Gemeente dat traject met voortvarendheid vervolgt.

De Gemeente voert verweer. Zij stelt niet onrechtmatig te handelen, ook niet jegens [eiser]. Gelet op het naar verwachting definitieve effect van de invordering (Dierenthuis stelt immers het bedrag van de dwangsom niet kunnen opbrengen, zodat inning tot haar faillissement leidt, hetgeen de Gemeente inderdaad niet onwaarschijnlijk voorkomt) acht de Gemeente het raadzaam met de invordering te wachten totdat de uitspraak van de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank van 4 december 2008 bekend is. Bovendien wenst de Gemeente de inspanningen van de Commissie van goede diensten een faire kans te geven. Ten overvloede wijst de Gemeente er op dat de verschuldigdheid van de dwangsom als zodanig niet ter discussie staat en dat zij er op zal toezien dat de dwangsom niet door verjaring oninbaar zal worden.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

De beoordeling

Vooropgesteld wordt dat zodra een of meer dwangsommen zijn verbeurd, het bevoegd gezag tot invordering kan overgaan. Invorderen is een bevoegdheid en daarmee nog niet ook meteen een wettelijke verplichting, laat staan dat iedereen bij de civiele rechter nakoming daarvan zou kunnen afdwingen. Dat laatste is alleen dan mogelijk indien het bevoegd gezag door het nalaten van invordering een onrechtmatige daad jegens die betrokkene zou plegen. Daarvan zal niet snel sprake zijn omdat het bevoegd gezag een zekere beleidsvrijheid heeft.

In het onderhavige geval gaat niet zozeer om de vraag of de Gemeente onrechtmatig jegens [eiser] handelt door invordering achterwege te laten maar door met invordering te wachten totdat de Raad van State een definitieve beslissing heeft genomen en de Commissie van goede diensten een faire kans heeft gehad voor een oplossing te zorgen. Gelet op alle omstandigheden van het geval kan dat niet als onrechtmatig handelen jegens [eiser] worden aangemerkt. Uiteraard kan [eiser] een belang hebben bij een snellere actie jegens Dierenthuis om de overlast te laten ophouden, maar dan staat voor hem de weg open van een civiel kort geding tegen Dierenthuis op grond van een door Dierenthuis jegens gepleegde onrechtmatige daad. Het is niet zo dat Gemeente het belang van [eiser] (dat hij zelf zegt te hebben bij een snellere doorloop van bestuursrechtelijke processen) voorop moet stellen, met voorbijgaan aan alle andere betrokken belangen. Hiermee is al voldoende gemotiveerd waarom onderdeel A van de vordering zal worden afgewezen.

Het door [eiser] aangehaalde arrest van het Hof Arnhem van 8 maart 2005 (LJ: AS9682, 2004/264) maakt dit niet anders, nu er in het onderhavige geval sprake is van een geheel andere situatie dan die waarover het Hof zijn oordeel gaf. In het voorliggende geval wordt immers niet opgekomen tegen het daadwerkelijk innen van verbeurde dwangsommen, maar wordt juist opgekomen tegen het niet innen van verbeurde dwangsommen. Bovendien heeft het onderhavige dwangsombesluit in tegenstelling tot het in voormeld arrest genoemde dwangsombesluit nog geen formele rechtskracht verkregen.

De gevorderde voorziening sub 2 strekt tot betaling van een geldsom. Voor toewijzing van een dergelijke vordering in kort geding is slechts dan plaats, als het bestaan en de omvang van de vordering in hoge mate aannemelijk zijn, terwijl voorts uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening vereist is en het risico van onmogelijkheid van terugbetaling bij afweging van de belangen van partijen - aan toewijzing niet in de weg staat.

Nu uit het vorenoverwogene volgt dat niet genoegzaam is komen vast te staan dat de Gemeente jegens [eiser] een onrechtmatige daad pleegt c.q. heeft gepleegd, is evenmin aannemelijk geworden dat de Gemeente gehouden is de door [eiser] beweerdelijk geleden schade te vergoeden. Dit onderdeel van de vordering zal dan ook reeds hierom worden afgewezen. Hetgeen overigens door partijen is aangevoerd behoeft dan ook geen verdere bespreking.

[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld.

De beslissing

De voorzieningenrechter

wijst de vorderingen af;

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van de Gemeente tot op heden begroot op EUR 1.078,00, waarvan EUR 816,00 salaris advocaat en EUR 262,00 vast recht;

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.F.M. Strijbos en in het openbaar uitgesproken op 18 maart 2009.