Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2009:BH4598

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
04-03-2009
Datum publicatie
04-03-2009
Zaaknummer
01/889007-08
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2010:BL8618, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Gekwalificeerde doodslag en poging daartoe, gepleegd door een persoon die eerder (in 1998) is veroordeeld voor een doodslag. Kader: diefstal van hennep uit een woning waarbij de daders worden betrapt. Vuurwapengeweld is begonnen door verdachte en het slachtoffer is van dichtbij doodgeschoten door verdachte. Opgelegd 30 jaar gevangenisstraf. Bewijsoverweging omtrent aanwezigheid verdachte, combinatie van technisch bewijs en getuigenbewijs. Verweer verworpen dat bewijs door derden ''geplant'' zou zijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

Sector Strafrecht

Parketnummer: 01/889007-08

Datum uitspraak: 04 maart 2009

Vonnis van de rechtbank ’s-Hertogenbosch, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1965,

wonende te [adres],

thans gedetineerd te: PI Vught, Vosseveld 2 HvB Regulier.

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 18 februari 2009.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 20 mei 2008. Deze dagvaarding vermeldt een voorlopige tenlastelegging als bedoeld in artikel 261 lid 3 van het Wetboek van Strafvordering.

De tenlastelegging is op vordering van de officier van justitie ter terechtzitting van 18 februari 2009 overeenkomstig de artikelen 313 en 314a van het Wetboek van Strafvordering gewijzigd. Van deze vordering is een kopie aan dit vonnis gehecht.

Aan verdachte is met inbegrip van deze wijziging tenlastegelegd dat:

primair

hij op of omstreeks 09 januari 2008 te Eindhoven tezamen en in vereniging met

een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) met dat opzet met een wapen een of meer kogels op die [slachtoffer 1] afgevuurd, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] is overleden, welke vorenomschreven doodslag werd gevolgd, vergezeld en/of voorafgegaan van

enig strafbaar feit, te weten de (poging tot) diefstal van een hoeveelheid hennepplanten en welke doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of aan de andere deelnemer(s) aan dat feit straffeloosheid en/of het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren;

[artikel 288/287 van het Wetboek van Strafrecht]

en/of

dat hij op of omstreeks 09 januari 2008 te Eindhoven ter uitvoering van het door

verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer 2] en/of een of meer andere

perso(o)n(en) van het leven te beroven, met dat opzet met een wapen een of meer kogels heeft afgevuurd op en/of in de richting van die [slachtoffer 2] en/of een of meer andere perso(o)n(en), terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid, welke vorenomschreven poging tot doodslag werd gevolgd, vergezeld en/of voorafgegaan van enig strafbaar feit, te weten de (poging) diefstal van een hoeveelheid hennepplanten en welke poging tot doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of aan de andere deelnemer(s) aan dat feit straffeloosheid en/of het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren;

[artikel 288/287 i.v.m. 45 van het Wetboek van Strafrecht]

subsidiair

hij op of omstreeks 09 januari 2008 te Eindhoven tezamen en in vereniging met

een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een hoeveelheid hennepplanten, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat/die hennepplanten onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming en/of welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of

gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1] en/of

[slachtoffer 2] en/of een of meer andere perso(o)n(en), gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het

gestolene te verzekeren, welk geweld en/of bedreiging met geweld bestond(en) uit het met een of meer wapen(s) afvuren van een of meer kogels op die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of een of meer andere perso(o)n(en), welk feit de dood van die [slachtoffer 1] ten gevolge heeft gehad;

[artikel 312 van het Wetboek van Strafrecht]

meer subsidiair

hij op of omstreeks 09 januari 2008 te Eindhoven ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening weg te nemen een hoeveelheid hennepplanten, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

een deur van een woning aan de [adres] heeft opengebroken en/of die woning is binnen gegaan en/of een hoeveelheid hennepplanten heeft afgeknipt en/of een hoeveelheid hennepplanten in zakken heeft verzameld en/of

een hoeveelheid zakken gevuld met hennepplanten in en/of nabij die woning heeft klaar gezet om mee te nemen,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid,

welke poging tot diefstal

werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of

gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of een of meer andere perso(o)n(en), gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

welk geweld en/of bedreiging met geweld bestond(en) uit het met een of meer wapen(s) afvuren van een of meer kogels op die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of een of meer andere perso(o)n(en),

welk feit de dood van die [slachtoffer 1] ten gevolge heeft gehad;

[artikel 312 i.v.m. 45 van het Wetboek van Strafrecht]

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

De bewijsmiddelen1 en de beoordeling daarvan.

Vaststaande feiten.

Op 09 januari 2008 bevindt zich op het adres [adres] een in werking zijnde hennepkwekerij2. Deze kwekerij wordt beveiligd middels een gsm-alarmsysteem. Op 09 januari 2008 om 21.14 uur wordt dit systeem geactiveerd. Om 21.15 uur belt het systeem uit naar het mobiele telefoonnummer van [slachtoffer 1]3. [slachtoffer 1] begeeft zich met [slachtoffer 2] naar voornoemd adres4. Even voor 22.00 uur horen buurtbewoners meerdere schoten. Een buurtbewoner meldt als exact tijdstip 21.58 uur5.

Om 21.59 uur wordt er vanaf telefoonnummer [nummer] (een KPN prepaid nummer6) via zendmast [zendmast] (Cell ID [nummers]) gebeld naar de mobiele telefoon die in gebruik is bij [naam broer verdachte], zijnde de broer van verdachte7. Om 22.05 uur belt [naam broer verdachte] vanaf de [adres] met 112 en meldt de schietpartij8.

Wanneer de politieambtenaren arriveren treffen zij het navolgende aan. De beschermkap van het rolluik van de achterdeur van de woning is verwijderd. Het bovenlicht boven de achterdeur is niet afgesloten. De cilinder van de voordeur en van de achterdeur zijn van binnenuit afgebroken9.

Voor de woning wordt een zwarte rugzak aangetroffen met daarin diverse soorten gereedschap, waaronder een verstelbare moersleutel10. De aangetroffen werktuigsporen op de profielcilinders zijn veroorzaakt door de aangetroffen moersleutel11.

In de woning staat een aantal vuilniszakken gevuld met afgeknipte hennepplanten12. Er wordt een plastic tas aangetroffen met daarin drie rollen vuilniszakken van dezelfde kleur als de gevulde zakken13. Op de sluitstrip van een van deze rollen bevindt zich een vingerafdruk van medeverdachte [medeverdachte]14. Direct naast de tuinmuur van het perceel staat een lege bestelbus geparkeerd, waarvan de laadruimte niet is afgesloten15 en die toebehoort aan medeverdachte [medeverdachte]16. In deze bestelbus wordt een vingerafdruk van medeverdachte [medeverdachte] aangetroffen17. Tevens wordt in de bestelbus een geurmonster veiliggesteld18. Bij een geuronderzoek met behulp van een politiespeurhond stelt de hond een geurovereenkomst vast tussen het geurmonster en medeverdachte [medeverdachte]19.

In de achtertuin van de woning treft de politie het levenloze lichaam van [slachtoffer 1]20. [slachtoffer 1] is overleden aan de gevolgen van schotletsel21. Hij heeft nadat hij was geraakt niet meer kunnen lopen22 en is direct in elkaar gezakt23. In zijn lichaam wordt een

kogelpunt met een diameter van vermoedelijk 9 mm aangetroffen24. Hij is van dichtbij neergeschoten, de schietafstand bedraagt tussen 0.25 meter en 1.50 meter25. In de auto waarmee [slachtoffer 1] reed worden afstandbedieningen aangetroffen waarmee de rolluiken van de woning kunnen worden bediend26, in zijn kleding de sleutels van de woning27. Naast het lichaam wordt een linkerhandschoen aangetroffen28 met daarop schotresten29 en binnenin het DNA van verdachte [verdachte]30. Een bijpassende rechterhandschoen wordt op het terras ter hoogte van de achterdeur van de woning aangetroffen31. Deze handschoenen vertonen een nopjesprofiel dat ook is te vinden op vuilniszakken in de woning32. In de tuin worden meerdere hulzen en kogelpunten aangetroffen van verschillend kaliber en een patroonhouder. Bij de achterdeur bevindt zich een aantal 9 mm hulzen, in de directe nabijheid van het stoffelijk overschot ligt een 9 mm huls en een patroonhouder met 9 mm patronen. Achter in de tuin en een stukje in de brandgang bevindt zich een aantal 7.65 mm hulzen. Op de openbare weg in de directe omgeving worden twee 9 mm hulzen gevonden. De 9 mm hulzen zijn te onderscheiden in twee soorten: 9x19 mm Luger en 9x17 mm Browning Court.33 De hulzen met kaliber 7.65 mm zijn met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid afkomstig uit het wapen van [slachtoffer 2]34.

Het standpunt van de officier van justitie (zakelijk en verkort weergegeven).

Beide primair tenlastegelegde feiten kunnen wettig en overtuigend worden bewezen.

Verdachte was op 09 januari 2008 ten tijde van de schietpartij aanwezig op de plaats delict.

In de handschoen die is aangetroffen op 70 cm van het hoofd van het slachtoffer is DNA gevonden van verdachte. De kans dat dit DNA afkomstig is van een ander dan verdachte is kleiner dan één op een miljard.

Op 09 januari 2008 om 21.59 uur, binnen twee minuten na de schoten, is [naam broer verdachte], de broer van verdachte, gebeld door medeverdachte [medeverdachte] die hem vertelde dat verdachte was neergeschoten. Uit netwerkmetingen blijkt dat medeverdachte [medeverdachte] op dat moment belde via de zendmast die wordt aangestraald indien men belt vanaf de plaats delict. Dit is dezelfde zendmast die om 22.01 uur en 22.02 uur met het telefoontoestel van verdachte is aangestraald.

Verdachte heeft na 09 januari 2008 het hazenpad gekozen. Vijf uur na de schietpartij is door de partner van verdachte ingecheckt in een hotel in [plaats]. De boeking had betrekking op twee volwassenen en een kind. De telefoon van de partner van verdachte heeft zich tussen 22.02 uur en 22.08 uur verplaatst van het kamp aan het [adres] naar een cirkel waar de plaats delict invalt. Dit moet worden gezien in combinatie met het feit dat om 22.01 uur en 22.02 uur met het toestel van verdachte is gebeld met het toestel van zijn partner.

Getapte telefoongesprekken gevoerd door [betrokkene] bevestigen de betrokkenheid van verdachte bij het schietincident.

Verdachte is degene die het dodelijke schot op [slachtoffer 1] heeft gelost.

Datgene wat [slachtoffer 2] omtrent het schietincident heeft verklaard wordt ondersteund door het forensisch bewijs. [slachtoffer 2] heeft verklaard dat [slachtoffer 1] is neergeschoten door een persoon die zich rechts van hen in de achtertuin bevond. [slachtoffer 2] heeft ook verklaard dat hij heeft teruggeschoten op de schutter, die vervolgens uitriep dat hij was geraakt en kapot zou gaan. Vrijwel direct hierna wordt [naam broer verdachte], de broer van verdachte, met het toestel van medeverdachte [medeverdachte] gebeld met de mededeling dat verdachte was doodgeschoten in de buurt van de woning van [naam]. Om 22.05 uur belt [naam broer verdachte] voor de woning van [naam] de ambulancemeldkamer. De reisduur tussen de woning van [naam], waar [naam broer verdachte] werd gebeld, en de woning van [naam] is vijf minuten. [naam broer verdachte] moet zijn gebeld door iemand die aanwezig was tijdens de schietpartij. De bedoelde mededeling werd door [naam broer verdachte] gezien als een authentiek bericht gelet op de paniek die uitbrak en het gegeven dat onmiddellijk actie werd ondernomen. De enige wijze waarop dit kan worden verklaard, is dat verdachte de eerste schoten heeft gelost ten gevolge waarvan [slachtoffer 1] is overleden.

Het feit dat bij verdachte twee maanden na de schietpartij geen schotwonden zijn aangetroffen laat zich verklaren door het dragen van een schietvest. Dit is geen opmerkelijk attribuut in de wereld waarin deze schietpartij zich heeft afgespeeld.

Dat het verdachte is geweest die [slachtoffer 1] heeft doodgeschoten wordt bevestigd door de vondst van de linkerhandschoen, 70 centimeter van het hoofd van [slachtoffer 1]. Aan de ene zijde heeft het NFI DNA-materiaal aangetroffen gelijk aan dat van verdachte, aan de andere zijde zijn schotresten aangetroffen. Deze handschoen is aangetroffen op nagenoeg dezelfde plaats als waar volgens [slachtoffer 2] de persoon heeft gestaan die het eerste en dodelijke schot loste.

Verdachte had opzet op het doodschieten van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2].

Er zijn in dit kader drie momenten te onderscheiden, namelijk: het moment dat [slachtoffer 1] wordt doodgeschoten terwijl [slachtoffer 2] er naast staat, het moment dat [slachtoffer 2] wordt beschoten vanaf de achterdeur en het moment dat [slachtoffer 2] wordt beschoten vanaf de [adres]. Ten aanzien van het doodschieten van [slachtoffer 1] door verdachte is dit evident. Hier is sprake van doodslag om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf of aan andere deelnemers van het oorsprongfeit, de diefstal, hetzij straffeloosheid hetzij het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren. Gelet op het feit dat de andere twee personen in de tuin in eerste instantie wegrennen, kan voor hen een voltooide gekwalificeerde doodslag op [slachtoffer 1] niet worden bewezen.

Ten aanzien van verdachte is er ook op het eerste te onderscheiden moment reeds sprake van een poging tot gekwalificeerde doodslag op [slachtoffer 2]. Indien in het donker geschoten wordt op twee mensen die dicht bij elkaar staan, is er een opzet om beiden te raken. Uitgaande van het oogmerk (om de betrapper(s) te doden) leidt dit tot het delict artikel 288 van het Wetboek van Strafrecht.

Het feit dat even later vanuit de woning wordt geschoten op [slachtoffer 2], levert in het verlengde van het voorgaande een poging tot gekwalificeerde doodslag op [slachtoffer 2] op, die is toe te rekenen aan verdachte. Verdachte had opzet op het doden van alle niet-rippers in de tuin. De uitvoering is in tweede instantie, bij [slachtoffer 2], mogelijk gedaan door een ander, maar de gezamenlijke intentie was dezelfde en gericht op hetzelfde resultaat. De schutter vanaf de achterdeur heeft zich samen met verdachte schuldig gemaakt aan het medeplegen van een poging tot gekwalificeerde doodslag op [slachtoffer 2]. De derde die op straat schoten op [slachtoffer 2] heeft gelost heeft in feite het karwei van verdachte willen afmaken.

Het standpunt van de verdediging (zakelijk en verkort weergegeven).

Verdachte moet worden vrijgesproken. Op basis van het door de officier van justitie aangedragen materiaal kan niet worden bewezen dat verdachte zich aan de hem verweten feiten, in welk van de tenlastegelegde varianten dan ook heeft schuldig gemaakt.

De CIE processen-verbaal mogen niet voor het bewijs worden gebruikt. De verdediging heeft de informanten niet kunnen bevragen en de inhoud van de informatie bestaat uit fantasieverhalen. Verdachte is onderzocht aan zijn lichaam en er zijn geen schotverwondingen aangetroffen. Arts [arts] is gehoord en hij kan zich niet herinneren dat hij na 09 januari 2008 iemand heeft behandeld in verband met een schotwond.

De verklaringen van getuigen [getuige 1] en [getuige 2] zijn van geen enkele waarde. Getuige [getuige 3] heeft verklaard dat zij op 11 januari 2008 van [getuige 4] heeft gehoord dat niet verdachte maar een ander was neergeschoten en dat verdachte bij het schietincident wel was geraakt. [getuige 4] ontkent dat zij dit tegen [getuige 3] heeft gezegd. De verdediging heeft haar verdedigingsrechten ten aanzien van getuige [getuige 4] niet kunnen uitoefenen, gelet op het feit dat zij wordt verdacht van meineed. Dit dient ertoe te leiden dat deze verklaring van [getuige 4] voor het bewijs niet mag worden gebezigd.

[getuige 4] heeft op 02 april 2008 volgens de politie buiten het verhoor om een aantal mededelingen gedaan. De verklaring had op band moeten worden opgenomen. Het kan niet door de beugel dat de verbalisanten dingen op papier hebben gezet waarvan de getuige heeft aangegeven deze niet op papier te willen hebben en waardoor de getuige vervolgens in grote problemen wordt gebracht. Het is onwaarschijnlijk dat de verbalisanten deze getuige hebben medegedeeld dat er een proces-verbaal zou worden opgemaakt van hetgeen zij na het verhoor zou verklaren. Het proces-verbaal is pas vijf dagen later opgemaakt, er waren geen gespreksaantekeningen en onduidelijk is waarom niet de verklaring van deze getuige op papier is gezet om haar deze te laten ondertekenen. Deze hele gang van zaken strijdt zo zeer met de beginselen van een behoorlijke procesorde dat het de auditu-relaas van [getuige 4], dat zij later heeft ontkend te hebben geuit, voor het bewijs moet worden uitgesloten.

Je moet wel gek zijn om tijdens of na het plegen van een strafbaar feit nog op de plaats delict handschoenen uit te doen die zijn bedoeld om te voorkomen dat er vingerafdrukken achterblijven. Dat geldt helemaal voor het achterlaten van deze handschoenen op de plaats delict, wetende dat naar alle waarschijnlijkheid uit die handschoenen DNA materiaal kan worden afgeleid. Het is bovendien opvallend dat er twee handschoenen zijn aangetroffen en dat deze handschoenen niet op dezelfde plaats zijn achtergelaten. Tegenwoordig komt het vaak voor dat iemand een strafbaar feit gaat plegen en daarbij materiaal meeneemt waarvan hij redelijkerwijs kan vermoeden dat zich daarop DNA van een ander bevindt. Je “plant” als het ware op een plaats delict bewijsmateriaal dat de aandacht van jezelf afleidt en de aandacht vestigt op een ander. Uit het proces-verbaal van doorzoeking van de woning van verdachte blijkt dat de rechter-commissaris deze woning zo kon binnenlopen.

Ook bij de bewijswaarde van het DNA onderzoek kunnen vraagtekens worden geplaatst, zie een uitspraak van de rechtbank in Dordrecht d.d. 16 oktober 2008.

De aangetroffen schotresten op de handschoenen betekenen niet per definitie dat degene die de handschoenen droeg, ook de schutter was. Het is zeer wel mogelijk dat de handschoen er al lag toen de schutter begon te schieten. Als dan die schutter zich maar niet al te ver van de plek waar de handschoen is aangetroffen bevond, dan komen er allicht schotrestjes ook op die handschoen.

Op basis van het technische proces-verbaal kan worden geconcludeerd dat de telefoon van verdachte rond de periode van het delict in de buurt van het delict is geweest. Hieruit kan nog niet worden afgeleid dat verdachte ook daadwerkelijk op de plaats delict is geweest. De broer van verdachte was nagenoeg onmiddellijk na de schietpartij ter plekke aanwezig. Ook zijn mobiele telefoon zal rond de tijd van het delict dus bij de plaats van het delict zijn getraceerd. Net zo min als dit ten aanzien van de broer van verdachte iets zegt over vermeende betrokkenheid bij deze feiten kan verdachte op grond daarvan worden veroordeeld. Het aanvullende proces-verbaal netwerkmetingen d.d. 01 sept[verbalisante] kan niet gebruikt worden als bewijs voor de stelling dat een bepaalde telefoon zich in de buurt van een bepaalde mast bevond, omdat niet is gebleken dat verbalisante als deskundige daarover rechtens relevante uitspraken kan doen.

Indien de rechtbank denkt dat verdachte wel op de plaats van het delict is geweest, dan is onmogelijk vast te stellen hoeveel personen aanwezig waren ten tijde van de schietpartij en wat de precieze rol van verdachte is geweest. [slachtoffer 2] hoort [slachtoffer 1] heel duidelijk zeggen: “Jij hier?”, toen zij bij de wietkwekerij aankwamen. Uit het dossier is niet gebleken dat [slachtoffer 1] verdachte of een van de andere verdachten in deze zaak kende. De bewijsmiddelen die de officier van justitie aandraagt sluiten geenszins de mogelijkheid uit dat een ander dan verdachte of zijn medeverdachten de uiteindelijk fatale schoten heeft gelost. Op grond van de Meer- en Vaartjurisprudentie mag in dat geval geen veroordeling volgen. Er is bovendien geen enkele ooggetuige die verklaart dat verdachte betrokken was bij deze schietpartij of zelfs maar in de buurt was. Verdachte kan niet voor deze feiten worden veroordeeld.

Het oordeel van de rechtbank.

Uit de hiervoor genoemde vaststaande feiten volgt dat er op 09 januari 2008 is ingebroken in de woning aan de [adres] te Eindhoven om daar hennepplanten weg te nemen. Een groot deel van de planten was reeds afgeknipt en in vuilniszakken klaargezet toen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2], gewaarschuwd door het gsm-alarmsysteem, poolshoogte kwamen nemen. [slachtoffer 2] heeft verklaard dat hij bij het betreden van de achtertuin van de woning drie verschillende personen heeft gezien35. Voor zover de verklaring die [slachtoffer 2] over het schietincident heeft afgelegd controleerbaar is, wordt deze volledig ondersteund door het sporenbeeld op de plaats delict en in het bijzonder door de aangetroffen munitiedelen. De rechtbank acht de verklaring van [slachtoffer 2] daarom betrouwbaar. De geloofwaardigheid van [slachtoffer 2] wordt bovendien versterkt door het feit dat zijn verklaring voor hemzelf belastend is en deze verklaring is afgelegd toen hem het sporenbeeld niet (exact) bekend was. Volgens [slachtoffer 2] zijn twee van de aanwezige personen richting de achterdeur gerend, de derde persoon bevond zich rechts van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] in de tuin. Deze derde persoon heeft [slachtoffer 1] vrijwel onmiddellijk na het betreden van de tuin van dichtbij doodgeschoten36. Op de plaats waar volgens [slachtoffer 2] de schutter heeft gestaan, is een 9 mm huls aangetroffen en een linkerhandschoen met schotresten. In het lichaam van [slachtoffer 1] is een kogelpunt met een diameter van vermoedelijk 9 mm aangetroffen37. De schootsafstand van dit schot bedraagt tussen de 0.25 en 1.5 meter. De linkerhandschoen met schotresten is aangetroffen op 70 cm van het lichaam van [slachtoffer 1].

De aanwezigheid van verdachte op de plaats delict.

In de genoemde linkerhandschoen met schotrestsporen is DNA aangetroffen van verdachte. Door de verdediging is aangevoerd dat het niet ondenkbaar is dat de handschoen met het DNA van verdachte door derden bewust op de plaats delict is achtergelaten om ervoor te zorgen dat de verdenking op verdachte kwam te rusten in plaats van op de echte daders. De rechtbank acht dit volstrekt onwaarschijnlijk. Op vuilniszakken in de woning zijn handschoensporen aangetroffen met eenzelfde nopjesprofiel als van de aangetroffen handschoenen38. Dit wijst erop dat de hennepdieven deze of gelijksoortige handschoenen hebben gebruikt. Er is in de handschoenen geen DNA aangetroffen van iemand anders. Dit DNA-profiel heeft een hoge bewijswaarde omdat het direct te relateren is aan het delict en er slechts een zeer beperkt aantal personen in aanmerking komt om het spoor te hebben achtergelaten: de schutter en de andere personen die betrokken zijn geweest bij de inbraak in de woning.

Indien men op en in de directe nabijheid van de plaats delict een telefoongesprek voert via het KPN GSM-netwerk is het logisch dat de aanvang van het gesprek plaatsvindt via het 900 serving-basisstation 49802 en tijdens het gesprek wordt overgeschakeld naar het 1800 serving-basisstation 61634. Dit is gemeten door opsporingsambtenaar 3658 van de Dienst Specialistische Recherche Toepassingen van het Korps Landelijke Politiediensten, die van zijn/haar bevindingen op ambtsbelofte een proces-verbaal heeft opgemaakt. De technische resultaten van deze metingen zijn door verbalisante [verbalisante] toegelicht in een proces-verbaal39. De rechtbank komt de door haar gegeven uitleg van de meetresultaten begrijpelijk voor. Deze is eenvoudig te herleiden tot de gemeten resultaten. Het door de raadsman gevoerde verweer dat het genoemde proces-verbaal van verbalisante [verbalisante] wegens gebrek aan deskundigheid niet voor het bewijs kan worden gebruikt, wordt dan ook door de rechtbank verworpen.

Met het mobiele telefoontoestel van verdachte is via KPN direct na het schieten om 22.01 uur en om 22.02 uur contact gemaakt met de genoemde Cell ID’s die worden aangestraald bij uitbellen vanaf de plaats delict40. Uit het buurtonderzoek is vastgesteld dat het tijdstip waarop is geschoten ligt omstreeks 21.58 uur41. Om 21.59 uur wordt er vanaf telefoonnummer [nummer] via Cell ID’s [nummers] gebeld naar de mobiele telefoon die in gebruik is bij [naam broer verdachte], zijnde de broer van verdachte42. [naam broer verdachte] heeft verklaard dat iemand hem toen in paniek vertelde dat zijn broer [verdachte] was doodgeschoten43. Getuige [naam] was aanwezig bij dit telefoongesprek en bevestigt dat [naam broer verdachte] dit tegen hem vertelde en dat hij in paniek was44. [naam broer verdachte] heeft zich na het telefoontje onmiddellijk naar de directe omgeving van de plaats delict begeven. Er zijn geen meldingen van andere schietpartijen binnen dit zendmastbereik op die datum en dat tijdstip. De rechtbank leidt uit het vorenstaande af dat degene die [naam broer verdachte] op dat moment belde bij de schietpartij aan de [adres] aanwezig moet zijn geweest. Deze persoon noemt uitdrukkelijk de naam van verdachte als betrokken bij de schietpartij.

Verdachte moet dus wel ter plaatse zijn geweest in de onmiddellijke nabijheid van het schietincident.

[slachtoffer 2] heeft voorts verklaard dat hij heeft teruggeschoten op de persoon die [slachtoffer 1] heeft neergeschoten en dat deze hierna heeft uitgeroepen dat hij was getroffen en kapot zou gaan45. Het ligt voor de hand dat deze uitroep de reden is geweest dat de broer van verdachte is gebeld met het bericht dat verdachte was neergeschoten. [slachtoffer 2] heeft ook verklaard dat [slachtoffer 1] de schutter leek te kennen, getuige zijn uitroep: “Jij!”.46 Door de verdediging is aangevoerd dat deze uitroep geen betrekking kan hebben op verdachte, aangezien [slachtoffer 1] en verdachte elkaar niet kenden. Dit wordt echter tegengesproken door de verklaring van [slachtoffer 2] dat [slachtoffer 1] naar eigen zeggen ongeveer twee à drie weken voor zijn dood in een bouwmarkt was aangesproken door ene [verdachte] van het kamp, d[bijnaam]m] wordt genoemd. Er is toen een handgemeen ontstaan. [slachtoffer 1] had tegen [slachtoffer 2] verteld dat [bijnaam] had gedreigd dat hij alles kapot zou maken wat [slachtoffer 1] had47. Verdachte wordt [bijnaam] genoemd48. Het feit dat [slachtoffer 1] een blauw oog had opgelopen enkele weken voor zijn overlijden wordt bevestigd door de vriendin van [slachtoffer 1]49. Ook [getuige 5], een bekende van [slachtoffer 1], had hem onlangs gezien met een blauw oog50.

Uit de hiervoor geschetste feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, leidt de rechtbank af dat verdachte degene is geweest die het dodelijke schot op [slachtoffer 1] heeft gelost.

Opzet op het doden van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2].

Verdachte heeft van zeer dichtbij geschoten op [slachtoffer 1]. Het opzet op de dood van dit slachtoffer is hiermee gegeven. [slachtoffer 2] bevond zich op dat moment dichtbij [slachtoffer 1]51. De rechtbank volgt de redenering van de officier van justitie dat verdachte door in het donker te schieten op twee personen die dicht bij elkaar stonden opzet heeft gehad op het doden van beiden en in ieder geval bewust de aanmerkelijke kans moet hebben aanvaard dat hij ook de tweede persoon dodelijk had kunnen verwonden. Uit de verklaring van [slachtoffer 2]52 en de aangetroffen munitiedelen is vast te stellen dat ook vanaf de achterdeur door (een) onbekende derde(n) meerdere schoten in de richting van [slachtoffer 2] zijn afgevuurd. De rechtbank leidt uit de uiterlijke verschijningsvorm van deze tweede serie schoten af dat (ook) deze was gericht op het uitschakelen, zo nodig doden, van de persoon of personen die de dieven hadden betrapt, in casu [slachtoffer 2]. Uit het buurtonderzoek, de aangetroffen munitiedelen en de verklaring van [slachtoffer 2] volgt dat alle schoten in de achtertuin vanuit de groep hennepdieven vrijwel direct achter elkaar zijn gelost en gericht waren op dezelfde perso(o)n(en).

Dit totaal aan gedragingen (van zowel verdachte als de onbekende schutter) is zodanig nauw verweven in tijd en plaats dat sprake is van handelen in bewuste en nauwe samenwerking, gericht op het ten koste van alles uitschakelen van de personen die hen hadden betrapt.

Dit leidt ertoe dat de rechtbank beide onder primair tenlastegelegde feiten wettig en overtuigend bewezen acht.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang gezien, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

primair

op 09 januari 2008 te Eindhoven opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet met een wapen een of meer kogels op die [slachtoffer 1] afgevuurd, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] is overleden, welke vorenomschreven doodslag werd voorafgegaan van

enig strafbaar feit, te weten de poging tot diefstal van een hoeveelheid hennepplanten en welke doodslag werd gepleegd met het oogmerk om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of aan de andere deelnemers aan dat feit straffeloosheid en/of het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren

en

op 09 januari 2008 te Eindhoven ter uitvoering van het door

verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen opzettelijk [slachtoffer 2] van het leven te beroven, met dat opzet met een wapen een of meer kogels heeft afgevuurd op en/of in de richting van die [slachtoffer 2], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid, welke vorenomschreven poging tot doodslag werd voorafgegaan van enig strafbaar feit, te weten de poging diefstal van een hoeveelheid hennepplanten en welke poging tot doodslag werd gepleegd met het oogmerk om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of aan de andere deelnemers aan dat feit straffeloosheid en/of het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De kwalificatie.

Het bewezenverklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.

De strafbaarheid.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van de feiten of van de verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen te zijnen laste bewezen is verklaard.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 10, 27, 47, 57, 287, 288.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie eist voor beide onder primair tenlastegelegde feiten een gevangenisstraf voor de duur van 25 jaren met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

Bij het formuleren van zijn eis heeft de officier van justitie in het bijzonder rekening gehouden met het feit dat verdachte deel uitmaakt van een groepje professionele en gevaarlijke criminelen, de voorspelbaarheid van een confrontatie, het feit dat op voorhand was in te schatten dat een confrontatie tot zeer grof geweld zou leiden, met het feit dat over en weer met vuurwapens is geschoten, ook op straat midden in een woonwijk, het feit dat verdachte direct verantwoordelijk is voor het doden van [slachtoffer 1] en verdachte op geen enkele manier blijk geeft van spijt. Daarnaast heeft de officier van justitie rekening gehouden met de omstandigheid dat verdachte in 1998 is veroordeeld tot tien jaar gevangenisstraf voor het plegen van doodslag op zijn vrouw.

Een afschrift van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging stelt zich op het standpunt dat verdachte dient te worden vrijgesproken.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Voorts heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals tot uitdrukking komt in het wettelijke strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

De rechtbank heeft bij de strafoplegging in het bijzonder het navolgende overwogen.

Bepaalde delen van de kweek en handel in hennep zijn tegenwoordig sterk verweven met de wereld van de zware criminaliteit, waarbij ook vuurwapengeweld geen uitzondering is. Dit is een zeer ongewenste ontwikkeling die met kracht – en dus met een stevige justitiële reactie - dient te worden bestreden.

Verdachte heeft binnen dit circuit deelgenomen aan een buitengewoon gewelddadig verlopen diefstal, waarbij midden in een woonwijk, ook op straat, meerdere schoten zijn gelost. Het is slechts toeval dat er niet meer doden of gewonden zijn gevallen. De heer [slachtoffer 2] had evengoed doodgeschoten kunnen worden door verdachte en zijn mededader(s). Verdachte heeft zonder enige aarzeling [slachtoffer 1], een jonge man in de bloei van zijn leven, van dichtbij doodgeschoten. Verdachte heeft onherstelbaar leed berokkend aan de nabestaanden en vrienden van dit slachtoffer. Verdachte geeft op geen enkele manier blijk van gevoelens van medeleven of spijt. Daarbij komt nog dat verdachte in 1998 tot een gevangenisstraf van 10 jaren is veroordeeld voor de doodslag op zijn toenmalige partner. Ook dit aspect weegt zwaar mee in de uiteindelijke duur van de op te leggen gevangenisstraf.

De rechtbank zal een zwaardere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, nu de rechtbank van oordeel is dat de gevorderde straf de ernst van het bewezen verklaarde onvoldoende tot uitdrukking brengt. De rechtbank heeft overwogen om aan verdachte levenslange gevangenisstraf op te leggen, maar heeft uiteindelijk besloten om aan verdachte de langst mogelijke tijdelijke gevangenisstraf op te leggen. Verdachte behoudt hierdoor uitzicht op een leven na detentie, terwijl de (huidige) V.I. – regels gedurende tien jaar na zijn detentie een sterk normerend effect op zijn leven zullen hebben.

DE UITSPRAAK

Verklaart het primair tenlastegelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op de misdrijven:

doodslag, voorafgegaan van een strafbaar feit en gepleegd met het oogmerk om,

bij betrapping op heter daad, aan zichzelf of andere deelnemers aan dat feit

hetzij straffeloosheid hetzij het bezit van het wederrechtelijk verkregene te

verzekeren

en

medeplegen van poging tot doodslag voorafgegaan van een strafbaar feit en gepleegd met het oogmerk om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan dat feit hetzij straffeloosheid hetzij het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straf:

Gevangenisstraf voor de duur van 30 jaar met aftrek overeenkomstig artikel 27

Wetboek van Strafrecht

Dit vonnis is gewezen door:

mr. drs. W.A.F. Damen, voorzitter,

mr. C.B.M. Bruens en mr. H.F. van Kregten, leden,

in tegenwoordigheid van mr. A.W.A. Kap-Knippels, griffier,

en is uitgesproken op 4 maart 2009.

mr. Van Kregten is buiten staat om dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Het proces-dossier omvat onder meer:

- een eindprocesdossier 22TG0801/[naam], regiopolitie Brabant Zuid-Oost, divisie recherche, afgesloten op 13 augustus 2008, aantal doorgenummerde bladzijden: 1313, verder te noemen: Einddossier;

- een persoonsdossier 22TG0801/[naam], regiopolitie Brabant Zuid-Oost, divisie recherche, doorgenummerde bladzijden: van 1314 tot en met 1628, verder te noemen: Persoonsdossier;

- twee ordners met opschrift: 22TG0801/[naam], Bijlage 2, proces-verbaal FTO, inhoudende een aantal bijlagen genummerd 1 tot en met 65, verder te noemen: FTO,

- een aanvullend eindprocesdossier 22TG0801/[naam], regiopolitie Brabant Zuid-Oost, divisie recherche, afgesloten op 19 november 2008, aantal doorgenummerde bladzijden: 220, verder te noemen: Aanvullend eindprocesdossier.

2 Einddossier: pag. 240-241: proces-verbaal van bevindingen van [verbalisanten] en pag. 300-301: proces-verbaal van onderzoek in de woning, van [naam] en FTO bijlage 12 pag. 6-8 proces-verbaal technisch onderzoek van [verbalisanten].

3 Einddossier, pag. 374-375: proces-verbaal van bevindingen door [verbalisant].

4 Persoonsdossier, pag. 1540-1546: verklaring [slachtoffer 2].

5 Einddossier, pag. 463: verklaring [naam]

6 Einddossier pag. 1145: proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant].

7 Einddossier pag. 1145-1146: proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant].

8 Einddossier pag. 228-229: proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant] en [verbalisant].

9 FTO bijlage 12 pag. 3-4 en 6-7: proces-verbaal technisch onderzoek van [verbalisanten].

10 Einddossier pag. 248: proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant] en FTO bijlage 1 pag. 3-4 proces-verbaal technisch onderzoek van onder anderen [verbalisant]

11 FTO bijlage 19: een proces-verbaal forensisch technisch onderzoek van [verbalisant] met kenmerk PL2200/08-005825.

12 FTO bijlage 12 pag. 5: proces-verbaal technisch onderzoek van [verbalisanten].

13 FTO bijlage 12 pag. 5: proces-verbaal technisch onderzoek van [verbalisanten] en foto’s 16 en 20 bij deze bijlage.

14 FTO bijlage 15: proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant]; FTO bijlage 17: proces-verbaal dactyloscopische herkenning van [naam] en schriftelijke bevestiging van verificatie door [naam].

15 FTO bijlage 1 pag. 4: proces-verbaal technisch onderzoek van [technisch rechercheurs]

16 Proces-verbaal van terechtzitting d.d. 18 februari 2009: verklaring van medeverdachte [medeverdachte].

17 FTO bijlage 27 pag. 1, 3: proces-verbaal technisch onderzoek van [namen]; FTO bijlage 35: proces-verbaal dactyloscopische herkenning van [naam] en schriftelijke bevestiging door [naam].

18 FTO bijlage 28: proces-verbaal van [naam].

19 FTO bijlage 30: proces-verbaal van [verbalisanten]

20 Einddossier pag. 242-243: proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant]; pag. 396-397 verklaring van [verbalisant]; pag. 299 proces-verbaal van bevindingen van [verbalisanten]; FTO bijlage 1 pag. 9-10: proces-verbaal technisch onderzoek van [technisch rechercheurs]

21 Einddossier pag. 289-292: deskundigenrapport NFI van [deskundige]

22 Einddossier pag. 289-291: deskundigenrapport NFI van [deskundige]

23 Persoonsdossier pag. 1565: verklaring [slachtoffer 2].

24 Einddossier pag. 289-291: deskundigenrapport (deskundige); FTO bijlage 3 pag. 1: proces-verbaal technisch onderzoek van (verbalisant); FTO bijlage 4 pag. 2: proces-verbaal technisch onderzoek door (verbalisanten).

25 FTO bijlage 11 pag. 1: proces-verbaal technisch onderzoek van (verbalisant); Einddossier pag. 1194-1195, 1203-1206, 1209, 1212: deskundigenrapport NFI van ing. (deskundige).

26 FTO bijlage 18 pag. 2: proces-verbaal technisch onderzoek van (verbalisanten).

27 Einddossier pag. 237: proces-verbaal bevindingen van (verbalisanten).

28 FTO bijlage 1 pag. 7: proces-verbaal technisch onderzoek van (verbalisanten).

29 Einddossier pag. 1195, 1208, 1212: deskundigenrapport NFI van ing. (deskundige).

30 FTO bijlage 52 pag. 7, 13, 14: deskundigenrapport NFI van (deskundige) met bijlage pag. 1228; FTO bijlage 54: faxbericht NFI d.d. 22 april 2008 van (deskundige); Einddossier pag. 1222-1223, 1226: deskundigenrapport NFI van (deskundige) met bijlage pag. 1228-1229.

31 FTO bijlage 1 pag. 7: proces-verbaal technisch onderzoek van (verbalisanten).

32 FTO bijlage 14: proces-verbaal technisch onderzoek van (verbalisant)

33 FTO bijlage 1 pag. 3-7, 10-11: proces-verbaal technisch onderzoek van (verbalisanten); FTO bijlage 7: proces-verbaal technisch onderzoek van (verbalisanten); FTO bijlage 9: proces-verbaal technisch onderzoek van (verbalisanten); FTO bijlage 59: deskundigenrapport NFI van (deskundige).

34 Einddossier pag. 722-724: proces-verbaal van bevindingen van (verbalisanten); Einddossier pag. 739-740: proces-verbaal van bevindingen van (verbalisanten); FTO bijlage 49: proces-verbaal technisch onderzoek van (verbalisant); FTO bijlage 59: deskundigenrapport NFI van (deskundige)

35 Persoonsdossier pag. 1583: verklaring [slachtoffer 2].

36 Persoonsdossier pag. 1564-1565: verklaring [slachtoffer 2] en bevindingen schietafstand noot 24.

37 Einddossier pag. 289-291: deskundigenrapport [deskundige]; FTO bijlage 3 pag. 1: proces-verbaal technisch onderzoek van (verbalisanten); FTO bijlage 4 pag. 2: proces-verbaal technisch onderzoek door (verbalisanten).

38 FTO bijlage 14: proces-verbaal technisch onderzoek van (verbalisant).

39 Aanvullend einddossier pag. 32: proces-verbaal (verbalisant) in onderlinge samenhang met pag. 36-38, 122-123 en 126: proces-verbaal van bevindingen opsporingsambtenaar 3658 bij de Dienst Specialistische Recherche Toepassingen.

40 Einddossier pag. 1162 en 1166: proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant] en Aanvullend einddossier pag. 33: proces-verbaal van (verbalisant).

41 Einddossier, pag. 463: verklaring [naam]

42 Einddossier pag. 1145-1146: proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant].

43 Einddossier pag. 527-528: verklaring van (getuige).

44 Einddossier pag. 900: verklaring (getuige).

45 Persoonsdossier pag. 1565: verklaring van [slachtoffer 2].

46 Persoonsdossier pag. 1565: verklaring van [slachtoffer 2].

47 Einddossier pag. 664: verklaring [slachtoffer 2].

48 Einddossier pag. 840: verklaring [betrokkene] bij de rechter-commissaris.

49 Einddossier pag. 546: verklaring (getuige).

50 Einddossier pag. 688: verklaring (getuige).

51 Persoonsdossier pag. 1565: verklaring [slachtoffer 2].

52 Persoonsdossier pag. 1546-1548: verklaring [slachtoffer 2].