Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2009:BH4397

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
27-02-2009
Datum publicatie
02-03-2009
Zaaknummer
187720 / JE RK 09-254MZ14 en 187712 / JE RK 09-253
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Mag een jeugdige in de zin van artikel 29 a Wet op de Jeugdzorg na het bereiken van de meerderjarigheidsgrens gesloten geplaatst worden?

Wetsverwijzingen
Wet op de jeugdzorg
Wet op de jeugdzorg 29a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RFR 2009, 77
JPF 2009/79
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ‘s-HERTOGENBOSCH

Sector Civiel recht

Zaaknummers: 187720 / JE RK 09-254MZ14 – 187712 / JE RK 09-253

Uitspraak: 27 februari 2009

Inzake: machtiging tot plaatsing in een accommodatie van een zorgaanbieder

24-uurs gesloten

Beschikking van de rechtbank 's-Hertogenbosch, meervoudige familiekamer, gegeven met betrekking tot de jeugdige:

[naam], geboren te [geboorteplaats] op 11 maart 1991,

kind van:

[vader] en [moeder] wonende te [adres] [woonplaats].

De procedure

Op 2 februari 2009 is ter griffie van deze rechtbank ingekomen een verzoekschrift met bijlagen van:

WILLIAM SCHRIKKER STICHTING JEUGDBESCHERMING en JEUGDRECLASSERING,

Postbus 12685

1100 AR Amsterdam-Zuidoost, namens Bureau Jeugdzorg Noord-Brabant,

hierna te noemen de stichting, strekkende tot het verlenen van een machtiging tot plaatsing van bovengenoemde jeugdige in een accommodatie van een zorgaanbieder 24-uurs gesloten.

Als belanghebbenden worden aangemerkt:

- vader;

- moeder;

- de jeugdige [naam].

Op 19 februari 2009 heeft de kinderrechter het verzoekschrift ter zitting met gesloten deuren behandeld. Bij die gelegenheid zijn gehoord: verzoekster, vertegenwoordigd door

J. van Haren, vader, moeder alsmede de minderjarige, bijgestaan door haar advocaat mr. B.G.M. Frencken.

Van het verhandelde ter zitting is proces-verbaal opgemaakt.

Na afloop van de behandeling ter zitting heeft de kinderrechter de zaak, gelet op de aard hiervan, verwezen naar de meervoudige kamer.

De beoordeling

Uit de stukken blijkt dat ten aanzien van bovengenoemde minderjarige een ondertoezichtstelling van kracht is en wel tot 11 maart 2009, zijnde de datum van meerderjarigheid.

Het verzoek strekt tot het verlenen van een machtiging tot plaatsing van de jeugdige in een accommodatie van een zorgaanbieder gesloten voor een periode van een jaar. Dit betekent dat, indien de machtiging wordt verleend, deze doorloopt na de meerderjarigheid van de jeugdige.

De rechtbank is van oordeel, gelet op de inhoud van het verzoekschrift en de daarbij overgelegde bijlagen, dat het in het belang van de verzorging en opvoeding noodzakelijk is dat voornoemde jeugdige uit huis wordt geplaatst voor een termijn als hierna te melden.

De rechtbank is voorts van oordeel dat er bij de jeugdige sprake is van ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen die haar ontwikkeling naar volwassenheid ernstig belemmeren en die maken dat opneming en het verblijf noodzakelijk zijn om te voorkomen dat de jeugdige zich aan de zorg die zij nodig heeft zal onttrekken of daaraan door anderen zal worden onttrokken.

De verzochte machtiging zal derhalve voor de periode tot aan meerderjarigheid worden verleend.

Voor wat betreft het verzoek dat ziet op de periode na meerderjarigheid overweegt de rechtbank het navolgende:

Op grond van artikel 29b van de Wet op de Jeugdzorg (Wjz) kan “de kinderrechter een machtiging verlenen om een jeugdige in een accommodatie, het daarbij behorende terrein daaronder begrepen, te doen opnemen en te doen verblijven, ongeacht of hij daarmee instemt”.

Blijkens artikel 29a Wjz is artikel 29b Wjz van toepassing op de minderjarige jeugdige én op de jeugdige die de leeftijd van 21 jaar nog niet heeft bereikt, mits ten aanzien van hem op het tijdstip van meerderjarig worden een machtiging gold. Laatstbedoelde jeugdige wordt voor de toepassing van artikel 29a e.v. Wjz in afwijking van het bepaalde in artikel 1:233 van Boek I van het BW als minderjarige behandeld.

De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of artikel 29a Wjz zich verdraagt met het verbod op vrijheidsbeneming als bedoeld in het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

In artikel 5 lid 1 EVRM wordt een limitatieve opsomming gegeven van de gronden die vrijheidsberoving kunnen rechtvaardigen. Maatregelen van kinderbescherming die vrijheidsbeneming inhouden, kunnen op grond van dit artikel enkel en alleen aan minderjarigen worden opgelegd met het doel om in te grijpen in zijn opvoeding of, indien er sprake is van rechtmatige gevangenhouding, om hen voor het bevoegde gezag te brengen. Het EVRM zelf geeft geen nadere invulling aan het begrip “minderjarig”.

Het Internationaal Verdrag voor de Rechten van het Kind (IVRK) geeft kinderen het recht op bescherming, verzorging en opvoeding. Het Verdrag legt op de aangesloten Staten de plicht om erop toe te zien dat dit recht kan worden geëffectueerd en zo nodig handelend op te treden, waar nodig ook tegen de wil van de minderjarige en diens opvoeders.

Artikel 1 van het Internationaal Verdrag voor de Rechten van het Kind (IVRK) bepaalt dat voor toepassing van dat verdrag onder een kind wordt verstaan ieder mens dat jonger is dan 18 jaar, tenzij volgens het op het kind van toepassing zijnde recht de meerderjarigheid eerder wordt bereikt.

De Toelichting op artikel 1 van het IVRK geeft daarbij aan dat de nationale wetgever de meerderjarigheidsgrens wel naar beneden, maar niet naar boven mag bijstellen. Anders gezegd volgt uit het IVRK dat de nationale wetgever een kind wèl vóór het bereiken van de 18- jarige leeftijd als meerderjarig mag beschouwen, maar niet nà het bereiken van de 18 jarige leeftijd nog als minderjarige mag behandelen. De legitimatie die artikel 5 EVRM aan de overheid biedt om in te grijpen in de privésfeer van de jeugdige waar dat uit het oogpunt van kinderbescherming is geboden, strekt dus niet verder dan tot het bereiken van de leeftijd waarop de jeugdige meerderjarig wordt. Is na het meerderjarig worden voortzetting van beschermende maatregelen, inclusief vrijheidsbeperking nog geboden, dan kan dat alleen binnen de grenzen die artikel 5 EVRM aan vrijheidsberoving voor meerderjarigen stelt.

Bovengenoemde bepalingen van het EVRM en het IVRK, in hun onderlinge samenhang beschouwd, brengen de rechtbank tot het oordeel dat artikel 29a van de Wjz, voor zover dit artikel ziet op jeugdigen die de leeftijd van 18 jaar maar nog niet de leeftijd van 21 jaar hebben bereikt, in strijd is met artikel 5 EVRM en mitsdien buiten toepassing moet worden gelaten.

Het verzoek, voor zover het ziet op de periode na het bereiken van de 18-jarige leeftijd door de minderjarige, moet dan ook worden afgewezen.

Het voorgaande laat naar het oordeel van de rechtbank onverlet dat, zolang de betrokkene dit wenst en dit voor haar groei naar volwassenheid geboden is, met een onderliggend hiertoe strekkend indicatiebesluit, af te geven door de stichting op grond van artikel 5 Wjz, de betrokken instelling de hulpverlening aan de jeugdig moet voortzetten. Deze hulpverlening zal dan echter in het vrijwillig kader, zonder rechterlijke machtiging, moeten plaatsvinden.

De beslissing

De rechtbank:

verleent machtiging tot plaatsing van voornoemde jeugdige in een accommodatie van een zorgaanbieder 24-uurs gesloten met ingang van 5 maart 2009 tot 11 maart 2009, zijnde de datum van meerderjarigheid;

verklaart artikel 29a van de Wet op de jeugdzorg buiten toepassing, voor zover dit artikel ziet op jeugdigen die de leeftijd van 18 jaar maar nog niet de leeftijd van 21 jaar hebben bereikt;

wijst af het verzoek om een machtiging tot plaatsing van voornoemde jeugdige in een accommodatie van een zorgaanbieder 24-uurs gesloten met ingang van 11 maart 2009;

verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mrs. F.A. van der Reijt, A.E.M. Effting-Zeguers en O.A.J.M. Lavrijssen, kinderrechters, en in het openbaar uitgesproken op 27 februari 2009 in aanwezigheid van de griffier.

Mr. F.A. van der Reijt is buiten staat te tekenen.

Tegen deze beschikking kan - uitsluitend door tussenkomst van een advocaat -hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch:

a) door de verzoeker en degene aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

b) door andere belanghebbenden binnen drie maanden na betekening daarvan of nadat de beschikking hen op andere wijze bekend is geworden.