Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2009:BH4029

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
25-02-2009
Datum publicatie
25-02-2009
Zaaknummer
187864 / KG ZA 09-76
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Verbod aan (ex)imam om nog in de moskee te komen en aan activiteiten geloofsgemeenschap buiten mee te doen. De (ex)imam verschilt nog steeds in diepgaande mate van mening met het bestuur van de moskee en legt zich niet bij de zeggenschap en leiderschap van het bestuur neer. Dat veroorzaakt onrust in de geloofsgemeenschap. Voor wat de overige gedaagden betreft is er op dit moment te weinig grond om hen in de verboden te betrekken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2009-0151
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 187864 / KG ZA 09-76

Vonnis in kort geding van 25 februari 2009

in de zaak van

De stichting STICHTING WELZIJN VOOR

MOSLIMS IN NEDERLAND,

gevestigd te Amsterdam,

eiseres,

advocaat mr. M. Franke, te Eindhoven,

tegen

1. [naam gedaagde 1],

wonende te [woonplaats],

gedaagde sub 1,

advocaat mr. Y.J.K. Meulemans, te Eindhoven,

2. [naam gedaagde 2],

wonende te [woonplaats],

op het [adres],

gedaagde sub 2,

niet verschenen,

3. [naam gedaagde 3],

wonende te [woonplaats],

op het [adres],

gedaagde sub 3,

advocaat mr. F.J.M. Drykoningen ,te Eindhoven,

4. [naam gedaagde 4],

wonende te [woonplaats],

gedaagde sub 4,

advocaat mr. F.J.M. Drykoningen, te Eindhoven,

5. [naam gedaagde 5],

wonende te [woonplaats],

gedaagde sub 5,

advocaat mr. L.M.J.S. Helder, te Eindhoven,

6. [naam gedaagde 6],

wonende te [woonplaats],

gedaagde sub 6,

advocaat mr. L.M.J.S. Helder, te Eindhoven.

Partijen zullen hierna als volgt worden aangeduid. De stichting Welzijn voor Moslims in Nederland zal “de stichting” genoemd worden en de gedaagden gezamenlijk gedaagden. Gedaagde sub 1 zal [gedaagde 1] genoemd worden. Gedaagde sub 2 zal met [gedaagde 2] worden aangeduid, terwijl gedaagde sub 3 (ook) [gedaagde 3] zal worden genoemd. Gedaagde sub 4 zal om verwarring zoveel mogelijk te voorkomen met [gedaagde 4] worden aangeduid. Gedaagde sub 5 met [gedaagde 5]. Gedaagde sub 6 tenslotte met [gedaagde 6].

De procedure

Na dagvaarding heeft een behandeling ter terechtzitting plaatsgevonden. Tegen de niet verschenen [gedaagde 2] is verstek verleend. Partijen hebben hun standpunten door de hun raadslieden laten bepleiten. Deze hebben het woord gevoerd aan de hand van pleitnota’s die zich onder de stukken bevinden. Mr Franke heeft zich laten bijstaan door haar kantoorgenoot mr H. Nieuwenhuizen.

Ten slotte is de uitspraak bepaald op heden.

Enkele vaststaande feiten

De stichting is een stichting met de volgende doelstelling (artikel 2 van haar statuten):

1. De stichting stelt zich ten doel de materiële en geestelijke omstandigheden die moeten leiden tot een aanvaardbaar niveau van welzijn voor moslims in Nederland te creëren door het opzetten, uitvoeren en coördineren van activiteiten. Hierdoor zijn ze beter in staat op gelijkwaardige wijze deel te nemen aan de Nederlandse samenleving, zonder verlies van eigen religieuze identiteit. Tegelijkertijd is een parallel doel de moslimse eigenheid, maar vooral de mens die het islamitische geloof belijdt, in het bijzonder door voorlichting en permanente communicatie en educatie, sociaal en cultureel geaccepteerd te krijgen door diezelfde samenleving.

2. De stichting tracht het doel onder meer te bereiken door het instellen van afdelingen in Nederland.

3. De stichting tracht het doel te bereiken in nauwe samenwerking met de World Islamic Mission.

4. In haar werkwijze zal de stichting de besluiten van het Roeyat-e-Hilaal Comité Nederland en de waarden van Ahle Soennat wa Jamaat, zoals de viering van Ied Milaad-un-Nabie, Daroed-o-Salaam (in staande positie eer bewijzen aan de heilige Profeet), het herdenken van de heiligen in de Islam (Urs), Miraadjviering, etcetera, in ere houden en implementeren.

De stichting gaat uit van de zelfde grondslag als de World Islamic Mission. In artikel 3 van de statuten houdt het tweede lid het volgende in:

De stichting is een Ahle Soennat wa Jamaat organisatie en de bestuursleden kunnen alleen soenni moslims zijn wier daden, woorden en overtuigingen niet in strijd zijn met de soennat en de leer van de Islam, en die geloven dat Profeet Mohammed (Sallallaho Aleyhi Wasallam) de laatste Profeet van Allah is (…..).

In artikel 9 van de statuten wordt bepaald dat elke afdeling een raad van donateurs kent, die het afdelingsbestuur gevraagd en ongevraagd adviezen verstrekt. De leden van de raad van donateurs worden gevormd door alle donateurs die de wens hebben geuit als donateur geregistreerd te worden en een aantoonbare financiële bijdrage aan de stichting leveren.

Artikel 13 van de statuten houdt onder mee het volgende in:

1. De stichting heeft een Geestelijk Leider. De Geestelijk Leider wordt voor het keven in deze functie benoemd. De Geestelijk Leider wijst zelf zijn opvolger aan.

2. De Geestelijk Leider is gerechtigd tot inzage in de stukken en bescheiden van de stichting. De Geestelijk Leider kan het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur en het afdelingsbestuur gevraagd of ongevraagd van advies dienen. De adviezen van de Geestelijk Leider zijn voor ieder bindend en dienen als bestuursbesluiten te worden overgenomen en vastgelegd.

3. De Geestelijk Leider kan ieder door een college van de stichting genomen besluit vernietigen.

4. Bij het overlijden van de Geestelijk Leider benoemt de World Islamic Mission een opvolger indien de Geestelijk Leider daarin zelf niet heeft voorzien.

5. De Geestelijk Leider benoemt en ontslaat de Imaam(s), Khtieb en Muazzin in de moskeeën die ressorteren onder de stichting.

6. Thans is als Geestelijk Leider aangegeven: Zijne Eminentie Hazrat Maulana Mohammad Anas Siddiqui.

Ter verwezenlijking van haar doelstellingen houdt de stichting onder meer een tweetal moskeeën in Nederland in stand. Dit zijn een moskee aan het Kraaiennest 125 in Amsterdam en de Anwar-e-Madina Moskee aan het Kastelenplein 169a te Eindhoven. De stichting is eigenaar van een onroerende zaak, kadastraal omschreven als: GODSDIENST ERF – TUIN, staande en gelegen aan het Kastelenplein 169a te Eindhoven, kadastraal bekend: gemeente Gestel sectie F 1770 groot 21.37 are. Deze onroerende zaak wordt verder aangeduid als “de moskee”.

In de moskee worden vijfmaal per dag gebedsdiensten gehouden. Deze worden in beginsel geleid door een imam, die eventueel na het gebed een preek houdt. Deze preek dient, evenals de andere activiteiten van de stichting, gericht te zijn op het bevorderen van de eenheid binnen de geloofsgemeenschap, het uitdragen van het Islamitische geloof en de onderlinge contacten binnen de geloofsgemeenschap.

[gedaagde 1] heeft een aantal jaren als imam voor de stichting gewerkt. Sinds 1 januari 2006 is er geen arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht meer tussen de stichting en [gedaagde 1]. Er hebben zich verschillen van mening tussen het bestuur van de stichting en [gedaagde 1] voorgedaan, welke verschillen dusdanig zijn geëscaleerd dat de stichting [gedaagde 1] in kort geding heeft betrokken.

Bij vonnis van 29 december 2006 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank de volgende voorziening gegeven:

4.1. verbiedt imam [gedaagde 1] om zich gedurende een periode van twee jaren na de dag van dit vonnis, of zoveel korter als het bestuur van de Stichting Welzijn Moslims zal besluiten, op de houden op of in:

a. de aan Stichting Welzijn Moslims in eigendom toebehorende moskee met erf en tuin staande en gelegen te Eindhoven aan het Kastelenplein 169a;

b. de bij Stichting Welzijn Moslims in beheer zijnde moskee staande en gelegen te Amsterdam aan het Kraaiennest 125.

4.2.verbiedt imam [gedaagde 1] om deel te nemen aan door de Stichting Welzijn Moslims georganiseerde activiteiten die plaatsvinden in een besloten omgeving, verbiedt hem om zich toegang te verschaffen tot een dergelijke besloten omgeving en beveelt hem om zich daaruit op eerste verzoek van een bestuurslid te verwijderen;

4.3. veroordeelt imam [gedaagde 1] om aan Stichting Welzijn Moslims een dwangsom te betalen van EUR 500,00 voor iedere overtreding van de verboden en het bevel, uitgesproken hiervóór in 4.1 en 4.2, zulks tot een maximum van EUR 5.000,00;

(…)

4.6. compenseert de kosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.

De voorzieningenrechter baseerde deze beslissing op met name hetgeen in r.o. 3.3. van dat vonnis is weergegeven:

3.3. Ter zitting kwam nog ter sprake dat een moskee een openbare functie heeft in die zin dat hij vrijelijk toegankelijk is voor alle moslims die daar hun religieuze plichten willen vervullen. Dat heeft weer tot gevolg dat het bestuur van de Stichting Welzijn Moslims niet volledig vrij is om gelovigen naar willekeur de toegang tot hun gebedshuis te ontzeggen. Het bestuur moet daar een aanvaardbare reden voor hebben.

3.3.1. Vast staan de betrekkelijk hoog opgelopen onmin tussen bestuur en imam [gedaagde 1] alsook de acties die imam [gedaagde 1] voornemens is in en buiten de moskee te ondernemen om voor zijn standpunten steun te zoeken binnen de gemeenschap. Nog ter zitting heeft imam [gedaagde 1] in den brede betoogd dat de kern van de gerezen problemen de bestuursleden zelf zijn. Hij heeft stukken overgelegd waarin een aantal van zijn medestanders het bestuur betichten van “leugens van de hoogste categorie”, “eigenwijsheid van de voorzitter” en dergelijke. Ook heeft hij een honderdtal verklaringen overgelegd van gelovigen die een ander bestuur willen. Dat alles wijst op een ernstig conflict, waarbij voor de rechter lang niet vast staat wie daarin het gelijk aan zijn zijde heeft. En, zoals hiervóór reeds werd overwogen, is het niet aan de rechter om over dat “gelijk” een oordeel te geven.

3.3.2. Maar gegeven het bestaan van dat conflict heeft het bestuur in redelijkheid kunnen besluiten om zijn verantwoordelijkheid te nemen door de bevoegdheid uit te oefenen om aan imam [gedaagde 1] de toegang tot de moskee te ontzeggen. En waar imam [gedaagde 1] blijk heeft gegeven zich niet bij dat besluit te willen neerleggen, kan het bestuur met een beroep op het eigendomsrecht van de Stichting Welzijn Moslims dat besluit in rechte afdwingen.

Bij brieven van 17 januari 2007 is aan [gedaagde 5] en [gedaagde 6] door de advocaat van de stichting namens de stichting de toegang tot de moskeeën ontzegd. Als reden daarvoor werd vermeld dat zij zich, net als de heer [gedaagde 1], onjuist opstellen en zich ook in de moskee op een voor de stichting onacceptabele wijze opstellen. Bij brief van 25 januari 2007 van dezelfde raadsman zijn beide weer voorwaardelijk toegelaten.

[gedaagde 1] is sedert 1 januari 2007 niet meer in de moskee verschenen en tot december 2008 heeft er rust geheerst in de moskee en de geloofsgemeenschap.

In verband het aanstaande einde van de werking van het rechterlijk verbod van 29 december 2006, heeft de stichting bij brief van 12 december 2009 aan [gedaagde 1] bericht dat zij bereid zou zijn hem de toegang tot de moskee vanaf 29 december 2008 weer te verlenen, zij het onder de uitdrukkelijke voorwaarde dat deze toegang beperkt wordt tot (eenvoudige) deelname aan het gebed en niet inhoudt dat [gedaagde 1] ook als imam of voorganger optreedt. [gedaagde 1] werd uitdrukkelijk meegedeeld dat wanneer moskeegangers hem zouden vragen om als voorganger of als imam op te treden, hij nimmer op een dergelijk verzoek zou mogen ingaan. Ook als moskeegangers in hun privé bijeenkomsten in de moskee of in de culturele hal van de moskee hem zouden verzoeken om lezingen te geven of discussies te voeren diende hij deze verzoeken te allen tijde te weigeren. “Er mag geen sprake zijn van enige activiteit, die de huidige toestand van rust in de moskee verstoort”, aldus de raadsman van de stichting in de genoemde brief. De brief besluit dat mede waarschuwing dat bij overtreding van de voorwaarde of anderszins misbruik van de situatie de stichting zonder nadere aankondiging over zal gaan tot het nemen van rechtsmaatregelen, waaronder mede het voeren van een kort geding procedure, waarbij de koste op [gedaagde 1] zullen worden verhaald.

Op 23 december 2008 heeft de stichting, ditmaal door de huidige raadsvrouwe, opnieuw een waarschuwingsbrief aan [gedaagde 1] verstuurd.

Op 2 februari 2009 heeft zich een ernstig incident voorgedaan. Na het gebed zijn [gedaagde 1] en de meeste gedaagden naar buiten gegaan en hebben zich vlak naast de poort aan de buitenzijde van het hek opgesteld. De afdelingsbestuurder [naam] en zijn echtgenote hebben als laatste de moskee verlaten. Nadat [de afdelingsbestuurder] had afgesloten zijn ook zij in de auto het terrein van de moskee af gegaan. Daarbij zijn zij in contact gekomen met de groep die vlak bij de poort stond. Het is toen tot een handgemeen gekomen, waarbij [de afdelingsbestuurder] letsel heeft opgelopen. Blijkens het proces-verbaal van aangifte van diezelfde dag heeft de verbalisant geconstateerd dat [de afdelingsbestuurder] verwondingen had zoals losse voortanden en schaafwonden op linker pink en duim.

Het geschil tussen partijen

De stichting vordert dat de voorzieningenrechter, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

(a) gedaagden zal verbieden zich op te houden binnen de door de stichting gedreven moskeeën aan het Kastelenplein 169a te Eindhoven en het Kraaiennest 125 te Amsterdam, alsmede (in het gebied) rond die moskeeën met een straal van tweehonderd meter;

(b) gedaagden zal verbieden deel te nemen aan de activiteiten van de geloofsgemeenschap van de hiervoor genoemde moskeeën, voor zover die binnen of buiten deze moskeeën plaatsvinden;

(c) althans – subsidiair – een zodanige voorziening zal geven als de voorzieningenrechter in goede justitie zal vermenen te behoren;

(d) alles, althans het onder (a) en (b) gevorderde, op straffe van een dwangsom van EUR 1.000,00 per dag of dagdeel dat gedaagden nalaten aan de verplichtingen uit dit vonnis te voldoen, zulks met onmiddellijke ingang na betekening van dit vonnis;

(e) gedaagden hoofdelijk zal veroordelen aan de stichting te betalen een bedrag van EUR 11.153,43 plus PM;

(f) gedaagden hoofdelijk zal veroordelen in de kosten van deze procedure.

Voor wat betreft de activiteiten van de geloofsgemeenschap die plaatsvinden buiten de moskee, bedoelt de stichting met name het offerfeest, dat grotendeels in het slachthuis op het industrieterrein gevierd wordt, en de processie door de stad ter gelegenheid van de verjaardag van de Profeet.

Zij legt aan - in de kern weergegeven - aan haar vordering ten grondslag dat gedaagden de rust verstoren in de moskee en in de geloofgemeenschap. Op de grondslag zal hieronder nader worden ingegaan.

Gedaagden voeren verweer en staan alle op het standpunt dat de vorderingen in hun geheel moeten worden afgewezen. De afzonderlijke stellingen van gedaagden zullen voor zover relevant voor de eindbeslissing hieronder nader worden besproken.

Het oordeel van de voorzieningenrechter

Voor alle duidelijkheid stelt de voorzieningenrechter voorop dat het in een kort geding alleen kan gaan om het verkrijgen van een voorlopige maatregel in een situatie waarin niet de uitkomst van een gewone civiele procedure kan worden afgewacht. Daarbij is de vóóronderstelling van de wet dat het kort geding zal worden gevolgd door een gewone burgerrechtelijke procedure, zij het dat het geheel aan partijen zelf wordt overgelaten of zij (ongeacht of zij eisende of verwerende partij zijn, dan wel of zij in kort geding in het gelijk gesteld zijn of juist niet) een dergelijke gewone procedure (ook wel de “bodemprocedure” genoemd) aanhangig zullen maken of niet. In een kort geding staat snelheid voorop en daarom is er ook maar weinig ruimte om een diepgaand onderzoek naar de waarheid van door partijen gedane stellingen uit te voeren. De waarheid zal uiteindelijk in de eventuele bodemprocedure moeten worden vastgesteld. Het oordeel van de voorzieningenrechter kan daarom vanuit dat perspectief niet anders dan van een voorlopig karakter zijn.

Wellicht ten overvloede brengt de voorzieningenrechter nog in herinnering hetgeen in het vonnis van 29 december 2006 is overwogen onder r.o. 3.2.

Het beginsel van scheiding van kerk en staat brengt met zich mee dat de rechter niet treedt in de vraag of het bestuur van de Stichting Welzijn Moslims dan wel imam [gedaagde 1] zich het meest gedraagt ter bevordering van het welzijn en het heil van de islamitische geloofsgemeenschap, of wie van hen in strijd daarmee handelt. Dat wordt niet anders door de omstandigheid dat imam [gedaagde 1] kennelijk de nodige steun in de geloofsgemeenschap geniet. Slechts indien een bestuurslid (of het collectieve bestuur) handelt in strijd met wet of statuten dan wel zich schuldig maakt aan wanbeheer, kan hij of het op vordering van iedere belanghebbende worden ontslagen (art. 2:298 BW). Gesteld noch gebleken is dat daarvan sprake is. En zolang daarvan geen sprake is, is het bestuur van de Stichting Welzijn Moslims, dat verantwoordelijk is voor een waardig en gepast gebruik van de eigendommen van de stichting waaronder in het bijzonder de moskeeën, als enige maar dan ook ten volle bevoegd die maatregelen te treffen die dat bestuur in het belang acht van dat waardige gebruik en daarmee indirect aan de doelstellingen van de stichting.

Met betrekking tot de vorderingen onder (a), (b) en (c).

De voorzieningenrechter stelt voorop dat, zoals artikel 5 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt, het de eigenaar van een zaak met uitsluiting van een ieder vrijstaat van de zaak gebruik te maken. De wet stelt daaraan de beperking dat het gebruik niet in strijd mag komen met rechten van anderen en de wettelijke voorschriften en regels van ongeschreven recht. De stichting is daarom degene die bepaalt wie er in de moskee mag komen en wie niet, en eventueel onder welke voorwaarden er bezoek mag plaatsvinden. Degene die in strijd met de uitdrukkelijke wil van de eigenaar toch gebruik maakt van die zaak maakt zich schuldig aan een strafbaar feit. Het staat de stichting dus vrij aan iedereen een moskee-verbod op te leggen. Degene die zich desondanks in de moskee bevindt, handelt daarmee tevens onrechtmatig en in strijd met het subjectief recht van de eigenaar. Het vast rechtspraak dat de eigenaar aldus een voldoende spoedeisend belang heeft in kort geding een voorziening te vragen, waarbij het de gedaagde op straffe van een dwangsom wordt verboden het subjectieve recht, zoals het recht van eigenaar, te schenden.

Hier moet dus ten aanzien van het gevorderde, voor zover dat neerkomt op een verbod om de moskee te betreden en daarin op enig moment – al dan niet gedurende de eredienst en/of gezamenlijk gebed – aanwezig te zijn, worden bezien of er een recht aan de zijde van gedaagden bestaat om toch in de moskee aanwezig te mogen zijn, althans dat de stichting een recht van gedaagden schendt door hen te verbieden in de moskee te komen.

Het is van belang dat de stichting de moskee heeft opengesteld voor in beginsel iedereen, en in het bijzonder voor alle soenni moslims. Dat betekent dat de stichting zich niet aan willekeur mag schuldig maken door zonder goede reden mensen de toegang tot de moskee te weigeren; met andere woorden zij moet daarvoor dan een goede reden hebben. Als een dergelijke reden heeft de stichting aangevoerd dat [gedaagde 1] onrust en angst zaait binnen de geloofsgemeenschap en dat de anderen onder leiding van [gedaagde 1] daaraan deelnemen.

Meer in het bijzonder heeft zij ten aanzien van de gedaagden afzonderlijk het volgende aangevoerd.

(i) [gedaagde 1]: hij heeft gepreekt en overtreedt het hem opgelegde moskeeverbod omdat hij niet voldoet aan de toegangsvoorwaarde. Hij bidt apart.

(ii) alle gedaagden: op 28 december 2008 wilden zij niet de moskee vrijwillig verlaten en moest daarvoor de hulp van de politie ingeroepen worden

(iii) naar aanleiding van een incident op 2 februari 2009:

- [gedaagde 3] is tegen de buitenspiegel van de auto van [de afdelingsbestuurder] gelopen toen deze op 2 februari 2009 het terrein van de moskee wilde verlaten en hij heeft de echtgenote van [de afdelingsbestuurder] uitgescholden en zwaar beledigd. Verder heeft hij toen [de afdelingsbestuurder] geschopt en geslagen, waardoor deze letsel leeft opgelopen: kneuzingen en vier losse tanden.

- [gedaagde 2] heeft bij hetzelfde incident [de afdelingsbestuurder] eveneens geschopt en geslagen.

- De andere gedaagden hebben nagelaten bij dat incident [gedaagde 3] en [gedaagde 2] van hun wandaden te weerhouden.

- Gedaagde sub 6, [naam], heeft later op het politiebureau [de afdelingsbestuurder] geslagen en in het gezicht gespuugd.

(iv) alle gedaagden (behoudens [gedaagde 1], die al een moskeeverbod had) hebben op 4 februari 2009 een moskee verbod ontvangen en allen komen desondanks toch in de moskee.

De aanleiding tot deze conflictueuze situatie is gelegen in het feit dat [gedaagde 1] zich niet aan de voorwaarden wenst te houden die de stichting hem had gesteld om hem weer toegang tot de moskee te willen verlenen. [gedaagde 1] trotseert die voorwaarden en neemt daarin familieleden (de andere gedaagden) van hem mee.

[gedaagde 1] heeft betwist dat hij onrust stookt en de hand heeft gehad in incidenten in december 2008. Verder voort hij aan dat hij er niets aan kan doen als er anderen zijn die zich in de moskee achter hem opstellen om (ook) te bidden. Hij stelt zich aan de voorwaarden voor de toegang tot de moskee, die door de stichting zijn gesteld, te houden.

Dit komt de voorzieningenrechter weinig oprecht over. [gedaagde 1] stelt de opleiding van imam te hebben afgerond en daarom gerechtigd te zijn die titel in zijn algemeenheid te mogen dragen. Hij werpt zich op als leider, zoals blijkt uit zijn brief van vrijdag 7 september 2007 (productie 22 van de stichting). In die brief biedt hij excuses aan voor door hem gemaakte fouten bij zijn pogingen de eenheid in de djamaat (geloofsgemeenschap) te herstellen. Hij aanvaart daarmee de verantwoordelijkheid voor zijn handelen en geeft aan dat hij zich als leider blijft opstellen. Het is dan ongeloofwaardig als hij stelt niet bij machte te zijn mensen die zich achter hem opstellen daarvan te weerhouden. Dat zich mensen achter hem opstellen in de moskee kan ook geen toeval zijn; die mensen doen dat uiteraard bewust om hem, [gedaagde 1], als leider te aanvaarden en dat ook openlijk tot uitdrukking te brengen.

In zijn hier aangehaalde brief geeft [gedaagde 1] aan niet van plan te zijn “om een eigen djamaat te beginnen”. Integendeel, hij wil met de steun van de geadresseerden, te weten alle moslim broeders en zusters, “onze eigen djamaat terugwinnen”. Verder geeft hij aan dat de stichting niet handelt volgens de “qur’an en hadies”. [gedaagde 1] zegt dat hij zal proberen zo veel mogelijk activiteiten te organiseren om samen de geadresseerden (die uiteraard vooral de degenen zijn die deel uit maken van de geloofsgemeenschap van de moskee te Eindhoven) de moskee terug te krijgen.

Van deze brief heeft [gedaagde 1] geen afstand genomen. Het staat tussen partijen vast dat het gedurende te twee jaren dat het rechterlijk verbod van het vonnis van 29 december 2009 gold, rustig is geweest. Het feit dat de onrust juist weer ontstaat op het moment dat de rechterlijk moskeeverbod tot een einde loopt (zelfs uitmondend in de opwinding die het gebeuren op 2 februari 2009 in de hand heeft gewerkt), lijkt dan ook niet toevallig.

[gedaagde 1] wijst op de “Permission letter” van Shah Anas Noorani, van de World Islamic Mission Pakistan (Trust), die namens die Mission verzoekt om [gedaagde 1] weer toe te laten tot het gebed in de moskee. Maar hij vergeet daarbij te zeggen dat in diezelfde brief ook de voorwaarde wordt gesteld dat hij, [gedaagde 1], dan eerst de garantie moet geven dat hij niet opnieuw hetzelfde zal doen als hij eerst had gedaan (kennelijk hetgeen dat aanleiding is geweest voor het rechterlijk verbod van december 2006, vzr.) en er geen verstoringen en groepsvormingen meer zullen plaatsvinden in de moskee. En dat is nu precies wat er nu wel gebeurt, hetgeen dus ook in de mening van de schrijver van deze brief niet mag gebeuren.

[gedaagde 1] verschilt nog steeds in diepgaande mate van mening met (het bestuur van) de stichting en legt zich niet bij de zeggenschap en leiderschap van het bestuur neer. Het ligt voor de hand dat hij een leidende rol speelt bij de onrust (en zelfs angstgevoelens) in de geloofsgemeenschap. De voorzieningenrechter acht daarom voldoende aanleiding om in het belang van de stichting en de geloofsgemeenschap [gedaagde 1] wederom een verbod te geven om de moskee te betreden. Gelet op het vergaande karakter van een dergelijke maatregel zal ook deze keer de voorziening in de tijd worden beperkt.

[gedaagde 1] heeft zich niet speciaal te weergesteld tegen de gevorderde voorziening, voor zover die de moskee te Amsterdam betreft. [gedaagde 1] zal ook weinig belang hebben om juist die moskee te betreden. Voor alle duidelijkheid zal die moskee weer in het verbod worden begrepen.

Ten aanzien van de andere gedaagden overweegt de voorzieningenrechter dat ook voor hen in elk geval geldt dat zij gedurende de tijd dat een rechterlijk moskeeverbod voor [gedaagde 1] gold, zich rustig hebben gedragen. Naar de voorzieningenrechter veronderstelt (zie hetgeen hierboven is overwogen) hangen hun acties samen met hetgeen [gedaagde 1] nastreeft. Nu jegens [gedaagde 1] een moskeeverbod zal worden uitgesproken, is het onvoldoende aannemelijk dat zij zich in de nabije toekomst in de moskee onrechtmatig zullen gedragen. Jegens hen zal het gevraagde verbod worden afgewezen. Uiteraard kan de stichting zich weer tot de voorzieningenrechter in kort geding wenden wanneer de situatie zal blijken toch anders te zijn.

Bij deze beslissing speelt het incident op 2 februari 2009 maar een beperkte rol. In de eerste plaats staat de feitelijke toedracht niet vast. Partijen verschillen over en weer diametraal van mening wie als aanstichter heeft te gelden en hebben daaromtrent diverse verklaringen in het geding gebracht. Deze zaak is nog in onderzoek bij de politie. Ten tweede gaat het vooralsnog, voor wat betreft het geweld, om een incident. In het algemeen is één enkel incident onvoldoende om meteen een reële dreiging op herhaling op te kunnen baseren. Ten derde geldt ook hier dat de aanleiding kennelijk is geweest de opstelling van [gedaagde 1] vlak daaraan voorafgaande in de moskee, namelijk het herhaaldelijk aandringen op een gesprek met [de afdelingsbestuurder], die daarvoor op dat moment niet beschikbaar was.

Met betrekking tot de vordering om gedaagden te verbieden deel te nemen aan activiteiten van de geloofsgemeenschap in de moskee, overweegt de voorzieningenrechter het volgende. In de eerste plaats heeft een dergelijke voorziening geen zin voor zover iemand, in dit geval dus [gedaagde 1], reeds een verbod krijgt om in de moskee te komen. Voor zover geen moskeeverbod wordt opgelegd (in dit geval dus ten aanzien van de overige gedaagden) zou een dergelijke verbod een toch erg bizarre uitwerking hebben; men mag wel gewoon in de moskee komen maar niet deelnemen aan het gezamenlijk gebed. Vooralsnog komt dit de voorzieningenrechter niet opportuun voor.

Voor zover de vorderingen onder (a) tot en met (c) een verdergaand e strekking hebben dat het zojuist behandelde verbod om de eigendom te betreden (moskee-verbod), namelijk een verbod om zich (in het gebied) rond die moskeeën met een straal van tweehonderd meter te bevinden en om deel te nemen aan de activiteiten van de geloofsgemeenschap van de hiervoor genoemde moskeeën, voor zover die buiten deze moskeeën plaatsvinden, ligt het principieel anders. Het staat eenieder in beginsel vrij zich in het land te verplaatsen en zich te bevinden in de openbare ruimte. Slechts om zwaarwegende redenen is er plaats voor een civielrechtelijk verbod om zich ergens in die ruimte te bevinden. Een dergelijke zwaarwegende reden is onder meer (en vooral) de reële dreiging dat iemand zich zal schuldig gaan maken aan onrechtmatig handelen jegens een of meer personen, juist op die plaats waarop het civielrechtelijk verbod betrekking heeft.

In het onderhavige geval is als zwaarwichtige reden aangevoerd het belang van de rust in de geloofsgemeenschap welk belang door gedaagden zal in gevaar zal worden gebracht, althans bestaat daarop een reëel kans, indien zij binnen het aangegeven gebied (twee honderd meter rond de moskee en in de nabijheid van activiteiten van geloofsgemeenschap waar dan ook) .

Bij de beoordeling van dit onderdeel weegt mee dat het gevraagde moskeeverbod jegens [gedaagde 1] zal worden toegewezen. Om dezelfde reden zal de gevraagde voorziening bestaande uit een verbod om deel te nemen aan de activiteiten van de geloofsgemeenschap buiten de moskee worden toegewezen. Weliswaar is dit een weinig duidelijk te omgrenzen gedrag, maar in elk geval zullen de meest vergaande vormen ervan onder het verbod vallen.

Voor het overige zal de vordering op dit punt worden afgewezen. Het valt niet goed in te zien dat daarnaast een straatverbod nog dringend nodig is. Dit nog te minder nu gedaagden ook recht en reden kunnen hebben om winkels en andere ruimten in de nabijheid van de moskee te bezoeken. Daarbij merkt de voorzieningenrechter op dat het aan de andere kant ook niet goed valt in te zien waarom gedaagden zich in de nabijheid van de moskee hinderlijk zouden ophouden. Voor wat betreft [gedaagde 1] overweegt de voorzieningenrechter nog in het bijzonder dat eventueel hinderlijk gedrag van hem voor de poort van de moskee uiteraard een negatieve invloed zal hebben op een eventuele beslissing over een te verlengen moskeeverbod. Voorst geldt in het algemeen hetzelfde als hierboven al is overwogen.

Met betrekking tot de vordering onder (e).

Deze vordering strekt tot hoofdelijke veroordeling van gedaagden om aan de stichting te betalen “een bedrag van EUR 11.153,43 plus PM” ter zake advocaatkosten. Zij verwijst voor de samenstelling van dat bedrag naar productie 21. Die productie bevat inderdaad declaraties van mr Nieuwenhuizen aan de stichting, en wel de volgende:

A: 26 januari 2007 over de periode december 2006 ad EUR 4.980,26

B: 28 januari 2009 over de periode tot en met december 2008 ad EUR 978,22

C: een ongedateerde opstelling voor 14 uur in januari 2009 ad EUR 5.194,95

totaal EUR 11.153,43

Een vordering tot betaling van een geldsom kan in kort geding slechts worden toegewezen indien de vordering zelf voldoende aannemelijk is en de eisende partij een zodanig spoedeisend belang heeft dat het, gelet op de mate van aannemelijkheid van de vordering, zwaarder weegt dan het belang van de wederpartij, om niet op voorhand te moeten betalen een daarmee het risico van insolventie te lopen wanneer de bodemrechter mocht beslissen dat de betaling niet verschuldigd was.

Aan deze eis is hier niet voldaan. Het spoedeisend belang is niet anders toegelicht dan de stelling dat de stichting over beperkte financiële middelen beschikt en in de vorige kortgeding procedure de kosten ter onrechte zijn gecompenseerd.

De laatste stelling heeft betrekking op de post onder “A:” Daarvan hebben gedaagden terecht aangevoerd dat indien de stichting het met die beslissing van de voorzieningenrechter niet eens was, zij daarvan in hoger beroep had moeten komen. Bovendien hadden de buitengerechtelijke kosten (zo er inderdaad vergoeding van buitengerechtelijke werkzaamheden wordt gevorderd) in een afzonderlijke bodemprocedure kunnen en moeten worden gevorderd. Voor de posten onder “B” en “C” geldt dat die hoogst waarschijnlijk vallen onder de werkzaamheden waarvoor de proceskostenveroordeling in een procedure een vergoeding pleegt in te houden. Voor vergoeding van andere werkzaamheden is alleen dan plaats indien aan de zogenaamde dubbele redelijkheidstoets is voldaan. Daaromtrent is niets gesteld. Reeds op grond van het voorgaande zal dit onderdeel van de vordering worden afgewezen.

Met betrekking tot de vordering onder (f).

Voor wat betreft de proceskosten geldt [gedaagde 1] als de in het ongelijk te stellen partij voor zover de vordering jegens hem is ingesteld. De kosten van de stichting worden begroot op EUR 381,30 aan verschotten en EUR 500,00 aan salaris advocaat.

Voor wat betreft de andere gedaagden is de stichting de in het ongelijk te stellen partij. Zij zal de kosten van de overige gedaagden moeten dragen. Deze worden begroot op EUR 262,00 aan vast recht en EUR 400,00 aan salaris advocaat.

De beslissing

De voorzieningenrechter

verbiedt [gedaagde 1] zich op te houden binnen de door de stichting in stand gehouden moskeeën aan het Kastelenplein 169a te Eindhoven en het Kraaiennest 125 te Amsterdam;

bepaalt dat [gedaagde 1] een dwangsom verbeurt van EUR 500,00 per keer dat hij dit verbod overtreedt;

bepaalt dat deze voorziening van kracht is voor de duur van twee jaren na de betekening van dit vonnis;

veroordeelt [gedaagde 1] in de kosten van het geding, aan de zijde van de stichting gevallen voor zover door hem veroorzaakt, en begroot op EUR 881,30;

veroordeelt de stichting in de kosten van het geding aan de zijde van de overige gedaagden gevallen, welke als volgt worden begroot:

- aan de zijde van gedaagde sub 2: nihil

- aan de zijde van gedaagde sub 3: EUR 662,00;

- aan de zijde van gedaagde sub 4: EUR 662,00;

- aan de zijde van gedaagde sub 5: EUR 662,00;

- aan de zijde van gedaagde sub 6: EUR 662,00;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.F.M. Strijbos en in het openbaar uitgesproken op 25 februari 2009.