Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2009:BH3336

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
05-02-2009
Datum publicatie
18-02-2009
Zaaknummer
AWB 08-4274
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Betreft de gehandhaafde weigering tot plaatsing van verzoeker op het Udens College. De voorzieningenrechter beoordeeld ambtshalve zijn bevoegdheid en komt tot het oordeel dat het Udens College kan niet worden aangemerkt als een openbare school in de zin van de Wet op het voortgezet onderwijs. Hieruit volgt dat haar organen in beginsel niet kunnen worden aangemerkt als bestuursorgaan, in de zin van artikel 1:1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb. De beslissing omtrent het al dan niet toelaten van een leerling tot het bijzonder voortgezet onderwijs kan niet als de uitoefening van enig openbaar gezag worden aangemerkt. De voorzieningenrechter verklaart zich onbevoegd. Ter zake kan uitsluitend een vordering aanhangig worden gemaakt bij de burgerlijke rechter.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 1:1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-HERTOGENBOSCH

Sector bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 08/4274

Uitspraak van de voorzieningenrechter van 5 februari 2009

inzake

[verzoeker],

te [plaats],

verzoeker,

gemachtigde mr. H.M.S. Cremers,

tegen

de voorzitter van de centrale directie van het Udens College,

te Uden,

verweerder,

gemachtigde mr. H.J. Brouwer.

<b>Procesverloop</b>

Bij brief van 19 september 2008 heeft de toelatingscommissie van het Udens College medegedeeld niet tot plaatsing van verzoeker [verzoeker], geboren [geboortedatum] 1994, op het Udens College (in de tweede klas van het VMBO-T) over te gaan.

Hiertegen heeft verzoeker bij brief van 23 september 2008 bezwaar gemaakt.

Bij brief van 8 december 2008 heeft verzoeker de voorzieningenrechter van de rechtbank verzocht een voorlopige voorziening te treffen als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Bij brief van 15 december 2008 heeft verweerder medegedeeld dat de weigering tot plaatsing van verzoeker wordt gehandhaafd.

Hiertegen heeft verzoeker bij brief van 22 december 2008 beroep ingesteld bij de rechtbank.

De zaak is behandeld op de zitting van 22 januari 2009, waar namens verzoeker is verschenen zijn gemachtigde, bijgestaan door de ouders van verzoeker. Verweerder is verschenen in persoon, bijgestaan door zijn gemachtigde en vergezeld door [...] en [...].

<b>Overwegingen </b>

1. Ingevolge artikel 8:81 van de Awb kan, onder meer indien tegen een besluit beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2. Ingevolge artikel 8:86, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter, indien het verzoek wordt gedaan indien beroep bij de rechtbank is ingesteld en de voorzieningenrechter van oordeel is dat na de zitting als bedoeld in artikel 8:83, eerste lid, van de Awb nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, onmiddellijk uitspraak doen in de aan het verzoek om een voorlopige voorziening ten grondslag liggende hoofdzaak.

3. De voorzieningenrechter is van oordeel dat zich hier een situatie voordoet als bedoeld in artikel 8:86 van de Awb en zal derhalve onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak.

4. Alvorens aan de inhoud van de zaak kan worden toegekomen dient ambtshalve te worden beoordeeld of de rechtbank bevoegd is van de aan het verzoek ten grondslag liggende hoofdzaak kennis te nemen.

5. Ingevolge artikel 8:1, eerste lid, van de Awb kan een belanghebbende tegen een besluit beroep instellen bij de rechtbank. Ingevolge artikel 1:3, eerste lid, van de Awb wordt onder een besluit verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.

6. Ingevolge artikel 1:1 van de Awb wordt onder een bestuursorgaan verstaan:

a. een orgaan van een rechtspersoon die krachtens publiekrecht is ingesteld, of

b. een ander persoon of college, met enig openbaar gezag bekleed.

7. Ter zitting is door verweerder toegelicht dat het Udens College is ontstaan door een samenvoeging van een openbare school en twee bijzondere scholen voor christelijk onderwijs. Het Udens College wordt in standgehouden door een met het oog op deze samenvoeging opgerichte stichting. Deze stichting draagt de naam Samenwerkingsstichting voor Voortgezet Onderwijs Uden (hierna: de Samenwerkingsstichting). De oorspronkelijke scholen en hun denominatie zijn als zodanig niet meer in het Udens College herkenbaar. De centrale directie bestaat uit twee door het bestuur van de Samenwerkingsstichting benoemde leden.

8. Vastgesteld wordt dat de Samenwerkingsstichting niet als een krachtens publiekrecht ingestelde rechtspersoon in de zin van 1:1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb kan worden aangemerkt. Derhalve zijn de brieven van 19 september 2008 en 15 december 2008 niet afkomstig van een bestuursorgaan, als bedoeld in die bepaling.

9. De rechtbank zal vervolgens beoordelen of sprake is van een ander college dat met enig openbaar gezag is bekleed.

10. Ingevolge artikel 1 van de Wet op het voortgezet onderwijs (WVO) wordt onder “openbare school” verstaan een door een stichting als bedoeld in artikel 42b of 53c in stand gehouden school. Onder “bijzondere school” wordt verstaan een door een natuurlijke persoon of door een privaatrechtelijke rechtspersoon, niet zijnde een stichting als bedoeld in artikel 42b, in stand gehouden school.

11. Ingevolge artikel 53c, eerste lid, van de WVO kan de instandhouding van een of meer openbare en een of meer bijzondere scholen worden opgedragen of overgedragen aan een stichting die met dit doel wordt onderscheidenlijk is opgericht.

Ingevolge het tweede lid van voormeld artikel is het statutaire doel van de stichting in elk geval het geven van openbaar onderwijs en onderwijs van een of meer richtingen in afzonderlijke scholen voor openbaar onderwijs onderscheidenlijk bijzonder onderwijs.

Ingevolge het vijfde lid van voormeld artikel voorzien de statuten in ieder geval in een regeling omtrent:

a. de samenstelling, werkwijze en inrichting van het bestuur van de stichting,

b. de wijze van benoeming, herbenoeming, schorsing en ontslag van de bestuursleden,

c. de termijn waarvoor de bestuursleden worden benoemd,

d. de vaststelling van de begroting en jaarrekening na overleg met de gemeenteraad van de gemeente waarin de openbare school is gelegen,

e. de wijze waarop de gemeenteraad van de gemeente waarin de openbare school is gelegen, toezicht op het bestuur van de openbare school uitoefent,

f. de gronden waarop het bestuur kan besluiten de vergaderingen besloten te houden,

g. de periode waarvoor de stichting in het leven wordt geroepen, met dien verstande dat deze periode ten minste 5 jaren bedraagt, en

h. de bevoegdheid de stichting te ontbinden,

met dien verstande dat in de regeling een overheersende invloed van de overheid in het bestuur is verzekerd voor zover het openbaar onderwijs betreft.

Ingevolge het zesde lid van voormeld artikel kunnen de statuten van de stichting slechts worden gewijzigd na goedkeuring van de gemeenteraad van de gemeente waarin de openbare school is gelegen. Goedkeuring kan slechts worden onthouden indien overheersende invloed van de overheid in het bestuur niet is verzekerd voor zover het openbaar onderwijs betreft.

12. Uit artikel 3 van de statuten van de Samenwerkingsstichting blijkt dat zij zich ten doel stelt het doen geven en bevorderen van voortgezet onderwijs; een en ander op grondslag van samenwerkingsonderwijs, welk onderwijs toegankelijk is voor leerlingen van alle gezindten en stromingen.

Uit artikel 5 van de statuten volgt -voor zover hier relevant- dat de stichting wordt bestuurd door een bestuur bestaande uit ten minste zeven en ten hoogste negen personen, dat de benoeming van de leden geschiedt door het bestuur van de stichting en dat een persoon op voordracht van burgemeester en wethouders van de gemeente Uden wordt benoemd.

Uit de artikelen 17 en 18 van de statuten volgt -voor zover hier relevant- dat het besluit tot ontbinding van de stichting wordt genomen door het bestuur van de stichting en dat, na ontbinding van de stichting, het de taak van de gemeentelijke overheid is te zorgen voor een voldoende aantal openbare scholen.

13. Vastgesteld wordt dat de statuten van de Samenwerkingsstichting niet voldoen aan het in artikel 53c, tweede lid, van de WVO neergelegde vereiste dat openbaar onderwijs en onderwijs van een of meer bijzondere richtingen in afzonderlijke scholen voor openbaar onderscheidelijk bijzonder onderwijs wordt gegeven. Voorts is in de statuten niet verzekerd dat de overheid ter zake van de in artikel 53c, vijfde lid, van de WVO genoemde aspecten een overheersende invloed in het bestuur heeft voor zover het openbaar onderwijs betreft. Immers, slechts een bestuurslid wordt op voordracht van burgemeester en wethouders van de gemeente Uden benoemd.

Reeds vanwege deze laatste omstandigheid kan de Samenwerkingsstichting evenmin als een stichting in de zin van artikel 42b van de WVO worden aangemerkt. In dit wetsartikel wordt ten aanzien van een daar bedoelde stichting eveneens de eis gesteld van een overwegende invloed van de overheid in het bestuur.

14. Gelet op het vorenstaande kan het Udens College niet als een openbare school in de zin van de WVO worden aangemerkt. Hieruit volgt dat haar organen in beginsel geen openbaar gezag uitoefenen en niet kunnen worden aangemerkt als bestuursorgaan, als bedoeld in artikel 1:1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb. De voorzieningenrechter vindt voor dit oordeel steun in de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRS) van 19 jul 2007, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl, LJN: AY4273. Hetgeen in die uitspraak ten aanzien van bijzondere instellingen voor hoger onderwijs is overwogen kan van overeenkomstige toepassing worden geacht op bijzondere scholen in de zin van de WVO.

15. De brieven van 19 september 2008 en 15 december 2008 kunnen derhalve niet worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. De beslissing omtrent het al dan niet toelaten van een leerling tot het bijzonder voorgezet onderwijs, kan immers niet als de uitoefening van een bijzondere, door de wet aan instellingen van bijzonder onderwijs toegekende vorm van openbaar gezag worden aangemerkt. Een dergelijke beslissing moet geacht worden zijn grondslag te vinden in het burgerlijk recht.

Nu bedoelde brieven niet zijn aan te merken als besluiten waartegen een voorziening openstaat op grond van de Awb, is de voorzieningenrechter onbevoegd van de hoofdzaak kennis te nemen. Hieruit vloeit voort dat de voorzieningenrechter eveneens onbevoegd is kennis te nemen van het hiermee samenhangende verzoek om een voorlopige voorziening. Ter zake kan uitsluitend een vordering aanhangig worden gemaakt bij de burgerlijke rechter.

16. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling of voor vergoeding van het griffierecht.

17. Beslist wordt als volgt.

<b>Beslissing</b>

De voorzieningenrechter,

verklaart zich onbevoegd van het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening kennis te nemen.

Aldus gedaan door mr. W.C.E. Winfield als voorzieningenrechter in tegenwoordigheid van A.J.H. van der Donk als griffier en in het openbaar uitgesproken op 5 februari 2009.

Partijen kunnen tegen deze uitspraak -voor zover daarbij op het beroep is beslist- binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag.

Afschriften verzonden: