Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2009:BH2754

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
11-02-2009
Datum publicatie
12-02-2009
Zaaknummer
01/841410-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Promis-vonnis.

Verdachte is beroepschauffeur met een vrachtwagenrijbewijs. Hij heeft daarom een zekere "Garantenstellung", een extra verantwoordelijkheid. Bovendien bestuurde hij een zeer zwaar voertuig, een trekker met oplegger van bij elkaar ruim 16.000 kilogram. Bij een botsing met een dergelijk voertuig lopen andere verkeersdeelnemers groter gevaar dan bij een botsing met een personenauto. Op grond van het voorgaande mocht van verdachte worden verwacht dat hij meer dan een gewone verkeersdeelnemer alert zou zijn in het verkeer. Er waren op 15 augustus 2007 twee (met elkaar samenhangende) redenen om te remmen: het verkeerslicht stond op rood en de auto’s voor hem stonden nagenoeg stil. Door onder die omstandigheden niet tijdig te remmen, heeft verdachte aanmerkelijk onoplettend gehandeld. Het ongeval is dus naar het oordeel van de rechtbank aan zijn schuld te wijten als bedoeld in artikel 6 WVW.

Geldboete van Eur. 1.000,- (subsidiair 20 dagen hechtenis) en een ontzegging van de rijbevoegdheid van 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

Wetsverwijzingen
Wegenverkeerswet 1994
Wegenverkeerswet 1994 6
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Jwr 2009/28
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

Sector Strafrecht

Parketnummer: 01/841410-08

Datum uitspraak: 11 februari 2009

Vonnis van de rechtbank ’s-Hertogenbosch, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1985,

wonende te [adres].

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 28 januari 2009.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 30 december 2008.

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 15 augustus 2007 te Veghel als verkeersdeelnemer, namelijk

als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede rijdende over de weg, de N279,

zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval

heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk,

onvoorzichtig en/of onoplettend met het door hem bestuurde motorrijtuig

(trekker met tankoplegger) over genoemde weg te rijden,

immers heeft hij, verdachte,

onvoldoende oplettendheid betracht en/of zijn snelheid niet zodanig geregeld

dat hij in staat was om zijn motorrijtuig tot stilstand te brengen binnen de

afstand waarover hij, verdachte, de weg kon overzien en waarover deze vrij was,

waardoor, althans mede waardoor, een botsing of aanrijding is ontstaan tussen

het door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig en een voor hem, verdachte,

nagenoeg stilstaande, althans zich op dezelfde rijbaan bevindende personenauto

(Hyundai, bestuurd door [slachtoffer 1]) en/of

(vervolgens) waardoor, althans mede waardoor, een botsing of aanrijding is

ontstaan tussen die Hyundai en een nagenoeg stilstaande, althans zich op

dezelfde rijbaan bevindende personenauto (Ford Escort, bestuurd door [bestuurder2])

waardoor althans mede waardoor (een) ander(en),

te weten [slachtoffer 1] (bestuurder Hyundai) en/of [slachtoffer 2] (passagier Ford

Escort) en/of [passagier 1] (passagier Ford Escort)

zwaar lichamelijk letsel, te weten

- (voor [slachtoffer 1]) letsel aan nek en/of (onder)rug en/of

- (voor [slachtoffer 2]) een whiplash (rug- en/of nekletsel en/of

evenwichtsstoornissen)en/of

- (voor [passagier 1]) letsel aan nek en/of rug

althans zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke

ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;

(artikel 6 Wegenverkeerswet 1994)

Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 15 augustus 2007 te Veghel als bestuurder van een voertuig

(trekker met tankoplegger), daarmee rijdende op de weg, de N279,

onvoldoende oplettendheid heeft betracht en/of zijn snelheid niet zodanig

heeft geregeld dat hij in staat was om zijn motorrijtuig tot stilstand te

brengen binnen de afstand waarover hij, verdachte, de weg kon overzien en

waarover deze vrij was,

waardoor, althans mede waardoor, een botsing of aanrijding is ontstaan tussen

het door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig en een voor hem, verdachte,

nagenoeg stilstaande, althans zich op dezelfde rijbaan bevindende personenauto

(Hyundai, bestuurd door [slachtoffer 1]) en/of

(vervolgens) waardoor, althans mede waardoor, een botsing of aanrijding

is ontstaan tussen die Hyundai en een nagenoeg stilstaande, althans zich op

dezelfde rijbaan bevindende personenauto (Ford Escort, bestuurd door [bestuurder2]) en/of

(vervolgens) waardoor, althans mede waardoor, een botsing of aanrijding

is ontstaan tussen die Ford Escort en een nagenoeg stilstaande, althans zich

op dezelfde rijbaan bevindende personenauto (BMW, bestuurd door [bestuurder 3])

door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt,

althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd,

althans kon worden gehinderd;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;

(artikel 5 Wegenverkeerswet 1994)

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

De bewijsmiddelen en de beoordeling daarvan.

Vaststaande feiten.

Op 15 augustus 2007 reed verdachte ’s middags als bestuurder van een vrachtwagen met oplegger op de N279 in de gemeente Veghel. Hij reed uit de richting van Veghel naar ’s-Hertogenbosch.1 Op dezelfde weg en weghelft bevond zich een aantal personenauto’s, waarvan de bestuurders afremden voor een rood verkeerslicht.2 Verdachte zag de nagenoeg stilstaande auto’s voor hem niet op tijd, waardoor hij in botsing kwam met de auto voor hem,3 een Hyundai, bestuurd door de heer [slachtoffer 1].4 De Ford Escort die zich vóór de Hyundai bevond, werd van achteren aangereden. Deze auto werd bestuurd door de heer [bestuurder 2]. In die auto waren als passagiers aanwezig mevrouw [passagier 2], mevrouw [passagier 1] en mevrouw [slachtoffer 2].5 De Ford Escort schoof daardoor naar voren, tegen de auto die daarvoor stond,6 een BMW, bestuurd door [bestuurder 3]

Uit de ongevalsanalyse komt onder meer naar voren dat het helder weer was ten tijde van het ongeval en dat het wegdek droog was. De door verdachte bestuurde trekker woog 6.940 kilogram en de oplegger 9.559 kilogram, beide onbeladen. De trekker en oplegger vertoonden geen gebreken die eventueel op het ontstaan van het ongeval van invloed zouden kunnen zijn geweest.7

Als gevolg van het ongeval heeft [slachtoffer 1] fors gespannen nek- en schouderspieren opgelopen en had hij last van bewegingsbeperkingen van de nek in alle richtingen.8 Hij heeft zijn werk als gevolg van het nek- en rugletsel enige tijd niet kunnen verrichten. Op 24 september 2007 is hij op therapeutische basis gaan werken en met ingang van 29 oktober 2007 werkte hij weer hele dagen.9 Mevrouw [slachtoffer 2] heeft door het ongeval een whiplash opgelopen.10 Op 9 januari 2008 deelde zij mee dat zij nog steeds last had van evenwichtsstoornissen en dat herstel volgens de behandelend neuroloog nog zeker een jaar zou duren.11 Mevrouw [passagier 1] had na het ongeval last van haar rug en nek.12

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie is van oordeel dat het primair tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen, omdat verdachte niet tijdig heeft geremd terwijl er auto’s voor hem stilstonden en het verkeerslicht op rood stond. Het door [slachtoffer 1] opgelopen letsel levert in zijn ogen zwaar lichamelijk letsel op.

Het standpunt van verdachte

Verdachte heeft verklaard dat hij de auto’s te laat heeft opgemerkt. Hij was vlak voor het ongeval niet bezig met iets anders. Hij is geschrokken van de ernst van de gevolgen van het ongeval. Hij vraagt zich af of het mogelijk is dat de auto’s eerst met elkaar in botsing zijn gekomen voordat hij tegen de Hyundai aan reed.

Het oordeel van de rechtbank

Of er sprake is van schuld als bedoeld in artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (verder ook: WVW)hangt af van het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval.

Verdachte is beroepschauffeur met een vrachtwagenrijbewijs. Hij heeft daarom een zekere ‘Garantenstellung’, een extra verantwoordelijkheid. Bovendien bestuurde hij een zeer zwaar voertuig, een trekker met oplegger van bij elkaar ruim 16.000 kilogram. Bij een botsing met een dergelijk voertuig lopen andere verkeersdeelnemers groter gevaar dan bij een botsing met een personenauto. Op grond van het voorgaande mocht van verdachte worden verwacht dat hij meer dan een gewone verkeersdeelnemer alert zou zijn in het verkeer. Er waren op 15 augustus 2007 twee (met elkaar samenhangende) redenen om te remmen: het verkeerslicht stond op rood en de auto’s voor hem stonden nagenoeg stil. Door onder die omstandigheden niet tijdig te remmen, heeft verdachte aanmerkelijk onoplettend gehandeld. Het ongeval is dus naar het oordeel van de rechtbank aan zijn schuld te wijten als bedoeld in artikel 6 WVW.

De rechtbank acht bewezen dat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] door het ongeval zodanig lichamelijk letsel hebben opgelopen dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van hun normale bezigheden is ontstaan. De heer [slachtoffer 1] heeft namelijk als gevolg van het ongeval bijna twee maanden niet (volledig) kunnen werken. Mevrouw [slachtoffer 2] leed maanden na het ongeval nog aan evenwichtsstoornissen en de behandelend neuroloog schatte het herstelproces toen op zeker nog een jaar. De rechtbank beschikt over onvoldoende informatie die de conclusie kan dragen dat er ook bij mevrouw [passagier 1] door het ongeval sprake was van letsel als bedoeld in artikel 6 WVW.

Verdachte heeft nog als mogelijkheid naar voren gebracht dat de auto’s voor hem al met elkaar in botsing waren gekomen, voordat hij met zijn vrachtwagen tegen de Hyundai botste. Dat zou kunnen betekenen dat het letsel en de schade niet (volledig) door verdachte zijn veroorzaakt. Er is echter geen enkele aanwijzing aanwezig dat deze mogelijkheid zich heeft voorgedaan. Verdachte heeft zelf niets gezien dat daarop duidt, geen van de getuigen verklaart erover en in de verkeersongevallenanalyse is er ook geen aanwijzing te vinden van de geschetste alternatieve oorzaak. De rechtbank verwerpt het verweer daarom.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

op 15 augustus 2007 te Veghel als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede rijdende over de weg, de N279, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door aanmerkelijk onoplettend met het door hem bestuurde motorrijtuig (trekker met tankoplegger) over genoemde weg te rijden, immers heeft hij, verdachte, onvoldoende oplettendheid betracht en zijn snelheid niet zodanig geregeld dat hij in staat was om zijn motorrijtuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij, verdachte, de weg kon overzien en waarover deze vrij was, waardoor een botsing of aanrijding is ontstaan tussen het door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig en een voor hem, verdachte, nagenoeg stilstaande personenauto (Hyundai, bestuurd door [slachtoffer 1]) en vervolgens waardoor een botsing of aanrijding is ontstaan tussen die Hyundai en een nagenoeg stilstaande personenauto (Ford Escort, bestuurd door [bestuurder 2]) waardoor anderen te weten [slachtoffer 1] (bestuurder Hyundai) en [slachtoffer 2] (passagier Ford Escort) zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De kwalificatie.

Het bewezenverklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit.

De strafbaarheid.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van het feit of van de verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen te zijnen laste bewezen is verklaard.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 14a, 14b, 14c, 23, 24, 24a, 24c

Wegenverkeerswet 1994 art. 6, 175, 179.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

Ten aanzien van het primair ten laste gelegde een geldboete van € 1200,-- subsidiair 24 dagen hechtenis, alsmede een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.

Het standpunt van de verdediging.

Verdachte kan zich verenigen met de door de officier van justitie geëiste geldboete. Verder hoopt hij dat zijn rijbewijs niet wordt ingenomen, omdat hij dan zijn beroep van vrachtwagenchauffeur niet meer kan uitoefenen.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

Bij de strafoplegging zal de rechtbank in het bijzonder rekening houden met de volgende uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren gekomen omstandigheden.

In het nadeel van verdachte en derhalve strafverzwarend vindt de rechtbank de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals tot uitdrukking komt in het wettelijke strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Het gaat om een verkeersmisdrijf waarvan de gevolgen veel ernstiger hadden kunnen zijn.

Als strafverminderend neemt de rechtbank het navolgende in aanmerking:

Verdachte werd terzake strafbare feiten soortgelijk aan het door hem gepleegde strafbare feit niet eerder veroordeeld. Bovendien heeft verdachte er blijk van gegeven dat hij de ernst van het door hem aan zijn slachtoffers aangedane leed inziet. Hij heeft via de politie geprobeerd contact met de slachtoffers te krijgen, heeft hij ter zitting verklaard.

Alle feiten en omstandigheden in ogenschouw nemend zal de rechtbank een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, nu de rechtbank van oordeel is dat de op te leggen straf de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt.

Alleen voor het geval de geldboete niet volledig wordt betaald, zal de rechtbank vervangende hechtenis opleggen.

Verdachte, die beroepschauffeur is, kan zijn werk niet zonder rijbewijs uitvoeren. De rechtbank houdt daar, net als de officier van justitie, rekening mee. Met betrekking tot de op te leggen ontzegging van de rijbevoegdheid zal de rechtbank daarom bepalen dat die maatregel niet zal worden tenuitvoergelegd, mits verdachte zich tot het einde van de hierna vast te stellen proeftijd aan de voorwaarde houdt dat hij zich niet aan een strafbaar feit zal schuldig maken. De rechtbank wil met een en ander enerzijds de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit tot uitdrukking brengen en anderzijds door invloed uit te oefenen op het gedrag van de verdachte het door verdachte opnieuw plegen van een strafbaar feit tegengaan.

DE UITSPRAAK

Verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op het misdrijf:

primair

Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval

betreft waardoor een ander zodanig lichamelijk letsel wordt toegebracht dat

daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale

bezigheden ontstaat.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straf en maatregel.

BESLISSING:

T.a.v. primair:

Geldboete van EUR 1000,00 subsidiair 20 dagen vervangende hechtenis

De geldboete desgewenst te voldoen in 10 termijnen van elk EUR 100,00 per maand.

T.a.v. primair:

Ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen (bromfietsen daaronder

begrepen) voor de duur van 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2

jaren.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. J.F.M. Pols, voorzitter,

mr. A.F. van Hoorn en mr. I.M. Nusselder, leden,

in tegenwoordigheid van F.H.M. Klerkx, griffier,

en is uitgesproken op 11 februari 2009.

Mr. Nusselder is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Verklaring van verdachte ter zitting, proces-verbaal van verhoor verdachte p.36, proces-verbaal verkeersongevalsanalyse p.11

2 Processen-verbaal van verhoor [bestuurder 3] p.37, R. [bestuurder 2] p.38, [slachtoffer 1] p. 40

3 Proces-verbaal van verhoor verdachte p. 36

4 Proces-verbaal van verhoor [slachtoffer 1] p. 40

5 Processen-verbaal van verhoor [bestuurder 2], p. 38, [passagier 1] p. 42

6 Proces-verbaal van verhoor [passagier 1] p. 42

7 Proces-verbaal verkeersongevalsanalyse pp. 14 en 16

8 Medische verklaring van 21 maart 2008

9 Proces-verbaal van verhoor [passagier 2] van 5 juni 2008

10 Medische verklaring van 20 maart 2008, p. 43

11 Proces-verbaal p. 7

12 Proces-verbaal van verhoor p. 42

??

??

8

Parketnummer: 01/841410-08

[verdachte]