Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2009:BH0961

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
27-01-2009
Datum publicatie
27-01-2009
Zaaknummer
01/839349-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel van € 24.360,-- in verband met handel in cocaÏne.

De rechtbank acht geen termen aanwezig dit bedrag te matigen. (Promis-vonnis)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

Sector Strafrecht

Parketnummer ontneming: 01/839349-08

Datum uitspraak: 27 januari 2009

Vonnis van de rechtbank ’s-Hertogenbosch, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1981,

wonende te [adres],

thans gedetineerd te: P.I. HvB Grave (Unit A + B).

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 13 januari 2009.

De vordering van de officier van justitie strekt tot het opleggen van de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 42.000,00 ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft ter terechtzitting de vordering gewijzigd in die zin dat thans een bedrag ad € 24.610,00 wordt gevorderd. Naar aanleiding van de verklaring van verdachte inhoudende dat hij 25 gram cocaïne per week inkocht en dat hij daarvan 1 ½ gram cocaïne per dag zelf gebruikte gaat de officier van justitie in haar berekening uit van de verkoop van 14 ½ gram cocaïne per week gedurende 84 weken. Uitgaande van een winst van € 20,00 per gram levert dit een opbrengst op van € 24.360,00. Daarbij opgeteld het bedrag van € 250,00 ter zake van de verkoop van XTC-pillen levert op een wederrechtelijk verkregen voordeel van € 24.610,00.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsvrouwe heeft verzocht uit te gaan van de berekening van de officier van justitie. Zij heeft voorts verzocht een bedrag ter zake van vervoerskosten in mindering te brengen op genoemd bedrag. Tenslotte heeft zij verzocht het bedrag te matigen gelet op de financiële draagkracht van verdachte.

Het oordeel van de rechtbank.

De vordering is tijdig ingediend.

De rechtbank heeft in de hoofdzaak met bovenvermeld parketnummer vonnis gewezen op 27 januari 2009. De rechtbank heeft (onder meer) bewezen geacht dat verdachte in de periode van 1 juni 2006 tot en met 16 oktober 2008 te Gemert en Beek en Donk en Laarbeek op tijdstippen telkens opzettelijk heeft verkocht en afgeleverd en vervoerd een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I (feit 1).

De rechtbank heeft verdachte vrijgesproken van het deel van de tenlastelegging dat ziet op de handel in XTC-pillen. Gelet op vorenstaande zal de rechtbank het bedrag van € 250,00 ter zake van de verkoop van XTC-pillen buiten beschouwing van haar berekening laten.

De bewijsmiddelen.

- een dossier van de regiopolitie Brabant Zuid-Oost, Gezamenlijke Recherche, Gezamenlijke Recherche Helmond plus, met kenmerk PL2233/08-008639, afgesloten d.d. 18 november 2008 (hierna pv);

- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting d.d. 13 januari 2009.

Ten aanzien van de verkoop van cocaïne gaat de rechtbank, overeenkomstig het standpunt van de officier van justitie en de raadsvrouwe, uit van de volgende berekening.

In het rapport wederrechtelijk verkregen voordeel wordt uitgegaan van een periode van 84 weken1. De bewezenverklaarde periode betreft een veel langere periode. De rechtbank zal in het voordeel van verdachte uitgaan van 84 weken.

Verdachte heeft verklaard dat hij per week 25 gram cocaïne inkocht voor een bedrag van

€ 750,002. Verdachte betaalde derhalve € 30,00 per gram cocaïne.

Verdachte verkocht de cocaïne voor € 50,00 per gram3. Verdachte maakte derhalve een winst van € 20,00 per gram.

Verdachte heeft verklaard dat zijn eigen gebruik 1 ½ gram cocaïne per dag bedroeg4. Per week is dit 10 ½ gram cocaïne. Verdachte verkocht per week derhalve 14 ½ gram cocaïne.

84 weken à 14 ½ gram cocaïne = 1218 gram cocaïne

1218 gram cocaïne à € 20,00 = € 24.360,00

Op grond van vorenstaande bewijsmiddelen is de rechtbank van oordeel dat verdachte voornoemd voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van het feit ter zake waarvan hij is veroordeeld (feit 1).

Ten aanzien van het verzoek van de raadsvrouwe met betrekking tot de vervoerskosten.

De rechtbank is van oordeel dat dit verzoek onvoldoende onderbouwd is. De raadsvrouwe heeft aangevoerd dat verdachte incidenteel cocaïne afleverde met zijn bromfiets en dat hij daarnaast ook met een auto en te voet afleverde of de cocaïne aan zijn huis verkocht. De raadsvrouwe heeft onvoldoende onderbouwd met welke frequentie verdachte de cocaïne met de bromfiets afleverde en wat de hoogte is van de benzinekosten. Gelet op vorenstaande zal de rechtbank geen bedrag ter zake van vervoerskosten in mindering brengen.

Ten aanzien van het verzoek van de raadsvrouwe tot matiging gelet op de financiële draagkracht van verdachte.

De rechtbank acht geen termen aanwezig de op te leggen betalingsverplichting te matigen. De rechtbank neemt daartoe in aanmerking dat vooralsnog niet aannemelijk is geworden dat verdachte binnen een redelijke termijn na zijn detentie niet in staat moet worden geacht voldoende inkomen te verwerven, teneinde aan de betalingsverplichting te voldoen. De rechtbank neemt hierbij mede in aanmerking de leeftijd van verdachte, zijnde 27 jaar.

De op te leggen betalingsverplichting.

De rechtbank zal aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling van € 24.360,00 aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

Toepasselijke wetsartikelen.

De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

De uitspraak.

De rechtbank stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van € 24.360,00 (vierentwintigduizenddriehonderdzestig euro).

Legt aan (veroordeelde) de verplichting op tot betaling aan de Staat van een geldbedrag ter grootte van € 24.360,00 (vierentwintigduizenddriehonderdzestig euro), ter ontneming van het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel, dat hij, door middel van of uit de baten van het feit ter zake waarvan hij is veroordeeld, heeft verkregen.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. J.G. Vos, voorzitter,

mr. M.L.W.M. Viering en mr. C.A. Mandemakers, leden,

in tegenwoordigheid van mr. H. Pol-Wildeman, griffier,

en is uitgesproken op 27 januari 2009.

1 het rapport wederrechtelijk verkregen voordeel (pv pagina 124)

2 de verklaring van verdachte (pv pagina 80 en 81)

3 de verklaring van [getuige 1] (pv pagina 57), de verklaring van [getuige 2] (pv pagina 88 en 89), de verklaring van [getuige 3] (pv pagina 92 en 93) en de verklaring van verdachte (pv pagina 81)

4 de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting